Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
uw brief van

uw kenmerk

ons kenmerk
VVM 01.3401/ JWZ
datum
21-09-2001

onderwerp
Beleid diermeel
doorkiesnummer

bijlagen

Geachte Voorzitter,

Inleiding Mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer informeer ik u hierbij in aansluiting op mijn brief van 20 juli 2001 (Kamerstukken II, 2000 - 2001, 24668, nr. 65) over de aanpak inzake opslag en verbranding van diermeel, die ik met provinciale bestuurders ben overeengekomen. Tevens wordt met deze brief ingegaan op het verzoek d.d. 11 september 2001 van de vaste commissies voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer om inzicht te verschaffen in de stand van zaken ten aanzien van de opslag van diermeel.

Het beleid is er op gericht om zo snel mogelijk voldoende verbrandingscapaciteit te realiseren om de actuele productie en de inmiddels opgebouwde voorraden weg te werken. Daarnaast faciliteren wij in overleg met de provincies opslag, die voldoet aan de eisen die gezamenlijk zijn ontwikkeld door de Inspectie Milieuhygiëne, de Keuringsdienst van Waren en de provincies.

datum
21-09-2001

kenmerk
VVM 01.3401/ JWZ

bijlage

Situatie eind juli tot heden
De problematiek van de tijdelijke opslag van diermeel heeft de afgelopen maanden sterk in de aandacht gestaan. Het Openbaar Ministerie heeft op 31 augustus jl. LNV geïnformeerd over een vooronderzoek verricht door de Inspectie Milieuhygiëne in opdracht van het Openbaar Ministerie naar de situatie van die opslagen. Dit vooronderzoek heeft in de media aandacht gekregen en heeft geleid tot kamervragen van de heren Atsma en Meijer. In mijn beantwoording ben ik hier verder op ingegaan (Kamerstukken II, 2000-2001, Aanhangsel nr. 1722).

Zoals reeds aan u gemeld is, naast LRM-diermeel, inmiddels ook voor diermeel, dat uit specifiek hoog risico materiaal (SRM) ontstaat, evenwicht opgetreden tussen productie en verbranding.

Verbrandingscapaciteit
Het beleid is er op gericht om ruim voldoende verbrandingscapaciteit in Nederland te creëren en te houden voor SRM-diermeel.

Ik acht dit noodzakelijk om in geval van calamiteiten, zoals dierziektenuitbraken, in beginsel alle noodzakelijke verwerking in Nederland te kunnen laten plaatsvinden. Immers, in geval van calamiteiten, wordt grensoverschrijdend verkeer van diermeel bemoeilijkt. Thans worden nog grote hoeveelheden Nederlands diermeel verbrand in Duitsland. Bovendien kunnen maatschappelijke processen in Duitsland zelf er toe leiden dat verbrandingscapaciteit voor Nederlands diermeel aldaar verloren gaat.

Deze doelstelling zal medio volgend jaar gerealiseerd zijn. Zo heeft de directie van de E-on-energiecentrale op de Maasvlakte mij laten weten te investeren in de bouw van een extra voorziening ten behoeve van een substantiële uitbreiding van de verbrandingscapaciteit. Deze voorziening zal vanaf medio volgend jaar beschikbaar zijn. Hiervoor is tussen E-on en het destructiebedrijf Rendac een leveringsgarantie afgesproken van minimaal 50.000 ton diermeel voor volgend jaar. Als deze hoeveelheid niet wordt gehaald, omdat voorraden eerder zijn weggewerkt, is een financiële compensatie afgesproken. In dit kader heb ik toegezegd deze financiële garantiestelling in principe over te nemen.

Voorts wil ik bekijken op welke wijze de overcapaciteit, die ontstaat als de voorraden zijn weggewerkt, ook ná 1 januari 2003 beschikbaar kan blijven voor het bijstoken van diermeel, indien calamiteiten zich voordoen. Dit moet u plaatsen in een breder kader, waarin ik de gehele destructieketen wil herzien. In de toekomst zullen we ons moeten verzekeren dat er te allen tijde voldoende verwerkingscapaciteit in Nederland voorhanden is.

Behoudens calamiteiten zal de verbrandingscapaciteit dit jaar en volgend jaar hiermee sterk uitbreiden. Voorzien is in een verdubbeling t.o.v. de huidige beschikbare capaciteit van de verbrandingscapaciteit voor SRM-diermeel medio 2002. Deze uitbreiding, die niet alleen voor rekening komt van de E-on-centrale op de Maasvlakte, maar ook door bijv. de cementindustrie, zal er toe leiden dat het diermeel dat nu op voorraad ligt volgend jaar geheel weg kan worden gestookt.

Bestuurlijke afspraken over een plan van aanpak In mijn brief van 20 juli jl. heb ik het voornemen geuit tegen de achtergrond van destructiewet en de wet milieubeheer, te willen komen tot een afsprakenkader tussen Rijksoverheid en het provinciale bestuur voor verantwoorde, tijdelijke opslag en verbranding van het diermeel, alsmede voor het wegwerken van de diermeelopslagen die niet aan de eisen voldoen. Dit afsprakenkader is de afgelopen tijd verder uitgewerkt. Ik heb op 14 september jl. over dit kader bestuurlijk overleg gevoerd met de bestuurders van de meest betrokken provincies: Friesland, Gelderland, Zuid-Holland en Noord-Brabant. In dat overleg hebben wij overeenstemming bereikt over de manier waarop wij gezamenlijk de gerezen problemen willen aanpakken.

Dit plan van aanpak bestaat uit de volgende onderdelen:

1. De verbrandingscapaciteit - inmiddels in evenwicht - wordt verder opgeschaald voor het wegwerken van voorraden. In bijlage 1 wordt de ontwikkeling van de verbrandingscapaciteit geschetst. We constateren dat de capaciteit in Nederland tot medio volgend jaar zal verdubbelen.
2. Voor het versneld wegwerken van de 'oude' voorraad diermeel die niet voldoet aan de geformuleerde opslageisen - dit zijn praktisch alle partijen die voor 7 juli 2001 zijn opgeslagen - worden twee instrumenten ingezet:
a. Verbrandingscapaciteit wordt vrijgemaakt door nieuwe SRM-productie niet direct te verbranden, maar in big bags te verpakken en deze op te slaan. Hierdoor komt ca. 2000 ton verbrandingscapaciteit per week vrij. Opslag vindt plaats op locaties die voldoen aan alle opslageisen gesteld door provincies, Inspectie Milieuhygiëne en de Keuringsdienst van Waren.
b. Alle extra, toekomstige verbrandingscapaciteit zal worden benut voor het met prioriteit wegwerken van 'oude' voorraden. 3. Consequentie van het met voorrang wegwerken van 'oude' voorraden is dat nieuwe opslagcapaciteit voor actuele productie nodig is. Hierbij gaat de voorkeur uit naar grotere eenheden vanwege handhaafbaarheid en bestuurlijke rust. Hiervoor zijn enkele reeds door Keuringsdienst van Waren en provincies in beginsel geschikt bevonden opslaglocaties in beeld. De vergunning procedures hiervoor lopen inmiddels en alle betrokkenen hebben toegezegd tot snelle maar zorgvuldige besluitvorming te willen komen. Het gaat hier om een maximale capaciteitsbehoefte van ca. 70.000 ton.

Tevens hebben wij ons in dit overleg gebogen over de volgorde waarin de 'oude' opslagen worden opgeruimd. Het resultaat hiervan treft u in bijlage 2 aan. Op grond van de ontwikkeling van de verbrandingscapaciteit verwacht ik dat deze 'oude' opslagen in maart 2002 weggewerkt zullen zijn. Verder is afgesproken om de afspraken van het plan van aanpak ook te borgen door het op te nemen in het conceptsectorplan voor diermeel van het Landelijk Afvalbeheersplan (LAP) van VROM. Dit conceptsectorplan diermeel is inmiddels opgesteld.

Financiering extra kosten voor opslag diermeel en tarieven voor SRM- slachtafval en SRM-bloed en kadavers
In het tweede kwartaal zijn kosten begroot voor opslag en verbranding van diermeel die onderdeel vormen van de tarieven voor SRM-slachtafval en -kadavers. Deze kosten zijn geraamd op basis van de toen beschikbare informatie over kosten van opslag en verbranding. Inmiddels worden aan de opslag van diermeel strengere eisen gesteld. Nadat in mei 'broei' is geconstateerd in het diermeel zijn diverse acties in gang gezet om dit probleem te beheersen. Hierdoor zijn onvoorzien veel extra kosten ontstaan.

Ik ben voornemens deze extra kosten, die een direct gevolg zijn van de BSE-maatregelen ten last te laten komen van de BSE-gelden. Deze extra kosten worden op dit moment ingeschat op ruim f. 20 miljoen gulden. De kosten zullen middels nacalculatie worden vastgesteld, hierbij zal het verschil bepaald worden tussen de werkelijke kosten van 2001 en de kosten die reeds gedekt zijn door de tarieven.

Voor het derde en vierde kwartaal van 2001 wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal voorgesteld de tarieven zoals die van kracht zijn geweest in het tweede kwartaal 2001 te handhaven. Hiermee wordt voldaan aan artikel 21, vierde lid,van de Destructiewet, waarin is bepaald dat tariefvoorstellen worden voorgelegd aan de Eerste en Tweede kamer van de Staten-Generaal.
In mijn brief van 22 juni 2001 (Kamerstukken II, 2000 - 2001, 27 495 en 24 668, nr. 6) heb ik reeds aan u gemeld dat de tarieven voor het ophalen, verwerken en vernietigen van kadavers ad f. 23,25 per ophaalbeurt voor het derde en vierde kwartaal gelijk zullen zijn aan het tarief van het eerste en tweede kwartaal. In afwachting van een nieuwe financieringssystematiek per 1 januari 2002 voor kadavers zal het verschil tussen de werkelijke kosten en de opbrengsten via tarieven in deze kwartalen ten laste worden gebracht van de BSE-gelden.

Mocht ik binnen vier weken na dagtekening van deze brief geen reactie van u hebben ontvangen, zal ik de voorliggende tarieven voor kadavers, SRM-slachtafval en SRM-bloed in de Staatscourant bekend maken.

De minister van Landbouw, Natuurbeheer
en Visserij,

mr. L.J. Brinkhorst

datum
21-09-2001

Deel: ' Brief LNV aan kamer inzake beleid diermeel '




Lees ook