Tweede Kamer der Staten Generaal

26800VII.034 brief min gsi over de experimenteerwet jeugd in de stad Gemaakt: 9-2-2000 tijd: 13:38

4

26800 VII Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2000

nr. 34 Brief van de minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 8 februari 2000

Bij de afronding van de begrotingsbehandeling van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is de motie van de heer De Cloe (kamerstukken 26800 VII nr. 7) door u aanvaard. Hierin wordt de regering gevraagd voor de zomer een voorstel voor een `Experimenteerwet jeugd in de stad' bij de Kamer in te dienen. In deze brief informeer ik u over de wijze waarop het Kabinet uitvoering wil geven aan deze motie.

Deze brief is als volgt opgebouwd; een beschrijving van de relatie tussen motie van Heemst (kamerstukken 21062, nr. 78) en motie De Cloe, de stand van zaken van andere lopende beleidstrajecten op het terrein van jeugdbeleid en tot slot de onderzoeksopdracht aan het Sociaal en Cultureel Planbureau.


1. Relatie tussen motie Van Heemst en motie De Cloe

Er bestaat een parallellie tussen de moties Van Heemst en De Cloe. Beide moties beogen een versterking van de sociale infrastructuur en in beide moties wordt de regering verzocht te komen met voorstellen voor een experimenteerwet. In de motie Van Heemst wordt gesproken over een experimenteerwet op het terrein van VWS en OCenW. Dit terrein wordt in de motie De Cloe bepaald tot `jeugd in de stad'.

De mogelijkheid van een experimenteerwet voor de grote steden is opgenomen in het Regeerakkoord. In het hoofdstuk `Kwaliteit van bestuur' in het Regeerakkoord is gesteld dat «in het kader van het grote stedenbeleid gekozen kan worden voor het al dan niet tijdelijk toedelen van extra bevoegdheden van het rijk en de provincies aan de grote steden, mede op initiatief van die steden. Hiertoe wordt bezien of een wettelijke experimenteermogelijkheid nodig is.»

Het kabinet is het eens met de Kamer dat zorg gedragen moet worden voor goede bestuurlijke condities voor jeugdbeleid in de stad. Echter de conclusie om nu over te gaan op nieuwe (experimenteer)wetgeving, valt (nog) niet te funderen.

Het probleem waarvoor de beoogde experimenteerwet Jeugd in de stad een oplossing zou moeten bieden kan (nog) niet concreet benoemd worden. Ik baseer dit op de tussenstand van de activiteiten die de ministeries van VWS en OCW ondernemen in het kader van motie Van Heemst. Deze ministeries hebben reeds gesproken met de G 4 en gaan met de G 21 in gesprek om gezamenlijk te analyseren waar de knelpunten zich op het terrein van de sociale infrastructuur voordoen.

Uit de gesprekken die tot nu toe hebben plaatsgevonden met de steden, komen vooralsnog geen of weinig nieuwe knelpunten naar voren, die het gevolg zijn van belemmerende en/of verkokerde landelijke wet- en regelgeving of een gebrek aan bevoegdheden op lokaal niveau. Dit behoudens uiteraard de bekende discussiepunten: de relatie met de jeugdzorg en de jeugdgezondheidszorg voor 0-4 jarigen.


2. Relatie met andere trajecten in jeugdbeleid

De bestuurlijke inbedding van het jeugdbeleid is een aspect dat terugkomt in diverse andere lopende trajecten, waarover u met het Kabinet in gesprek bent of binnenkort zult spreken. Enkele van die trajecten zullen in deze paragraaf worden belicht.

Voor wat betreft de jeugdzorg worden, zoals in de aanbiedingsbrief bij het advies van de Commissie Günther aan de Kamer van 16 december 1999 door VWS en Justitie is gemeld, medio dit jaar de contouren van de nieuwe Wet op de jeugdzorg vastgesteld. Daarin is ook de samenhang met het gemeentelijk jeugdbeleid aan de orde.

De samenhang met de lokale jeugdvoorzieningen is ook een van de punten waarop facilitering zal gaan plaatsvinden vanuit het Landelijk Programmamanagement Jeugdzorg. Op het terrein van de jeugdgezondheidszorg worden stappen gezet om te komen tot een integrale jeugdgezondheidszorg onder regie van de gemeenten. Deze maand zult u daarover een brief van de staatssecretaris van VWS ontvangen. Bezien zal worden hoe vooruitlopend op de wetswijziging de G4 al eerder de ruimte geboden kan worden om tot integratie van de jeugdgezondheidszorg te komen.

Veel gemeenten ervaren (nog) belemmeringen met het invullen van hun regierol om een samenhangend lokaal jeugdbeleid te realiseren, deels door eigen gemeentelijke verordeningen en deels door de gemeentelijke organisatie. Gemeenten worden voor de invulling van deze rol gefaciliteerd door het Rijk. VWS en BZK ondersteunen het driejarig VNG-project lokaal jeugdbeleid, waarin gemeenten ondersteuning krijgen bij o.a. de invulling van hun regierol, de relatie met de jeugdzorg en de samenhang jeugdbeleid-onderwijsbeleid. Over het projectenbeleid van het Rijk zijn onlangs door het Kabinet, IPO en VNG afspraken gemaakt in de gezamenlijke Visie op jeugdbeleid `Jeugdbeleid in Ba(la)ns', die op 1 december jl. door het Overhedenoverleg is vastgesteld. Bij brief van VWS van 3 december 1999 bent u over de inhoud van deze visie geïnformeerd.

Daarnaast zijn in dit kader afspraken gemaakt over gezamenlijke uitgangspunten voor het jeugdbeleid en over versterking van de samenhang in het beleid voor de jongste leeftijdsgroep, de 0-6 jarigen. Voor het volgende Overhedenoverleg in mei a.s. worden door de overheden voor de overige leeftijdsgroepen de lopende beleidsontwikkelingen nader bekeken op knelpunten en op mogelijkheden om die door versterking van de samenhang in het beleid van de overheden op te lossen.

De notitie Onderwijskansen, die u binnenkort van de staatssecretaris van OCW zult ontvangen, voorziet in een intensieve dialoog met gemeenten en betrokken scholen, over benodigde bestuurlijke condities om op schoolniveau tot verbetering van resultaten bij allochtone leerlingen te komen. Nog dit voorjaar komen eerste resultaten over eventuele belemmeringen en de aanpak hiervan beschikbaar, welke kunnen worden gevoegd bij de opbrengsten van boven geschetste acties. Dit laatste geldt ook voor de eerder vermelde dialoog met gemeenten over de brede school (vgl. de notitie over de brede school, die u recent heeft ontvangen).

Meer procedureel van aard in dit verband is de afspraak tussen het Rijk en de steden in de afgesloten stadsconvenanten op 20 december vorig jaar. Het Rijk heeft zich daarbij gecommitteerd aan een inspanning om te komen tot een verdere integrale benadering van het grotestedenbeleid. In de stadsconvenanten, is opgenomen dat het Rijk zich daartoe met name zal richten op de sociale infrastructuur en zich zal inspannen om tot ontschotting en verdere deregulering te komen. Het Rijk zal daarover jaarlijks rapporteren aan de steden.


3. Onderzoek

De vraag is nu of we in het licht van het voorgaande een volledig en getrouw beeld hebben of krijgen van de knelpunten op lokaal niveau. En of de (wetgevings-) acties die in gang zijn/worden gezet, voldoende zijn. Komt uit de inventarisatie in het kader van de motie Van Heemst nu het volledige overzicht naar voren of spelen er wellicht nog andere factoren een rol -ook op lokaal niveau-, die de regiemogelijkheden van de steden negatief beïnvloeden. Om dit scherper in beeld te krijgen wordt het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) gevraagd commentaar te geven op de knelpunten die uit de hiervoor genoemde inventarisaties naar voren komen. De vraag aan het SCP is tweeledig: de gevonden knelpunten en oplossingen toetsen aan ervaringen en kennis op basis van eigen en door anderen verricht onderzoek enerzijds en anderzijds aan de nadere voorstellen in het standpunt op het rapport van de Commissie Günther en in het kader van de visie op jeugd. Voor de zomer zal dit deel van het onderzoek zijn afgerond. U wordt daarover geïnformeerd. Om de empirische basis van deze ex-ante analyse te versterken, wordt in aanvulling daarop het thans bij het SCP in uitvoering zijnde onderzoek naar lokaal jeugdbeleid uitgebreid. Na de zomer zal dit deel zijn afgerond. Bij de uitbreiding gaat het om zowel de vraagstelling als om de deelnemende onderzoeksgemeenten, in het bijzonder de G25.

In de vraagstelling wordt in ruime mate aandacht besteed aan de bestuurlijke aspecten van het jeugdbeleid, inclusief de beleidsvoornemens uit de meerjarige ontwikkelingsprogramma's van de steden, die in december tot convenanten zijn omgevormd, en de knelpunten die zich daarbij in de praktijk voordoen. Op basis van intensieve gesprekken met zowel wethouders, als ambtenaren, bestuurders en professionals van instellingen en andere relevante maatschappelijke organisaties, wordt een beeld geschetst van de lokale beleidspraktijk en de daarin aanwezige daadwerkelijk ervaren bestuurlijke knelpunten. Aan het lopende onderzoek van het SCP doen 4 gemeenten uit de groep van de G 25 mee. Dit aantal zal tenminste verdubbeld worden om zo een representatief beeld van de G 25 gemeenten te krijgen. Het SCP zal over de situatie in de G 25 een publicatie opstellen, die na de zomer beschikbaar komt.

Doel van dit alles is na te gaan of nog andere knelpunten een rol spelen (op landelijk niveau èn binnen de steden) en of er wellicht dieperliggende oorzaken zijn aan te wijzen voor het door de steden ervaren `tekort' op het gebied van de sociale infrastructuur met betrekking tot jeugd. Het SCP kan op basis daarvan aangeven of aanvullende maatregelen gewenst zijn, die moeten leiden tot een op maat georganiseerde, integrale sociale infrastructuur voor jeugd.

Wanneer de uitkomsten van dit onderzoek aanleiding zijn tot wettelijke maatregelen of een andere vorm van facilitering van gemeenten, is het aan het Kabinet om hiervoor de nodige stappen te ondernemen. Wat dit laatste betreft kan ik me voorstellen dat er vanuit het rijk door de meest betrokken ministeries een procesimpuls wordt gegeven om de steden te ondersteunen en te faciliteren in de integrale uitvoering van hun programma's voor de sociale pijler, waaronder die voor de jeugd.

In de motie wordt voorgesteld dat de regering voor de zomer van 2000 een Experimenteerwet jeugd in de stad bij de Kamer indient. Voor de goede orde meld ik u nu dat eventuele nadere wettelijke maatregelen niet voor de zomer van dit jaar gerealiseerd kunnen worden. Het Kabinet geeft prioriteit aan het vinden van adequate oplossingen voor betere samenwerking in het jeugdbeleid op lokaal niveau en hecht er daarom zeer aan om eerst de SCP-analyse te laten plaatsvinden, alvorens een nader besluit te nemen over eventuele wettelijke maatregelen.

DE MINISTER VOOR GROTE STEDEN- EN INTEGRATIEBELEID,

R.H.L.M. Van Boxtel

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief Van Boxtel over de Experimenteerwet jeugd in de stad '




Lees ook