Tweede Kamer der Staten Generaal


00000000.0443 brief min vrom over houtverduurzaming
Gemaakt: 5-1-2000 tijd: 15:53


6

Aan de Voorzitter van vaste commissie van VROM

's-Gravenhage, 27 dec. 1999

Onderwerp:

Houtverduurzaming

Op 17 november en 1 december jl. heeft u mij een brief gestuurd in verband met het Ontwerp-besluit PAK-houdende coatings Wet milieugevaarlijke stoffen met betrekking tot gecreosoteerd hout en de CTB-besluiten over wolmanzouten. Op 16 december jl. heeft over deze onderwerpen een Algemeen Overleg plaatsgevonden en is daar grotendeels op de vragen van uw brieven ingegaan. Voor de volledigheid heb ik de beantwoording van uw vragen hieronder nog op schrift gezet.

Op 16 december jl. is een motie van de kamerleden Feenstra en Udo aanvaard. Met deze motie is verzocht de besluitvorming omtrent houtverduurzaming af te stemmen op de implementatiedatum van de EG-biocidenrichtlijn en derhalve de CTB-besluiten niet per 1 januari
2000 te laten ingaan, maar op 14 mei 2000. Deze motie zal worden uitgevoerd bij wijze van een bijzondere voorziening waarin bij ministeriële regeling wordt bepaald dat de koperhoudende houtverduurzamingsmiddelen mogen worden opgebruikt tot 14 mei 2000. In de beantwoording van de schriftelijke vragen van de leden Udo, Schoenmakers, Eisses-Timmerman en Van Dijke (van 8 oktober jl.) is dit ook reeds door het ministerie van VWS aangegeven.

Beantwoording vragen

De in uw brief van 17 november jl. gestelde vragen heb ik in de bredere context van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 geplaatst. Hieronder volgt een nadere toelichting op:


1. Het toelatingsbeleid van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Bmw), inclusief:

? de rol van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB)

? het Besluit milieutoelatingseisen niet-landbouwbestrijdingsmiddelen (Bmnl)

? de Biocidenrichtlijn (98/8/EG)


2. Het CTB-besluit over creosoot en het aanvullende importverbod voor gecreosoteerd hout


3. Het CTB-besluit over wolmanzouten en het aanvullende importverbod voor gewolmaniseerd hout


4. Bedrijfseffecten van importverboden voor gecreosoteerd hout en gewolmaniseerd hout


5. Alternatieven voor gecreosoteerd hout en gewolmaniseerd hout


1. Het toelatingsbeleid van de Bmw

De Bmw vormt het wettelijk kader op basis waarvan het CTB besluiten neemt over de toelating van bestrijdingsmiddelen. Dit betreft zowel gewasbeschermingsmiddelen als niet-landbouwbestrijdingsmiddelen, ook wel biociden genoemd. Het CTB beslist hierover namens de ministeries van VWS, LNV, VROM en SZW. Tot 1 januari a.s. neemt het CTB deze besluiten in mandaat namens de minister van LNV voor zover het betreft gewasbeschermingsmiddelen en namens de minister van VWS voor zover het betreft biociden. Met ingang van 1 januari a.s. wordt het CTB verzelfstandigd en is de bevoegdheid van het CTB tot het nemen van besluiten met betrekking tot toelating rechtstreeks gebaseerd op de Bmw.

Een bestrijdingsmiddel wordt pas toegelaten nadat het CTB conform de Bmw heeft getoetst en vastgesteld dat er geen sprake is van schade voor de gezondheid van mens en dier en van voor het milieu onaanvaardbare effecten (zie de artikelen 3 en 3a van de Bmw). De criteria voor de toets dat er geen sprake is van onaanvaardbare milieueffecten is nader uitgewerkt in het Besluit milieutoelatingseisen niet-landbouwbestrijdingsmiddelen 1998 (Bmnl) dat op 1 januari 1998 in werking is getreden (voorheen Regeling milieutoelatingseisen niet-landbouwbestrijdingsmiddelen (Rmnl) 1998).

Het Bmnl strekt formeel gezien niet tot omzetting van de Biocidenrichtlijn (98/8/EG) die op 14 mei 1998 in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen is bekendgemaakt. Desalniettemin sluit dit besluit wel direct aan bij de milieuparagrafen van de gemeenschappelijke beginselen van deze richtlijn. De richtlijn legt de wettelijke basis voor harmonisatie van de toelating van biociden op de interne markt.

De lidstaten hebben de verplichting om de richtlijn uiterlijk 14 mei
2000 in de nationale wetgeving om te zetten. Het wetsvoorstel tot wijziging van de Bmw dat strekt tot omzetting van deze richtlijn zal naar verwachting binnenkort door het ministerie van VWS aan de Tweede Kamer worden gezonden. Nederland ligt vooralsnog op schema met de omzetting van de richtlijn. De andere EU-landen geven aan eveneens op schema te lopen. De omzetting van de richtlijn zal niet tot andere besluiten over creosoot en wolmanzouten leiden, gegeven het feit dat het Bmnl reeds aansluit bij de milieuparagrafen van de gemeenschappelijke beginselen van de richtlijn. Het CTB kijkt niet naar de economische effecten van besluiten. De Bmw biedt daarvoor geen grondslag. Ook de Biocidenrichtlijn schrijft een economische afweging niet voor.

Indien toelatingshouders het oneens zijn met door het CTB genomen besluiten, kunnen zij op grond van de Bmw bezwaar aantekenen tegen de CTB-besluiten bij de minister van VWS, die eerstverantwoordelijke is voor biociden. In bezwaar wordt bezien of het CTB op basis van het Bmnl tot de besluiten heeft kunnen en mogen komen. Tegen de uitkomst van de bezwaarprocedure kunnen de toelatingshouders beroep instellen bij het College van beroep voor het bedrijfsleven (CBB).

De bezwaarschriftenprocedure noch de beroepsprocedure leiden tot opschorting van de CTB-besluiten. Om schorsing van die besluiten te bewerkstelligen kunnen de toelatingshouders bij de voorzitter van het CBB een voorlopige voorziening vragen. Alleen als die voorlopige voorziening wordt toegekend, kan er sprake zijn van schorsing van de CTB-besluiten.


2. CTB-besluit over creosoot en het aanvullend importverbod voor gecreosoteerd

hout

CTB-besluit over creosoot

In 1996 is het CTB tot de conclusie gekomen dat de toelating van het houtverduurzamingsmiddel creosoot in Nederland beperkt moet worden wegens de risico's voor het milieu. Het CTB nam zich voor om de toelating van creosoot te beëindigen voor toepassingen in de waterbouw en in direct contact met grondwater. Omdat dit voornemen van het CTB verder ging dan de communautaire wetgeving, kon het nog niet worden uitgevoerd. Het zou eerst bij de Europese commissie moeten worden genotificeerd. Het CTB heeft toen besloten om de toelating van creosoot met nog 3 jaar te verlengen en het voornemen kenbaar gemaakt dat op 1 april 1999 de toelating van creosoot wordt beperkt.

In maart 1999 heeft het CTB besloten om de toelating van creosoot per
1 april 1999 niet langer te verlengen voor het creosoteren van hout met toepassingen waarbij het hout in aanraking kan komen met oppervlaktewater of grondwater. In verband met de totstandkoming van de Biocidenrichtlijn is besloten om af te zien van notificatie van het CTB-besluit en is het CTB-besluit op 9 juni 1999 gemeld aan de Europese Commissie op grond van artikel 18 van de Biocidenrichtlijn. Dit besluit is op 1 oktober 1999 effectief geworden. De toelating voor de overige toepassingen (het gebruik van gecreosoteerd hout als spoorbiels of gevelbetimmering) wordt verlengd tot 1 april 2001.

Tegen het CTB-besluit zijn bij de minister van VWS door de toelatingshouders bezwaren ingediend. Ten aanzien van dit CTB-besluit is geen voorlopige voorziening gevraagd door de toelatingshouders. Verwacht wordt dat de beslissing op de bezwaarschriften nog deze maand bekend wordt gemaakt.

Als gevolg van dit CTB-besluit wordt voor een deel bijgedragen aan de doelstelling van het Beleidsstandpunt polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) om voor iedere bron van PAK in het jaar 2000 een emissiereductie van 90% ten opzichte van het jaar 1985 te realiseren. Het gebruik van creosoot is immers een belangrijke bron van PAK-emissie.

Importverbod voor gecreosoteerd hout

Besluiten van het CTB op grond van de Bmw hebben een beperkte reikwijdte. Ze hebben alleen betrekking op het op de Nederlandse markt brengen en het gebruik van bestrijdingsmiddelen in Nederland. In ons land mag dus nog wel hout worden gecreosoteerd ten behoeve van de export. Dat de CTB-besluiten geen beperking opleggen aan de toelating van bestrijdingsmiddelen voor de productie van verduurzaamd hout voor de export, heeft te maken met het feit dat het toelatingsregime nationaal is geregeld. Gezien de nationale geografische verschillen moet ieder land zelf bepalen, rekening houdend met zijn eigen nationale milieu-omstandigheden, of een bestrijdingsmiddel al dan niet mag worden toegelaten.

De door het CTB geconstateerde onaanvaardbare milieueffecten en mogelijke risico's voor de gezondheid gelden in sterkere mate evenzeer voor gecreosoteerd hout dat vanuit het buitenland in Nederland wordt ingevoerd. De milieukwaliteit van ingevoerd gecreosoteerd hout is in het algemeen geringer dan hout dat in ons land is verduurzaamd. Een importverbod op grond van de Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms) met dezelfde beperking als het CTB-besluit over creosoot is derhalve nodig om dit te voorkomen. Tevens moet worden voorkomen dat in Nederland ten behoeve van de export gecreosoteerd hout wordt geëxporteerd en vervolgens weer wordt geïmporteerd (de zogenaamde U-bocht constructie). Daarnaast strekt het importverbod ertoe te voorkomen dat er een onrechtvaardig onderscheid ontstaat tussen Nederlandse en buitenlandse houtverduurzamingsbedrijven. Zonder importverbod zouden buitenlandse bedrijven verduurzaamd hout wel op de Nederlandse markt kunnen brengen, terwijl Nederlandse bedrijven dat als gevolg van het CTB-besluit niet meer mogen.

Het importverbod wordt in eerste instantie vorm gegeven door middel van een ministeriële regeling, zodat de inwerkingstredingsdatum van het importverbod zo dicht mogelijk bij de inwerkingstredingsdatum van het CTB-besluit zou liggen (namelijk 1 oktober 1999). De regeling wordt vervolgens zo spoedig mogelijk omgezet in een algemene maatregel van bestuur (amvb). De ministeriële regeling is genotificeerd bij de Europese commissie. De standstilltermijn loopt af op 28 december a.s. Op 7 december is bekend gemaakt dat de standstill-termijn met drie maanden wordt verlengd, vanwege opmerkingen door Ierland naar aanleiding van de ontwerp-regeling. Dit betekent dat de regeling niet eerder dan 28 maart 2000 zal mogen worden gepubliceerd.

De omzetting van de regeling in een amvb is reeds gaande. De ministerraad heeft namelijk met de bekendmaking van het ontwerp-besluit in de Staatscourant en de toezending ervan aan beide Kamers der Staten-Generaal ingestemd. Indien het ontwerp-besluit als gevolg van de ingekomen zienswijzen geen wezenlijke veranderingen ondergaat, zal het vervolgens door de Koningin voor advies worden voorgelegd aan de Raad van State.


3. CTB-besluit over wolmanzouten en het aanvullende importverbod voor

gewolmaniseerd hout

In mei 1998 heeft het CTB het voornemen geuit om de toelating van wolmanzouten per 1 januari 2000 te beëindigen voor:

a. het verduurzamen van hout dat bestemd is voor de verwerking of voor het gebruik door

particulieren;

b. het verduurzamen van hout dat wordt gebruikt in direct of indirect contact met grond

(inclusief oeverbeschoeiing).

Alleen de toelating van deze middelen voor het verduurzamen van hout dat wordt gebruikt binnenshuis, mits verwerkt in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf, blijft toegestaan. Geconstateerd is dat het gebruik van deze middelen leidt tot onaanvaardbare milieueffecten. Daarnaast heeft het CTB geconstateerd dat risico's voor de volksgezondheid niet kunnen worden uitgesloten, met name bij speeltoestellen en gebruik door particulieren. Na een hoorprocedure die niet leidde tot andere inzichten, heeft het CTB op 16 juli 1999 zijn voornemen omgezet in besluiten. Deze besluiten treden op 1 januari 2000 in werking. Door uitvoering van de motie van Feenstra en Udo wordt deze datum nu veranderd in 14 mei 2000.

Tegen deze besluiten heeft de houtverduurzamingssector bezwaren ingediend op grond van de Bmw bij de minister van VWS. Op 14 december jl. heeft de openbare behandeling van de bezwaren plaatsgevonden bij de bezwaarschriftencommissie van VWS. Ten aanzien van deze besluiten hebben de toelatingshouders geen voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzitter van het CBB.

Tweede Kamer

In de Tweede Kamer is meerdere malen gediscussieerd over wolmanzouten. Op 24 oktober 1991 heeft het toenmalige Kamerlid Willems (GroenLinks) een motie ingediend waarin werd gevraagd om een verbod op wolmanzouten. Deze motie is aangenomen door de Kamer. De Bmw bood echter niet de mogelijkheid om met de toen beschikbare gegevens de toelatingen in te trekken. Er waren nog geen milieucriteria, waardoor niet kon worden bewezen dat er sprake was van `schadelijke nevenwerkingen' (destijds het criterium uit de Bmw).

In november 1996 heeft het kamerlid Vos (GroenLinks) opnieuw een motie ingediend waarin werd verzocht om een einde te maken aan de toepassing van arseenhoudende wolmanzouten en een gescheiden inzamel- en verwerkingssysteem tot stand te brengen. Deze motie is kamerbreed aangenomen op 19 november 1996 (GroenLinks, SP, PvdA, D66, CDA, RPF, SGP, GPV, groep Nijpels, AOV, Hendriks). Ook deze motie kon niet worden uitgevoerd, omdat in de Bmw milieucriteria ontbraken.

Na de totstandkoming van het Rmnl (later Bmnl) beschikte het CTB over de noodzakelijke milieucriteria om biociden op basis van de Bmw te kunnen toetsen. Dit heeft geresulteerd in de CTB-besluiten over wolmanzouten.

Importverbod gewolmaniseerd hout

Gezien de beperkte reikwijdte van CTB-besluiten is evenals bij creosoot een aanvullend importverbod voor gewolmaniseerd hout opgesteld.

Kort geding.

De sector heeft een kort geding aangespannen tegen de Staat der Nederlanden in verband met de

importverboden voor gewolmaniseerd hout en gecreosoteerd hout. Dit kort geding heeft 22 november

j.l. plaatsgevonden. De sector eiste in het kort geding dat de Staat afziet van het in procedure brengen

van de importverboden en eiste dat het Bmnl buiten werking wordt gesteld. Op 7 december jl. volgde

de uitspraak die luidde dat de houtverduurzamingssector in het ongelijk werd gesteld en de bezwaren

zijn afgewezen.


4. Bedrijfseffecten

Zoals gezegd kijkt het CTB niet naar de economische effecten van besluiten. Bij het opstellen van de aanvullende importverboden is wel een bedrijfseffectentoets uitgevoerd.

Creosoot

Voor het importverbod voor gecreosoteerd hout heeft dit geleid tot de conclusie dat dit verbod weinig effect zal hebben op Nederlandse bedrijven. Import van gecreosoteerd hout vindt slechts sporadisch plaats door houtverduurzamingsbedrijven, de houthandel, aannemers en tuincentra. Ze worden door het importverbod niet in hun voortbestaan bedreigd. De branche-organisaties van houtimpregneerinrichtingen en van houtondernemingen erkennen dat de import van gecreosoteerd hout voor deze bedrijven geen kernactivi-teit vormt.

Wolmanzouten

Het is moeilijk een betrouwbaar beeld te geven van de import van gewolmaniseerd hout. De import wordt op vergelijkbare grootte geschat als de Nederlandse productie (zo'n 350.000 m3). De belangrijkste importeurs zijn de houtverduurzamingsbedrijven, de houthandel, de aannemerij, de doe-het-zelf zaken en de tuincentra. Voor de meeste importeurs en handelaren vormt de import van gewolmaniseerd hout geen kernactiviteit. De importeurs en handelaren van gewolmaniseerd hout worden door het importverbod naar verwachting niet in hun voortbestaan bedreigd.

De in uw brief naar voren gebrachte bedrijfseffecten van de bedrijven Willemsen Hout, Pontmeyer, Weering Handelsmaatschappij, Hillhout en Houtgroep Eecen zijn effecten als gevolg van het CTB-besluit over wolmanzouten en niet als gevolg van het importverbod voor gecreosoteerd hout.


5. Alternatieven voor gecreosoteerd en gewolmaniseerd hout

Voor het verduurzamen van hout voor toepassingen in water of grond zijn momenteel geen alternatieve bestrijdingsmiddelen beschikbaar. Wel zijn er nog andere houtverduurzamingsmiddelen toegelaten voor het verduurzamen van hout dat wordt gebruikt voor bovengrondse toepassingen buitenshuis (bijv. gevels). Voor de toepassingen in water of grond zijn echter wel technisch bruikbare alternatieven aanwezig. Enerzijds bestaan die uit hout dat geen verduurzaming behoeft (bijv. Europese hardhoutsoorten zoals robinia, tamme kastanje of eiken of FSC-gekeurd tropische hardhout) of op een andere wijze (niet met bestrijdingsmiddelen) verduurzaamd hout (bijv. Plato-hout, geacetyleerd hout, Stellac Wood), anderzijds uit andere materialen (beton, steen, staal).

Feit is echter wel dat op korte termijn er een gering marktaanbod van de `houten' alternatieven beschikbaar is. De Europese hardhoutsoorten robinia en tamme kastanje kennen ieder een jaarlijkse import van zo'n
10.000 m3 en de import neemt verder toe. FSC-gekeurd hout (inclusief tropisch hardhout) maakt op dit moment in Nederland voor 3% deel uit van de totale houthandel. Dit is zo'n 177.000 m3. De Stichting Goedhout wil in het jaar 2003 een markaandeel van duurzaam geproduceerd hout van 25% en in 2006 een marktaandeel van 50%. Op dit moment bestaat zo'n 40% van het houtassortiment van de grotere bouwmarkten uit FSC-gekeurd hout.

De productie van Plato-hout start in mei 2000. De eerste fabriek start met een aanvangscapaciteit van tenminste 50.000 m3 en heeft daarna een beoogde capaciteit van 150.000 - 200.000 m3 per jaar. De eerste productie van industrieel geacetyleerd hout zal plaatsvinden in 2001 en zal vooralsnog een capaciteit van 50.000 m3 hebben. Stellac Wood komt in het jaar 2000 met zo'n 10.000 m3 op de markt. De beschikbaarheid van alternatieve materialen is groter. In hoeverre de alternatieve materialen bijdragen tot een toename van de CO2 uitstoot is niet bekend. In het algemeen kan een geringe toename niet worden uitgesloten. Dit kan echter op termijn weer worden gecompenseerd als de `houten'alternatieven in grotere mate beschikbaar komen.

de minister van Volkshuisvesting

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

J.P. Pronk

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief minister Pronk (Vrom) over houtverduurzaming '




Lees ook