Tweede Kamer der Staten Generaal

26391 Starnota ruimtelijke ordenign 1999

nr. 12 Brief van de ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Economische Zaken, van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, van Verkeer en Waterstaat en voor Grote Steden- en Integratiebeleid

De Voorzitter van de Tweede Kamer der

Staten-Generaal

's-Gravenhage, 21 februari 2000

Hierbij bieden wij U, naar aanleiding van de motie-Duivesteijn (Tweede Kamer 26 391, nr. 4), een Kader voor groen polderoverleg aan *).

Dit Kader legt vast op welke wijze de ondertekenende ministers maatschappelijke organisaties zullen betrekken bij de voorbereiding en/of uitvoering van belangrijke besluiten op het gebied van de leefomgeving en de ruimtelijke economische en ecologische inrichting. Aan de hand van dit Kader kunnen per situatie een aantal functionele en organisatorische vragen over het maatschappelijk overleg worden beantwoord, zoals over de deelnemende organisaties, het voorzitterschap en het gewenste doel van het overleg.

Naar verwachting zal deze constructie ertoe leiden dat bij de voorbereiding van nieuwe nota's of grote projectbeslissingen de overheid een soort constituerend beraad bijeenroept om afspraken te maken over de wijze van overleg of samenwerking met maatschappelijke organisaties. Het ligt voor de hand dat de gemaakte afspraken schriftelijk zullen worden vastgelegd in de vorm van een vergaderverslag, een procesconvenant of iets dergelijks.

Totstandkoming van dit Kader

Over de opzet van dit Kader is overleg gevoerd met een groot aantal maatschappelijke organisaties die vrijwel alle thans participeren in gesprekken ter voorbereiding van de Vijfde nota ruimtelijke ordening en het NMP4. Deze organisaties vertegenwoordigen niet het maatschappelijke veld in zijn volle breedte. Dat hoeft echter geen bezwaar te zijn omdat dit Kader juist de mogelijkheid biedt per onderwerp bepaalde organisaties uit te nodigen en specifieke procesafspraken te maken. De organisaties waarmee over dit Kader overleg heeft plaatsgevonden, zijn echter voldoende representatief voor het betrokken maatschappelijk veld.

Begrippen: het klassieke poldermodel en het groene poldermodel

Het begrip poldermodel is de laatste jaren gebruikt om de praktijk te schetsen waarbij in de sociaal-economische sector het bedrijfsleven en de vakbeweging elkaar niet per definitie als antagonisten beschouwen. Deze partijen willen in het algemeen eerst verkennen in hoeverre zij hun afzonderlijke doelstellingen kunnen realiseren door samenwerking en compromissen. Die samenwerking is verankerd in de Stichting van de Arbeid en de Sociaal-Economische Raad. Basis van de samenwerking is de overtuiging dat men elkaar op de lange duur nodig heeft om maximaal resultaat te behalen. De samenwerking heeft ook geleid tot intensieve onderlinge contacten en een groeiend vertrouwen in elkaars bedoelingen en betrouwbaarheid.

Het groene poldermodel heeft betrekking op andere onderwerpen en partijen. Daardoor gaat de vergelijking met het gewone poldermodel maar ten dele op. Onder het begrip groene poldermodel worden tot nog toe allerlei overleg- en samenwerkingsvormen beschreven, zoals

? overleg tussen overheid en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van nieuw regeringsbeleid of een regeringsstandpunt;

? overleg over nut en noodzaak van infrastructurele projecten,

? overleg over de uitvoering van grote projecten,

? overleg op regionale schaal over het opzetten en uitvoeren van onder meer ROM-projecten (ruimtelijke ordening en milieu).

? overleg over het instrumentarium of de uitvoering van milieumaatregelen in de industrie of andere sectoren van de economie (milieuconvenanten; benchmarking)

Het soort organisaties dat betrokken is bij het groene poldermodel, is veel uiteenlopender dan bij het gewone poldermodel. Bij het groene poldermodel gaat het om grote en kleine nationale organisaties (als vereniging met honderdduizenden leden of als kleine stichting) of sectorale belangenorganisaties van burgers of ondernemers. In sommige gevallen kan ook overleg tussen overheden (Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen) of overkoepelende organisaties van besturen worden beschouwd als een onderdeel van groene polderoverleg.

Groene poldermodel, groene polderoverleg en groene poldersamenwerking

Met het begrip groene poldermodel wordt bedoeld dat partijen een attitude hebben waarin bereidheid aanwezig is om, in eerste instantie, over vraagstukken met elkaar naar gemeenschappelijke belangen en standpunten te zoeken. De eerste belangrijke stap daarin is te trachten tot een gemeenschappelijke probleemdefinitie te komen: voor welk probleem wordt een oplossing gezocht? De verschillende vormen van overleg en samenwerking die het gevolg zijn van deze attitude om gezamenlijke oplossingen te zoeken, vormen bij elkaar het groene poldermodel.

Dat model kan tot verschillende vormen van groen polderoverleg leiden. In sommige gevallen betreft het overleg van maatschappelijke en particuliere organisaties onderling, zoals bij het Topberaad Mainport Schiphol, in andere gevallen neemt de rijksoverheid zelf ook deel, zoals bij het Topberaad over Mainport Rotterdam of het voorbereiden van nota's als het Nationaal verkeers- en vervoersplan of de Vijfde nota ruimtelijke ordening. Ook de contacten in de SER-commissies Duurzame ontwikkeling en Ruimtelijke investeringen en bereikbaarheid kunnen als een vorm van groen polderoverleg worden betiteld.

In sommige gevallen kan het overleg leiden tot onderhandelingen of samenwerking. Dan bestaat de behoefte uitkomsten of randvoorwaarden van het overleg vast te leggen in bijvoorbeeld een convenant en ontstaan wederzijdse verplichtingen. Dit is toegepast bij ROM-gebieden en het is een optie in het procesconvenant van het Project Mainportontwikkeling Rotterdam.

De waarde van het groene polderoverleg

Dit Kader voor het groene polderoverleg bouwt voort op de volgende toezegging in het regeerakkoord: ,,Het kabinet zal zich bij het ontwikkelen van beleid voor de grote vraagstukken op het terrein van de leefomgeving en de ruimtelijke economische en ecologische inrichting van ons land openstellen voor constructieve bijdragen van relevante groeperingen in de samenleving.'' In de brief van 18 februari 1999 (26.391, nr. 2) schreef het kabinet over het groene poldermodel: ,,Essentieel voor dit model is niet het formele kader, maar de bereidheid bij alle partijen om open overleg met elkaar te voeren en onbevangen de mogelijkheden van samenwerking te onderzoeken. Het model is gebaseerd op de overtuiging dat de besluitvorming over een goede ruimtelijke ordening en een duurzame inrichting van de samenleving aan kwaliteit wint wanneer daaraan voldoende overleg en inspraak vooraf gaat.''

Meer concreet is het groene polderoverleg in de eerste plaats een poging van de overheid om over belangrijke besluiten zoveel mogelijk overeenstemming te zoeken met maatschappelijke organisaties. Als dit proces van zoeken naar overeenstemming goed wordt geleid, ontstaat in elk geval tussen de deelnemers beter begrip voor elkaars belangen en standpunten. Dat is op zich al winst voor de cohesie in de samenleving. Het draagt ertoe bij dat de discussies over ingrijpende onderwerpen intensief en vanuit alle invalshoeken worden gevoerd. Op die wijze wordt recht gedaan aan de geschakeerdheid van de samenleving en de hoge mate van betrokkenheid van burgers bij besluiten die op korte of lange termijn hun leefomgeving kunnen beïnvloeden.

In het beste geval is het toepassen van het groene polderoverleg ook het zoeken naar synergie tussen de capaciteiten van allerlei actoren in de samenleving. Door de intensieve gesprekken kunnen nieuwe inzichten ontstaan over mogelijkheden van samenwerking en oplossingen voor gesignaleerde problemen.

Bij de voorbereiding van beleidsnota's gaat het vooral om het consulteren van maatschappelijke organisaties terwijl de eindverantwoordelijkheid uitdrukkelijk bij de rijksoverheid blijft liggen. Bij bijvoorbeeld ruimtelijke projecten of de uitvoering van milieubeleid is het denkbaar dat, analoog aan het gewone poldermodel, organisaties brede of langdurige samenwerkingsakkoorden sluiten om hun gemeenschappelijke doelen dichterbij te brengen, zonder dat zij hun eigen verantwoordelijkheid of identiteit prijsgeven.

Toepassing en evaluatie

Het hierbij gepresenteerde Kader biedt voldoende mogelijkheden om de komende jaren ervaring op te doen met verschillende vormen van overleg en samenwerking. De praktijk van de laatste jaren heeft ons geleerd dat het soms nodig is in de loop van een proces veranderingen aan te brengen. Soms blijkt ook dat, ondanks goede voorbereidingen, bij betrokken partijen uiteenlopende verwachtingen bestaan waardoor meningsverschillen of conflicten aan het licht komen. Wij vertrouwen erop dat we met dit document bijdragen aan een stevige basis voor beleidsvisies en projecten waarvoor een dergelijk maatschappelijk draagvlak onmisbaar is. In het Kader is een evaluatie voorzien in het jaar 2003 of zoveel eerder als noodzakelijk wordt geacht.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

J.P. Pronk

De Minister van Economische Zaken

Jorritsma-Lebbink

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij

L.J. Brinkhorst

De Minister van Verkeer en Waterstaat

T. Netelenbos

De Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid

R.H.L.M. van Boxtel


*) Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief ministeries over het Kader voor groen polderoverleg '




Lees ook