Tweede Kamer der Staten Generaal

just0000.180 brief min just inzake internationale vergelijking crimina liteitbeheersing

Gemaakt: 8-3-2000 tijd: 10:8

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 8 maart 2000

Onderwerp

Internationale vergelijking criminaliteitsbeheersing

Hierbij doe ik u toekomen de uitkomsten van een op mijn departement uitgevoerde internationale vergelijking van de beheersing van de criminaliteit. Deze op «benchmarking» gerichte vergelijking van inspanningen en resultaten van de criminaliteitsbeheersing is een novum. De studie is dan ook te beschouwen als een eerste verkenning die mede tot doel heeft inzicht te geven in de beschikbaarheid en de internationale vergelijkbaarheid van gegevens. Op de beschikbaarheid en betrouwbaarheid van de gegevens kom ik in het vervolg van deze brief nog terug. Internationale vergelijking acht ik in de eerste plaats van belang om lering te kunnen trekken uit de ervaringen van andere landen. Nederland wordt daarom vergeleken met landen die zowel in economisch als sociaal-cultureel opzicht vergelijkbaar zijn en die alle beschikken over een goed functionerend rechtsstelsel. Het is te verwachten dat de vergelijking wisselende beelden laat zien met betrekking tot de «juridische» prestaties. Tevens wordt Nederland steeds afhankelijker van het buitenland. De internationale reputatie van ons land wordt daardoor belangrijker. Deze reputatie zal ook steeds meer worden bepaald door de kwaliteit van de rechtsstaat. Tegen deze achtergrond is het van belang te weten hoe Nederland in vergelijking met relevante landen presteert. Ik breng daarom, mede namens mijn collega van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de vergelijking en de resultaten ervan graag onder uw aandacht.

Ik hecht er aan voor de plaatsbepaling en de juiste waardering van het rapport het volgende over de benchmarking techniek op te merken. Benchmarking is een uit de bedrijfskunde afkomstige methode en beoogt door gerichte vergelijking prestaties te verbeteren. Er bestaan verschillende vormen van benchmarking. Hier gaat het om benchmarking van resultaten. In deze benadering wordt onderzocht welke verschillen in prestaties er op een bepaald terrein bestaan tussen entiteiten die in essentiële opzichten vergelijkbaar zijn. Vervolgens wordt geprobeerd «best practices» te ontlenen aan goed presterende entiteiten en deze vervolgens te gebruiken om de resultaten bij minder goed presterende entiteiten te verbeteren. In deze eerste verkenning kan dit ambitieniveau niet volledig gerealiseerd worden. De essentie van de onderhavige studie is het op globaal kwantitatieve wijze in verband brengen van de inzet en middelen met de bereikte resultaten. Zoals reeds opgemerkt, wordt Nederland vergeleken met landen die ook een goed werkend rechtsstelsel hebben. De landenkeuze is daarnaast ingegeven door de beschikbaarheid van gegevens. Wel moet bedacht worden dat er in internationale kaders maar weinig inspanningen worden verricht om tot uniforme definities en gegevensverzameling te komen. Mede hierdoor is de beschikbaarheid en betrouwbaarheid van gegevens niet altijd bevredigend. De gepresenteerde cijfers geven hierdoor vooral inzicht in de globale positie van Nederland ten opzichte van andere landen, maar niet in de positie ten opzichte van ieder land afzonderlijk.

Om deze reden moet voorzichtigheid worden betracht bij het interpreteren van de resultaten van de vergelijking. Daarnaast geldt dat aan opvallende verschillen niet zonder meer specifieke beleidsconsequenties ontleend kunnen worden. In veel gevallen zal eerst nader onderzoek naar de oorzaken van de verschillen of een uitwerking van verbeteringsmogelijkheden moeten plaats vinden.

Hieronder geef ik mijn eerste indruk over de resultaten van de internationale vergelijking.


1. Het rapport bevestigt de hoofdrichting van het beleid, maar geeft signalen dat een krachtiger aanpak nodig is.

Uit de vergelijking komt naar voren dat op belangrijke punten Nederland het redelijk doet, bijvoorbeeld bij zware misdrijven tegen burger en bedrijfsleven. In vergelijking met de onderzochte landen komen minder zware vormen van criminaliteit echter zeer veel voor, ook als fietsendiefstal buiten beschouwing gelaten wordt. Hierdoor is de totale criminaliteit in Nederland bovengemiddeld. Een belangrijke oorzaak is de mate van verstedelijking die over het gehele land gemeten verder is voortgeschreden dan in andere landen. Ook is het waarschijnlijk dat de hoge criminaliteit te maken heeft met een andere uitkomst: in Nederland wordt wel erg veel van de overheid verwacht als het gaat om de bestrijding van criminaliteit. In de meeste andere landen doen zowel het bedrijfsleven als individuele burgers zelf aanzienlijk meer aan preventie.

Een tweede karakteristiek aspect hangt samen met de omstandigheid dat Nederland zeer succesvol is in de internationale handel in goederen en (financiële) diensten. Uit de vergelijking blijkt dat deze koppositie ook zijn schaduwzijde heeft. Internationale handel in drugs gedijt bijvoorbeeld goed in dit klimaat en brengt veel zware misdrijven met zich mee. Ook de omvang van de deels daaraan gerelateerde financieel-economische criminaliteit zoals witwassen en andere illegale handel kan daarvan het gevolg zijn. Zorgwekkend is dat over deze verschijnselen weinig bekend is: omvangschattingen ontbreken grotendeels. Ook bestaat er weinig inzicht in illegale markten zoals van drugs.

Een analyse van recent beleid, prioriteiten en maatregelen leert dat langs verschillende wegen de juist voor Nederland specifieke problemen voortvarend worden aangepakt. De hoofdrichting van het beleid lijkt dus goed. Toch zijn sommige verschillen met de vergeleken landen zo markant dat naar mijn indruk een intensivering van het bestaande beleid nodig is om in de internationale vergelijking een betere positie te kunnen innemen. Daarnaast vragen de volgende aspecten die voortvloeien uit de vergelijking bijzondere aandacht:

a. Een nadere analyse van de criminaliteitsbevorderende aspecten van de manier, waarop verstedelijking en economie in Nederland zich verder ontwikkelen, is noodzakelijk als grondslag voor een breder georiënteerd preventiebeleid.

b. Toename van de bewustwording bij burgers en bedrijven van de keerzijde van onze economische successen en ambities lijkt noodzakelijk en dient gepaard te gaan met een grotere bereidheid om verantwoordelijkheid te nemen voor het leveren van een eigen bijdrage met name aan het voorkomen van criminaliteit.


2. Nadere analyse is nodig van de hoogte en het rendement van de uitgaven.

De in het kader van de internationale vergelijking beschikbare gegevens laten geen eenduidige conclusies toe ten aanzien van de vraag hoe in algemene zin de prestaties afsteken tegen die in andere landen. Wel kan een aantal opmerkelijke verschillen worden geconstateerd die het verdienen om nader te worden geanalyseerd, waarbij wel moet worden aangetekend dat de raming van middelen, financieel en personeel, met veel onzekerheid is omgeven.

a. De uitgaven per hoofd van de bevolking voor
criminaliteitsbestrijding liggen op het gemiddelde van de onderzochte landen. Gerelateerd aan de omvang van de criminaliteit zijn de uitgaven echter laag. De vraag rijst of niveau en bestemming van de Nederlandse overheidsuitgaven voor criminaliteitsbeheersing wel in overeenstemming zijn met aard, omvang en complexiteit van de in Nederland voorkomende criminaliteit.

b. Dit beeld geldt ook voor de politie. Daarbij komt dat de personeelsomvang van de politie opvallend gering is bij een - naar schatting - gemiddeld uitgavenniveau. Het is de vraag hoe deze bevindingen geïnterpreteerd moeten worden.

c. Ten aanzien van het Openbaar Ministerie valt het klein aantal officieren van justitie in verhouding tot de totale personeelsomvang op. Er lijkt sprake van een afwijkende organisatiestructuur.

d. Nederland geeft in vergelijking met de referentielanden per hoofd van de bevolking substantieel minder uit voor de rechtsspraak en daarmee ook voor de strafrechtspraak. De kwaliteit van de rechtspraak is bijzonder hoog.

Ik acht deze globale resultaten zodanig van belang dat ik het voornemen heb om in internationaal kader - ik denk hierbij in het bijzonder aan de OESO - de wenselijkheid aan de orde te stellen van het periodiek uitvoeren van internationale vergelijkingen van de kwaliteit van de juridische infrastructuur van landen. Het is voor Nederland belangrijk dat ook in dit opzicht onze internationale concurrentiepositie regelmatig wordt getoetst.

Zoals gezegd kunnen uit de vergelijking niet rechtstreeks beleidsmatige conclusies getrokken worden. Met mijn collega van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heb ik daarom opdracht gegeven de uitkomsten van de vergelijking nader te analyseren op de beleidsmatige implicaties. Ik hoop u over de uitkomsten daarvan een eerste en voorlopig beeld te kunnen verschaffen bij de begrotingsvoorbereiding en -behandeling van het jaar 2001.

De Minister van Justitie,

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief Justitie over internationale criminaliteitbeheersing '




Lees ook