expostbus51


MINISTERIE LNV

https://www.minlnv.nl

Problematiek varkenshouderij

De Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA 's-GRAVENHAGE

14 juni 1999

problematiek varkenshouderij; hofuitspraak spoedappèl

Geachte Voorzitter,

Op 10 juni 1999 heeft het gerechtshof te .s-Gravenhage arrest gewezen in het spoedappèl in de procedure die de Nederlandse Vakbond Varkenshouders (NVV) tegen de Staat heeft aan--gespannen met betrekking tot de Wet herstructurering varkenshouderij (Whv). Met de onderhavige brief informeer ik u over de betekenis van deze uitspraak. Daarbij zal ik de ge-vol-gen van deze en eerdere rechterlijke uitspraken plaatsen in het bredere perspectief van het mest- en herstructureringsbeleid mede in relatie tot het nitraatdossier.

Hofuitspraak in spoedappèl
Het hof heeft het vonnis van de Haagse recht-bankpresident van 23 februari jl. in het kortgeding van de NVV tegen de Staat, tegen welk vonnis de Staat spoedappèl had aangetekend, bekrachtigd. Daarmee blijft het gebod van de rechtbankpresident om - kort gezegd - het stelsel van varkensrechten van de Whv ten aanzien van NVV-leden voorshands buiten toepassing te laten gelden. Dit tot--dat in de lopende bodem-procedure door het hof is beslist dat de Whv niet in strijd is met artikel 1 van het Eerste Pro-tocol van het EVRM, dan wel in een adequate schaderegeling is voorzien voor de mestproductierechten die als gevolg van de generieke korting van de Whv en de niet-om-zetting van de zogenoemde .latente productieruimte. op varkensbedrijven zijn vervallen.

In essentie komt de uitspraak van het gerechtshof erop neer dat de sedert 23 februari jl. bestaande situatie voortduurt. Onder meer betekent dit dat de Staat niet beschikt over de in de Whv opgenomen instrumenten om het productieplafond voor het aantal varkens op het bedrijf te handhaven. Hoewel dit formeel alleen geldt voor NVV-leden, is het duidelijk dat uit een oogpunt van rechtsgelijkheid op dit punt geen onderscheid gemaakt kan worden tussen NVV-leden en niet-NVV-leden. Ook voor de uitvoering van het ingezette flankerende beleid blijft de facto sprake van ernstige belemmeringen: wat dat betreft blijft de si-tuatie - zoals deze laatstelijk is beschreven in de brief van mijn ambtsvoorganger van 7 mei jl. (kamerstukken II 1998/99, 25 448, nr. 32) - onverminderd voortduren.

Aan de uitspraak van het hof ligt geen inhoudelijk oordeel ten grond-slag over de vraag of de Staat in het licht van het EVRM daadwerkelijk schadeplichtig is voor de vervallen productierechten. Het hof overweegt dat het thans fungeert als kortgedingrechter en dat het zich als kortgedingrechter heeft te richten naar de eindbeslissing die in de bo-dem-proce-du-re voorligt. Dat is in dit stadium het tussenvonnis van de rechtbank van 23 december 1998. De inhoudelijke vraag of het oordeel van de rechtbank in het tussenvonnis ten aanzien van onder meer de schadeplicht van de Staat juist is, moet het hof beantwoorden naar aanleiding van het appèl dat de Staat tegen het tussenvonnis van de rechtbank heeft aangetekend. De uitspraak van het hof in de bodemprocedure wordt niet eerder dan begin 2000 verwacht.

Ik huldig het standpunt dat de Staat niet schadeplich-tig is. Reeds vanaf 1985 wordt een consequent beleid door de overheid gevoerd dat erop is gericht om de omvang van de veehouderij in overeenstemming te brengen met de milieunormen. In dit licht bezien is de met de Whv doorgevoerde beperking van de productieruimte niet zozeer te beschouwen als ontneming van eigendom, maar veeleer als regulerings-instru-ment waarmee een overproductie aan varkensmest moet worden voorkomen. Het gaat om een regulering van het gebruik van de bedrijfsmiddelen van de varkens-hou-der, ten dienste van het milieubelang, en wat dat betreft is er geen onderscheid met andere be-perkingen die aan het gebruik van eigendom worden gesteld, bijvoorbeeld via het instrument van de vergun--ning. De wijze waarop in de Whv aan een en ander invulling is gegeven, is naar mijn stel-lige overtuiging in overeenstemming met nationale en internationale rechtsbeginselen.

Overigens bestaat er - vanuit een breder rijksbelang bezien - aanleiding om het oordeel van de Hoge Raad te vragen over de reikwijdte van de bevoegdheid van de kortgedingrechter. De rechterlijke buiten toepassing verklaring van een wet in formele zin die niet onmiskenbaar onverbindend is, is binnen de Nederlandse staatsrechtelijke verhoudingen immers een zeer ver strekkende maatregel. Ik zal cassatieberoep instellen om over deze principiële kwestie de vereiste helderheid te verkrijgen.

Betekenis van de gerechtelijke uitspraken voor de realisatie van het beleid.
Doel van de herstructurering van de varkenshouderij is te komen tot een duurzame sector die toekomstperspectief heeft en die voldoet aan de maatschappelijke randvoorwaarden op het vlak van milieu, ruimtelijke kwaliteit, dierenwelzijn, diergezondheid en volksgezond--heid. Nadat decennia lang de nadruk te eenzijdig heeft gelegen op groei en economisch profijt, dient thans veel meer acht te worden geslagen op het maatschappelijke kader waarbinnen de sector opereert en op de negatieve bij-effecten van de varkenshouderij. Alleen dan kan deze voor de Nederlandse economie en werkgelegenheid belangrijke sector zijn positie voor de toekomst zeker stellen. Ik vind dat van het grootste belang en zal mij met overtuiging inzetten voor het behoud van een gezonde en duurzame varkenssector voor Nederland die opereert binnen de maatschappelijke randvoorwaarden.

Waar de sector zelf onvoldoende bereid of in staat is gebleken zijn verantwoordelijkheid voor de ver--vulling van de maatschappelijke randvoorwaarden te nemen, kunnen overheidsmaatregelen niet uitblijven. Ik besef daarbij dat deze maatregelen diep kunnen in-grijpen op het niveau van de individuele ondernemer en in een aantal gevallen de voort-zetting van het bedrijf zullen belemmeren. Dat is evenwel aanvaardbaar zolang de overheid in haar beleid de sociale dimensie genoegzaam in acht neemt.

In het licht van het voorgaande is het belangrijk om te constateren dat de tot op heden door de rechter gewezen vonnissen met be-trekking tot de Whv geen gevolgen hebben voor de inmiddels in wetgeving neergelegde maatregelen die moeten leiden tot belangrijke verbeteringen in de varkenshouderij op het vlak van dierenwelzijn en diergezondheid, en dat de met de Whv ingevoerde varkensheffing niet ter discussie staat. Dat geldt ook voor de instrumenten van de Reconstructiewet waarmee vanuit een integrale aanpak de kwaliteit van het platteland en de natuur in de concentratiegebieden moet worden verbeterd.

Zorgwekkend uit een oogpunt van milieu is evenwel dat als gevolg van de rechterlijke uitspraken voorshands een belangrijk en effectief instrument uit handen van de overheid is geslagen om een landelijke reductie van de varkensmestproductie te realiseren. In de gegeven omstandigheden is zelfs een landelijke groei van de varkensstapel mogelijk. Alleen de markteco--nomische situatie, het ruimtelijk ordeningsbeleid en het vereiste van een milieuvergunning staan aan een ongebreidelde uitbreiding van de varkenshouderij in de weg. In de gegeven situatie komen de doelstellingen van het mestbeleid dan ook ernstig onder druk te staan. De effectieve realisatie van de noodzakelijke reductie van de stikstof- en fosfaatbelasting van het milieu door de Nederlandse land-bouw, zoals deze is voorzien in de Integrale Notitie mest- en ammoniakbeleid (kamerstukken II 1995/96, 24 445, nr. 1) en in de brief van de Minister van VROM en mijn ambtsvoorganger over het aanvullend stikstofbeleid (kamer-stukken II 1998/99, 24 445, nr. 43), is immers alleen mogelijk indien tegelijk met de aanscherping van de normering wordt zeker gesteld dat er evenwicht blijft bestaan tus-sen de landelijke mestproductie en de aanwendings- en afzetmogelijkheden voor die mest bìn-nen de gestelde normen. Zoals in het kader van de Integrale Notitie is berekend en recent onder-zoek van het Bureau Van de Bunt bevestigt (brief aan de Tweede Kamer van 28 april 1999, kenmerk DL 1999/1888), moet daartoe de productie van varkensmest in de periode tot 2002 met ten minste met 14 miljoen kilogram fosfaat worden verminderd, ervan uitgaande dat zich op het punt van mestexport en mestdistributie bij andere sectoren geen tegenvallers voordoen. Als gevolg van de rechterlijke uitspraken komt de tij-dige realisatie van deze taakstelling in gevaar. Dit is temeer zorgwekkend aangezien de be-per-king van de varkens--mestproductie waartoe de Whv strekt tevens een noodzakelijke maat-regel is ter re-alisatie van de doelstellingen van de EG-Nitraatrichtlijn (richtlijn 91/676/-EEG van de Raad; PbEG L 375) en Nederland, zoals bekend, door de Commissie van de EG in gebreke is gesteld wegens de niet-nakoming van de verplichtingen van die richtlijn.

De als gevolg van de rechterlijke uitspraken ontstane situatie noopt dan ook tot een grondige bezinning op het mest- en herstructureringsbeleid, waarbij ook de kwetsbare situatie waarin Nederland zich in het licht van de EG-Nitraatrichtlijn bevindt een zwaarwegende fac-tor zal moeten zijn. Waar mogelijk moet worden voortgebouwd op de goede beleidsinstrumenten die tezamen met het bedrijfsleven zijn ontwikkeld en waar mogelijk moet rekening worden gehouden met de inspanningen en verworvenheden van het bedrijfsleven van de afgelopen jaren.

Ik wil evenwel niet uitsluiten dat er ook aanvullende en wellicht ook vervangende maatregelen moeten worden voorbereid. In dat kader zal ik ook maatregelen waarin de in Nederland - gegeven de normering van de EG-nitraatrichtlijn - aanwezige mestafzetruimte centraal wordt gesteld als onmiddellijk bepalende factor voor de pro-ductieomvang onderzoeken en zonodig verder ontwikkelen. Het is nu te vroeg om daarover definitieve uitspraken te doen. Wèl dient beseft te worden dat eventuele alternatieve maatregelen in termen van doelstellingen zeker niet minder ingrijpend kunnen zijn dan de Whv.

Tezamen met mijn ambtsgenoot van VROM, die eerstverantwoordelijke is voor de tenuitvoerlegging van de EG-Ni-traat-richtlijn, zal ik mij in overleg met het kabinet de komende tijd zorgvuldig beraden op de maatregelen die in het licht van de geschetste situatie vereist en passend zijn. Over de uitkomsten hiervan zal ik uw Kamer vervolgens zo spoedig mogelijk informeren.

Tot slot wil ik benadrukken dat ik een dialoog met de sector essentieel acht om tot een aanvaardbaar en werkbaar herstructureringsbeleid te kunnen komen en om zo spoedig mogelijk een einde te maken aan de onzekerheid en impasse waarvan thans sprake is. Daarbij spreekt voor zich dat de overheid een eigen verantwoordelijkheid heeft en over haar beleidsintenties geen misverstand mag bestaan.
DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER

EN VISSERIJ,

mr. L.J. Brinkhorst

14 jun 99 18:08

Deel: ' Brief LNV over hofuitspraak spoedappèl varkenshouderij '




Lees ook