Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief LNV inzake landbouwraad 20 mrt jl

Gemaakt: 4-4-2000 tijd: 11:25


9

Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

's-Gravenhage, 31 maart 2000

Onderwerp:

landbouwraad 20 maart 2000

Op maandag 20 maart jl. vond in Brussel een vergadering plaats van de Europese Ministers van Landbouw. Tijdens deze Landbouwraad is onder meer gesproken over de schoolmelk-regeling, het internationale bossenforum en het Witboek voor de voedselveiligheid. De Raad heeft een besluit genomen over de verleende staatssteun aan de suikerbietensector in Italië. Tevens heeft de Raad een akkoord bereikt over de maatregelen die benodigd zijn om het budget voor exportrestituties voor verwerkte landbouwproducten binnen de budgettaire en WTO-plafonds te houden. In afwachting van het advies van het Europese Parlement kon formele besluitvorming echter nog niet over alle onderdelen plaatsvinden. De Commissaris heeft enige informatie verschaft over de stand van zaken ten aanzien van de gesprekken die met derde landen zijn gevoerd over de marktordening voor bananen. Onder het agendapunt Diversen is gesproken over de situatie op de markt voor citrus-vruchten, het voorzorgsbeginsel en de onderhandelingen met Noorwegen in het kader van de EER-overeenkomst. Op verzoek van Nederland is onder het agendapunt Diversen even-eens gesproken over de coherentie tussen het landbouw- en het ontwikkelingsbeleid en de implementatie van de Nitraatrichtlijn. Tijdens het diner op de maandagavond heeft de Commissaris een toelichting gegeven op de discussies binnen de Commissie over het landbouwbudget voor de komende jaren.

Exportrestituties voor verwerkte landbouwproducten (non annex 1)

De voorzitter geeft aan dat tijdens de Landbouwraad van december jl. uitgebreid is gesproken over de problematiek ten aanzien van de uitvoerrestituties voor verwerkte landbouwproducten (non annex 1). Toen ging het met name over de forfaitaire verlaging van de uitvoerrestituties voor de maand december.

In de tussenliggende periode is op ambtelijk niveau veelvuldig gediscussieerd over de meer doelgerichte maatregelen die genomen kunnen worden om de uitvoerrestituties binnen de budgettaire en WTO-plafonds te houden. Op basis van die discussies heeft het voorzitter-schap ontwerpconclusies opgesteld waarover op ambtelijk niveau reeds overeenstemming is bereikt. De voorzitter vraagt dan ook of zijn collega's deze overeenstemming kunnen bevestigen.

Alle lidstaten kunnen instemmen met deze ontwerpconclusies. Dit betekent dat er over-eenstemming is bereikt over de Mededeling van de Commissie, waarin de meer doel-gerichte maatregelen worden aangegeven om de uitvoerrestituties binnen de daartoe gestelde plafonds te houden. Aangezien het hier om een bevoegdheid van de Commissie gaat zullen deze maatregelen via de procedure van het Beheerscomité verder worden uitgewerkt. Het Verenigd Koninkrijk voegt hier nog wel een verklaring aan toe waarin aandacht wordt gevraagd voor de situatie van de alcoholhoudende dranken.

Met de bereikte overeenstemming heeft de Raad eveneens het voorstel voor een flexibele toepassing van de actieve veredeling goedgekeurd. Dit betekent dat grondstoffen vanuit de wereldmarkt zonder heffingen de Europese Unie binnen kunnen komen en vervolgens worden verwerkt, waarna de verwerkte producten zonder uitvoerrestituties weer worden afgezet op de wereldmarkt. De Commissie is daarbij de verbintenis aangegaan om dit instrument omzichtig en flexibel te gebruiken. Duitsland voegt hier nog wel een verklaring aan toe waarin aandacht wordt gevraagd voor de werkgelegenheid in het midden- en kleinbedrijf. Aangezien het advies van het Europese Parlement nog niet is ontvangen kan een formeel besluit over dit voorstel nog niet worden genomen.

Nadat ook Commissaris Fischler heeft aangegeven dat hij in kan stemmen met de ontwerp-conclusies, concludeert de voorzitter dat deze conclusies hiermee zijn goedgekeurd.

Schoolmelk

Commissaris Fischler geeft aan dat de Commissie ongeveer een jaar geleden een evaluatie-rapport heeft opgesteld over de schoolmelkregeling. Hij realiseert zich dat het hier een gevoelige maatregel betreft omdat deze onder meer tot doel heeft om het gebruik van zuivel bij jongeren te bevorderen. Hij benadrukt echter dat de huidige steun 95% van de richtprijs voor melk bedraagt, hetgeen beduidend hoger is dan de steun voor andere maatregelen in de zuivelsector. Gelet op de resultaten van de uitgevoerde evaluatie én de budgettaire beperkingen voor de komende jaren, stelt hij voor de regeling voort te zetten maar het niveau van de communautaire steun te verlagen.

Concreet wordt voorgesteld om de regeling voortaan voor 50% uit communautaire middelen en voor 50% uit nationale middelen te financieren.

Vanuit verschillende lidstaten wordt aangegeven dat het belangrijk is om de consumptie van melk en zuivelproducten bij jongeren aan te moedigen. Het voorstel om de school-melkregeling voort te zetten wordt dan ook positief onthaald. Wel wordt gewezen op het verouderde productenpakket. Diverse lidstaten zijn van mening dat een meer voedings-kundige benadering moet worden gevolgd waardoor bijvoorbeeld ook steun kan worden gegeven aan de meer `magere' producten.

Vanuit een groot aantal lidstaten wordt bezwaar aangetekend tegen de voorgestelde cofinanciering. Enkele lidstaten stellen zich daarbij op een zeer principieel standpunt, terwijl andere lidstaten eventueel wel een lagere nationale cofinanciering kunnen accepteren dan door de Commissie wordt voorgesteld. Sommige delegaties pleiten voor een facultatieve nationale cofinanciering.

Ik heb naar voren gebracht het volledig eens te zijn met het voorstel van de Commissie. Ofschoon het wellicht meer voor de hand ligt dat Nederland zou pleiten voor een volledige communautaire financiering van zuivelmaatregelen, kan ik me in dit specifieke geval goed vinden in de voorgestelde nationale cofinanciering. Het is tegenwoordig in een modern gezin toch de eerste verantwoordelijkheid van de ouders om te zorgen voor een goede en gezonde voeding van de kinderen. Bovendien nemen in Nederland lang niet alle scholen deel aan deze schoolmelkregeling. Naar mijn mening kan bovendien de efficiency van de maatregel verbeteren wanneer het bedrijfsleven eveneens een financiële bijdrage levert.

In reactie op enkele vragen geeft Commissaris Fischler aan dat het mogelijk is dat ook regionale overheden kunnen medefinancieren en dat hij geen voorstander is van een facultatieve cofinanciering. Hij benadrukt daarnaast nogmaals dat voortzetting van het programma ook in het belang is van de zuivelindustrie. De voorzitter rondt de discussie over dit onderwerp vervolgens af met de opmerking dat het voorstel in het CSA verder zal worden besproken.

Wijziging van de marktordening voor bananen

Commissaris Fischler geeft een beknopte uiteenzetting van de stand van zaken ten aanzien van de gesprekken die zijn gevoerd met derde landen over de marktordening voor bananen.

Hij merkt op dat het resultaat van deze gesprekken is dat de meeste leveranciers een voorkeur hebben voor een systeem met tariefcontingenten, waarbij de vergunningen worden verdeeld op basis van historische gegevens. Hij geeft aan dat de Commissie bereid is deze benadering te aanvaarden als er overeenstemming zou zijn over de te kiezen histo-rische referentieperiode. Die overeenstemming is er echter niet. Zo willen de Verenigde Staten een periode van vóór 1993, terwijl Ecuador een periode wil van ná 1993.

Een periode vóór 1993 is volgens de Commissaris niet verenigbaar met de Europese regel-geving. Er is wellicht een mogelijkheid om tot overeenstemming te komen, zo vervolgt hij, door bijvoorbeeld te definiëren welke producenten vóór 1993 primaire importeurs zijn. Op die manier kan dan ook een periode ná 1993 worden gekozen. Op deze suggestie is echter nog geen reactie van de Verenigde Staten ontvangen. Ondanks alle inspanningen kan de Commissaris dus nog geen goedgekeurde conclusies aan de Raad voorleggen. Hij bena-drukt echter dat de Commissie al het mogelijke zal doen om snel tot overeenstemming te komen.

De voorzitter concludeert dat de Commissie veel werk heeft verzet en dat de besprekingen met derde landen zullen worden voortgezet.

Staatssteun Italië

Tijdens de Landbouwraad van januari jl. heeft de Italiaanse minister aandacht gevraagd voor een specifiek probleem van Italië ten aanzien van de uitgekeerde staatssteun in het kader van de herstructurering van de suikerbietensector. Concreet wordt gevraagd om deze uitgekeerde steun in overeenstemming te verklaren met het Verdrag.

De voorzitter geeft aan dat de Raad op basis van artikel 88, lid 2, van het Verdrag een dergelijk verzoek met unanimiteit kan goedkeuren. Een ontwerpbesluit daartoe ligt in de Raad voor. Hij vraagt zijn collega's of zij kunnen instemmen met dit ontwerpbesluit.

Ik heb aangegeven dat Nederland zich, gelet op het grote politieke belang, niet zal verzetten tegen dit verzoek en zich van stemming zal onthouden. Ook Finland en Denemarken onthouden zich van stemming.

Commissaris Fischler merkt op dat hij een verklaring af zal geven waarin de Commissie zich het recht voorbehoudt om juridische stappen tegen dit besluit te ondernemen.

De voorzitter concludeert tenslotte dat de Raad het verzoek van Italië heeft goedgekeurd.

Internationaal Bossenforum

Van 29 januari tot 11 februari jl. vond in New York de vierde zitting van het `Intergovern-mental Forum on Forests' (IFF) plaats. De resultaten van deze bijeenkomst zullen worden voorgelegd aan de komende vergadering van de Commission on Sustainable Development (CSD).

Ofschoon het IFF-4 niet over alle belangrijke onderwerpen overeenstemming heeft bereikt, is er wel overeenstemming bereikt over de institutionele arrangementen en mechanismen. Zo heeft het IFF-4 besloten de CSD aan te bevelen op het gebied van mondiaal duurzaam bossenbeheer een drieledige, over 5 jaar te evalueren, structuur in het leven te roepen bestaande uit:

een door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) dan wel de Economische en Sociale Commissie van de Verenigde Naties (ECOSOC/VN) op te richten intergouvernementeel lichaam, mogelijk genaamd het United Nations Forum on Forests (UNFF);

de AVVN en ECOSOC/VN te vragen de hoofden van relevante organisaties in het VN-systeem en andere relevante internationale en regionale organisaties en instituties uit te nodigen een samenwerkingsverband te vormen om het werk van de UNFF te ondersteunen en samenwerking en coördinatie tussen genoemde partners te bevor-deren. Deze organisatie bouwt voort op de al bestaande, informele interinstitutionele International Task Force on Forests (ITFF), thans onder voorzitterschap van FAO;

een compact secretariaat, dat de werkzaamheden van UNFF en het interinstitutionele partnerschap zal ondersteunen.

Tevens heeft het IFF-4 besloten de CSD aan te bevelen de AVVN en ECOSOC/VN te ver-zoeken zich de komende 5 jaar te beraden over de parameters van een mandaat voor de totstandbrenging van een juridisch bindend kader voor alle soorten bossen.

De Finse en Oostenrijkse ministers bedanken hun Portugese collega voor de manier waarop de onderhandelingen in New York zijn gevoerd. Het zijn moeizame onder-handelingen geweest, zo wordt betoogd, maar met de besluiten die zijn genomen wordt de richting aangegeven waarin het proces verder moet gaan.

Witboek voor de voedselveiligheid

De voorzitter geeft aan dat de discussie over het Witboek voor de voedselveiligheid niet alleen in de Landbouwraad plaatsvindt; er zijn ook andere Raden bij betrokken. Vandaag vindt in de Landbouwraad een discussie plaats aan de hand van een vragenlijst van het voorzitterschap, zo vervolgt hij, die specifiek ingaat op de controle van de voedselketen.

Commissaris Byrne merkt op dat de controle betrekking moet hebben op de gehele voedselketen. Daarbij moet echter discrepantie en discriminatie tussen sectoren worden voorkomen. Daarom is een transparant algemeen kader nodig. Het fundament van een dergelijk communautair kader zou vorm moeten krijgen door (a) operationele criteria op communautair niveau, (b) communautaire richtsnoeren voor controle, en (c) een ver-beterde administratieve samenwerking tussen de controle-instanties. De heer Byrne benadrukt dat het uiteindelijke doel is om de hoogste voedselveiligheidsnormen in de wereld te realiseren, om zo het vertrouwen van de consument te herstellen.

Vervolgens wordt nader ingegaan op de gestelde vragen.

Op de vraag of er een nieuw horizontaal rechtsinstrument voor officiële controles moet komen (in aanvulling op bestaande communautaire bepalingen), die op de hele levens-middelenketen op een homogene en integrale wijze van toepassing is, reageren nagenoeg alle ministers positief. Ik heb aangegeven dat Nederland eveneens positief tegenover een dergelijk horizontaal rechtsinstrument staat. Wel moet het principe van subsidiariteit blijven gelden; nationale politici blijven immers verantwoordelijk voor de veiligheid van de eigen consumenten. Daar worden deze politici immers ook op aangesproken.

De vraag op welke manier in het kader van privaatrechtelijk gecertificeerde ketensystemen uitgevoerde controles door overheden kunnen worden gebruikt in de officiële controle-systematiek, is met name op verzoek van Nederland opgenomen. Ik ben namelijk van mening, en zo heb ik dat ook verwoord, dat de eigen verantwoordelijkheid van de producenten centraal moet staan. In Nederland hebben we ervaringen met dergelijke systemen, die hun deugdelijkheid en betrouwbaarheid hebben bewezen en soms zelfs beter werken dan officieel voorgeschreven controles. Daarbij moet het mogelijk zijn dat wanneer een bedrijf of sector aantoonbaar met eigen controlesystemen de gezondheids-risico's kan beheersen, de officiële controles kunnen afnemen.

Omgekeerd geldt deze redenatie ook: hoe minder een bedrijf of sector de gezondheids-risico's beheerst, hoe meer officiële controles plaats moeten vinden. In dit verband heb ik verwezen naar het principe van `controle op de controle', zoals dat ook in het kader van het EURATOM-verdrag gebeurt. Daarbij moet uiteraard geen sprake zijn van dubbel werk. Het is daarom van belang dat toetsbare doelstellingen en prioriteiten worden vastgesteld. Door `best practises' te beschrijven en `benchmarking' toe te passen kan Europese regel-geving ertoe bijdragen dat nationale regelgeving wordt verbeterd.

Over de vraag welke initiatieven er genomen dienen te worden om een betere bestuurlijke samenwerking tussen lidstaten te bewerkstelligen (met als doel de harmonisatie van de resultaten van de controles) wordt door nagenoeg alle ministers hetzelfde gedacht. In navolging van mijn collega's heb ik dan ook aangegeven dat een betere samenwerking onder meer kan worden gerealiseerd door uitwisseling van personeel, resultaten en bevindingen. Dit zou bijvoorbeeld vorm kunnen krijgen door een verdere uitbouw van de toetsings- en
uitwisselingsprogramma's. Ook zou de rol van de Food Law Enforcement Practitioners (FLEP) duidelijker gedefinieerd kunnen worden.
Tenslotte wordt de vraag gesteld hoe verbetering kan worden aangebracht in het gebruik dat gemaakt wordt van de resultaten van controles/inspecties (in het bijzonder inspecties die door Commissiepersoneel worden uitgevoerd). Ten aanzien van de openbaarheid van de controleresultaten heb ik benadrukt dat het principe van hoor en wederhoor moet worden nageleefd. Ook andere collega's hebben ten aanzien van dit punt opgemerkt dat hiermee uiterst voorzichtig moet worden omgesprongen. De meeste collega's waren het er echter wel over eens dat het openbaar maken van de controleresultaten ertoe kan bij-dragen dat de betrokkenheid van de consumenten toeneemt.

Commissaris Byrne geeft aan dat uit de opmerkingen van de lidstaten duidelijk naar voren is gekomen dat (a) een algemeen juridisch kader voor controle gewenst is, (b) er een beter netwerk tussen de lidstaten tot stand moet komen, en (c) openheid hoog in het vaandel moet worden gehouden. De lidstaten moeten hier echter nauw bij betrokken worden.

Hij benadrukt dat de Commissie snel met voorstellen ter verbetering van de controle zal komen.

De voorzitter concludeert tenslotte dat het belang van een efficiënte en effectieve controle door alle lidstaten wordt onderkend. Het Coreper zal worden gevraagd de werkzaam-heden ten aanzien van dit dossier voort te zetten.

Diversen

Situatie op de markt voor citrusvruchten (verzoek Italië en Spanje)

De Italiaanse minister vraagt in de Raad aandacht voor de situatie op de markt voor citrusvruchten. Hij geeft aan dat met name de afzet van sinaasappelen moeizaam verloopt, hetgeen een groot gevaar oplevert voor de traditionele productie. Hij verwijst naar een memorandum dat hij samen met zijn Spaanse collega bij de Commissaris heeft ingediend, waarin om (financiële) maatregelen wordt gevraagd om het evenwicht in deze sector weer te herstellen. De Spaanse minister sluit zich bij deze interventie aan. Ook enkele andere zuidelijke lidstaten ondersteunen de opmerkingen van Italië.

Commissaris Fischler geeft aan dat zowel conjuncturele als structurele problemen ten grondslag liggen aan de lage prijzen voor citrusvruchten. Hij wijst erop dat de Europese productie met 15% is gestegen, terwijl de consumptie gelijk is gebleven.

Het is daarnaast niet zo dat het verhoogde aanbod op het conto moet worden geschreven van een toegenomen invoer uit derde landen, zo betoogt hij, want deze invoer is de laatste jaren niet veranderd. Een mogelijkheid om het structurele probleem op te lossen is over te schakelen op andere teelten, zo stelt Fischler.

Het voorzorgsbeginsel (verzoek Denemarken en Zweden)

De Deense minister merkt op ingenomen te zijn met de mededeling over het voorzorgs-beginsel die de Commissie onlangs aan de Raad en het Europese Parlement heeft gezonden. Wel zijn er nog veel vragen over - bijvoorbeeld - hoe dit beginsel moet worden toegepast, en wanneer. Benadrukt wordt bovendien dat dit beginsel niet als protectionistisch instrument moet worden gebruikt. De Deense minister is van mening dat deze mededeling van de Commissie ook in de Landbouwraad aan de orde moet komen, zodat de conclusies kunnen worden voorgelegd aan de Europese Raad van juni a.s. De Zweedse minister ondersteunt deze interventie.

Van Nederlandse zijde heb ik opgemerkt eveneens zeer verheugd te zijn dat de Commissie met deze mededeling is gekomen. Nu kan eindelijk gesproken worden

over de invulling van het begrip voorzorgsbeginsel, dat nooit helder en eenduidig is gedefinieerd. Ik heb evenals mijn Deense collega benadrukt dat dit beginsel niet als protectionistisch instrument gebruikt mag worden.

Daarnaast heb ik de Commissaris gevraagd of verduidelijkt kan worden in welke gevallen de bewijslast bij de importeurs en het bedrijfsleven wordt gelegd.

Commissaris Byrne benadrukt dat de Commissie met deze mededeling is gekomen om duidelijkheid te creëren én om ongerustheid bij derde landen weg te nemen. In derde landen heerst namelijk de angst dat dit voorzorgsbeginsel als protectionistisch instrument zal worden gebruikt. Hij is het met de delegaties die het woord hebben genomen eens dat deze mededeling ook in de Landbouwraad aan de orde moet komen.

De voorzitter geeft aan dat deze week reeds een eerste discussie over deze mededeling heeft plaatsgevonden op ambtelijk niveau. Op 30 maart a.s. zal ook de Milieuraad zich over de mededeling buigen. Het Coreper zal worden gevraagd om de discussie in de Landbouwraad voor te bereiden.

Onderhandelingen met Noorwegen in het kader van de EER-overeenkomst (verzoek Zweden)

De Zweedse minister vraagt in de Raad aandacht voor de onderhandelingen met Noorwegen in het kader van de Europese Economische Ruimte (EER) overeenkomst.

De uitvoering van de vastgelegde grondslagen is nog steeds niet voltooid omdat de onderhandelingen door Noorwegen al lange tijd worden opgehouden, zo wordt betoogd. Daarom wordt de Commissaris gevraagd om druk uit te oefenen op Noorwegen om zich te houden aan de afspraken zoals vastgelegd in deze overeenkomst. Het gaat daarbij met name om de afspraken inzake de handel in verwerkte landbouwproducten.

Van Nederlandse zijde heb ik me aangesloten bij de Zweedse interventie. Noorwegen moet duidelijk worden gemaakt dat het `takes two to tango'. Zeker nu de Europese Unie haar verplichtingen wel is nagekomen. Ook andere ministers betuigen hun steun aan de Zweedse interventie.

Commissaris Fischler geeft aan dat hij de opmerkingen door zal geven aan de Commissarissen Patten en Liikanen, die bevoegd zijn op dit terrein. Hij beaamt dat de onderhandelingen zeer moeizaam verlopen omdat Noorwegen van mening is dat het hier zeer gevoelige sectoren betreft.

Samenhang tussen het landbouwbeleid en het ontwikkelingsbeleid (verzoek Nederland)

Ik heb in de Raad verwezen naar het informele diner van de Ministers van Landbouw, enkele maanden geleden, waar de uitkomsten van de onderhandelingen in Seattle over de komende wereldhandelsronde zijn besproken. Toen is gebleken dat de rol van de ontwikkelingslanden in de toekomst belangrijker zal worden, onder meer met het oog op het bereiken van een akkoord over de wereldhandel. Ik heb benadrukt dat de effecten van het Europese landbouwbeleid hun uitwerking hebben op de ontwikke-lingslanden. Daarom moet het landbouwbeleid én het beleid ten aanzien van ontwikke-lingslanden meer in samenhang met elkaar worden bezien. Ik heb de Commissaris daar-om gevraagd om bij de nog uit te brengen mededeling over coherentie hier rekening mee te houden.

De Deense en Zweedse minister ondersteunen mijn interventie. Ook zij onderstrepen het belang van coherentie van het Europese beleid en benadrukken dat het belangrijk is dat in de mededeling van de Commissie hier nader op in wordt gegaan.

Commissaris Fischler geeft aan dat het belangrijk is om na te denken over oplossingen die de ontwikkelingslanden helpen. Hij is van mening dat vooral specifieke preferenties deze landen zullen helpen. Algemene tariefsverlagingen van de zijde van de Europese Unie helpen daarentegen deze landen niet; dit komt alleen de sterkste marktpartijen maar ten goede, zo verwacht hij. Dat zijn in veel gevallen niet de armste ontwikkelings-landen. Hij is het met Nederland eens dat de nog uit te brengen mededeling ook in de Landbouwraad aan de orde moet komen.

Implementatie van de Nitraatrichtlijn (verzoek Nederland)

Nadat ik de relatie tussen het landbouw- en het ontwikkelingsbeleid aan de orde heb gesteld, vraag ik de aandacht van mijn collega's voor de relatie tussen het landbouw- en het milieubeleid. Tijdens de Landbouwraad van september 1999 heb ik mijn collega's geïnformeerd over de implementatie van de Nitraatrichtlijn in Nederland. Sindsdien zijn er echter nieuwe maatregelen genomen die een verdere verscherping van het mest-beleid betekenen. Commissaris Wallström beschouwt dit vernieuwde mestbeleid als een stap in de goede richting. Mijn collega's heb ik dan ook een notitie gegeven waarin de hoofdlijnen van dit nieuwe mestbeleid uiteen worden gezet (zie bijlage). Ten algemene heb ik naar voren gebracht dat er meerdere lidstaten zijn die grote problemen hebben om de Nitraatrichtlijn correct uit te voeren.

Daarom heb ik de Commissaris gevraagd om specifieke aandacht te schenken aan het monitoren van de voortgang van de implementatie van de Nitraatrichtlijn in de diverse lidstaten. Ik heb benadrukt dat het belangrijk is dat ook de Landbouwraad zich over deze problemen buigt, aangezien het hier gaat om een noodzakelijke integratie van milieuoverwegingen in het landbouwbeleid.

Ook het Verenigd Koninkrijk geeft aan grote problemen te hebben met de implemen-tatie van de Nitraatrichtlijn. De Britse minister benadrukt dat het belangrijk is om de belangen van de landbouw in evenredigheid te bekijken. De Deense en Zweedse minister geven aan dat het belangrijk is om de milieu-effecten in het landbouwbeleid te integreren, waarbij zowel de positieve als de negatieve effecten moeten worden meegenomen.

Commissaris Fischler beaamt dat er in veel lidstaten problemen zijn met de uitvoering van de Nitraatrichtlijn. Deze richtlijn wordt nog in onvoldoende mate omgezet in nationale regelgeving, zo betoogt hij. Het programma van Nederland omschrijft hij als zeer ambitieus en van grote betekenis voor de gehele Europese Unie. De opmerkingen die zijn gemaakt zal hij tevens doorgeven aan Commissaris Wallström, zo besluit hij.

Organisatie van toekomstige werkzaamheden

De voorzitter geeft aan dat de volgende Landbouwraad zal plaatsvinden op 17 en

18 april a.s. te Luxemburg.

Tijdens het diner op de maandagavond heeft Commissaris Fischler een toelichting gegeven op de discussie binnen de Commissie over de landbouwbegroting voor de komende jaren. Hij heeft aangegeven dat hij, gelet op de noodzakelijke financiering van de wederopbouw van de Balkan en in een `spirit of compromise', heeft ingestemd met een verlaging van de landbouwbegroting met 300 miljoen EURO. De volgende kanttekeningen heeft hij daar echter aan toegevoegd:

deze reductie van de landbouwbegroting is beperkt tot de jaren 2001 en
2002,

er vindt geen aantasting plaats van het compromis van Berlijn inzake Agenda 2000,

er vindt geen aanpassing plaats van de prijsvoorstellen voor het verkoopseizoen 2000-2001,

de reductie van de landbouwbegroting mag niet leiden tot negatieve gevolgen voor de inkomens van de landbouwers,

de gelden voor plattelandsontwikkeling die in 2000 niet zijn gebruikt worden doorgeschoven naar 2001.

De heer Fischler heeft nog eens benadrukt dat er een onderscheid is tussen het plafond van de landbouwbegroting en de reële uitgaven voor het Gemeenschappelijk Landbouw-beleid. Hij heeft de ministers verzekerd dat deze reductie van het plafond van de land-bouwbegroting niet betekent dat wordt voorgesteld om de inkomensondersteuning van de landbouwers te verlagen. Naar zijn verwachting zullen de reële uitgaven in 2001 namelijk - onder meer als gevolg van de hervormingen van Agenda 2000 - ver genoeg onder het plafond liggen om de reductie van 300 miljoen EURO te kunnen opvangen.

Van Nederlandse zijde heb ik aangegeven dat bijzonder voorzichtig moet worden omgesprongen met dergelijke overboekingen vanuit de landbouwbegroting. Het mag immers niet vanzelfsprekend zijn dat de landbouwbegroting eventuele gaten elders op de begroting opvult. Bovendien ben ik van mening dat eerst het werkelijk benodigde bedrag voor de Balkan moet worden vastgesteld voordat wordt overgegaan tot dergelijke overboekingen. Ook vanuit het oogpunt van budgetdiscipline kunnen de nodige kanttekeningen bij dergelijke overboekingen worden geplaatst. Vanuit de overige lidstaten worden eveneens kritische opmerkingen gemaakt ten aanzien van deze plannen van de Commissie met betrekking tot de landbouwbegroting.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER

EN VISSERIJ,

mr. L.J. Brinkhorst

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief Landbouw, Natuurbeheer en Visserij over landbouwraad '




Lees ook