Tweede Kamer der Staten Generaal


21501005.043 brief sts ocw t.g.v. verslag eu-cultuurraad 23 nov. 1999
Gemaakt: 17-12-1999 tijd: 13:


5


21501-05 Cultuurraad

nr. 43 Brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Zoetermeer, , 13 december 1999

Op 23 november 1999 heeft de vergadering van de Cultuurraad van de EU plaatsgevonden waarover wij op 18 november spraken. Hierbij doe ik u het verslag van deze vergadering toekomen.


1. Instelling van één enkel programmerings- en financieringsinstrument voor culturele samenwerking (het Cultuur 2000 programma).


- Mondelinge presentatie van de Commissie en gedachtewisseling.

De voorzitter Linden deelde mee dat de Raad en het Europees Parlement (EP) elkaar inmiddels dicht zijn genaderd. Meer dan de helft van de amendementen van het EP is inmiddels geheel of gedeeltelijk aanvaard. Het geschilpunt is en blijft het budget, maar het voorzitterschap heeft goede hoop op een positieve uitslag indien de Raad op de overige punten flexibiliteit toont. Deze benadering kon op de steun van de lidstaten rekenen.

Door de Duitse minister werd aangedrongen op een minder stringente benadering voor projecten gericht op de vertaling van literatuur. In het huidige voorstel moeten vertaalprojecten door drie landen/taalgebieden worden gedragen. Duitsland, gesteund door enkele andere lidstaten meende dat bij vertaalprojecten twee staten voldoende zou moeten zijn. De Europese Commissie en het voorzitterschap wezen op het belang van een Europees karakter van projecten. Daarnaast uitten zij de vrees dat complicerende nieuwe criteria de conciliatie met het EP zouden kunnen bemoeilijken. Nederland en andere lidstaten ondersteunden het voorzitterschap en de Commissie in deze zienswijze.

Ondanks de toegezegde flexibele grondhouding in de conciliatie bleken Zweden en het Verenigd Koninkrijk een principieel bezwaar te hebben tegen het woord `beleid' in de titel van het cultuurprogramma. In de ogen van deze lidstaten is het programma geen beleidsinstrument.


2. Bevordering van het vrije verkeer van personen die werkzaam zijn in de culturele sector.


- Voorstel voor een resolutie van de Raad.

Deze resolutie werd zonder noemenswaardige discussie aanvaard. Frankrijk vroeg de Commissie aandacht te schenken aan mobiliteitsbevorderende initiatieven voor personen in de culturele sector. Denemarken refereerde aan de relatie tussen opleiding en mobiliteit. Door Nederland werd bepleit dat oplossingen voor de waargenomen problemen betreffende het vrije verkeer van personen vooral horizontaal moesten werken, dat wil zeggen ook soulaas moeten bieden voor vergelijkbare problemen in andere sectoren, bijvoorbeeld die van de wetenschap.

De Europese Commissie deed de toezegging de resultaten van de onderzoekingen waartoe de resolutie oproept, aan het begin van het Franse voorzitterschap te zullen presenteren (tweede helft van het jaar 2000).


3. Cultuurindustrie en werkgelegenheid in Europa.


- Voorstel voor Raadsconclusies.

De Raadsconclusies werden door de lidstaten onderschreven. De gelegenheid werd door tal van lidstaten aangegrepen om gewag te maken van hun nationale aanpak op het terrein van cultuurindustrie en werkgelegenheid. Interessant was daarbij de uiteenzetting van het Verenigd Koninkrijk. In het VK is een speciale interdepartementale `task force' opgezet onder leiding van de Minister van Cultuur Chris Smith. Doel van de `task force' is in de komende drie jaar 50.000 duurzame banen te scheppen.

Commissaris Reding maakte melding van het feit dat binnen de Europese Commissie het belang van de cultuurindustrie als bron van werkgelegenheid terdege wordt onderkend. Tegen deze achtergrond meldde de Commissaris dat zij op verzoek van voorzitter Prodi zitting heeft genomen in een werkgelegenheidsgroep van de Europese Commissie.


4. Werkprogramma van de nieuwe Commissie aangaande culturele - en audiovisuele zaken.

Commissaris Reding gaf aan dat er in december 1999 twee documenten van de Europese Commissie te verwachten zijn:


1) een voorstel voor het MEDIA PLUS programma, de opvolger van het Media II programma;


2) een mededeling van de Commissie waarin de perspectieven op audiovisueel gebied worden geschetst.

De Commissaris zei dat voor de naam MEDIA PLUS was gekozen in plaats van MEDIA III omdat het programma meer zal omvatten. Zo zal in MEDIA PLUS bijzondere aandacht worden besteed aan vraagstukken van distributie, technologische ontwikkeling en de beroepsopleiding. Een aantal lidstaten meende dat met bredere doelstellingen, er ook meer geld ter beschikking zal moeten komen voor het MEDIA PLUS programma


5. De bescherming van minderjarigen in het licht van de ontwikkelingen betreffende digitale audiovisuele diensten.


- Voorstel voor Raadsconclusies.

De Raadsconclusies werden door de lidstaten aanvaard. Door Zweden, Denemarken en Spanje werd opgemerkt dat zelfregulering van groot belang is, maar dat deze niet altijd adequaat werkt en dat daarom enige vorm van sanctionering nodig blijft.

Zweden gaf te kennen dat er wel bijzonder veel gewelddadige Amerikaanse producties op de Europese markt zijn en dat deze problematiek tijdens het Zweedse voorzitterschap (eerste helft 2001) aan de orde zal worden gesteld.


6. Culturele- en audiovisuele activiteiten georganiseerd door het voorzitterschap.


- Mondelinge toelichting door het voorzitterschap.

Het voorzitterschap deed wegens tijdsgebrek geen mondeling verslag, maar beperkte zich tot een verwijzing naar de schriftelijke verslagen.


7. Overige zaken.


- Culturele hulp van de Europese Unie aan Kosovo

Toelichting door de Commissie en gedachtewisseling

De Europese Commissie gaf aan dat bij de communautaire hulp aan Kosovo cultuur nog geen prioriteit was. Desalniettemin is 1 miljoen Euro uitgetrokken voor culturele projecten. De EU `task force' heeft geconstateerd dat dit initiatief positief wordt ontvangen door de Kosovaarse bevolking.

Commissaris Reding verklaarde zich bereid nader onderzoek te doen naar de mogelijkheden van restauratieprojecten in Kosovo met steun van de Commissie. Door Duitsland werd de aandacht gevestigd op het verzoenende potentieel van cultuur binnen de Kosovaarse gemeenschap. Het Verenigd Koninkrijk en Nederland maakten melding van eigen steun aan Kosovo en riepen de Commissie op een coördinerende rol te vervullen.


- Europees Museum

Griekenland had zich gestoord aan een particulier initiatief voor een Europees Museum waarin de bijdrage van de Griekse en Romeinse beschaving aan Europa onderbelicht zou worden. Commissaris Reding meldde dat het hier een particulier initiatief betrof, geheel los van de Commissie danwel de Europese Unie. Wel was er een verzoek voor ondersteuning van een colloquium over dit onderwerp ontvangen, maar dit verzoek was afgewezen.


- Implementatie van de richtlijn TV zonder Grenzen

Denemarken vroeg aandacht voor problemen met de uitzending van evenementen op het publieke net, waarvan de rechten bij een commerciële zender liggen. De richtlijn TV zonder grenzen geeft daarvoor een regeling. Denemarken merkte op dat zich een specifiek probleem had voorgedaan met de uitzending van een wedstrijd van het Deense voetbalelftal. Dit probleem zal nog nader worden besproken in de speciaal voor dit doel bestaande commissie.

Informele Lunchbijeenkomst.

Na deze vergadering werd een informele lunch belegd. Tijdens deze informele lunch werden door het voorzitterschap de ontwikkelingen betreffende de WTO-ronde en met name de relatie van deze ronde tot de culturele verscheidenheid aan de orde gesteld.

Minister Trautmann van Frankrijk riep andere cultuurministers op naar Seattle (30 november 1999 - 3 december 1999) af te reizen om over de culturele verscheidenheid te waken. In Seattle zal overeenstemming moeten worden bereikt over de agenda van de nieuwe WTO onderhandelingsronde. Minister Trautmann refereerde in haar interventie aan de culturele passage die in het EU positiedocument is opgenomen.

Commissaris Reding meende dat een vertegenwoordiging van Europese cultuurministers niet noodzakelijk was en de positie van de EU onderhandelaars eerder zou verzwakken dat versterken.

Het VK ondersteunde het belang voor de culturele verscheidenheid maar liet tevens weten het zinloos te vinden om `culturele muren' op te trekken.

Ook Nederland onderkende de noodzaak oog te hebben voor de positie van de culturele- en audiovisuele sector, maar waarschuwde tevens voor een afscherming van de markten op grond van culturele uitzonderingen. Nederland stelde dat de inzet vooral gericht diende te zijn op die zaken waar Europa zwak in is: de marketing en distributie van de productie.

De staatssecretaris voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

F. van der Ploeg

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief staatssecretaris Onderwijs over verslag EU-Cultuurraad '




Lees ook