Tweede Kamer der Staten Generaal


00000000.240 brief sts szw innzake daglichtlbepaling in het arbobeslui t

Gemaakt: 5-1-2000 tijd: 13:17


3

Aan de Voorzitter van de Vaste commissie voor

Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 20 dec. 1999

Onderwerp

brief FNV over daglicht

Naar aanleiding van uw verzoek (brief SoZa-99-637) doe ik u hierbij een afschrift toekomen van mijn brief aan mevrouw Roozemond, vice-voorzitter van de FNV.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken

en Werkgelegenheid,

(J.F. Hoogervorst)

Federatie Nederlandse Vakbeweging FNV

Mevrouw C.E. Roozemond, vice-voorzitter

Postbus 8456


1005 AL AMSTERDAM

's-Gravenhage, 20 dec. 1999

Onderwerp

Daglichtbepaling in het Arbobesluit

Geachte mevrouw Roozemond,

In antwoord op uw bovenvermelde brief wil ik het volgende opmerken.

In uw brief spreekt u uw ongerustheid uit over de wijze waarop het ministerie uitleg geeft aan de daglichtbepaling in het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit).

Blijkens deze uitleg, zoals neergelegd in mijn voorstel voor een beleidsregel, is met de nieuwe formulering van de daglichtverplichting in het Arbobesluit niet beoogd wijzigingen aan te brengen in het beleid met betrekking tot het aanbrengen van lichtopeningen. Het is niet de bedoeling geweest de verplichting af te zwakken of nieuwe verplichtingen in het leven te roepen.

Door mijn ambtsvoorgangers is, in reactie op de geuite zorg dat de daglichtbepaling in het Arbobesluit afdoet aan de eerdere wettelijke normen terzake, te kennen gegeven dat met het Arbobesluit niet getornd wordt aan de verplichting.

Het toepassingsgebied van de daglichtbepaling is in het Arbobesluit verbreed tot alle economische sectoren. Ook is, onder andere in het gesprek met u in augustus 1997, door mijn ambtsvoorganger gesteld dat de vervanging van de aanduiding van omstandigheden waaronder de verplichting niet van toepassing is, door een redelijkerwijsclausule geen «afzwakking» betekent zoals u in uw brief van juli 1997 concludeert, maar veeleer uitgelegd kan worden als een versterking.

Immers, nu niet langer absolute uitzonderingsgronden zijn opgenomen is het aan de werkgever om aan te geven dat, in voorkomend geval, redelijkerwijs niet aan de daglichtnorm kan worden voldaan. Paragraaf
7.5 van de toelichting bij het Arbobesluit geeft in algemene zin uitleg aan de redelijkerwijsclausule. Deze houdt in dat de technische, operationele en economische haalbaarheid van de maatregelen worden afgewogen tegen de mate van het veroorzaakte gevaar voor de veiligheid, gezondheid en welzijn bij de arbeid.

Indien het treffen van maatregelen niet op technische of operationele, maar enkel op financiële bezwaren stuit, geldt het uitgangspunt dat niet het doelstellingenniveau, maar de uitvoeringsmodaliteit ter discussie staat.

Kern van het arbeidsomstandighedenbeleid is de risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E). De inhoud van de RI&E en het daarop gebaseerde plan van aanpak is afhankelijk van de feitelijke risico's in het bedrijf. Deskundige begeleiding door een arbodienst is daarbij verplicht. De werknemersvertegenwoordiging heeft instemmingsrecht op de RI&E, waar het plan van aanpak deel van uitmaakt.

Met het opnemen van de redelijkerwijsclausule in de bepaling, zijn de mogelijkheden voor werknemers om daglichtproblematiek aan de orde te stellen versterkt.

Dit betekent echter niet, dat de Arbeidsinspectie nu ook (dag)lichtopeningen afdwingt in situaties, waarvoor onder de voormalige veiligheidsbesluiten die verplichting niet gold.

In paragraaf 6.5.1 van de toelichting bij het Arbobesluit wordt de in paragraaf 7.5 gegeven algemene uitleg van de redelijkerwijsclausule nader uitgewerkt voor de daglichtverplichting. Gesteld wordt dat «directe toetreding van daglicht in elk geval redelijkerwijs niet kan worden gevergd in de situaties die voorheen specifiek waren geregeld, bijvoorbeeld indien de aard van de werkzaamheden zich verzet tegen toetreding van daglicht of wanneer voldoende daglicht toetreedt via een inpandige glaswand».

Deze situaties zijn toentertijd specifiek geregeld op grond van technische en operationele overwegingen en vallen daarmee binnen de kaders van de algemene redelijkerwijsclausule.

Met de term «in elk geval» wordt tot uitdrukking gebracht dat het geen limitatieve opsomming betreft, maar dat er meer situaties denkbaar zijn waarin naleving van artikel 6.4 redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Ten aanzien van een principiële discussie over het al dan niet toelaatbaar zijn van ondergrondse arbeidsplaatsen deel ik uw opvatting niet. Op grond van de Arbowet worden minimumeisen gesteld aan arbeidsplaatsen, ongeacht of deze boven dan wel onder de grond zijn gelegen. In veel winkelcomplexen, met name in stadscentra, worden lager gelegen verdiepingen als verkoopruimte gebruikt. Ook op andere verdiepingen treedt vaak weinig daglicht binnen. De daglicht- en uitzichtbepaling van het voormalige Restgroepenbesluit verzette zich daar niet tegen. De toelichting meldde daarover: «hoewel die arbeid plaatsgebonden is, wordt door veelvuldige contacten met klanten en bezoekers bereikt wat met het artikel wordt beoogd». Naar mijn mening heeft dit niet tot omstandigheden geleid die met nieuwe wettelijke maatregelen moeten worden gecorrigeerd.

Met u is de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER van mening dat de door mij voorgestelde beleidsregel niet de gewenste duidelijkheid verschaft. Ik begrijp dat u van mening bent dat de inhoud van de beleidsregel niet goed valt te verenigen met de redactie van het artikel en de algemene toelichting op de redelijkerwijsclausule.

Wellicht had de strekking van de daglichtbepaling duidelijker in de toelichting kunnen worden weergegeven.

Gelet ook op het gegeven dat u uit de formulering van het artikel in het Arbobesluit eerst een «ernstige afzwakking» concludeert en thans op grond van hetzelfde artikel uitgaat van nieuwe verplichtingen, is mijn conclusie dat een nadere uitleg van de bepaling geboden is.

Ik ben van oordeel dat een beleidsregel daartoe de meest geëigende weg is en ook nodig voor een eenduidige handhaving. Ik heb daarom rekeninghoudend met uw commentaar en dat van de SER de toelichting op de beleidsregel aangepast.

Voor uw informatie is de aangepaste beleidsregel bijgevoegd.

Een afschrift van deze brief gaat naar de Vaste Kamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid en naar de Commissie Arbeidsomstandigheden van de SER.

Hoogachtend,

de Staatssecretaris van Sociale Zaken

en Werkgelegenheid,

(J.F. Hoogervorst)

Beleidsregel 6.4 Daglicht

Grondslag: Arbobesluit artikel 6.4, derde lid


1. Aan het gestelde in artikel 6.4, eerste of tweede lid, kan in ieder geval in redelijkheid niet worden voldaan, wanneer:

a. de aard van de werkzaamheden zich tegen toetreding van daglicht verzet, of

b. de functie van de ruimte zich tegen toetreding van daglicht verzet, of

c. de omvang van de ruimte het aanbrengen van voldoende lichtopeningen niet toelaat, of

d. de plaats van de ruimte het aanbrengen van voldoende lichtopeningen niet toelaat.


2. Bij de beoordeling of in redelijkheid niet aan artikel 6.4, eerste of tweede lid, kan worden voldaan, wordt mede in overweging genomen dat:

a. het belang van daglicht zwaarder weegt naar gelang er sprake is van plaatsgebonden arbeid die in geringe mate contacten met zich meebrengt,

b. het belang van daglicht in een ruimte minder zwaar weegt naar mate de in die ruimte gelegen werkplek door daglicht wordt verlicht.


3. Besloten ruimten, van elkaar gescheiden door wanden die voor meer dan de helft uit helder, doorzichtig materiaal bestaan, worden voor de toepassing van artikel 6.4, eerste of tweede lid, als één ruimte beschouwd.

Toelichting

Deze beleidsregel geeft een nadere uitwerking van de redelijkerwijsclausule in artikel 6.4, derde lid, Arbobesluit. Aangegeven wordt onder welke omstandigheden naleving van het eerste en tweede lid van artikel 6.4 redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Bovendien wordt in deze beleidsregel nader invulling gegeven aan de term «besloten ruimte» in artikel 6.4, eerste en tweede lid.

De redelijkerwijsclausule biedt werkgever en werknemers ruimte voor een flexibele toetsing van de concrete situatie op de werkplek en heeft tot doel om afweging van het belang van naleving van artikel
6.4, eerste en tweede lid, Arbobesluit tegen andere belangen, waaronder ook economische, mogelijk te maken. Het is aan de werkgever om in overleg met de (vertegenwoordigers van de) werknemers die afweging te maken en aan te geven dat in de concrete situatie in redelijkheid niet aan artikel 6.4, eerste en tweede lid, Arbobesluit kan worden voldaan.

Daarbij zal hij met name de technische, operationele en economische haalbaarheid van het aanbrengen van lichtopeningen enerzijds, moeten afwegen tegen de mate van het gevaar voor gezondheidsschade bij het niet of niet volledig voldoen aan artikel 6.4, eerste en tweede lid.

In par. 7.5 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt nader ingegaan op het aspect van de technische, operationele en economische haalbaarheid. Als er in het overleg met (de vertegenwoordigers van) de werknemers geen overeenstemming kan worden bereikt kan in het uiterste geval de Arbeidsinspectie om een oordeel worden gevraagd.

De Arbeidsinspectie hanteert in het kader van haar toezichthoudende taak bij de beoordeling van concrete daglichtsituaties het beleid zoals vastgelegd in de onderhavige beleidsregel. In de beleidsregel wordt het aspect van de technische, operationele en economische haalbaarheid van het aanbrengen van lichtopeningen nader uitgewerkt en worden de omstandigheden omschreven die naar het oordeel van de Arbeidsinspectie in ieder geval moeten worden betrokken in het kader van de belangenafweging bij het aanbrengen van lichtopeningen. Uiteraard zullen afhankelijk van de concrete situatie daarbij ook meer en andere factoren een rol kunnen spelen.Voor wat betreft het aspect van de haalbaarheid wordt aangegeven dat naleving van artikel 6.4, eerste en tweede lid, in ieder geval in redelijkheid niet kan worden gevergd als de aard van de werkzaamheden of de functie van de ruimte zich geheel of ten dele tegen toetreding van daglicht verzetten. Dit is bijvoorbeeld het geval bij werkzaamheden in foto-ontwikkelruimten, film- en theaterzalen of röntgen- en operatiekamers. Ruimten bestemd voor bescherming tegen oorlogsgeweld of voor de landsverdediging laten geen grote lichtopeningen toe. De vraag of de aard van de werkzaamheden en de functie van de ruimte zich tegen toetreding van daglicht verzetten met andere woorden of in een concrete situatie sprake is van de geschetste omstandigheden dient uiteraard onderwerp van overleg tussen werkgever en werknemers te zijn.

Verder wordt aangegeven dat naleving van artikel 6.4, eerste en tweede lid, in ieder geval in redelijkheid ook niet kan worden gevergd als de omvang of de plaats van de ruimte het aanbrengen van lichtopeningen niet toelaat. Daarbij kan worden gedacht aan ruimten in ondergrondse bouwwerken, zoals metrostations en sommige winkelcentra, en ruimten waarbij de geveloppervlak gering is ten opzichte van de vloeroppervlak, zoals in gelaagde grootwinkelbedrijven. Ook hierbij geldt dat ten aanzien van de vraag of de omvang of de plaats van de ruimte het aanbrengen van lichtopeningen toelaat verschillende opvattingen denkbaar zijn die onderwerp van overleg tussen werkgever en werknemers kunnen zijn.

De Arbeidsinspectie zal verder bij zijn beoordeling of gelet op de mate van gevaar voor gezondheidsschade in redelijkheid naleving van artikel 6.4, eerste en tweede lid, niet kan worden gevergd, betrekken dat

? het belang van daglicht zwaarder weegt naar gelang er sprake is van plaatsgebonden arbeid die in geringe mate contacten met zich meebrengt;

? het belang van voldoende daglicht in de gehele werkruimte minder zwaar weegt naar de mate waarin de plaats waar de werknemer(s) in die werkruimte arbeid verricht(en) wel door voldoende daglicht wordt verlicht

Het ontbreken van daglicht is nl. minder belastend wanneer de werkzaamheden veelvuldig contacten met klanten of bezoekers met zich meebrengen, zoals in receptieruimten of verkoopruimten in winkels. Verder geldt dat de redelijkheid met zich meebrengt dat artikel 6.4, eerste en tweede lid, niet of niet volledig behoeft te worden nageleefd, wanneer in een ruimte weliswaar minder dan de voorgeschreven lichtopeningen aanwezig zijn, maar de werkplek(ken) vanwege hun gunstige ligging in die ruimte voldoende door daglicht zijn verlicht.

De mate van plaatsgebondenheid van de arbeid en de contactmogelijkheden met klanten, bezoekers of publiek zullen van situatie tot situatie kunnen verschillen en zullen dus door de werkgever in een concreet geval moeten worden beoordeeld en onderwerp van overleg met de werknemers moeten zijn. Hetzelfde geldt ten aanzien van de beoordeling of werkplekken in een werklokaal voldoende door daglicht worden verlicht.

Het derde lid van de beleidsregel is ontleend aan artikel 8, vierde lid, Veiligheidsbesluit voor fabrieken of werkplaatsen en artikel 5, derde lid, Veiligheidsbesluit restgroepen. Omdat aan deze bepaling die met de totstandkoming van het Arbeidsomstandighedenbesluit is komen te vervallen in de praktijk (in het bijzonder met betrekking tot innovatieve kantoren) nog steeds behoefte blijkt te bestaan, is deze thans als een nadere uitleg van de term «besloten ruimte» in de beleidsregel opgenomen. Gelet op de doelstelling van voldoende daglichttoetreding wordt het als redelijk gezien om de in het derde lid omschreven ruimten voor de toepassing van het eerste lid als één ruimte te beschouwen.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief Sociale Zaken over daglichtbepaling in arbobesluit '




Lees ook