Tweede Kamer der Staten Generaal

lnv00000.162 brief min lnv inzake pluimveemestverbranding
Gemaakt: 22-2-2000 tijd: 9:38


2

De Voorzitter van de Vaste Commissie voor

Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 21 februari 2000

Onderwerp:

Pluimveemestverbranding.

Geachte Voorzitter,

Naar aanleiding van uw bovengenoemde brief zend ik u hierbij een afschrift van de brief aan de Stichting Natuur en Milieu inzake pluimveemestverbranding.

Ik hoop u voldoende te hebben geïnformeerd.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER

EN VISSERIJ,

mr. L.J. Brinkhorst

Stichting Natuur en Milieu

T.a.v. de heer A.J.M. van den Biggelaar

Donkerstraat 17


3511 KB UTRECHT

's-Gravenhage, 21 februari 2000

Onderwerp:

Pluimveemestverbranding.

Geachte heer Van den Biggelaar,

In antwoord op uw verzoek van 13 januari 2000 om mijn steun aan pluimveemestverbran-ding te herzien, deel ik u, mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, het volgende mee.

In de brief van 6 april 1999 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, mede namens de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de Minister van Economische Zaken en de Staatssecretaris van Financiën, u bericht dat pluimveemestverbranding past binnen het overheidsbeleid ten aanzien van mineralen, afvalstoffen en duurzame energie.

In de brief van 6 april 1999 is tevens nadrukkelijk aangegeven dat verbranding van pluim-veemest moet voldoen aan de volgende milieuhygiënische randvoorwaarden:

? de vrijkomende asresten met bijbehorende mineralen moeten buiten de Nederlandse landbouw worden afgezet;

? de verbrandingsinstallatie voldoet aan alle geldende emissie-eisen;

? uitgangspunt is dat er sprake is van een gecombineerde opwekking van energie en warmte, tenzij hiervoor geen geschikte locatie is te vinden.

In afwijking van uw «nee, tenzij»-benadering is in de brief van 6 april 1999 gekozen voor een «ja, mits»-benadering. Ik zie geen reden om daar nu op terug te komen. Ik constateer overigens dat de door mij gestelde voorwaarden sterk overeenkomen met uw voor-waarden.

Op één punt verschillen de voorwaarden van elkaar. Waar u van mening bent dat er een heffing zou moeten gelden voor het verbranden van pluimveemest, ben ik van mening dat het opwekken van energie uit pluimveemest als een duurzame manier van energie-opwekking moet worden beschouwd.

Opwekking van elektriciteit uit biomassa draagt ten opzichte van energieopwekking uit fossiele brandstoffen immers bij aan de beperking van de CO2-uitstoot en de uitstoot van andere broeikasgassen.

Ik zie geen aanleiding om pluimveemest anders te behandelen dan andere soorten van biomassa. Dus komt verbranding van pluimveemest in aanmerking voor het terugsluizen van de Regulerende Energie Belasting. Dat houdt ook in dat er geen sprake kan zijn van een heffing op verbranding van pluimveemest.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER

EN VISSERIJ,

mr. L.J. Brinkhorst

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief LNV inzake pluimveemestverbranding '




Lees ook