Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief LNV bontproductie

Gemaakt: 28-3-2000 tijd: 12:12


3


26800 XIV Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (XIV) voor het jaar 2000

Nr. 96 Brief van de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 maart 2000

Uw kamer heeft op 1 juli 1999 de motie Swildens-Rozendaal c.s. aanvaard, waarin wordt verzocht om beëindiging van het bedrijfsmatig houden van nertsen. (26200 XIV, nr. 63) In het voor 30 maart aanstaande geagendeerde algemeen overleg zal ik met de vaste commissie voor LNV spreken over de uitvoering van de motie. Vooruitlopend hierop doe ik u alvast enkele overwegingen toekomen.

Na grondige bestudering van de aan de motie verbonden aspecten ben ik van mening dat de motie niet op zichzelf staat maar past in de voortschrijdende ontwikkeling van de maatschappelijke grondhouding van de mens ten opzichte van het dier. Naast de vraag of het welzijn van gehouden dieren voldoende is gewaarborgd, komt steeds meer de vraag aan de orde of het doel waarvoor de dieren worden gehouden voldoende in verhouding staat tot het maatschappelijk belang daarvan.

Ik sta niet afwijzend ten opzichte van de motie. De vraag is echter of de motie een wettelijke vertaling kan krijgen. De discussie over de bontproductie speelt niet alleen binnen Nederland, maar ook binnen Europa.

De regering van het Verenigd Koninkrijk heeft een wetsvoorstel opgesteld waarin het fokken en doden van dieren vanwege de waarde van hun vacht wordt verboden. Het wetsvoorstel is in december jongstleden genotificeerd bij de Europese Commissie als technisch voorschrift in het kader van richtlijn 98/34/EG betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij.

De Finse, Deense, Italiaanse en Spaanse regeringen hebben op informele wijze vraagtekens geplaatst bij het Britse wetsvoorstel. De Franse regering heeft opmerkingen gemaakt in de vorm van een uitgebreide gemotiveerde mening, hetgeen inhoudt dat de Britse regering op de opmerkingen moet ingaan en het wetsvoorstel tot 12 juni aanstaande niet mag vaststellen. De Franse regering ziet de door het Verenigd Koninkrijk voorgestelde maatregel in het licht van de reeds bestaande Europese dierenwelzijnsregelgeving. Er van uitgaande dat het Verenigd Koninkrijk een verbetering van de houderijomstandigheden nastreeft, acht de Franse regering de maatregel niet proportioneel en bovendien niet in overeenstemming met de harmonisatie die op dit terrein wordt nagestreefd. De Franse regering miskent naar mijn mening echter dat het Britse wetsvoorstel niet ziet op verbetering van de houderijomstandigheden als zodanig maar is ingegeven door de maatschappelijke onwenselijkheid van de bontproductie. Ik ben voornemens in die lijn een commentaar aan de Europese Commissie toe te zenden.

Door de genoemde lidstaten zijn met name juridische vraagstukken naar voren gebracht waarvan kan worden aangenomen dat zij zich de komende tijd verder uit zullen kristalliseren. Ik wil daarom de ontwikkelingen binnen Europa bij mijn afweging over de uitvoering van de motie betrekken.

Het is echter duidelijk dat uw kamer grote moeite heeft met de nertsenhouderij. Dit levert een spanningsveld op in de tijd. Ik acht het niet gewenst dat het nemen van de nodige tijd ten behoeve van een gedegen meningsvorming de ruimte geeft aan ontwikkelingen die op zichzelf op gespannen voet staan met de motie.

Ik ben daarom van zins voorlopig een uitbreiding van het aantal nertsenhouderijen in Nederland tegen te gaan door in de Staatscourant aan te kondigen dat, mocht het tot een verbod komen, de overgangstermijnen niet van toepassing zullen zijn op bedrijven die na die aankondiging nertsen zijn gaan houden. Aldus zal er feitelijk sprake zijn van een beperking van het aantal nieuwe bedrijven.

Over de aan de motie gekoppelde ethische en rechtsfilosofische vraagstukken heeft het Rathenau-Instituut, op mijn verzoek, een discussiebijeenkomst georganiseerd met ethici, bestuurskundigen en rechtsfilosofen. Het verslag van deze op 2 december jongstleden gehouden bijeenkomst heb ik u doen toekomen.

De deelnemers aan de discussiebijeenkomst stelden een aantal kritische vragen. Zij waarschuwen dat het ontbreken van een ethisch en rechtsfilosofisch beoordelingskader ter toetsing van de aanvaardbaarheid van productiedoelen kan leiden tot onvoorspelbare bestuurlijke en maatschappelijke problemen.

Door enkele deelnemers aan de discussiebijeenkomst is de vrees uitgesproken dat na de bontproductie andere doeleinden waarvoor dieren worden gehouden zullen worden verboden. Deze vrees voor de «onvoorspelbaarheid» en de precedentwerking van een eventueel verbod op de bontproductie deel ik niet. De door deze deelnemers naar voren gebrachte elementen doen naar mijn mening onvoldoende recht aan de werking van de besluitvormingsprocessen in Nederland. In de wisselwerking tussen politiek, maatschappij en wetenschap zullen de genoemde beoordelingskaders steeds verder uitkristalliseren en kan de benodigde discussie in den brede worden gevoerd. Alle relevante elementen, niet alleen de inhoudelijke maar ook bijvoorbeeld de emotionele kant van de zaak, kunnen daarbij worden afgewogen. Van belang in deze is dat de politieke oordeelsvorming op zorgvuldige wijze plaatsvindt. Gelet op de motie Swildens-Rozendaal c.s. zie ik de gemaakte opmerkingen in het verslag van de bijeenkomst van het Rathenau-instituut dan ook niet als een belemmering voor een eventuele uitvoering van de motie.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER

EN VISSERIJ,

L.J. Brinkhorst

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief ministerie van LNV over bontproductie '




Lees ook