Tweede Kamer der Staten Generaal


26801000.037 brief min vws inzake huisartsenzorg (motie 26801-18)
Gemaakt: 9-3-2000 tijd: 10:43


5


26801 Zorgnota 2000-03-09

nr. 37 Brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 maart 2000

Overeenkomstig de toezegging in mijn brief van 31 januari jl., kenmerk DBO-CB-U-2041287, doe ik u hierbij toekomen een plan van aanpak, waarin een oplossingsrichting wordt aan-gegeven voor de knelpunten, die in de motie Van Blerck-Woerdman, 26801 nr. 18, worden genoemd. Overleg over het plan van aanpak heeft op ambtelijk niveau plaatsgevonden met de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) en de Raad voor de Huisartsopleiding (RHO). Eveneens is op ambtelijk niveau gesproken met het ministerie van OCenW. Achtereenvol-gens ga ik nader in op de capaciteit van de huisartsopleiding en de gewenste capaciteit van de basisopleiding, de aard en duur van de huisarts- en artsenopleiding en de diensten en de beoogde maatregelen.

Capaciteit van de huisartsopleiding

Mijn inzet is om de uitbreiding van de instroom gefaseerd als volgt te laten verlopen: in 1999/2001 met 36 plaatsen tot 361 en vanaf 2001 tot en met 2004 jaarlijks in stappen van 24 om te komen tot 456 instroomplaatsen. Volgens nader onderzoek kan realisering van de uitbrei-ding geschieden in zes van de acht afdelingen Huisartsopleidingen. Bij 456 huisartsen in opleiding gaat het om 38 groepen van twaalf.

De financiële consequenties van deze uitbreiding nemen toe van, afgerond, f6 mln in 2001 en f12 mln in 2002 tot structureel f34 mln vanaf 2007. De kosten hebben betrekking op de salariskosten van de huisartsen in opleiding (HAIO's), de vergoeding voor de huisarts-opleiders en de personele en materiële kosten van de afdelingen huisartsopleiding. Bij de begrotingsvoorbereiding 2001 zal het kabinet bezien hoeveel middelen beschikbaar kunnen worden gesteld voor de uitbreiding van de huisartscapaciteit.

Zoals ik u in mijn brief van 31 januari jl. schreef, zou ik met de Staatssecretaris van Finan-ciën bespreken op welke wijze tot een definitieve oplossing kan worden gekomen inzake de nadelige gevolgen van het nieuwe belastingstelsel voor de goodwilluitkering van oudere huisartsen. Inmiddels blijkt dat in grote lijnen overeenstemming is bereikt met de Staats-secretaris over een voor de LHV aanvaardbare oplossing.

Capaciteit van de basisopleiding geneeskunde

In mijn advies d.d. 10 augustus 1999 aan de minister van OCenW inzake de gewenste toelatingscapaciteit geneeskunde ben ik op grond van de uitbreidings- en vervangingsvraag uitgegaan van een uitbreiding van de toelatingscapaciteit van de huisartsopleiding tot 385. In het advies heb ik aangegeven dat een uitbreiding van de instroom geneeskunde van
1.875 tot 1.930 eerstejaars voldoende zou zijn om in de vraag naar artsen tot het jaar 2015 te kunnen voorzien. De minister van OCenW heeft in de brief, waarin hij het Hoger onderwijs- en onderzoekplan
2000 (HOOP) vaststelt, aan de Tweede Kamer meegedeeld het aantal van
1.930 als arbeidsmarktfixus voor de jaren 2000-'01 en 2001-'02 vast te stellen.

De medische faculteiten verenigd in het Disciplineorgaan Medische Wetenschappen van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU) hebben aan de minister van OCenW gemeld dat het aantal eerstejaars alleen kan worden verhoogd als er extra geld beschikbaar komt. De financiering van de uitbreiding zal worden betrokken bij de voorbereiding van de onderwijsbegroting 2001.

Een verdere uitbreiding van de toelatingscapaciteit van de huisartsopleiding van 385 tot 456 plaatsen moet op den duur leiden tot een extra instroom in de basisopleiding geneeskunde met ongeveer tachtig eerstejaars. Dit vereist nader overleg met de minister van OCenW en ook met de VSNU over de beschikbare capaciteit van de basisopleiding en vervolgens over de financie-ring van deze uitbreiding. De minister van OCenW acht het van belang een meerjarenschema te ontwikkelen. Hierdoor zal ook voor de universiteiten meer duidelijkheid komen over de te verwachten ontwikkelingen in de capaciteit over een langere periode. Aangezien er thans een «stuwmeer» is van basisartsen die een opleiding tot huisarts ambiëren, kan de uitbreiding van de huisartsopleiding direct van start gaan.

Een aandachtspunt bij de vaststelling van de capaciteit van de opleiding geneeskunde en de huisartsopleiding is de immigratie van artsen respectievelijk huisartsen. Volgens het BIG-register zijn er in
1999 in totaal 406 artsen met een buitenlands artsdiploma ingeschreven, onder wie 85 met een geclausuleerde inschrijving. Van deze 85 is de vakbekwaamheid nagenoeg gelijkwaardig aan die van een arts met een in Nederland behaald artsdiploma. Wel dienen zij eerst te voldoen aan bepaalde voorwaarden om ongeclausuleerd te kunnen worden ingeschreven. Bij de raming van de benodigde huisartscapaciteit heeft het NIVEL rekening gehouden met de instroom van huisartsen uit het buitenland.

Het Capaciteitsorgaan zal een belangrijke ondersteunende rol kunnen spelen bij het ontwik-kelen van een meerjarenvisie. Het kan de ontwikkeling ervan immers mede stimuleren door in het capaciteitsplan voor de medische en tandheelkundige vervolgoplei-dingen een lange termijn visie voor de zorg en de daarbij betrokken beroepsbeoe-fenaren op te stellen. Ook de concrete uitwerking van aanbevelingen van de Verkennings-commissie hoger gezond-heidszorg onderwijs (HGZO) van de HBO-raad kan een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van een meerjarenvisie. Capaciteitsvraagstukken moeten immers mede worden bezien in het licht van taakverdeling tussen artsen en andere beroepsbeoefenaren.

Aard en duur van de huisarts- en artsenopleiding

De opleiding tot huisarts moet volgens de EEG-richtlijn 93/16 voldoen aan de volgende voorwaarden:


- ten minste twee jaar duren (volledig dagonderwijs);

- ten minste zes maanden praktijkopleiding in een erkend ziekenhuis;

- ten minste zes maanden praktijkopleiding in een huisartsenpraktijk van een erkende huisartsopleider;


- praktisch opleiding mag eventueel gedurende ten hoogste zes maanden worden ver-vangen door een andere instelling die zich met de huisartsgeneeskunde bezighoudt.

Binnenkort zal de Europese Commissie onderzoek doen naar het in een aantal lidstaten voor-komen van én de specifieke huisartsopleiding volgens de EEG-richtlijn én een specialistische huisartsopleiding. Op grond daarvan verwacht zij meer inzicht te krijgen in de eindtermen van de specialistische huisartsopleiding en de beroepsuitoefening in relatie tot die van de huisartsopleiding volgens de EEG-richtlijn.

De duur van de huisartsopleiding in Nederland bedraagt drie jaar. In het eerste en derde jaar is de HAIO verbonden aan een praktijk van een erkende huisartsopleider. In de eerste helft van het tweede jaar is de HAIO praktisch werkzaam in een ziekenhuis en in de tweede helft in een andere instelling voor gezondheidszorg (met name RIAGG en verpleeghuis). Tijdens de opleiding volgt de HAIO in de zogenoemde terugkomdagen op instituutsniveau theoretisch onderwijs. Het is mogelijk vrijstelling te krijgen van een deel van de opleiding op grond van opgedane medische ervaring. De Stichting Beroepsopleiding tot Huisarts (SBOH) gaat ervan uit dat een kwart van de nieuwe in-stroom een vrijstelling krijgt van drie maanden van de ziekenhuisstage en een kwart van zes maanden. Ook kunnen degenen die al eerder de huisartsopleiding hebben gevolgd, vrijstelling van een deel van de opleiding krijgen waardoor zij eveneens eerder uitstromen. Tegenover een versnelling van de uitstroom staat soms een vertraging door ziekte en zwangerschap. Vanzelfsprekend zal door het volgen van de opleiding in deeltijd het uitstroommoment in de tijd verschuiven.

Ik schreef u in mijn brief van 31 januari jl. dat een verkorting van de reguliere opleidings-duur van drie jaar naar mijn mening niet aan de orde is. De Raad voor de Huisartsopleiding (RHO) komt in de loop van dit jaar met een heroriëntatie op de huisartsopleiding. Een van de aanbevelingen, waaraan wordt gedacht, is een flexibilisering van de opleiding waarbij nog niet afgestudeerden gaan werken als junior huisarts.

Wat betreft de aard en de duur van de artsenopleiding is het naar mijn mening van belang de uitkomsten van de discussie af te wachten die daarover binnen de betrokken partijen wordt gevoerd. Ook het Capaciteitsorgaan zal door het ontwikkelen van een meerjarenvisie voor de capaciteit van de medische vervolgopleidingen een rol hierbij spelen.

Dienstenstructuur

De LHV heeft al vanaf de jaren vijftig vastgelegd dat de huisarts staat voor continue inte-grale persoonlijke zorg voor de patiënten. Dit adagium stond tot voor kort niet ter discussie. De maatschappelijke ontwikkelingen gaan echter niet onopgemerkt aan de huisarts voor-bij. In toenemende mate wordt de patiënt mondiger. Er is een trend naar een maat-schappij met 24-uurs dienstverlening. De (oudere) patiënt blijft langer thuis of keert eerder terug in de thuis-situatie. De frequentie van patiëntencontacten, telefonisch of via consulten en visites, is door dit alles fors toegenomen. De inzet van praktijkondersteuning kan een belangrijke bijdrage leveren aan vermindering van de (ervaren) werkdruk bij huisartsen.

Daarnaast is er ook een toene-mend beroep op de huisarts buiten de normale werk-tijden. Deze toename maakt het voor de indi-viduele huisarts ondoenlijk om het adagium nog te kunnen vervullen. In de prak-tijk hebben huisartsen al door middel van Huisarts-groepen (HAGRO's) en waar-neemgroepen de diensten in Avond, Nacht en Weekend (ANW) op een andere wijze onder-ling geregeld. Dit heeft lange tijd soelaas geboden. Desalniettemin worden de diensten in ANW door veel huisartsen op dit moment als een belangrijke oorzaak voor werk-druk en vermindering van werkvreugde ervaren.

De organisatie van diensten in ANW heeft al geruime tijd mijn aandacht. Zo heb ik in de besprekingen over de Meerjarenafspraken het onderwerp ingebracht bij de LHV en ZN. Op dat moment ging hun voorkeur vooral uit naar het maken van afspraken over de implemen-tatie van praktijkondersteuning. Ik heb daarmee ingestemd, omdat deze ondersteuning een belangrijke toegevoegde waarde heeft voor de organisatie van de huisartsenzorg annex af-stemming in de eerstelijn en vermindering van de werkdruk bij huisartsen. Toch kan worden geconstateerd dat vanaf medio 1999 binnen de beroepsgroep de roep om tot een andere invulling van de diensten in ANW sterk is toegenomen. Dit heeft geleid tot discussies tussen huisartsen onderling en ook binnen de beroepsorganisatie LHV. Vervolgens heeft de LHV mij benaderd. Ik heb haar te kennen gegeven dat ik bereid ben om constructief mee te denken om te zoeken naar oplossingen voor de diensten in ANW binnen de kaders van de beschik-bare middelen van de Meerjarenafspraken c.q. het convenant huisartsenzorg. In concreto betekent dit dat, wanneer er voor gekozen wordt om binnen de MJA huisartsen meer mid-delen vrij te maken voor diensten, andere activiteiten (bij voorbeeld praktijkonder-steuning) op een lager pitje zullen moeten worden gezet.

Ik beschouw de motie op dit punt als een duidelijke ondersteuning van mijn beleid om met partijen constructief mee te denken en te zoeken naar oplossingen voor de diensten in ANW. Een eerste overleg heeft in-middels plaatsgevonden. In dit overleg zijn afspraken gemaakt over de stappen en procedures om het knelpunt van de diensten in ANW aan te pakken.

Plan van Aanpak diensten in ANW


1. Analyseren van de oorzaken en knelpunten diensten in ANW
In de eerste fase gaat het om twee zaken. Allereerst helder krijgen welke oorzaken er toe leiden dat de huidige dienstenstructuur in ANW van een waarneemgroep onder druk komt te staan. Het gaat daarbij voor een belangrijk deel om externe factoren (zoals bij voor-beeld de verandering van de patiëntenvraag) en voor een deel om factoren binnen de beroepsgroep (normalisatie van werktijden). Daarnaast zal worden geïnventariseerd welke knelpunten het moeilijk maken om de huidige organisatie van diensten aan te passen aan de wensen en behoeften van de huidige tijd.


2. Inventarisatie van de bestaande alternatieven voor diensten in ANW
Op veel plaatsen in het land zijn initiatieven ontstaan om de diensten op een andere wijze vorm te geven. In veel gevallen zijn de initiatieven opgezet in samenwerking met andere zorgverleners in de regio en/of met de zorgverzekeraar. Het is goed om te leren van de erva-ringen van deze initiatieven. Daarom zullen deze initiatieven in kaart worden gebracht. Gekeken zal met name worden naar:


- aanleiding in de regio om tot een verandering van de dienstenstructuur te komen;


- welke partij(en) heeft het initiatief genomen en wie begeleidt c.q. faciliteert het proces om tot de verandering van de dienstenstructuur te komen;


- op welke wijze is de dienstenstructuur in de regio organisatorisch vormgegeven;


- welke problemen zich hebben voorgedaan en hoe deze zijn opgelost;

- op welke wijze wordt deze dienstenstructuur gefinancierd.

3. Rol van landelijke en regionale partijen bij organiseren van diensten in ANW

Aan de hand van de informatie verkregen uit de stappen 1 en 2 zal worden bekeken welke mo-gelijkheden er zijn om een andere vormgeving van diensten in ANW te bevorderen. Ook zal duidelijk zijn in hoeverre er een algemene lijn te ontdekken is uit de verschillende initia-tieven dan wel of de vormgeving vooral is bepaald door de regio-omstandigheden. Deze factoren zijn van belang bij de beoordeling welke rol de landelijke organisaties en de over-heid kunnen spelen bij het stimuleren van andere dienstenstructuren. Daarnaast speelt na-tuurlijk ook mee dat rekening dient te worden gehouden met de meerjarenafspraken en de regierol van de zorgverzekeraars in het tweede compartiment. In algemene zin is de inzet gericht op landelijke kaders met een invulling in de regio tussen lokale partijen.


4. Activiteiten om alternatieve organisatie van diensten in ANW te bevorderen en te implementeren

Op verschillende terreinen zullen, mede afhankelijk van de informatie uit de analyse en de inventarisatie (stappen 1 en 2), activiteiten worden ondernomen om de alterna-tieve dien-sten in ANW te kunnen bevorderen en te kunnen implementeren. Gedacht kan onder andere worden aan:


- de wijze waarop de kosten van dienstenorganisatie kunnen worden verdeeld dan wel gefinancierd;


- juridische constructie en verantwoordelijkheidsverdeling en aansprakelijkheid diensten-organisatie;


- mogelijke combinaties met andere soorten van hulpverlening en onderlinge afstemming;


- de wijze waarop informatie en communicatie geregeld kan worden onder andere met behulp van ICT.

Ik verwacht met het bovenstaande een concreet en volledig beeld te hebben gegeven van het plan van aanpak voor een oplossingsrichting van de in uw motie aangegeven knelpunten.

De Minister van Volksgezondheid,

Welzijn en Sport,

E. Borst-Eilers

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief minister Borst (VWS) over huisartsenzorg '




Lees ook