Tweede Kamer der Staten Generaal

szw00000.276 brief min szw inzake resultaten van de interim-evaluatie van de wet samen

Gemaakt: 8-3-2000 tijd: 10:27

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 3 maart 2000

Onderwerp

Resultaten van de interim-evaluatie

van de wet SAMEN

Aanleiding

In de wet Stimulering Arbeidsdeelname Minderheden (wet SAMEN) die per
1 januari 1998 in werking is getreden, is bepaald dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een interim-evaluatie uit laat voeren naar het bereik en effecten van de wet SAMEN. Bijgaand treft u de resultaten aan van de interim-evaluatie van de wet SAMEN die in het najaar van 1999 is uitgevoerd door het onderszoeksbureau NEI.
De resultaten van de evaluatie van de wet SAMEN


1. Algemeen beeld

Het merendeel van de werkgevers meent dat de weerstand van werkgevers tegen de wet SAMEN in vergelijking tot de Wet bevordering evenredige arbeidsdeelname allochtonen veel minder is. Van belang is dan ook dat de wet in de beleving gemakkelijker uitvoerbaar is. De overheersende mening blijft echter dat er sprake is van een "administratieve last". In grote lijnen zijn er weinig problemen met de regelgeving als zodanig. De belangrijkste knelpunten in de regelgeving betreffen verslaglegging en deponering door (onderdelen van) concerns en problemen bij de personeelsregistratie.

Om een vergelijking tussen de wet SAMEN en de Wbeaa mogelijk te maken is in de opzet van de evaluatie zoveel mogelijk aangesloten bij de aanpak van de evaluaties van de Wbeaa. Daarbij is een vergelijking met de Wbeaa op de inhoudelijke punten minder eenduidig te maken, omdat de wettelijke verplichtingen niet geheel overeenkomen. Geconcludeerd kan worden dat de meer administratieve verplichtingen bij de wet SAMEN beter worden nageleefd en dat aan de inhoudelijke verplichtingen iets beter invulling wordt gegeven dan bij de Wbeaa. De ondernemingsraden lijken een vergelijkbare rol te spelen als ten tijde van de Wbeaa.

Bij de evaluatie is niet alleen gemeten of de naleving van de wet is verbeterd maar er is ook gekeken of de wet SAMEN een positief effect heeft gehad op de arbeidsdeelname van minderheden. Daaruit is gebleken dat in bedrijven die de wet naleven het aandeel minder-heden zich iets gunstiger lijkt te ontwikkelen dan in bedrijven die dat niet doen. Dit effect is echter niet significant.

Dat nog geen directe effecten voor de arbeidsmarktpositie van minderheden zijn vast te stellen, hangt samen met feit dat de verbetering van de arbeidsmarktpositie van minderheden een zaak van lange adem is. De wet SAMEN betreft een beleidsterrein waar effecten zich vooral op de lange termijn zullen manifesteren. Er is sprake van een vertragingseffect, omdat voor de verbetering van de positie van minderheden binnen arbeidsorganisaties meer nodig is dan alleen intensivering van de werving. Veranderingen gericht op de verbetering van de positie van minderheden lijken vooral van belang voor de duurzame inpassing van minderheden en uiteindelijk kan dit een positief effect hebben op het aandeel van minderheden in de werkgelegenheid van bedrijven.

Gebleken is dat de gepleegde inspanningen in de ondersteunende sfeer in ieder geval hebben bijgedragen aan een verhoging van de naleving van de wet. Bovendien is er een duidelijke behoefte aan advies over het noodzakelijke en wenselijke (personeels)beleid en de wijze waarop dit vorm kan worden gegeven in arbeidsorganisaties.


2. Stand van zaken met betrekking tot de naleving van de wet
Allereerst is gekeken hoe is de stand van zaken rond de uitvoering van de wet SAMEN in 1999 en welke factoren daarbij een rol spelen. Hierbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de opzet uit de evaluaties van de Wbeaa.

In vergelijking met de Wbeaa is het deponeringsgedrag van bedrijven aanzienlijk verbeterd. Van de 21.000 deponeringsplichtige werkgevers heeft 49% een jaarverslag over 1998 gedeponeerd. Over 1997 lag dat percentage iets lager (44%) en bij de Wbeaa was dat circa een kwart.

Het nalevingspercentage is hoger voor wat betreft het voeren van een registratie en het opstellen van een jaarverslag. Driekwart van de ondervraagde bedrijven voert een registratie en geeft aan dat zij een jaarverslag opstellen. Ook in dit opzicht is er een verbetering ten opzichte van de Wbeaa (respectievelijk 54% en 22%).

Evenredigheidscijfers en streefcijfers worden volgens bedrijven aangegeven in het meren-deel van de gedeponeerde jaarverslagen (78%). Specifieke maatregelen worden aangegeven in driekwart van de gedeponeerde jaarverslagen. De maatregelen zijn merendeels gericht op de aanbodzijde (intensivering werving en voorkeursbeleid) en in mindere mate op de door-stroom en uitstroom van minderheden, alsmede de aanpassing van het eigen personeels-beleid.

Het oordeel van de ondernemingsraad is opgenomen in ongeveer twee derde van de gedeponeerde jaarverslagen. Meestal is dit oordeel positief of neutraal en een kleine minderheid van de bedrijven heeft een ondernemingsraad die kritiek heeft op de inhoud van het jaarverslag en/of het beleid van het bedrijf ten aanzien van minderheden.

De meeste bedrijven benutten de mogelijkheid om een toelichting te geven. Op grond van de telefonische enquête valt vast te stellen dat een toelichting is opgenomen in het merendeel van de gedeponeerde jaarverslagen (80%); uit nader onderzoek blijkt dat dit in de praktijk mogelijk iets lager ligt. In de toelichting wordt bijvoorbeeld beschreven welke specifieke acties hebben plaatsgevonden of uitleg gegeven waarom de evenredigheidscijfers op bepaalde functieniveaus niet worden gehaald. Ook komt het voor dat in de toelichting wordt geschreven dat er geen streefcijfers en/of maatregelen worden genoemd omdat het bedrijf al voldoet aan de evenredigheidscijfers.

In het algemeen worden er ook conclusies getrokken in het jaarverslag (90%). Vaak wordt in de conclusie een opsomming gegeven van de maatregelen die reeds eerder genoemd zijn.


3. Bijdrage en invulling actoren

Vervolgens is in het evaluatierapport ingegaan op de bijdrage en invulling van de verschillende actoren aan de naleving en effectiviteit van de wet. Dit zijn de sociale partners, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Arbeidsvoorziening en maatschap-pelijke organisaties. Het gaat hier om de vraag welke activiteiten naar aanleiding van de wet zijn ondernomen om de naleving en de effectiviteit van de wet te bevorderen.

De activiteiten van centrale werkgevers- en werknemersorganisaties zijn niet sec gericht op het vergroten van de naleving van de wet maar meer op het brede terrein van de bevordering van de integratie van minderheden. De wet SAMEN wordt benut als kader om het minder-hedenbeleid op bedrijfsniveau onder de aandacht te brengen en bespreekbaar te maken. Vanuit sociale partners wordt benadrukt dat marktprikkels (en het benadrukken van het belang ervan), zowel vanuit de arbeidsmarkt, als vanuit de afzetmarkten, naar verwachting van meer belang zijn voor het bereiken van evenredige deelname, dan het voldoen aan de wettelijke verplichtingen.

Het beeld van de uitvoering door sectororganisaties is vergelijkbaar. Hier bestaat een zekere neiging om de verantwoordelijkheid voor de naleving van de wet grotendeels bij de anderen (overheid en Arbeidsvoorziening) te leggen. Voor wat betreft het doel van de wet wordt veel belang toegekend aan het eigen beleid, zoals dat gestalte krijgt in arbeidsvoorwaardeoverleg en CAO's, voorlichting en het benutten van bestaande projecten en infrastructuur.

De rol van maatschappelijke organisaties - in combinatie met de openbaarheid van de jaarverslagen - komt blijkens het onderzoek onvoldoende tot zijn recht. Naar de mening van de betrokkenen is een belangrijke verklaring hiervoor de geringe capaciteit van deze organisaties in termen van menskracht en financiële middelen. Ook zoeken deze organisaties vooral de dialoog met het bedrijfsleven op lokaal niveau en wordt de rol van "waakhond" minder benadrukt. De informatie van Arbeidsvoorziening wijst echter duidelijk op een toename van het aantal aanvragen om inzage.

De voorlichtingsactiviteiten van SZW, in combinatie met de uitvoering van de wet middels de helpdesk en de bedrijfsadviseurs minderheden van Arbeidsvoorziening en het toezicht (rappels) van de Arbeidsinspectie hebben positief uitgewerkt op de naleving van de wet. Een ruime meerderheid van de ondervraagde organisaties kent het voorlichtingsmateriaal en heeft daarvan ook gebruik gemaakt. De helpdesk is bekend bij ruim de helft van de geïnter-viewden en ongeveer een kwart heeft deze geraadpleegd. Voorzover men is aangespro-ken op naleving van de wet, is dat in de meeste gevallen gebeurd door de Arbeidsinspectie. Door deze gecombineerde werkwijze zijn organisaties niet alleen regelmatig geïnformeerd over de wet, maar is tevens veel gedaan om de uitvoering binnen de organisatie zo soepel mogelijk te laten verlopen.


3. Het effect van de wet SAMEN

Bij de vraag of de wet invloed heeft gehad op het personeelsbeleid geeft ruim 7 % van de bedrijven, die zowel de wet SAMEN uitvoeren als indertijd de Wbeaa, aan dat er een verandering is opgetreden. Bij bedrijven die geen van beide wetten uitvoeren is dat ruim 3%. Ruim 26 % van de bedrijven die zowel de wet SAMEN uitvoeren als indertijd de Wbeaa geeft aan dat door de wet de bewustwording van de minderhedenproblematiek is vergroot. Bij bedrijven die geen van beide wetten uitvoeren is dat ruim 14%. Ruim 11% van de bedrijven die hebben gedeponeerd, hebben hun wervingsgedrag aangepast; van de bedrijven die niet gedeponeerd hebben, geeft 5 à 6 procent dit aan.

De verschillen tussen bedrijven die de wet(ten) wel en niet uitvoeren zijn niet groot. Daarom is voor de bovengenoemde onderdelen tevens een analyse uitgevoerd waarbij de mogelijke oorzaken van verandering in kaart zijn gebracht en is gekeken welk aandeel in de veranderingen in het personeelsbeleid, de bewustwording en het wervingsgedrag het gevolg is van de wet SAMEN. Hieruit volgt dat de wet als zodanig een klein positief effect heeft gehad op het personeelsbeleid, de bewustwording van het minderhedenprobleem en het wervingsgedrag van bedrijven.

Vervolgens is gemeten of het aandeel van minderheden in de werkgelegenheid zich vanaf de invoeringsdatum van de wet gunstiger heeft ontwikkeld bij bedrijven die de wet wel uitvoeren dan bij bedrijven die de wet niet uitvoeren. Daar komt uit dat in 30% van de deponerende bedrijven het werkgelegenheidsaandeel van minderheden is toegenomen, tegen ruim 23% bij de bedrijven die (nog) niet deponeren. Gemiddeld genomen lijkt er dus sprake te zijn van een licht positief effect van de wet op de arbeidsdeelname van minderheden. Dit effect is echter niet significant.

De kabinetsreactie op deze interim-evaluatie wordt opgenomen in de notitie over het arbeidsmarktbeleid etnische minderheden die in het voorjaar aan u wordt toegegezonden. Aan de SER is gevraagd de uitkomsten van de evaluatie te betrekken in het SER-advies over etnische minderheden dat op dit moment in voorbereiding is.

Ik ga er vanuit u met het voorgaande voldoende te hebben geïnformeerd.

De Minister van Sociale Zaken

en Werkgelegenheid,

(mr. K.G. de Vries)

Bijlage(n) niet elektronisch beschikbaar

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief SZW met resultaten van de interim-evaluatie Wet SAMEN '




Lees ook