Tweede Kamer der Staten Generaal


00000000.112 brief min ocw over het rapport arbeidsmarkt naar opleidin g en beroep tot 2004

Gemaakt: 10-12-1999 tijd: 14:59


3

De voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

Zoetermeer, 29 november 1999

Onderwerp:

Rapport «De arbeidsmarkt naar

Opleiding en beroep tot 2004»


------------------------------------------

Naar aanleiding van uw bovenvermelde brief, kenmerk M-99-73, wil ik gaarne ingaan op de onderwijsgerelateerde aspecten van de rapportage van het ROA in het rapport «De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2004».

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal de Tweede Kamer een algemene reactie op het rapport doen toekomen. Tevens wil ik verwijzen naar de afspraken over de krapte op de arbeidsmarkt die in het Najaarsoverleg zijn gemaakt. Gelet op de bovenstaande reactie van de minister van SZW zal ik mij in deze brief beperken tot specifieke punten betreffende de arbeidsmarkt voor onderwijsgevenden.

Afgesproken is dat het kabinet het initiatief neemt tot het organiseren van een informele conferentie met sociale partners, te houden in maart/april 2000 teneinde deze samenhang te bespreken. Ter voorbereiding op die conferentie bereidt het kabinet thans, onder voortouw van SZW, een notitie voor over de knelpuntenproblematiek en de kabinetsinzet bij het substantieel terugbrengen van de arbeidsmarktknelpunten binnen zowel de marktsector als de collectieve sector. Bij de voorbereiding van de conferentie zal de rol van het (hoger) onderwijs zeker aan de orde komen.

Hieronder zal ik ingaan op de onderwijsgerelateerde aspecten. Het gaat daarbij enerzijds over knelpunten op de onderwijsarbeidsmarkt, en anderzijds over de rol van het (hoger) onderwijs bij de instroom in de arbeidsmarkt.

Onderwijsarbeidsmarkt


1. Het ROA verwacht voor de periode 1999 tot 2004 een afname van de groei van de werkgelegenheid in Nederland ten opzichte van 94-98 (1,7% naar 1,0 %), een toename van uitstroom van werkenden door vergrijzing (2,8% naar 3,4%) en een afname van schoolverlaters (5,3% naar 4,2%).

Specifiek voor het onderwijs is dat zich geen afname van de groei van werkgelegenheid voordoet maar juist een toename, terwijl het effect van de vergrijzing wel sterk aanwezig is.

Daarnaast ziet ROA dat in beroepen waar ook grote knelpunten kunnen worden verwacht (b.v. accountants en economen) meer de nadruk ligt op generieke vaardigheden zoals communicatieve of leidinggevende vaardigheden, werkgevers kunnen uitwijken naar mensen met een opleidingsachtergrond waarvoor knelpunten minder groot zijn. Het ROA onderkent dat deze mogelijkheden voor de onderwijssector veel minder groot zijn.


2. De cijfermatige gegevens van het ROA wijken niet substantieel af van de ramingen die tot nu toe zijn gehanteerd ten aanzien van het lerarentekort. Deze gegevens zijn gebaseerd op verwachte werkgelegenheidsgroei en op verwachte uitstroom vanwege vergrijzing.


3. Ramingen van de omvang van het lerarentekort over de komende vijf jaar, zoals de AOb die heeft gepubliceerd, bevatten veel onzekere factoren. Die onzekerheid zit niet in de vraag, maar vooral in het aanbod:


- hoe ontwikkelen zich de in- en uitstroom van de lerarenopleidingen basisonderwijs en hoeveel abituriënten gaan echt in het onderwijs werken?


- in welke omvang gaan zij werken?


- zijn de mensen die nu in het onderwijs werken bereid hun deeltijdbaan uit te breiden?


- hoeveel mensen kunnen we werven uit zij-instroom en stille reserve?


- kunnen we bestaand potentieel beter benutten (vermijden uitstroom naar arbeidsongeschiktheid, uitstel VUT/FPU, inzetten van werklozen marktsector met hogere opleiding)?


4. In een recente raming stelt de AOb dat het lerarentekort ten opzichte van de AOb-raming van september 1998 is gestegen. Bij analyse van de AOb-raming blijkt dat dit het gevolg is van een door de AOb bijgestelde raming van het aantal PABO-abituriënten dat in de komende vijf jaar beschikbaar zal komen voor het onderwijs. Voor mij is dit reden om extra aandacht te besteden aan de doorstroom van Pabo-abituriënten naar het onderwijs.


5. Alhoewel ik dus geen aanwijzingen heb dat de raming van het mogelijke tekort aan leraren ten opzichte van de inzichten van vorig jaar moet worden bijgesteld, blijft wel staan dat in de komende jaren de behoefte aan nieuwe leraren in het basisonderwijs aanzienlijk groter zal zijn dan de uitstroom uit de lerarenopleidingen. Daarbij dient wel te worden bedacht dat de in de nota Maatwerk voor Morgen aangekondigde beleidsmaatregelen gericht op het aantrekkelijker maken van de lerarenopleidingen - vooral voor niet-traditionele doelgroepen (de zogenaamde zij-instromers in de opleiding) - de instroom in en uitstroom uit de lerarenopleidingen kan vergroten. Ook een rendementsverhoging kan tot vergroting van de uitstroom leiden.

Dit neemt niet weg dat er een enorme inspanning nodig is om ook uit de andere bronnen het aanbod aan te vullen. In belangrijke mate is het succes afhankelijk van de wijze waarop men op schoolniveau er in slaagt het beschikbare potentieel goed te benutten door:

? vermijden van uitstroom vanwege ziekte en arbeidsongeschiktheid;


5. betere benutting van aanbod beginnende leraren (uit ROA en ander onderzoek blijkt dat beginnende leraren vaak meer willen werken dan hen door de school wordt aangeboden);

? inschakeling stille reserve;

? aantrekkelijke banen voor zij-instromers aanbieden;

? kansen te geven aan herintredende wachtgelders en werklozen uit de marktsector met hogere opleiding;

? aantrekkelijk maken van combinatie van werk in het onderwijs met werk elders;

? benutten van professionele arbeidsbemiddelingsorganisaties.

? Waar ik de schoolbesturen kan ondersteunen zal ik mij daarvoor volledig inzetten binnen de kaders die het parlement heeft gesteld. Ik heb reeds vele ondersteunende maatregelen genomen. Voor veel van de maatregelen die ik kan nemen ben ik afhankelijk van de medewerking van de vakbonden, omdat zij in CAO-verband tot stand moeten komen. Ik ben voornemens de komende CAO- onderhandelingen te richten op maatregelen die de schoolbesturen/werkgevers in het onderwijs ondersteunen bij het optimaal benutten van het beschikbare potentieel. Het heeft daarbij mijn voorkeur om de beschikbare middelen zoveel mogelijk in te zetten voor specifieke en gedifferentieerde maatregelen.

Ook de lerarenopleidingen zijn van belang voor het oplossen van de tekortenproblematiek binnen het onderwijs. In het kader van Maatwerk voor Morgen breng ik de lerarenopleidingen nu zoveel mogelijk in de positie dat zij optimaal kunnen bijdragen aan het oplossen van de tekortenproblematiek. De lerarenopleidingen basisonderwijs hebben zelf al een belangrijke stap gezet. Zij hebben onlangs een gezamenlijk innovatieplan uitgebracht, waarover ik zo spoedig mogelijk het gesprek met hen zal aangaan.

Rol van het (hoger) onderwijs

De bevindingen van het ROA-rapport bevestigen de problematiek van de tekorten aan hoger opgeleiden, zoals die uiteen is gezet in onder andere het ontwerp-Hoger Onderwijs en Onderzoek Plan 2000 (HOOP 2000). In het HOOP 2000 worden voorstellen gedaan om de (dreigende) tekorten aan te pakken, mede op basis van het advies van de SER, «Advies Hoger Onderwijs en Onderzoekplan 2000» (1999). In dit verband kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het bevorderen van doorstroming tussen voortgezet onderwijs en hoger onderwijs en het verhogen van het opleidingspeil van werkenden. Dit resulteert volgens het model van de trekkende schoorsteen in een algemene stijging van het opleidingsniveau van de Nederlandse bevolking. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt zal langs deze weg de werkloosheid onder lager opgeleiden bestreden kunnen worden, aan de bovenkant neemt het potentieel aan hoger opgeleiden toe.

De problematiek van de tekorten aan hoger opgeleiden is tevens aan de orde geweest in de Tweede Kamer bij de behandeling van de OCenW-begroting. Daarbij heb ik aangegeven, dat in het Najaarsoverleg van 26 oktober jl. kabinet en sociale partners uitgebreid hebben gesproken over het bevorderen van de employability van werkenden en werkzoekenden op alle niveaus.

In dat verband kan tevens worden gewezen op het tijdens het Voorjaarsoverleg 1999 door de overheid en sociale partners gezamenlijk genomen besluit tot uitvoering van een employability agenda.

De agenda heeft tot doel de employability van de (potentiële) beroepsbevolking te bevorderen. De agenda bestaat uit de volgende10 actiepunten:


1. Versterking werkend leren


2. Aanpassing kwalificatiestructuur


3. Bestrijding voortijdig schoolverlaten


4. a) Institutionele knelpunten en b) bevordering van sectoroverstijgende mobiliteit


6. Keurmerk Investors in People


7. Introductie en verspreiding Erkenning elders verworven competenties (EVC)


8. Advisering MKB over employability


9. Uitwerking uitkomsten ITS-onderzoek naar scholing van laagopgeleide werkzoekenden


10. Opzetten van een employability-monitor


1. Bevordering employability voor werkenden en werkzoekenden zonder startkwalificatie.

De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

(drs. L.M.L.H.A. Hermans)

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief Onderwijs over 'Arbeidsmarkt naar opleiding en beroep' '




Lees ook