Tweede Kamer der Staten Generaal


00000000.137 brief min just ontwerpbesluit van de raad van ministers v an de eu inz overeenkomsten met derde staten

Gemaakt: 14-12-1999 tijd: 17:43


2

Aan de fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Justitie


10 december 1999

Onder verwijzing naar uw brief van 1 december jl. deel ik u mede dat ik de gang van zaken betreur met betrekking tot het ontwerp-besluit van de Raad van Ministers van de EU tot machtiging van de directeur van Europol om onderhandelingen aan te knopen over overeenkomsten met derde staten of niet aan de EU gerelateerde instanties.

De besluitvorming over dit ontwerp is, zoals bekend, in de JBZ-Raad van 29 oktober 1999 door één lidstaat geblokkeerd omdat deze in de lijst van landen (artikel 2, eerste lid) Marokko en de Andes-landen Bolivia, Colombia en Peru opgenomen wenste te zien. Door het Coreper is voorgesteld aan die wens tegemoet te komen. Het aldus gewijzigde ontwerp is op 25 november jl. (tegen de avond) op mijn ministerie in de Franse versie ontvangen. Het is niet meegezonden met de aanvullende geannoteerde agenda, omdat het onderwerp van de laatst ontvangen agenda met B-punten (d.d. 29 november 1999) was afgevoerd en geen lijst met A-punten beschikbaar was

Het onderwerp is tot mijn spijt ook niet meer aan de orde gesteld tijdens het Algemeen overleg van 30 november jl. Dit is niet gebeurd omdat het als het ware was `ondergesneeuwd' onder de veelheid van onderwerpen die zijn besproken, bespreking van het onderwerp reeds bij de voorbereiding van de JBZ-Raad van 29 oktober jl. was betrokken en het besluit volstrekt niet de politieke lading heeft die door sommigen eraan wordt toegekend. Het ontwerp heeft al helemaal niet de strekking die in sommige publiciteitsmedia eraan is gegeven.

Ik doe u hierbij toekomen de Nederlandse versie van het document dat op 1 december door mijn ministerie is ontvangen. Doc. 13107/99 Europol
45 Ik maak van de gelegenheid gebruik enkele toelichtende kanttekeningen bij het ontwerp-besluit te plaatsen

Uitgangspunt is dat, incidentele gevallen daargelaten, aan samenwerking van Europol met derde staten en instanties een overeenkomst ten grondslag moet liggen.

De directeur van Europol heeft de uitdrukkelijke toestemming van de Raad nodig om onderhandelingen aan te knopen met derde staten en niet aan de EU gerelateerde instanties. Deze toestemming dient met eenparigheid van stemmen te worden gegeven. Voor de onderhandeling over overeenkomsten waarbij ook de verstrekking van persoonsgegevens door Europol in het geding is, geldt voor die toestemming nog een extra vereiste. De Raad kan dan slechts toestemming geven, indien hij zich heeft vergewist van het niveau van gegevensbescherming in die derde staat of bij die instantie.

In alle gevallen is het onderhandelingsresultaat wederom aan de uitdrukkelijke goedkeuring van de Raad onderworpen. De overeenkomst kan pas worden gesloten, zo is voorgeschreven, nadat deze door de Raad met eenparigheid van stemmen is goedgekeurd. Ook in dit stadium gelden extra vereisten wanneer afspraken zijn gemaakt over de uitwisseling van persoonsgegevens. Gaat het om een overeenkomst waarbij de ontvangst of verstrekking van persoonsgegevens door Europol in het geding is, dan kan de Raad hierover pas een besluit nemen nadat het advies van het gemeenschappelijk controle-orgaan hierover is ingewonnen.

Het bijgevoegde ontwerp-besluit beoogt de directeur van Europol te machtigen, onder de voorwaarden daarin neergelegd, onderhandelingen aan te knopen met een aantal expliciet genoemde derde staten en instanties. Dit besluit machtigt de directeur uitdrukkelijk niet om met die staten en instanties onderhandelingen aan te knopen over de verstrekking van persoonsgegevens door Europol. Ik verwijs naar artikel 1, vijfde lid, van het ontwerp-besluit dat wat dit betreft aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. De Raad moet voor dergelijke onderhandelingen een nieuw besluit nemen.

Ik merk vervolgens op dat de Raad van Bestuur zich uitspreekt over de prioriteit van de onderhandelingen, waarbij hij rekening moet houden met de verklaring van de Raad bij artikel 42 van de Europol-Overeenkomst. Dit betekent dat, zodra het ontwerp-besluit is vastgesteld, prioriteit zal worden gegeven aan de onderhandelingen met de kandidaat-lidstaten, de Schengen-partners Noorwegen en IJsland, alsmede Zwitserland en Interpol. In dier voege is ook een nieuwe verklaring van de Raad bij het ontwerp-besluit gevoegd. Ingevolge artikel 3, eerste lid, geeft de Raad van Bestuur het daadwerkelijke startsein voor de onderhandelingen en kan hij de directeur van Europol alle nodige instructies voor die onderhandelingen verstrekken.

Vooruitlopend op de vaststelling van het ontwerp-besluit van de Raad, heeft de Raad van Bestuur reeds gesproken over de in acht te nemen prioriteiten. Zodra het onderhavige Raadsbesluit is vastgesteld, zal het startsein gegeven worden voor de onderhandelingen met de kandidaat-lidstaten, Noorwegen, IJsland en Zwitserland alsmede met Interpol; uiteraard met uitzondering van het onderwerp «verstrekking van persoonsgegevens door Europol».

In samenhang met de overige bepalingen van het ontwerp-besluit, de daarbij gevoegde verklaring, en de ter zake geldende regelingen, moet de toevoeging van de vier op blz. 1 van deze brief genoemde landen naar mijn oordeel vooral gezien worden als een politiek gebaar aan de lidstaat die de besluitvorming tijdens de JBZ-Raad van 29 oktober jl. heeft geblokkeerd en geen aanstalten maakte die blokkade zo maar op te heffen. Dit gebaar moest het mogelijk maken uit de ontstane impasse te geraken. Het aanknopen van onderhandelingen met deze landen ligt, mede in het licht van de afgesproken prioriteiten, vooralsnog niet in het verschiet. Zoals reeds is gememoreerd, moet de Raad van Bestuur voor daadwerkelijke onderhandelingen het startsein geven en heeft hij de bevoegdheid de directeur ter zake te instrueren. Bovenal dient steeds te worden bedacht dat het de Raad van Ministers zelf is die bij unanimiteit beslist over een onderhandelingsresultaat, de dan voorliggende ontwerp-overeenkomst. Nederland werkt, in overeenstemming met de geldende regelgeving, niet mee aan een dergelijk besluit voordat met de Staten-Generaal daarover overleg is gepleegd. Een en ander brengt mij overigens tot de slotsom dat, anders dan in de geannoteerde voor de JBZ-Raad van 2 december jl. is vermeld, een besluit waarbij aan de directeur van Europol mandaat wordt gegeven om onderhandelingen aan te knopen, niet gerekend kan worden tot een het Koninkrijk verbindend besluit omdat daaruit voor het Koninkrijk geen verplichtingen voortvloeien.

Indien de Kamer na de voorgaande toelichting over het ontwerp-besluit van oordeel mocht zijn dat Nederland zijn toestemming hieraan kan geven, verneem ik dit gaarne zo spoedig mogelijk, zodat de onderhandelingen met de kandidaat-lidstaten, Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Interpol, op korte termijn kunnen starten. Mocht de Kamer nader met mij van gedachten willen wisselen, dan ben ik hiertoe uiteraard bereid.

De Minister van Justitie,

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief Justitie over besluit EU-raad ministers derde staten '




Lees ook