Tweede Kamer der Staten Generaal

26800XII.054 brief min vw inzake tuchtrechtspraak voor de zeescheepvaa rt
Gemaakt: 15-2-2000 tijd: 13:2

2

26800 XII Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat (XII) voor het jaar 2000

nr. 54 Brief van de minister van Verkeer en Waterstaat

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 11 februari 2000

Naar aanleiding van het op 16 december 1999 door uw Kamer aangenomen amendement van de leden Niederer en Ravestein om op de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat voor het jaar 2000 een bedrag van f 600.000.= op te nemen voor tuchtrechtspraak voor de zeescheepvaart (kamerstukken II 1999/2000, 26 800 XII, nr. 6) en de bij de behandeling van deze begroting op 4 november 1999 over dit amendement met uw Kamer gevoerde discussie, bericht ik u als volgt.

In de discussie met uw Kamer op 4 november 1999 heb ik verzocht eerst een inhoudelijk debat te voeren over het tuchtrecht voor de zeescheepvaart en pas daarna, aan de hand van de uitkomsten van dat debat een beslissing wil nemen over de financiering van de tuchtrechtspraak. Mijn uitgangspunten voor het debat met uw Kamer zijn de volgende.

Het algemeen belang van de veiligheid van de zeescheepvaart zal worden beschermd door de Raad voor de Transportveiligheid, die op 1 juli 1999 met haar werkzaamheden op het gebied van het onderzoek naar ongevallen in de binnenvaart, in de luchtvaart, in buisleidingen, op het spoor en op de weg is begonnen en die zich, zodra de Schepenwet is aangepast aan de Wet Raad voor de Transportveiligheid, waarbij de Raad voor de Scheepvaart zal worden opgeheven, eveneens bezig zal houden met het onderzoek naar ongevallen in de zeescheepvaart. De Raad voor de Transportveiligheid zal dan - door het onderzoeken van ongevallen en het rapporteren hierover, en waar nodig het formuleren van veiligheidsaanbevelingen - de veiligheid van alle genoemde vervoersmodaliteiten doen bevorderen.

Daarnaast kan het strafrecht een rol spelen bij ongevallen met lichamelijk letsel of met dodelijke afloop, en bij ongevallen waarbij een schip of luchtvaartuig zinkt, strandt of verongelukt, dan wel vernield, onbruikbaar gemaakt of beschadigd wordt. Het toe-voegen van een wettelijk regeling van tuchtrecht voor de zeescheepvaart aan de reeds bestaande wettelijke mogelijkheden van een ongevalsonderzoek en van een strafrechtelijk onderzoek levert naar mijn oordeel geen meerwaarde op voor de veiligheid van de zeescheepvaart, en is onevenwichtig ten opzichte van de andere vervoersmodaliteiten.

In de sectoren, die een wettelijk geregeld tuchtrecht hebben, kent men geen ongevalsonderzoek en spelen naast het tuchtrecht alleen het strafrecht en - wanneer een

vordering tot schadevergoeding wordt ingesteld - het burgerlijk recht nog een rol. Een cumulatie van drie naast elkaar bestaande onderzoeken door verschillende overheids-instanties (de Raad voor de Transportveiligheid, de strafrechter èn de tuchtrechter) kent ons rechtsstelsel niet, waarbij ik de mogelijkheid dat ook de burgerlijke rechter een onderzoek naar de oorzaak van een ongeval laat instellen, nog maar buiten beschouwing laat. Ik acht deze opeenstapeling van onderzoeken van één en hetzelfde ongeval ook niet gewenst.

Een ander belang dat in de discussie met de vertegenwoordigers van de organisaties

van werknemers en werkgevers in de zeescheepvaartsector aan de orde is geweest is

de bescherming van de kwaliteit van de beroepsuitoefening. Een waarborg voor de kwaliteit van de beroepsuitoefening is zowel in het algemeen belang als in het belang van de beroepsgroep zelf. Het algemeen belang zal worden beschermd door de Zeevaartbemanningswet (Stb. 1997, 757), zodra deze wet in werking treedt. Krachtens deze wet wordt geregeld aan welke vakbekwaamheidseisen men moet voldoen ter verkrijging van een door de overheid af te geven vaarbevoegdheidsbewijs, en bij deze wet wordt tevens geregeld in welke gevallen de overheid als bestuursrechtelijke maatregel dit vaarbevoegdheidsbewijs ook weer kan intrekken.

In aanvulling hierop zou ik - naar analogie van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 en van artikel 5 Wet Luchtverkeer - ook voor de zeescheepvaart een algemeen verbod van gevaarzetting in het leven willen roepen, op te nemen in hoofdstuk 6 (Verbodsbepalingen) van de Zeevaartbemanningswet, welk verbod als volgt zou kunnen luiden: "Het is de leden van de bemanning verboden zich zodanig te gedragen dat daardoor de opvarenden, het schip, de lading, het milieu of het scheepvaartverkeer in gevaar worden gebracht of in gevaar kunnen worden gebracht."

Bij nader inzien ben ik tot de conclusie gekomen dat het belang van de beroepsgroep zelf, dat eveneens een aspect is van de bescherming van de kwaliteit van de beroeps-uitoefening, zich in de sector van de zeescheepvaart minder goed leent voor regeling door middel van een verenigingsrechtelijk tuchtrecht dan ik aanvankelijk meende.

Verenigingsrechtelijk tuchtrecht bindt immers alleen de leden van een vereniging, en kan derhalve slechts op het georganiseerde deel van de beroepsgroep van toepassing worden verklaard. Dat is niet wenselijk. Daarnaast kent de sector van de zeescheepvaart geen algemeen verbindend verklaarde bedrijfstak-cao, waarin een verenigingsrechtelijk tuchtrecht voor de gehele sector van toepassing verklaard zou kunnen worden. Tenslotte kan de belangrijkste sanctie die voorstanders van een tuchtrecht voor de zeescheepvaartsector zouden willen opleggen, namelijk het intrekken van de vaarbevoegdheid, alleen door de overheid worden getroffen en niet door een vereniging van werknemers of werkgevers.

Op basis van deze uitgangspunten zou ik graag een debat met uw Kamer willen voeren over het al dan niet invoeren van een zelfstandig wettelijk geregeld tuchtrecht voor de zeescheepvaart, waaronder ik versta een tuchtrecht dat niet - zoals thans nog het geval is bij de Raad voor de Scheepvaart - is gekoppeld aan het onderzoek naar ongevallen.

DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT,

T. Netelenbos

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief Netelenbos over tuchtrechtspraak voor zeescheepvaart '




Lees ook