Tweede Kamer der Staten Generaal


21062000.084 brief min gsi inzake grotestedenbeleid
Gemaakt: 5-1-2000 tijd: 13:35


4


21062 Grotestedenbeleid

nr. 84 Brief van de minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid

's-Gravenhage, 29 december 1999

Het motto van mijn brief van 7 juni dit jaar (21062, nr. 77) was `Grotestedenbeleid: denken, durven en doen'. Na een intensief half jaar bij zowel de steden als bij het Rijk is het daarin beschreven proces uitgemond in 25 meerjarige stedelijke ontwikkelingsprogramma's. Na een grondige interdepartementale toetsing heeft dit geleid tot de ondertekening van stadsconvenanten met de 25 steden op 20 december jongstleden.

Het sluiten van de stadsconvenanten is door de acht aanwezige bewindslieden en de burgemeesters en wethouders van de 25 steden als een belangrijk moment ervaren. De afronding van een uniek proces werd gemarkeerd en tegelijkertijd werd de aftrap gegeven voor de concrete uitvoering van de meerjarige ontwikkelingsprogramma's. Niet eerder hebben Rijk en steden over een zo breed, samenhangend geheel aan beleidsterreinen en daarbij behorende budgetten in eenmaal een afspraak gemaakt. Deze aanpak heeft zowel aan stads- als aan rijkszijde veel los gemaakt, in de zin van ontkokering, deregulering en het op een andere wijze organiseren van het werk. Meer dan voorheen stonden daarbij de effecten die uitvoering van de programma's op burgers, bedrijven en instellingen zullen hebben centraal. Het streven naar verdere deregulering en ontkokering zal de komende jaren worden voortgezet.

Deze brief gaat kort in op het proces dat tot de ondertekening heeft geleid. Uiterlijk begin maart aanstaande is de oordeelsvorming over de deelprogramma's van de vijf gemeenten die partieel deelnemen aan het GSB afgerond. Dan doe ik u een uitgebreide, inhoudelijke rapportage toekomen, over de deelprogramma's van die steden en over de programma's van de G25. In de Doorstartconvenanten van december 1998 (mijn brief van 4-12-1998; GSB98/U59734) hebben Rijk en steden de inhoudelijke en procesmatige agenda bepaald, die het afgelopen jaar is gevolgd. Conform de afspraken in de Doorstartconvenanten zijn het GSB-toetsingskader en het beleidskader stedelijke vernieuwing uitgewerkt. Die kaders waren als bijlage bij bedoelde brief van 7 juni jongstleden gevoegd. De financiële paragrafen van de stadsconvenanten zijn gebaseerd op het Extra-comptabel overzicht (bijlage 14 van de begroting BZK 2000) en op de begrotingen 2000 van de betrokken departementen.

Op het moment dat ik de vorige brief schreef waren de steden volop doende hun meerjarige visies en programma's te ontwikkelen. Na een eerste fase waarin het binnen de steden vooral op durf en denkkracht aankwam, volgde rond de zomer een fase waarin de steden hun concepten uitgebreid hebben bediscussieerd met een grote verscheidendheid aan belanghebbenden. Uit de definitieve programma's van de steden blijkt dat deze over het geheel op veel herkenning, steun en betrokkenheid van belanghebbenden kunnen rekenen. Voor een gedragen en geslaagd grotestedenbeleid is dat van groot belang. Het betreft vanzelfsprekend niet een eenmalige oefening: ook bij de uitvoering van het programma zal een actieve betrokkenheid en bijdrage van velen in onze samenleving van belang blijven.

In het kader van het streven naar meer interactieve samenwerking tussen steden en Rijk én om onaangename verrassingen tijdens de beoordeling zoveel mogelijk te voorkomen, is er tijdens deze ontwikkelingsfase twee maal overleg met ieder van de steden geweest. Op basis van toen beschikbare concepten is daarbij gesproken over de visie en de doelstellingen en over de maatregelen die nodig zijn om de doelstellingen te kunnen realiseren. De rijksvertegenwoordigers hebben zich daarbij in open en constructieve discussies vooral als adviseur opgesteld, waarbij zij hun deskundigheid inbrachten. Als zij echter in de concepten belangrijke punten misten, hebben zij dat, met het oog op de beoordeling na 1 november, ook aangegeven. Vanzelfsprekend gold daarbij als uitgangspunt: de bestuurder bestuurt. De inhoud en het ambitieniveau zijn door de steden zelf geformuleerd. De rijksvertegenwoordigers richtten zich op hoofdpunten van de inhoud, integraliteit, draagvlak, wijkaanpak en financiële onderbouwing.

Conform de afspraken hebben alle steden op 1 november een meerjarig ontwikkelingsprogramma bij mij ingediend. De meeste daarvan waren toen ook al door de gemeenteraad goedgekeurd; bij een aantal steden vond die goedkeuring kort na 1 november plaats. Vanaf het moment van indiening was primair het Rijk aan zet. De afzonderlijke departementen hebben de programma's getoetst aan de `eigen', dat wil zeggen sectorale wet- en regelgeving en beleidskaders. Vervolgens is door breed samengestelde interdepartementale toetsgroepen onder leiding van BZK per stad een oordeel gevormd en daarover advies uitgebracht aan de Ministerraad. Daarbij hebben deze toetsgroepen zowel het totale programma beoordeeld als elk van de pijlers, op basis van de sectorale toetsing. Zo is recht gedaan aan het belang van elk beleidsterrein alsmede aan het belang van de integrale aanpak van het grotestedenbeleid.

Op basis van de afspraken in de Doorstartconvenanten heeft het Rijk een aantal essentiële toetspunten geformuleerd, waar de programma's in ieder geval aan zouden moeten voldoen:

? het GSB-toetstingskader

? de inhoudelijke prestatievelden van het beleidskader stedelijke vernieuwing

? integraliteit van lokaal beleid

? draagvlak genereren in en om de stad

? wijkaanpak

? financiën

Bij toetsing aan het toetsingskader bleek dat niet alle programma's hieraan volledig voldeden. Voor geen van de steden was het totaaloordeel echter dusdanig negatief dat uitstel van het sluiten van een convenant aan de orde was. Wel zijn ten aanzien van minder goed uitgewerkte onderdelen voorwaarden en/of aantekeningen in het stadsconvenant opgenomen. Voorwaarden hebben tot doel dat een stad binnen een gestelde termijn (uiterlijk 1 mei 2000) een onderdeel nader uitwerkt. Bij het onverhoopt niet voldoen aan een voorwaarde kan het stadsconvenant ontbonden worden. Aantekeningen kennen geen herstelperiode en bevatten ook geen sanctie. Bij de zelfanalyse, respectievelijk de rapportage in het kader van het ISV, zal de stad ook ingaan op de uitwerking van de aantekeningen. Het betreft hier dus relatief minder zwaarwegende punten. Leiden en in mindere mate Utrecht hebben nog een relatief omvangrijke uitwerkingsslag te maken. Daarom is met hen afgesproken om periodiek overleg te voeren over de verdere uitwerking van de voorwaarden.

Vooruitlopend op mijn brief van begin maart volgend jaar, schets ik hieronder in het kort een algemeen beeld van de toetsing op deze essentiële punten.

Op het gebied van de negen meetbare GSB-doelstellingen (zie bijlage 1) geldt in brede zin dat de steden deze in kwalitatieve zin nader hebben uitgewerkt. Een deel van de steden is op onderdelen echter nog niet in staat gebleken om deze doelstellingen kwantificeerbaar te maken. Dit blijkt moeilijk te zijn, deels ook omdat individuele steden soms een ander meetinstrumentarium hanteren. Dit leidt ertoe dat een aantal steden een voorwaarde krijgt om één of meer onderdelen van de GSB-doelstellingen alsnog nader uit te werken. Hetzelfde geldt voor de genoemde ISV-prestatievelden (zie bijlage 1).

Alle steden hebben nadrukkelijk aandacht besteed aan de integraliteit en samenhang binnen en tussen de pijlers. Dat neemt niet weg dat er wel kwaliteitsverschillen tussen steden op dit punt zijn. Beseft moet worden dat met name het realiseren van integraliteit en samenhang tussen beleidsonderdelen voor de steden een zware opdracht is. Dat vergt immers veel samenwerking binnen de steden, wat nog niet altijd een vanzelfsprekende zaak is. Bovendien wordt integraliteit vaak pas op projectniveau zichtbaar. Gesteld kan worden dat dit toetspunt in de steden tot positieve impulsen heeft geleid op het gebied van de stedelijke ontkokering. Het bleek niet nodig hieraan in het convenant nadere voorwaarden te verbinden.

Over het toetspunt draagvlak is vastgesteld dat er door de steden in het algemeen zeer uitgebreid gecommuniceerd is met burgers en samenwerkingspartners in en om de stad. Een punt van aandacht is nog wel de regionale afstemming. De resultaten van de inspanningen van de steden om draagvlak te verwerven worden deels pas zichtbaar op het concrete projectniveau en dus in een later stadium in het uitvoeringstraject van het programma. Een aantal belangrijke partners zal zich dan pas willen binden met afspraken en financiële bijdragen. Aangezien het wel van belang is om hierin inzicht te verkrijgen, zal in 2000 een externe commissie hieraan expliciet aandacht besteden.

Aan de wijkaanpak hebben de steden nadrukkelijk en voldoende aandacht geschonken. Ook hier dient wel de kanttekening te worden gemaakt dat de wijkaanpak pas op projectniveau goed zichtbaar wordt.

De totale budgettaire omvang van de meerjarige
ontwikkelingsprogramma's bedraagt in een ruwe berekening zo'n 100 miljard gulden. Het Rijk stelt hiervan ruim 16,5 miljard gulden beschikbaar: ca. f 8 miljard voor de pijler werk en economie, ca. f 4 miljard voor de pijler fysiek en ca. f 5 miljard voor de pijler sociaal. Steden, derden, EU en provincies brengen de overige middelen in. De steden overleggen nog met derden (bedrijfsleven, corporaties enz.) over hun bijdragen. Waar de afspraken tussen het Rijk en de steden zich op het niveau van meerjarige programma richten, vindt dat overleg vaak plaats op het niveau van concrete projecten. Teneinde de inzichtelijkheid en de onderlinge vergelijkbaarheid van de financiële paragrafen te vergroten, is in de convenanten afgesproken dat het Rijk en de Stad in het voorjaar van 2002 in gezamenlijk overleg een tussenstand opmaken. Daarbij wordt tevens inzicht verkregen in de omvang van de bestedingen met betrekking tot de uitvoering van het Ontwikkelingsprogramma. Over de vorm van het te leveren inzicht vindt overleg plaats.

Op basis van de hier geschetste voorbereiding heeft de Ministerraad besloten tot het sluiten van 25 stadsconvenanten en de op te nemen voorwaarden en aantekeningen. De concept voorwaarden en aantekeningen zijn voor commentaar aan de convenantspartners voorgelegd. Een aantal steden heeft gereageerd op deze concepten. Die reacties zijn betrokken bij de definitieve besluitvorming in de Ministerraad. Ook hebben de staatssecretaris van VROM en ondergetekende bestuurlijk overleg gevoerd met de G4 en met de kerngroep van de G21. Daarbij hebben we in een open, constructieve sfeer teruggekeken op het proces van het afgelopen half jaar. Daarbij is ook stilgestaan bij de vraag of en zo ja in hoeverre er sprake was van bureaucratie van de zijde van het Rijk. Er is afgesproken op dit punt komend jaar een evaluatie te houden. In die bestuurlijke overleggen hebben we ook overeenstemming bereikt over het algemene deel van de stadsconvenanten.

De planbureau's hebben een concept-rapportage uitgebracht, waarin zij naar aanleiding van de 25 ontwikkelingsprogramma's een aantal algemene conclusies trekken over het geheel aan programma's en over de wijze waarop het grotestedenbeleid thans is vormgegeven. Bij de verdere uitwerking van het grotestedenbeleid zullen de waardevolle conclusies en aanbevelingen van de planbureau's benut worden. In het kader van hoor en wederhoor ligt het concept nu bij de departementen en de steden. De definitieve rapportage zal bij hierboven bedoelde brief van maart aanstaande worden gevoegd, waarbij zal worden ingegaan op de conclusies van de planbureau's.

Conform het gestelde in de brief van 7 juni 1999, dienen de vijf steden die partieel aan het GSB deelnemen uiterlijk 1-1-2000 hun programma's in. Eind februari zal de oordeelsvorming over die programma's afgerond zijn. Ingevolg de conclusies van het Algemeen Overleg dat de staatssecretaris van VROM en ondergetekende 24 juni jongstleden met uw Kamer hadden, zullen deze steden naast partiële deelname aan het GSB tevens een rechtstreeks budget ten behoeve van de Stedelijke Vernieuwing ontvangen. Op 21 december hebben zij hierover afspraken gemaakt met de staatssecretarissen van VROM, LNV en EZ.

In een goede sfeer is met de ondertekening op 20 december jongstleden een basis gelegd voor succesvolle uitvoering van de ontwikkelingsprogramma's van de G25. Het Rijk zal de komende jaren voortgaan op de weg van ontkokering en deregulering.

Uiterlijk begin maart, wanneer de deelprogramma's van de vijf gemeenten die partieel deelnemen aan het GSB zijn beoordeeld, ontvangt u een rapportage, waarin ik nader op de inhoud van de meerjarige ontwikkelingsprogramma's van de G25 en op de deelprogramma's van de vijf partieel deelnemende gemeenten inga en op de daarmee beoogde maatschappelijke resultaten. Voorts zal die rapportage ingaan op het definitieve rapport van de planbureau's en op de aanpak van de verdere ontkokering en deregulering. Daarbij zal de aandacht ondermeer uitgaan naar de Sociale Pijler, naar de verantwoording over de verschillende budgetten uit het Extra-comptabel overzicht en naar de monitoring van beleid.

DE MINISTER VOOR GROTE STEDEN- EN INTEGRATIEBELEID

R.H.L.M. van Boxtel

Bijlage


1. De negen meetbare GSB-doelstellingen zijn :

? Terugdringen werkloosheid en bevorderen arbeidsplaatsen

? Versterking economische concurrentiepositie van de stad

? Verbeteren aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt

? Versterken positie stedelijke woonmilieus op de regionale markt

? Verbeteren (fysieke) leefomgeving/leefbaarheid

? Vergroten bereikbaarheid economische activiteiten

? Versterken sociale infrastructuur

? Verbeteren veiligheid

? Duurzaam herstel kwetsbare wijken


2. De inhoudelijke ISV-prestatievelden waar de programma's in ieder geval aan moeten voldoen zijn:

? economische structuurversterking

? differentiatie woonmilieus

? groen in en om de stad

? duurzaam bouwen

? bodemsanering

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief Van Boxtel (GSI) over grotestedenbeleid '




Lees ook