Tweede Kamer der Staten Generaal

ocw00000.067 brief sts ocw t.g.v. de adviesaanvraag cultuurnota 2001-2 004
Gemaakt: 19-1-2000 tijd: 11:42

40

Voorzitter en leden van

de Tweede Kamer der Staten Generaal

Zoetermeer,, 17 jan. 2000

Geachte Voorzitter,

Hierbij zend ik u een afschrift van de adviesaanvraag cultuurnota 2001-2004 zoals ik die aan de Raad voor Cultuur heb gezonden.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

dr. F. van der Ploeg

Raad voor Cultuur

R.J. Schimmelpennincklaan 3

2517 JN Den Haag

Zoetermeer, 17 jan. 2000

Onderwerp:

Adviesaanvraag

Geachte Raad,

De prioriteit die in het Regeerakkoord wordt gelegd bij het kunst- en cultuurbeleid heeft geleid tot een structurele verhoging van het cultuurbudget met 60 miljoen gulden. In lijn met de richting die in het Regeerakkoord wordt aangegeven, zijn sinds het aantreden van dit kabinet extra middelen uitgetrokken voor de film, het Aankoopfonds, de ontwikkeling van vernieuwende kunstvormen, jonge beginnende kunstenaars, Cultuur en school, de monumentenzorg en de conservering van audiovisuele collecties. Ook in de nieuwe cultuurnotaperiode zal rekening worden gehouden met de prioriteiten van het Regeerakkoord. Onder meer met het voornemen extra aandacht te schenken aan de bevordering van de kwaliteit van bestaande instellingen. Ik teken daarbij aan dat in het debat met de Tweede Kamer over de uitgangspuntenbrief de nuance is aangebracht dat `bestaande' instellingen niet synoniem is met `thans gesubsidieerde' instellingen. Aan het accent dat het Regeerakkoord plaatst op het belang van deelname aan een bloeiend cultureel leven kom ik in het bijzonder tegemoet via het Actieprogramma Cultuurbereik, met als speerpunten: programmering, culturele diversiteit, jeugd, zichtbaarheid van cultureel vermogen en culturele planologie.

Zowel voor de beoogde extra kwaliteitsimpuls als voor de thema's die onder andere via Cultuur als confrontatie op de agenda zijn geplaatst, hebben mij veel nieuwe initiatieven bereikt. Er is mij dan ook veel aan gelegen dat nieuwe aanvragers een eerlijke kans krijgen en het per definitie schaarse budget ook in dat opzicht zo goed mogelijk wordt verdeeld. Om daarbij tot een heldere en meer transparante integrale afweging te komen, heb ik - niet naast maar na kwaliteit - als bijkomende criteria maatschappelijk bereik,
subsidiebedrag-per-bezoeker en positie in het bestel naar voren geschoven. Ik constateer dat opstellers van nieuwe beleidsplannen zich vaak richten op publieksgroepen die tot dusverre weinig van hun gading konden vinden in het gesubsidieerde aanbod; dat er duidelijke indicaties zijn dat zij op een substantieel lager subsidiebedrag-per-bezoek uitkomen dan thans gesubsidieerde instellingen; en dat zij niet zelden met voorstellen komen die een aanvulling betekenen op het bestaande aanbod binnen een sector.

Dit alles sterkt mij in de overtuiging dat de nieuwe garde cultuurmakers die zich heeft aangediend, een welkome bijdrage kan leveren aan de dynamiek van het culturele leven. Tenminste, als zij daarvoor de ruimte krijgen. Natuurlijk ben ik me ervan bewust dat, alleen al vanwege het grote aantal aanvragen en het daarmee gemoeide bedrag, niet alle nieuwe plannen kunnen worden gehonoreerd, en dat het evenmin mogelijk zal zijn alle bestaande subsidies te continueren, laat staan tegemoet te komen aan alle wensbegrotingen.

Doorstroming, doorgroei en selectiviteit

De cultuurnota is ooit gekarakteriseerd als een systeem dat de vernieuwing propageert maar het bestaande bestendigt. Deze kritiek, onder meer van Paul Kuypers, verdient het om serieus genomen te worden. De mate van institutionalisering die het systeem heeft bereikt, zou de doorstroming belemmeren. Om voor subsidie in aanmerking te komen, moet aan professionele standaarden worden voldaan. Dat lukt echter uitsluitend als je al wordt gesubsidieerd; laat staan dat je er zonder subsidie in zou slagen om als de beste uit de bus te komen. Zo'n Catch-22 situatie is op den duur dodelijk voor de dynamiek en vitaliteit van het culturele leven, en daarmee voor de kwaliteit. Bij een integrale afweging kan naar mijn mening de kwaliteit van een thans gesubsidieerde instelling daarom niet één op één worden vergeleken met die van een nieuwe aanvrager. Bij nieuwe aanvragers zou daarom vooral naar een potentieel kwaliteitsniveau moeten worden gekeken en zouden niet de prestaties die tot dusverre zijn geleverd, de enige of voornaamste grondslag mogen zijn voor het kwaliteitsoordeel.

Deze kritiek sluit nauw aan op mijn stelling in de uitgangspuntenbrief dat het subsidiesysteem dreigt dicht te slibben met als gevolg dat verworven rechten, gegroeide gewoonten en gevestigde belangen de vernieuwing en doorstroming belemmeren. Er is immers altijd wel een argument om het bestaande te verdedigen en een nieuwkomer de toegang tot het bestel te ontzeggen.

Het vraagstuk van de doorstroming - overigens nog steeds bestaansreden van de hele procedure - is actueel en zelfs tamelijk urgent nu 734 aanvragen zijn ingediend, waarvan meer dan 60 procent nieuw is. Niet alles zal de toets van de kritiek doorstaan, maar degene die meent dat ondanks bijna 450 nieuwe aanvragen volstaan kan worden met marginale aanpassingen, moet met overtuigende argumenten komen. Ik besef zeer wel dat het beoordelen en afwegen van zoveel aanvragen een buitengewoon lastige opdracht is. Selectiviteit, durf om te kiezen, is nodig om versnippering van middelen te voorkomen - zoals ook in de Tweede Kamer is betoogd. Uw adviesopdracht stelt dan ook hoge eisen aan zorgvuldigheid en argumentatie. Ik zou u een werkwijze willen voorstellen om aan de urgentie van de doorstroming recht te doen: kijk bij het creëren van de benodigde ruimte voor meer dynamiek niet eerst naar wat eruit kan, maar begin met vast te stellen wat erin moet. En leid vervolgens daaruit af wat er dus uit moet.

U hebt in uw Vooradvies het belang aangegeven van een functionele benadering, waarbij niet alleen wordt gekeken naar de afzonderlijke aanvragen, maar ook wordt ingegaan op de vraag in hoeverre er binnen een sector evenwicht bestaat tussen de verschillende bestelfuncties. Aldus komen als vanzelf een aantal zeer wezenlijke vragen aan de orde, waarvan ik u in de eerste plaats vraag om er met het oog op de noodzakelijke dynamiek nader op in te gaan. Waar is behoefte aan doorstroming en vernieuwing? Wat is ruim voorhanden en waarvan is er te weinig? Hoe divers is het aanbod? Is er onder de nieuwe aanvragers voldoende (potentiële) kwaliteit om het cultuuraanbod een diverser aanzien te geven? Wanneer dat niet het geval is, welke mogelijkheden ziet de raad dan om een cultureel diverser aanbod te bewerkstelligen? Is voorzien in het spectrum van experimenteel aanbod tot aanbod dat zich richt op brede of juist specifieke publieksgroepen? Een dergelijke dwarsdoorsnede leidt ertoe dat doublures en lacunes zichtbaar worden en dat anders wordt aangekeken tegen de afzonderlijke plannen van zowel de thans gesubsidieerde als de nieuwe instellingen. Ook voor de afweging tussen verschillende sectoren kan een dergelijke analyse niet worden gemist. Doorstroming heeft niet uitsluitend betrekking op een nieuw-voor-oud-operatie, maar ook op de mogelijkheid om thans gesubsidieerde instellingen meer of minder subsidie te verstrekken. Jonge, kansrijke instellingen moeten de mogelijkheid hebben om door te groeien. Omgekeerd kunnen er allerlei redenen zijn waarom andere instellingen het met minder subsidie zouden moeten stellen. Doorstroming is ook van belang binnen een instelling: bij wisseling van artistiek leider, of wanneer ruimte wordt geboden aan jonge regisseurs, conservatoren of dirigenten.

In de tweede plaats geldt dat het continueren van subsidie een minstens zo zware argumentatie vereist als nodig is voor het stopzetten van subsidie of het toelaten van een nieuwe instelling; misschien zelfs wel een zwaardere, gelet op zoveel nieuwe aanvragen. Het zou kunnen voorkomen dat wanneer een thans gesubsidieerde instelling grote gelijkenis vertoont met een nieuwkomer van vergelijkbaar kaliber, voorrang wordt verleend aan de nieuwkomer. Bij instellingen die de vorige ronde extra geld hebben ontvangen, dient bij de evaluatie in het bijzonder te worden gelet op de wijze waarop zij hun beloften hebben waargemaakt.

In de derde plaats kan met een beroep op een actiever cultureel ondernemerschap meer ruimte worden geschapen voor nieuwe initiatieven. Vergelijkend onderzoek leert dat instellingen soms zeer verschillend presteren en steeds moet worden vastgesteld of dat op goede gronden is. Zo mag van aanvragers die wat betreft hun
subsidie-per-bezoek-ratio opvallend afsteken bij vergelijkbare instellingen, een deugdelijke en overtuigende argumentatie daarvoor worden verlangd. Alleen met een bovengemiddelde score op de andere criteria, met name op grond van een uitzonderlijk hoog kwaliteitsniveau, kan een dergelijke positie gerechtvaardigd worden. Het is denkbaar het subsidiebedrag zodanig bij te stellen dat de subsidie-per-bezoek-ratio wel binnen de gehanteerde bandbreedte komt.

In de vierde plaats vraag ik nog eens de bijzondere aandacht van de raad voor de positie van instellingen die zelf geen cultuur produceren, maar in de meeste gevallen vooral een indirecte, ondersteunende en dienstverlenende functie binnen een sector vervullen. Niet in de laatste plaats omdat er veel geld in deze instituties omgaat, zal veel scherper gekeken moeten worden naar de taken die zij feitelijk vervullen dan wel zouden moeten vervullen. Richten ze zich op de eigen professie, op het publiek, op onderwijstaken of een combinatie hiervan? Is het beslag dat ze leggen op de begroting, in overeenstemming met de betekenis ervan voor het culturele leven? Hoe hoog zijn de eigen inkomsten als maatstaf voor de waardering van hun dienstverlening? Aan de hand van het raadsadvies zullen zij met extra aandacht onder de loep worden genomen, waarbij niet is uit te sluiten dat voor een aantal van deze instellingen het subsidiebedrag geleidelijk, maar substantieel, zal worden verlaagd .

Anders beoordelen

Kwaliteit voorop

Zoals ik in de uitgangspuntenbrief heb gesignaleerd en in het debat met de Kamer nader heb toegelicht, laat kwaliteit zich nauwelijks in een definitie vangen . Kwaliteit is echter wel te herkennen. Bijvoorbeeld aan de oorspronkelijkheid, de authenticiteit, de ambachtelijkheid, de zeggingskracht, de expressieve waarde, de intensiteit van een cultuuruiting. Of aan de emoties en andere gevoelens die worden opgeroepen: ervaring van schoonheid, prikkeling van de geest, verwondering en nieuwsgierigheid. U heeft erin uw vooradvies terecht op gewezen, dat het kwaliteitsbegrip in beweging is. Dat maakt het selecteren op kwaliteit er niet gemakkelijker op. U heeft aangegeven kwaliteit niet als een `objectief en universeel' begrip te beschouwen en bij het beoordelen van kwaliteit expliciet rekening te zullen houden met de context van de traditie van een genre.

Met enkele kanttekeningen heb ik die benadering onderschreven in de stelling dat kwaliteit het leidende subsidiecriterium is, en dat ook zal blijven . De secundaire criteria die ik in aanvulling daarop heb gepresenteerd, zijn niet nieuw. Ze hebben altijd al meegewogen in het culturele beoordelingsproces - ook bij de raad. Het nieuwe zit vooral in de vraag om in de adviesteksten expliciet te vermelden hoe bij de beoordeling van een beleidsplan met elk van de vier criteria rekening is gehouden. De kwantitatieve gegevens die daarvoor nodig zijn, staan vermeld in de gestandaardiseerde beleidsplannen.

De Tweede Kamer heeft de motie-Dittrich c.s. aangenomen waarin wordt bepleit om in het cultuurnotaproces voldoende ruimte in te bouwen voor `plannen van

kunstenaars en instellingen die op onafhankelijke wijze en vanuit een artistieke noodzaak tot stand komen'.

Ik heb dit pleidooi om creatieve processen en de rol van kunstenaars daarin niet aan banden te leggen, onderschreven. Zeker voor een kunstenaar geldt dat die uiteindelijk slechts verantwoording schuldig aan zijn eigen artistieke geweten. Een rijk cultureel leven kan niet zonder de markante en eigenstandige inbreng van cultuurmakers. Meer wisselwerking tussen makers en publiek heeft dan ook alleen maar zin als voor een dergelijke autonomie genoeg ruimte blijft .

Het is aan u om zich erover uit te spreken in hoeverre aan die voorwaarde in concrete gevallen is voldaan. Aldus is autonomie geen op zichzelf staand fenomeen, maar maakt het onderdeel uit van het samenstel van elementen waarop het kwaliteitsoordeel wordt gebaseerd. U zult het met mij eens zijn dat daarbij niet alles over één kam kan worden geschoren. Zo ligt het bijvoorbeeld voor de hand onderscheid te maken tussen een plan met een individuele artistieke signatuur en het beleidsplan van een cultuurinstelling met een duidelijk omschreven publiekstaak. Tussenpersonen zoals museumdirecteuren en -conservatoren kunnen het zich bijvoorbeeld niet permitteren om met verwijzing naar hun autonome positie de serviceverlening aan het publiek te verwaarlozen. Vooral voor de individualisten onder de cultuurmakers betekent autonomie dat zij zich los kunnen maken van, of zelfs afzetten tegen, gevestigde praktijken en opvattingen binnen hun discipline, waardoor `de' muziek, `de' schilderkunst, `het' toneel nieuw leven wordt ingeblazen. Of er worden andere en betere manieren ontdekt om tentoonstellingen in te richten, of archieven te beheren. En dat sluit weer aan op de `ontwikkeling van nieuwe kunstvormen' als een van de prioriteiten van het Regeerakkoord.

Maatschappelijk bereik

In de nota's Ruim baan voor culturele diversiteit en Cultuur als confrontatie heb ik aangegeven hoe belangrijk het is dat culturele instellingen zich inspannen om nieuwe publieksgroepen te bereiken. Ook de Tweede Kamer ziet het belang daarvan in. Over de uitwerking daarvan is uitgebreid gesproken. De instellingen moeten in hun beleidsplan laten zien hoe zij hun maatschappelijk bereik willen vergroten, zonder daarbij aan een kwantitatieve norm te hoeven voldoen - het tonen van een serieuze inspanningsbereidheid is essentieel. Het merendeel van de aanvragers heeft serieus gekeken naar de mogelijkheden om (meer) doelgroepactiviteiten te ontwikkelen en heeft daarvoor middelen in de begroting gereserveerd. Er zijn ook aanvragers die dat niet hebben gedaan. Ik vraag de raad om in die gevallen de aangevoerde argumenten op hun redelijkheid te toetsen.

Over de doelgroepactiviteiten wil ik nog twee opmerkingen maken. Als eerste het verzoek uw oordeel over de doelgroepactiviteiten vooral te baseren op de concrete activiteiten die worden voorgesteld. Zijn het goede plannen en zijn ze realistisch? Mijn tweede opmerking betreft de tweeprocentregeling. Het merendeel van de aanvragers heeft plannen gemaakt om nieuwe publieksgroepen te bereiken en daarvoor geld in zijn begroting opgenomen.

Betrekkelijk weinig aanvragers doen een beroep op deze regeling, ook niet als een wensbegroting voor doelgroepactiviteiten is ingediend. Daarom zal ik de instellingen die straks subsidie ontvangen, alsnog in de gelegenheid stellen van de regeling gebruik te maken. Om ervoor in aanmerking te komen dient drie procent of meer aan doelgroepactiviteiten te worden besteed en dient er een plan te zijn voor de besteding van de twee procent extra subsidie.

Subsidiebedrag-per-bezoek

Het kengetal dat aangeeft hoe groot het begrote subsidiebedrag is dat per bezoek wordt verstrekt, verschaft onder meer de mogelijkheid om de effectiviteit - althans in termen van publieksbereik - van subsidies tussen gelijksoortige instellingen te vergelijken. Bijlage 2 laat zien dat de meeste thans gesubsidieerde instellingen verwachten ongeveer op het niveau van de lopende cultuurnotaperiode te blijven, met uitzondering van de muziektheatersector waar

een opmerkelijke vermindering in het vooruitzicht wordt gesteld. Volgens eigen opgaven komen de nieuwkomers in alle sectoren aanzienlijk lager uit dan de cultuurnota-instellingen van nu. De verklaring schuilt niet alleen in een lagere begroting van de kosten, maar ook in het anticiperen op een aanzienlijk hogere kassa-opbrengst.

Plaats in het bestel

In uw vooradvies Cultuur voor culturen bent u uitvoerig ingegaan op de mogelijkheid om het vervullen van bepaalde cultureel-artistieke functies te honoreren als alternatief voor de gebruikelijke aanpak waarbij een organisatie als geheel wordt gesubsidieerd. U hebt hiermee een welkome bijdrage geleverd aan de discussie over nieuwe wegen om de culturele sector van overheidswege te steunen en te stimuleren. Dit debat, dat overigens nog niet is afgesloten, heeft tot dusverre niet tot ingrijpende veranderingen in de cultuurnotasystematiek geleid. Het onderscheiden van functies binnen een bepaald bestel, zoals in het door u uitgewerkte voorbeeld voor de filmsector, heeft wel een richting aangegeven waarin verbetering mogelijk is. Ik verzoek u daarom uw adviezen over afzonderlijke beleidsplannen zoveel mogelijk te plaatsen binnen een analyse van een sector als geheel. Als eerste aanzet daarvoor heb ik in de bijlagen een aantal opmerkingen gemaakt over het muziek-, en het theater- en dansbestel.

Financieel kader

Regeerakkoord

Voor de in het Regeerakkoord genoemde prioriteiten is of wordt substantieel extra financiële ruimte gecreëerd. Zo is eenmalig 100 miljoen gulden beschikbaar gesteld voor het Aankoopfonds en zal vanaf 2002 nog eens structureel 8 miljoen gulden worden ingezet in het kader van de Wet Behoud Cultuurbezit.

De 520 miljoen gulden die het kabinet extra beschikbaar heeft gesteld voor monumentenzorg, zal worden besteed aan het inlopen van restauratieachterstanden, vooral bij de allergrootste monumenten. Voor de podiumkunsten wordt meer ruimte gecreëerd door een stimulans te geven aan de programmering van muziek-, theater- en dansgezelschappen van bewezen kwaliteit. Voor jonge kunstenaars en vernieuwende kunstvormen zijn in 1998 en 1999 incidenteel extra bedragen beschikbaar gesteld aan de fondsen. In het kader van Cultuur en school is vanaf 2000 reeds een bedrag van 13 miljoen gulden uitgetrokken voor cultuurvouchers en voor de filmsector is vanaf 1997

in totaal 13,5 miljoen gulden uitgetrokken, onder meer voor conservering en de

filmintendant van het Nederlands Fonds voor de Film.

Beschikbare budgetten

Uitgaande van de huidige omvang en verdeling van het budget voor meerjarig gesubsidieerde instellingen is in totaal een bedrag van 742 miljoen gulden beschikbaar . Daarbij moet worden vermeld dat bij de thans meerjarig gesubsidieerde instellingen, conform de afspraken die met deze instellingen zijn gemaakt, de in het Regeerakkoord opgenomen korting arbeidsproductiviteit zal doorlopen tot en met 2002. Verder zal, bij gevolg van de Voorjaarsnota 1999, vanaf 2001 een bedrag van 5 miljoen gulden in mindering worden gebracht op de subsidie van meerjarig gesubsidieerde instellingen naar rato van het subsidieniveau Binnen het budget van 742 miljoen kan een onderscheid worden gemaakt tussen de budgetten voor cultuurproducerende instellingen, fondsen en overige instellingen. Aan eventuele verschuivingen daartussen wil ik één beperking opleggen. Ik ga er in beginsel vanuit, dat de raad in zijn advisering het totale budget voor de fondsen (ruim 116 miljoen) niet naar beneden bijstelt. De incidentele budgetten die fondsen beheren, zijn van groot belang voor een levendig cultureel klimaat en kunnen verhoudingsgewijs meer worden ingezet voor doelen die passen in het actieprogramma. De raad kan uiteraard wel verschuivingen voorstellen van middelen tussen de fondsen onderling. Mocht u toch aanleiding zien om het fondsenbudget te verlagen, dan verwacht ik dat u hiervoor extra zwaarwegende redenen aanvoert.

In het bijzonder wil ik de raad vragen om ten behoeve van de categorie cultuurproducerende instellingen ruimte te creëren in de groep overige instellingen. Ik denk daarbij vooral aan de sectorinstituten en intermediaire instellingen. Nu het aantal nieuwe aanvragers zo omvangrijk is, zijn extra argumenten nodig om instellingen die geen directe cultuurproducerende taken hebben, op hetzelfde niveau te blijven subsidiëren.

De vierjarige cultuurnotaprocedure heeft tot doel een integrale afweging te maken van het gehele cultuurbudget voor meerjarig gesubsidieerde instellingen. De raad heeft dus ten principale de mogelijkheid om middelen te verschuiven binnen sectoren en disciplines, maar wordt nadrukkelijk uitgenodigd om ook de mogelijkheden te bezien van verschuivingen tussen sectoren en disciplines.

Actieprogramma Cultuurbereik

In de nota Cultuur als confrontatie heb ik al aangegeven ernaar te streven

131 miljoen gulden in te zetten voor het Actieprogramma Cultuurbereik

De 60 miljoen gulden die in het kader van het Regeerakkoord beschikbaar is gesteld, maakt hier onderdeel van uit. Voor de dekking en besteding van het

budget voor het actieprogramma verwijs ik naar de brief aan de Tweede Kamer van 12 november 1999, die als bijlage bij deze aanvraag is gevoegd. De afspraak die met de Kamer is gemaakt dat het actieprogramma niet ten koste zal gaan van het budget voor cultuurproducerende instellingen, doe ik hierin gestand. Andersom is er wel een beperkte mogelijkheid om plannen van instellingen voor te dragen voor subsidiëring uit actieprogrammagelden. Daarbij geldt als criterium dat uitsluitend nieuwe instellingen waarvan de plannen volledig in het teken staan van het actieplan, daarvoor in aanmerking komen. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan voorstellen op het terrein van culturele planologie.

Rijksdiensten

De Rijksdiensten en Erfgoed Actueel vallen onder mijn directe verantwoordelijkheid en een belangrijk deel van de taken is in de wet vastgelegd. Aan hun plannen zijn dan ook geen subsidieverzoeken gehecht. Dat betekent dat de bijhorende budgetten niet zijn meegeteld in het totaalbedrag voor instellingssubsidies en geen plaats hebben in de integrale afweging die de raad moet maken. Het zijn niettemin plannen waarover ik pas een definitief besluiten wil nemen in het kader van de cultuurnota. Ik ben dan ook zeer benieuwd naar uw inhoudelijke opmerkingen over deze voorstellen, voorzover deze de cultuurnota raken. In het bijzonder vraag ik te kijken naar de ambities die worden geformuleerd in verband met het actieprogramma. Ik zal uw advies meewegen bij de integrale financiële afweging die ik moet maken ten behoeve van de cultuurnota.

Formulering van financiële adviezen

Ik vraag u om de adviezen over het subsidieniveau van afzonderlijke instellingen op dezelfde wijze in te richten als vorige keer. Ik voeg daar het verzoek aan toe om naast de +, -, ± en 0-aanduidingen in de instellingsadviezen ook een indicatie te geven van de omvang van een eventuele verhoging of verlaging van het geadviseerde subsidiebedrag.

Ten slotte

Niet ter advisering maar als achtergrondinformatie treft u in de bijlagen een overzicht aan van de profielschetsen die ik van provincies en gemeenten heb ontvangen, alsmede enige aanvullende documentatie. Op die manier kunt u bij de advisering rekening houden met bestuurlijke en andere ambities in den lande en met het draagvlak ter plekke van de instellingen die een beleidsplan hebben ingediend.

De gevolgen van wijzigingen in de sociale verzekeringswetgeving en Arbowetgeving voor werkgevers in de gehele podiumkunstensector worden op dit moment onderzocht. Nadat de Tweede Kamer over de conclusies van dit onderzoek is geïnformeerd, zal ook de raad op de hoogte worden gesteld van de bevindingen. Mede gelet op de algemene werking van beide wetswijzigingen verzoek ik u vooralsnog niet in te gaan op claims van individuele instellingen die daar naar verwijzen.

De fondsen hebben pas in de tweede helft van november 1999 een gestructureerd

verzoek mijnerzijds ontvangen om een beleidsplan in te dienen. Ze hebben daarom uitstel gekregen om hun plannen in te leveren tot uiterlijk 28 januari a.s. Vergezeld van een adviesverzoek zal ik u die zo snel mogelijk daarna doen toekomen. Ook de voortgezette opleidingen hebben uitstel gekregen voor het indienen van hun beleidsplannen. Ik kom hier in bijlage I op terug.

Over de landelijke ondersteuningsstructuur voor de cultuureducatie ben ik nog in gesprek met de Tweede Kamer. Het expertisecentrum cultuureducatie heeft al een beleidsplan ingediend. Ook zijn beleidsplannen binnengekomen van instellingen die een festival- of impresariaatsfuncties willen gaan vervullen. De Vereniging Kunstzinnige Vorming en de Inspectie kunstzinnige vorming/amateurkunst heb ik de mogelijkheid verleend om tot 31 januari a.s. hun aanvragen aan te vullen. Als zij daar gebruik van maken zal ik u deze aanvullingen doen toekomen.

Per brief van 18 november jl. heb ik mijn principebesluit en de randvoorwaarden bekend gemaakt voor de oprichting van een Centrum voor Foto, Film en Media Cultuur in Rotterdam. Daarbij is - na overleg - de inlevertermijn voor plannen hiervoor verschoven naar 15 maart a.s. Ik zal u daarover zo nodig een apart adviesverzoek doen toekomen. De beoordeling van de reeds ingediende en de naar verwachting op 15 maart nog in te dienen beleidsplannen op het brede terrein van de beeldcultuur maakt, ook in financieel opzicht, deel uit van de integrale afweging door de raad. Ik verzoek u bij de beoordeling van plannen op het gebied van fotografie, cinematografie en digitale media/kunsten te bezien in hoeverre deze kunnen bijdragen aan de inhoudelijke ontwikkeling van die disciplines en zouden kunnen passen binnen een eventueel op te richten instituut voor fotografie, film en mediacultuur.

Niet minder dan 734 instellingen hebben zich met een beleidsplan aangediend voor de nieuwe cultuurnota. Ik ben mij ervan bewust dat ik met het verzoek mij daarover van advies te dienen een zwaar beroep doe op uw inzet. Ik wil u erop wijzen dat het integrale karakter van de cultuurnotaprocedure ertoe leidt dat wanneer de advisering niet binnen de grenzen blijft van het geboden financiële kader het noodzakelijk zal zijn beslissingen te nemen die afwijken van uw adviezen met alle consequenties voor de onderlinge samenhang en prioritering van dien. In beginsel zal ik uw advies volgen, wanneer u binnen de financiële kaders adviseert en de advisering recht doet aan de beoordelingscriteria en de prioriteiten van mijn beleid.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

dr. F. van der Ploeg

BIJLAGE 1

SPECIALE AANDACHTSPUNTEN

Actieprogramma Cultuurbereik

Met het Actieprogramma Cultuurbereik dat grotendeels wordt gefinancierd met nieuw geld, wil ik de komende jaren een impuls geven aan thema's als versterking van de programmering (I), culturele diversiteit (II), investeren in jeugd (III), cultureel vermogen (IV) en culturele planologie (V). Het actieprogramma kent een centraal deel, waarin activiteiten van landelijk belang worden ondergebracht en een decentraal deel, waarin activiteiten die vooral lokaal van belang zijn een plaats krijgen. In het decentrale deel wordt ernaar gestreefd de bijdrage van het Rijk te matchen met bijdragen van andere overheden.

In de financiële paragraaf is al vermeld dat de raad plannen kan voordragen voor financiering uit het actieprogramma onder voorwaarde dat het nieuwe instellingen betreft met plannen die volledig aansluiten bij de doelstellingen van het actieprogramma. Eventuele plannen van landelijk belang die de raad voordraagt, met name de plannen op het terrein van de culturele planologie, kunnen worden gefinancierd uit het centrale deel van het actieprogramma. Inhoudelijke adviezen van de raad over deze plannen zijn dan ook welkom.

Lokaal georiënteerde plannen, met name beleidsplannen van accommodaties, horen thuis in het decentrale deel van het actieprogramma. Deze zullen worden meegenomen in de procedure die in overleg met de andere overheden wordt ontwikkeld. Dat geldt dus ook voor de beoordeling van die plannen. Hierop zijn twee uitzonderingen. Wanneer subsidieaanvragen van accommodaties voornamelijk betrekking hebben op de productiefunctie, verzoek ik de raad deze mee te nemen in zijn integrale afweging. Dit geldt ook voor het geval de aanvraag een programmeringsplan betreft met een bijzondere en landelijke betekenis, bijvoorbeeld een gecombineerde aanvraag van verschillende accommodaties. Ik verzoek de raad bij de plannen van accommodaties vast te stellen of er sprake is van een van beide uitzonderingen, en zo ja, deze te beoordelen in zijn integrale afweging.

Versterking van de programmering (I)

Distributie podiumkunsten

Met het IPO en VNG ben ik in gesprek over de samenhang van de kleinschalige podiumdistributie met het Actieprogramma Cultuurbereik. De ondersteuning van podia door Muziek en Theater Netwerk, het Nederlands Impresariaat, Gaudeamus en het Nationaal Pop Instituut raakt immers direct aan de plannen die samen met de andere overheden worden ontwikkeld om het cultuurbereik te vergroten. Mijn uitgangspunt daarbij is dat het voor de hand ligt de kleinschalige distributie bij het actieprogramma te betrekken (waardoor ook meer geld beschikbaar komt), maar dat anderzijds de verworvenheden van die distributieactiviteiten niet verloren mogen gaan in de brede opzet van het actieprogramma. Op drie manieren wil ik die verworvenheden veiligstellen. In de eerste plaats blijven de instellingen die nu deze regelingen uitvoeren bestaan, zodat een beroep kan worden gedaan op hun expertise. In de tweede plaats wil ik de kleinschalige distributie als een afzonderlijke module binnen het actieprogramma behandelen, zodat ook het geld dat er nu mee gemoeid is, in de nieuwe opzet zichtbaar blijft. In de derde plaats wil ik ruimte houden voor specifieke programmeringsmogelijkheden op landelijk niveau. Ik zal daarop terugkomen wanneer ook de plannen van de fondsen en met name die van het Fonds voor de Podiumkunsten zijn ingediend.

Culturele diversiteit (II)

Stimulans culturele diversiteit

De raad heeft in zijn vooradvies aangegeven dat culturele instellingen onvoldoende zijn toegerust om diverse culturen te bedienen. Hij adviseerde een voorziening voor culturele diversiteit in het leven te roepen. Ik ben van mening dat gelet op de nu ingediende plannen een dergelijke voorziening nodig is. Het project Cultuur en School heeft een belangrijke stimulans aan de educatieve activiteiten van instellingen gegeven, zoals uit de ingediende beleidsplannen blijkt. Culturele diversiteit zou ook een inhoudelijke stimulans kunnen krijgen door een dergelijke faciliterende en aanjagende functie. Ik denk dan enerzijds aan de uitwisseling van deskundigheid en ervaringen en anderzijds aan het pro-actief initiëren van projecten in samenwerking met het culturele veld. Ook de deelnemers aan het Actieplan Cultuurbereik zouden naar mijn mening gebruik moeten kunnen maken van de voorziening. Verder is het uiteraard van belang om aan te sluiten bij wat er al is en succesvol opereert.

Welke functies zouden volgens de raad in een dergelijke voorziening vervuld moeten worden en gaat de voorkeur uit naar een sectoraal of een bovensectoraal geordende faciliteit?

Beeldverzamelgebouw

Het nog op te richten Beeldverzamelgebouw dient een aanvraag in voor de programmering. Ik merk hierbij op dat aan een eventueel positief advies geen conclusies mogen worden verbonden over een bijdrage aan de bouw- en exploitatiekosten.

Informatiecentra voor afzonderlijke groepen

Homodok heeft in de vorige cultuurnotaperiode een subsidieverzoek ingediend. De raad vond het toen onwenselijk informatiecentra voor afzonderlijke groepen te subsidiëren. Nu hebben Homodok/Anna Blamanhuis, het Museum Suriname en het Indisch Huis een aanvraag ingediend. Is de raad nog steeds van mening dat terughoudendheid moet worden betracht bij subsidiëring van dergelijke centra? Overigens zal in overleg met het Landelijk Overleg Minderheden en in samenwerking met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dit voorjaar een onderzoek worden uitgevoerd naar het behoud van het erfgoed van culturele minderheden.

Axis

Axis heeft vanaf 1996 subsidies ontvangen uit het emancipatiebudget van de cultuurbegroting. De instelling heeft zich echter ontwikkeld tot een kunstinstelling. Slechts een beperkt deel van de door Axis ontwikkelde activiteiten kan nog op emancipatietitel worden gesubsidieerd. Verder ben ik voornemens om vanaf 2001 het emancipatiebudget alleen nog in te zetten voor de subsidiëring van projecten. Ik verzoek de raad daarom Axis te beoordelen als kunstinstelling, buiten bezwaar van het emancipatiebudget.

Investeren in jeugd (III)

Educatie

Op basis van een steekproef uit de beleidsplannen ben ik tot de volgende observaties gekomen. In vrijwel alle beleidsplannen is aandacht besteed aan educatie, bij de grotere instellingen meer dan bij de kleinere en bij de gesubsidieerde instellingen meer dan bij de nieuwe aanvragen. In vergelijking met 1997 doen de gesubsidieerde instellingen meer aan educatie en richten ze zich daarbij ook meer op het onderwijs, met name het voortgezet onderwijs. Ik zou graag zien dat de raad in een instellingsadvies kort ingaat op de educatieve activiteiten en daarbij vooral let op de samenwerking met het onderwijs.

Vooral in de erfgoedsector zijn plannen ingediend om bij educatie gebruik te maken van Internet. Daarbij kunnen de volgende vragen worden gesteld: a) moet dit ook bij andere instellingen gestimuleerd worden, b) aan welke voorwaarden moet je voldoen om hierin met succes te opereren, c) levert Internet bij alle nu ingediende voorstellen voldoende meerwaarde op en d) is het wenselijk een bundeling met Kennisnet te bevorderen?

Leesbevordering

In antwoord op een adviesverzoek mijnerzijds heeft u onlangs advies uitgebracht over het leesbevorderingsbeleid. Ik heb mijn standpunt naar aanleiding van dit advies op 17 januari aan de Kamer meegedeeld. Ik verzoek u daarmee rekening te houden bij de beoordeling van de beleidsplannen van de Stichting Lezen, Stichting Schrijverschool Samenleving, NBLC (Nederlands Bibliotheek en Lectuur Centrum), Bulkboek, Doe Maar Dicht Maar en Kinderen en Poëzie.

Media-educatie

Ik verzoek u bij de beoordeling van de beleidsplannen voor media-educatie rekening te houden met het landelijk platform media-educatie. Dit platform heeft tot taak media-educatieve activiteiten op elkaar af te stemmen en goed aan te sluiten op wensen en behoeften van scholen en leerkrachten.

Cultureel vermogen (IV)

Zichtbaarheid van collecties

In de loop van 2000 kom ik met een brief over collectiemobiliteit en meer in het algemeen over het zichtbaar maken van het cultureel vermogen, mede gebaseerd op uw advies collectiemobiliteit van mei
1999. Bij de beoordeling van de beleidsplannen van musea verzoek ik u extra aandacht te schenken aan aansprekende projecten op dit terrein en daarbij aan te geven in hoeverre zo'n project/aanpak zich leent voor `brede' navolging. Ik verwijs daarvoor bijvoorbeeld naar de ontwikkeling van collectiefilialen en collectiebundeling zoals bij Naturalis, het Rijksmuseum voor Volkenkunde en het Rijksmuseum Twenthe.

Digitalisering

Ter realisering van mijn actiepunt zichtbaar maken van het cultureel vermogen dient afzonderlijk aandacht besteed te worden aan de digitalisering van geconserveerde collecties. Digitalisering is weliswaar kostbaar, maar biedt ook ongekende mogelijkheden tot verbreding van het gebruik en het bereiken van nieuw publiek via bijvoorbeeld Internet en Kennisnet.

Hoe beoordeelt u de in het beleidsplan van Digitaal Erfgoed Nederland voorgestelde initiërende, coördinerende en adviserende functies ten behoeve erfgoedinstellingen, fondsen en overheden? Hoe beoordeelt u de in de plannen aangegeven richting en gestelde prioriteiten met betrekking tot digitalisering? Wordt een voldoende relatie gelegd met collectiemobiliteit, doelgroepenbeleid en ontsluiting voor het onderwijs? Zijn er (groepen van) instellingen aan te geven die sterk uit de bus komen, een voorhoederol kunnen spelen? Een voorbeeld is te vinden in Leiden waar Naturalis, Rijksmuseum voor Volkenkunde en Rijksmuseum voor Oudheden gezamenlijk het «Leidse portaal» ontwikkelen. In samenspraak met DEN sluiten zij aan op de Netwijzer Cultuur met links naar hun eigen websites, met veel aandacht voor de vraagkant.

Conservering audiovisuele en papieren collecties

De oplossing van de omvangrijke problematiek op deze terreinen vergt een inspanning van vele partijen. Ook is duidelijk dat deze cultuurnotaperiode en de beschikbare middelen te beperkt zijn om tot een bevredigende oplossing te komen. Het Regeerakkoord vraagt aandacht voor het behoud van het nationale audiovisuele geheugen. Tegen de achtergrond van uw advies van maart 1998 en de inventarisatie uitgevoerd door het Nationaal Audiovisueel Archief (september 1999) verzoek ik de raad om naast de beoordeling van de beleidsplannen van het Nederlands Filmmuseum en het Nationaal Audiovisueel Archief ook te adviseren over de aanpak bij de verspreide collecties. Op dit moment verricht een commissie een evaluatie van het Metamorfoze-programma voor papierconservering. Het rapport van deze commissie zal ik na verschijnen dit voorjaar aan de raad voorleggen. Conserveren kan niet zonder selecteren. Ik vraag de raad aan die selectie aandacht te besteden en ook aan de verdeling van lasten tussen de financierende partijen en de rol van fondsconstructies daarbij.

Professionalisering erfgoed koepels

De verschillende erfgoedkoepels hebben behoefte aan meer onderlinge samenwerking. Hoe kan naar de mening van de raad die samenwerking zodanig vorm krijgen dat de belangenbehartiging en de platformfunctie sterker en beter zichtbaar worden. Zoals eerder bij natuur- en milieukoepels is gebeurd. Voor het onroerend erfgoed verdient, gelet op de ontwikkelingen rond Belvedere en de culturele planologie, de relatie tussen Nationaal Contact Monumentenzorg (NCM), de Stichting voor de Nederlandse Archeologie (SNA) en andere particuliere organisaties aandacht. Verder vraag ik me af of de grote diversiteit aan projecten die nu bij de koepels worden uitgevoerd, daar nog wel op zijn plaats is.

Zowel DIVa (stichting voor Documentaire Informatie Voorziening en het archiefwezen) als de KVAN (Koninklijke Vereniging van Archivarissen Nederland) heeft een beleidsplan ingediend. Ik vraag u of en in hoeverre beide organisaties naast elkaar een rol moeten en kunnen blijven spelen.

Musea, investeringen en afschrijvingen

Enkele musea vragen aandacht voor de snelle veroudering van de vaste presentatie. Aan de raad wordt een oordeel gevraagd over de noodzaak van een kortere afschrijvingstermijn van de vaste presentatie van deze musea. Ligt een herziening van de thans geldende afschrijvingstermijn als gevolg van de concurrentie op de recreatiemarkt in de rede? En voor welk type museum zou dit gelden? Hierbij dient te worden opgemerkt dat verkorting van de afschrijvingstermijn tot hogere exploitatielasten leidt, lasten die binnen het budget van cultuurproducerende instellingen moeten worden opgevangen.

Door de stelselwijziging huisvesting is bij de Rijksgebouwendienst geen budget meer beschikbaar voor nieuwe investeringen ten behoeve van bouw- en masterplannen. Als gevolg hiervan worden nu verschillende aanvragen gedaan voor dergelijke plannen. Omdat deze investeringen onevenredig zwaar zouden drukken op het beschikbare budget voor cultuurproducerende instellingen, verzoek ik de raad hierbij terughoudendheid te betrachten.

Met betrekking tot de plannen van het Rijksmuseum in Amsterdam, waarover u eerder advies hebt uitgebracht, kan ik u meedelen dat het kabinet zich momenteel beraadt op de uitvoering van de motie-Melkert. Ik wil hier bij de Voorjaarsnota uitsluitsel over geven. In verband met het te verwachten Kabinetsbesluit heb ik het museum gevraagd een beleidsplan in te dienen dat verder reikt dan de huidige cultuurnotaperiode.

Mobiele collectie Nederland

Verschillende nieuwe aanvragen hebben betrekking op wat de `Mobiele collectie Nederland' genoemd zou kunnen worden. Gezamenlijk streven de aanvragers naar een gesubsidieerde landelijke koepel. Het beleidsplan van de koepelinstelling sluit beter aan op mijn uitgangspunten en doelstellingen dan de plannen van de afzonderlijke organisaties, want die lijken veel op post-Deltaplanaanvragen.

Auteursmusea

Het is staand beleid dat naast het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum en het Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum geen musea worden gesubsidieerd die zijn gewijd aan één schrijver of één aspect van de literatuur. Een uitzondering op die regel wordt gemaakt voor het MultatuliMuseum. Thans heeft behalve het MultatuliMuseum ook het Louis Couperusmuseum een plan ingediend. Ik verneem graag hoe de raad daar tegenover staat.

Culturele planologie (V)

Een van de oogmerken van het Actieprogramma Cultuurbereik is om de culturele planologie op de agenda te krijgen en het publieke debat daarover te versterken en te verbreden. Al eerder heeft u een advies hierover uitgebracht (Nederland 2030). Culturele planologie richt zich vooral op de samenhang tussen de archeologische monumentenzorg, gebouwde monumentenzorg, architectuur, stadsontwikkeling, kunst in de openbare ruimte en landschapsprojecten. Ik ben vooral geïnteresseerd in concrete projecten, waarvoor tot dusverre weinig ruimte bestaat binnen de gebruikelijke subsidiekaders. Ook denk ik erover om als uitwerking van het beleid van de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening of van het natuur- en landschapsbeleid cultureel geïnspireerde regionale ontwerpstudies mogelijk te maken, bijvoorbeeld jaarlijks een of twee projecten. Het moeten dan concrete ontwerpen worden die een reële kans op uitvoering hebben. Ik verneem graag hoe u tegenover een dergelijke benadering staat.

Wat vindt u van het voornemen om extra geld uit te trekken voor de publiekspresentatie van gebieden die op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO staan? En hoe staat u tegenover het voorstel van de stichting Nieuwe Kaart van Nederland?

Bent u het met mij eens dat Belvedere een voorbeeld is van stimulerend, ontwikkelingsgericht omgaan met cultuur in de ruimtelijke ordening, dat zeer goed past binnen het kader van de culturele planologie? En dat in het verlengde daarvan de uitvoering van dit beleid onder de noemer van culturele planologie de komende jaren gefinancierd moet worden?

Culturele belangen en waarden verdienen bijzondere aandacht in ruimtelijke plan- en besluitvorming met een speciaal accent op archeologie. Het Verdrag van Malta is essentieel voor het bodemarchief, het zoeken naar creatieve inpassingen van archeologische waarden en het vergroten van het publieksbereik van archeologische monumenten. Daarom ben ik voornemens in het kader van culturele planologie een deel van de middelen te reserveren voor onderzoeks-, publieksgerichte en educatieve activiteiten.

Kunst in de Openbare Ruimte

Eind vorig jaar is de stichting Kunst en Openbare Ruimte (SKOR) opgericht vanuit het besef dat ook kunstenaars en vormgevers een bijdrage kunnen leveren aan de inrichting van de openbare ruimte. Het beleidsplan van de SKOR wordt gekenmerkt door een interdisciplinaire benadering en het zoeken van samenwerking met andere overheden en culturele instellingen. Al eerder heeft u advies uitgebracht over de wenselijkheid van een dergelijke instelling. Ik verzoek u de plannen van de SKOR te beoordelen tegen de achtergrond van dit advies.

Architectuur

Mede gelet op de financieel zwakke basis van het Berlage Instituut verzoek ik u na te gaan of het instituut draagvlak heeft binnen de vakgemeenschap en voldoende aansluiting vindt bij actuele ontwerpvraagstukken. Bovendien leg ik u de vraag voor het voorliggende plan voldoende perspectief biedt voor het Berlage Instituut en zo ja, hoe de culturele betekenis van het instituut en de onderwijskundige ambities zich tot elkaar verhouden.

In de lopende cultuurnotaperiode heeft Architectuur Lokaal de belangrijke taak erbij gekregen om goed opdrachtgeverschap te stimuleren, zowel in de publieke als de private sector. Bent u van mening dat Architectuur Lokaal daarin is geslaagd? En biedt de aanvraag voldoende vertrouwen voor de komende jaren? Ik verzoek u bij de advisering ook op de huisvesting van Architectuur Lokaal te letten.

Ten aanzien van het Nederlands Architectuurinstituut, Architectuur Lokaal en het Berlage Instituut acht ik meer samenwerking en betere informatie-uitwisseling gewenst. Naar mijn inschatting is ook het externe netwerk van deze organisaties voor verbetering vatbaar, bijvoorbeeld door samenwerking en informatie-uitwisseling met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg, het Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek, de Dienst voor het Landelijk Gebied en particuliere organisaties als het NIROV, de NEPROM, de ANWB en de Vereniging Eigen Huis. Is dit ook de opvatting van de raad?

Podiumkunsten

Theater en dans

In het verlengde van wat ik al over doorstroming heb opgemerkt, vraag ik van de raad aandacht voor de doorstroom van jonge regisseurs naar de grote zaal. Willen wij in de toekomst blijven beschikken over nieuwe generaties van toonaangevende makers, dan dienen de grote gezelschappen hierin te investeren. Graag verneem ik de opvatting van de raad over de mogelijkheden hiervoor. Ook vraag ik aandacht voor de productiehuizen: welke functie vervullen zij en dragen zij nu in voldoende mate bij aan de ontwikkeling en doorstroom van jongere makers? Deze functie dient afgewogen te worden tegen een alternatieve inzet van middelen, waarbij geld rechtstreeks ten goede komt aan groepen.

In de nota Een ondernemende cultuur heb ik over de voornemens tot fusie van een aantal gezelschappen opgemerkt, dat deze instellingen niet op voorhand ervan uit mogen gaan dat deze fusies gehonoreerd zullen worden met een optelling van oude subsidies. In dezelfde nota heb ik ook gesteld dat een gezelschap dat artistiek-inhoudelijk hoge kwaliteit brengt, zich niet per se afhankelijk zou dienen te stellen van overheidssubsidie. Ik heb daarbij het voorbeeld aangehaald van Het Toneel Speelt. In plaats van structureel in het resterende tekort gesubsidieerd te worden, zou een gezelschap ook beloond kunnen worden voor het realiseren van een ambitieus gesteld publieksbereik.

Uit de ingediende plannen voor het theater valt een toegenomen belangstelling af te leiden voor het grote zaal-toneel. Met het oog op een groter publieksbereik beschouw ik dit als een goede en kansrijke ontwikkeling. Wel roept dit vragen op over de afzet van dit aanbod, gezien de grote concurrentie met andere producties en de steeds sneller vollopende seizoensagenda's van de schouwburgen. Ik zal in mijn adviesaanvraag over het beleidsplan van het Fonds voor de Podiumkunsten de raad nog enkele nadere vragen stellen over de distributie in de podiumkunsten en de wenselijkheid van een centraal stimuleringsbeleid.

Het jeugdtheater en de dans voor de jeugd richten zich bij uitstek op een jong en divers samengesteld publiek. Ik wil u vragen of het wenselijk is de positie van het jeugdtheater en de dans voor de jeugd te versterken binnen het budget voor cultuurproducerende instellingen. Over het jeugdtheater heb ik in de nota Een ondernemende cultuur opgemerkt dat groepen die meer subsidie willen om voorstellingen voor de grote zaal - dus voor meer publiek - te maken, daarvoor in aanmerking kunnen komen. De afzet van voorstellingen van het jeugdtheater zou een aandachtspunt kunnen zijn in het decentrale deel van het Actieprogramma Cultuurbereik. Ik vind het ook belangrijk dat de jeugd kennis kan maken met diverse soorten dansuitingen. Ik verzoek u dan ook te letten op de diversiteit van het aanbod, zodat het jonge publiek ook voorstellingen kan bezoeken van producties waarvoor een redelijke omvang van het danserstableau noodzakelijk is. De inkomenseis voor dansvoorstellingen voor de jeugd is niet anders dan die voor het jeugdtheater. Overigens vraag ik de raad om ook bij het jeugdtheater en de dans voor de jeugd goed te kijken naar de doorstroming van gezelschappen. Verschillende
jeugdtheatergezelschappen maken in hun aanvraag geen onderscheid naar subsidie van Rijk of provincie. In de afgelopen periodes is voor het jeugdtheater steeds een verhouding gehanteerd van 40 procent rijkssubsidie en 60 procent provinciale subsidie. Voor mij is deze verhouding ook voor de komende periode het uitgangspunt.

Ten slotte is uit het onderzoek Dans! (1999) de aanbeveling gekomen om collectieve promotie en publiciteit voor de dans te organiseren. Graag verneem ik het oordeel van de raad hierover.

Muziek

Bij de beoordeling van het grote aantal plannen dat door ensembles is ingediend, is behalve de doorstroming ook de kwestie van de verhouding tussen kosten en opbrengsten, die soms zeer uiteenloopt, aan de orde. Ook vraag ik aandacht voor de continuïteit in de werkzaamheden van een ensemble en de daarmee samenhangende output. Ik stel met name de vraag of een ensemble dat op een meer projectmatige wijze werkt, met een relatief gering aantal concerten per jaar, niet eerder thuishoort bij het Fonds voor de Podiumkunsten.

Alle orkesten tonen ambities op het gebied van repertoirevernieuwing en educatie, of ontwikkelen andere activiteiten gericht op verbreding van het publieksbereik. Zij hebben hier een forse rekening voor ingediend. Ik ben van mening dat deze activiteiten in principe tot het reguliere takenpakket van gesubsidieerde orkesten behoren en daarom niet vanzelfsprekend in aanmerking komen voor extra subsidie. Ik vraag de raad dan ook eerst na te gaan in hoeverre - eventueel ten koste van de traditionele programmering - deze activiteiten kunnen worden ingepast binnen het huidig subsidieniveau. Extra ruimte zou alleen moeten worden gecreëerd voor programmeringsplannen die er echt uitspringen. Bij het Fonds voor de Podiumkunsten is een budget beschikbaar voor bijzondere programmering van Nederlandse muziek. Het is het fonds de afgelopen periode niet gelukt om deze middelen anders dan met eenzelfde lump sum per orkest toe te kennen. Ik verzoek u, mede in het licht van uw eerdere advies over orkestrepertoire, in dit kader voorstellen te doen voor toekenning van deze extra middelen. De orkesten zetten ook in op een verhoging van de salarissen van de musici. In principe wil ik niet tornen aan de systematiek van de salarisstructuur bij de orkesten, tenzij de raad goede redenen en mogelijkheden in het budget ziet dit toch te doen.

Ook door het Muziekcentrum voor de Omroep (MCO) is een beleidsplan ingediend. Ik verzoek u dit in de advisering te betrekken, rekening houdend met de verschillen die voortvloeien uit de inbedding van het MCO in het omroepbestel en de Mediawet. Onder verwijzing naar mijn brief van 8 november 1999 betreffende de mediabegroting 2000 (NOS-meerjarenplan 2000-2003) verzoek ik de raad de discussie over de (achterstand in de) arbeidsvoorwaarden van het MCO buiten beschouwing te laten. Ik ben hierover in overleg met het MCO en zal binnenkort definitief een besluit nemen.

Ik vraag u de plannen van de verschillende popmuziekinstellingen te bekijken in het licht van de recente adviesaanvraag over popmuziek. De kritische vragen die ik in het algemene deel van deze aanvraag heb gesteld over de sectorinstituten, gelden ook voor het Nationale Pop Instituut.

Werkplaatsen en voortgezette opleidingen

In mijn reactie Zicht op kwaliteit op het eindrapport van de Projectorganisatie Kunstvakonderwijs heb ik het belang van een integrale beoordeling van de voortgezette opleidingen en de werkplaatsen door de raad benadrukt. Beide groepen voorzieningen vervullen uiteenlopende functies. De Projectorganisatie onderscheidde tenminste de volgende functies: specialisatie, vrijhavens voor uitzonderlijk talent, broedplaatsen voor onderzoek en experiment, instellingen voor praktijkstudie, bijscholing en nascholing. Uw advies moet er om te beginnen toe bijdragen dat meer helderheid ontstaat over de verschillen en overeenkomsten tussen die functies en hoe dit samenstel van functies zich verhoudt tot de rol en de taak van andere instellingen in de betreffende sector(en).

Een vervolgvraag is of deze functies een specifieke institutionele inbedding veronderstellen in de onderwijs-, respectievelijk cultuursector en welke consequenties aan die inbedding verbonden zijn voor het bestaande onderscheid tussen werkplaatsen en voortgezette opleidingen, ook in het licht van de door de instellingen ingediende beleidsplannen en de aandachtspunten genoemd in Cultuur als Confrontatie en in Zicht op Kwaliteit. Uw oordeel over deze beleidsplannen kan wellicht ook leiden tot een andere ordening - al dan niet op termijn - van de bestaande voorzieningen in relatie tot het onderwijs- en cultuurdomein.

In uw advies van begin mei verwacht ik een uitspraak op hoofdlijnen over het geheel van de te vervullen functies en de inbedding daarvan. Op basis hiervan verzoek ik u in mei ook al een oordeel te geven over de per 15 december 1999 ingediende beleidsplannen van de werkplaatsen. De voortgezette kunstopleidingen behoeven eerst op 17 maart 2000 een beleidsplan in te dienen. Over deze voorzieningen verwacht ik uw advies eerst op 1 juli 2000. Ik verzoek u in beide adviezen zoveel mogelijk ook de financiële consequenties van uw oordeel aan te geven en te verdisconteren.

Als bijzonder aandachtspunt verzoek ik u in het advies per 1 juli in te gaan op de voorzieningen die momenteel zowel in het cultuurdomein als in het onderwijsdomein zijn gepositioneerd, te weten Dasarts en Maurits Binger. Deze beide worden nu als werkplaats én als voortgezette kunstopleiding bekostigd. U wordt verzocht met deze thans tweezijdige bekostiging rekening te houden bij het formuleren van indicaties over de omvang van het aan deze instellingen toe te delen budget uit de cultuurbegroting. In dit verband herinner ik eraan dat het onderwijsbudget voor de voortgezette kunstopleidingen (ca 27 miljoen gulden) gescheiden is van het cultuurbudget voor de cultuurnotaperiode 2001-2004.

In uw advies verneem ik tenslotte graag uw oordeel over de wenselijke ordening van de werkplaatsen en voortgezette kunstopleidingen in relatie tot het onderwijs- en cultuurdomein. Ik verzoek u daarbij ook een uitspraak te doen over de ondersteuning van de deelnemers/studenten. In de huidige situatie worden de stipendia voor de deelnemers aan de cultuurwerkplaatsen gefinancierd vanuit de cultuurfondsen, terwijl de studenten aan de voortgezette kunstopleidingen gebruik maken van studiefinanciering.

Amateurkunst

Ik ga vooralsnog uit van handhaving van de verschillende landelijke discipline-instituten voor de amateurkunst. Wel ben ik met u van mening dat die instituten meer met elkaar en met het centrum cultuureducatie moeten samenwerken (zie mijn brief aan de Tweede Kamer van 23 november 1999). Verder vraag ik de raad na te gaan of de landelijke sectorinstituten ook voor jongeren en allochtonen doeltreffende voorziening zijn. Ook de voorgenomen samenwerking tussen het Repertoire Informatiecentrum Muziek en Donemus en de ondersteuning van jong muziektalent zijn punten van aandacht.

Ik verzoek de raad enige ruimte scheppen binnen het budget voor amateurkunst voor initiatieven die op dit moment incidenteel worden gesubsidieerd. Ik wil me hierbij overigens wel beperken tot instellingen die specifieke ontwikkel- en voorbeeldfuncties vervullen en die bij uitstek aansluiten bij mijn beleidsprioriteiten.

De nieuwe landelijke ondersteuningsorganisatie voor het amateurtheater heeft nog niet zodanig vorm gekregen dat het indienen van een beleidsplan volgens de inrichtingseisen mogelijk is. Wel is al een stichting Ontwikkeling en Ondersteuning Amateurtheater i.o. in het leven geroepen, die als voorloper van de nieuwe organisatie een aanvraag heeft ingediend. Ik verzoek u deze in behandeling te nemen. De benodigde verdere gegevens zullen zo spoedig mogelijk worden nagezonden.

In de professionele podiumkunsten wordt bij de sectorale instellingen een verschuiving zichtbaar van financiële ondersteuning van podia naar inhoudelijke begeleiding en advisering. Ik verzoek u het subsidieverzoek van de stichting Cococon, die concerten van jeugdorkesten organiseert, tegen deze achtergrond te bezien. De aanvraag van de stichting Jeunesses Musicales Nederland verzoek ik u te bezien tegen de achtergrond van de discussie die op dit moment wordt gevoerd over internationale netwerken.

Film

Zonder overheidssteun is de Nederlandse distributie en vertoning van kwaliteitsfilms uit Europese én niet westerse landen op het huidige niveau niet mogelijk. Ik besef echter ook dat subsidieverlening aan filmdistributeurs op gespannen voet staat met beleid gericht op marktwerking. Onder de huidige omstandigheden lijkt het wenselijk de subsidieverlening voort te zetten, waarbij wel de vraag aan de orde is of de distributeurs niet meer kunnen samenwerken in dit marktsegment.

Een ander aandachtspunt is de promotie, publiciteit en marketing van Nederlandse films. Anders dan bijvoorbeeld in Engeland, Amerika en Denemarken wordt ter versterking van de marktpositie van Nederlandse films onvoldoende gebruik gemaakt van strategieën gericht op de hele keten van productie, distributie en vertoning. Dit aspect is essentieel voor het verruimen van het marktbereik. Ik verzoek u hieraan bijzondere aandacht te geven bij de beoordeling van de plannen van het Nederlands Fonds voor de Film, de Associatie van Nederlandse Filmtheaters, Cinemien, Contact Film Cinematheek, Internationaal Film Festival Rotterdam en het Nederlands Filmmuseum.

In het verlengde van de faciliteiten die zijn ontwikkeld om meer investeringen in Nederlandse films te genereren, is van groot belang dat ook de internationale promotie en marketing van Nederlandse films steviger ter hand worden genomen. In uw advies van juni 1996 over de stichting Holland Film Promotion gaf u al aan belang te hechten aan filmpromotie als onderdeel van de internationale promotie van Nederlandse cultuur en aan mogelijkheden om de positie van Nederlandse films op de internationale markt te versterken. Ik verzoek u de plannen van Holland Film Promotion te beoordelen tegen deze achtergrond en in samenhang met het nog uit te brengen beleidsplan van het Nederlands Fonds voor de Film.

Vormgevingsinstituut

Bij de oprichting van het Nederlands Vormgevingsinstituut werd gedacht aan een instituut dat een verbindende, inspirerende en stimulerende rol zou spelen over de volle breedte van het vormgevingsterrein. Het instituut zou de schakel worden tussen vakwereld, producenten en afnemers, het zou (internationale) bekendheid geven aan de kwaliteit van de Nederlandse vormgeving, het zou dé plek worden waar nieuwe ontwikkelingen worden gesignaleerd en het zou het verzamelpunt worden waar een veelheid van informatie over vormgeving voor handen is.

Ik verzoek de raad om het plan van het Vormgevingsinstituut te bezien tegen de achtergrond van deze oorspronkelijke doelstellingen. In het bijzonder vraag ik of er nog steeds behoefte is aan een dergelijke invulling. Als dat het geval is, is de vraag aan de orde of de nieuwe plannen van het instituut voldoende vertrouwen geven dat dit op een adequate wijze zal gebeuren. Ik heb de indruk dat het instituut in dat geval een radicale koerswijziging zou moeten ondergaan. Indien de oorspronkelijke taken beter op een andere wijze kunnen worden ingevuld, dat wil zeggen buiten het Vormgevingsinstituut, moet een budget worden gereserveerd voor nog te ontwikkelen alternatieve plannen.

Culturele tijdschriften

In mijn uitgangspuntenbrief heb ik al aangekondigd dat culturele tijdschriften niet alleen op hun inhoudelijke kwaliteit moeten worden beoordeeld, maar dat ook de productiekosten en in het bijzonder het subsidie gerelateerd aan de afzet moeten worden meegewogen. In meer algemene zin is de vraag aan de orde in hoeverre deze tijdschriften economisch zelfstandig kunnen functioneren, een tijdelijk overbruggingskrediet nodig hebben, dan wel in aanmerking komen voor subsidiëring. Daarbij breng ik in herinnering dat de raad in zijn advies ten behoeve van de vorige cultuurnota heeft betoogd dat ook meerjarige subsidiëring van culturele tijdschriften mogelijk moet blijven, gelet op het inhoudelijke belang van dit type bladen en de grenzen die het Nederlands taalgebied aan het bereik ervan stelt. In dit kader is van belang dat u niet alleen uitspraken doet over individuele tijdschriften maar tevens over de wijze waarop deze tijdschriften worden gesubsidieerd. Sommige tijdschriften ontvangen rechtstreeks meerjarig subsidie van het ministerie, andere tijdschriften ontvangen telkens voor een jaar subsidie via een fonds en weer andere tijdschriften maken onderdeel uit van het takenpakket van meerjarig gesubsidieerde instellingen en worden daarom veelal niet expliciet beoordeeld. Ik verzoek de raad deze verschillende wijzen van subsidiëring kritisch te bezien. Is stroomlijning van dit stelsel van regelingen wenselijk?

Mocht de raad dit niet het juiste moment achten voor het beantwoorden van deze meer principiële vragen, dan stel ik voor dat hij dit in een later stadium doet. Dit kan betekenen dat, in afwachting van uw nader advies, het subsidie aan sommige tijdschriften aan een kortere periode wordt verbonden dan vier jaar.

Literatuurmanifestaties

Diverse organisaties van literatuurmanifestaties die de afgelopen jaren op incidentele basis werden gesubsidieerd, hebben nu een aanvraag ingediend voor meerjarige subsidiëring. Het gaat hier om verhoudingsgewijs kleine initiatieven, met een flexibele organisatiestructuur die erop is gericht om één of enkele dagen per jaar een bijzondere prestatie te leveren. Deze aanvragers opteren nu voor een vaste organisatie. Daarmee is de principiële vraag aan de orde of dergelijke vaste organisatiestructuren wel nodig en wenselijk zijn bij dit type activiteiten en of, zoals de ervaring met sommige andere manifestaties leert, dit niet ongemerkt leidt tot een niet beoogde tendens van nieuwe, parallelle en verwante activiteiten. De mogelijkheid om deze aanvragers, alsook vergelijkbare manifestaties die geen aanvraag voor meerjarige subsidiëring hebben ingediend, op incidentele basis te blijven subsidiëren, blijft uiteraard bestaan.

NBLC

De Stuurgroep Herstructurering Openbaar Bibliotheekwerk zal haar rapport naar verwachting uitbrengen in februari 2000. Vervolgens zal met IPO en VNG beraad plaatsvinden over de voorstellen. Ik verwacht mijn standpunt halverwege 2000 te kunnen bepalen. Dit betekent dat daarmee geen rekening kan worden gehouden in het beleidsplan van de NBLC. Ik stel daarom voor dat de raad over dit beleidsplan adviseert met een algemeen voorbehoud ten aanzien van de effecten die de voorstellen van de stuurgroep kunnen hebben.

Voorzieningsfonds voor Kunstenaars (VVK)

Mijn voorganger heeft in 1995 aan het Voorzieningsfonds voor Kunstenaars laten weten dat hij met ingang van de volgende cultuurnotaperiode het meerjarig subsidie wilde beëindigen. Daarbij was de belangrijkste overweging dat de stichting in staat moet worden geacht de gesubsidieerde activiteiten, waaronder het consulentschap, uit eigen middelen te financieren. Om het VVK gelegenheid te geven zich aan de nieuwe situatie aan te passen, is in de lopende periode voor het laatst een bedrag toegekend van 900.000 gulden. Het staat het VVK vrij om desondanks een nieuw subsidieverzoek in te dienen, maar ik verzoek de raad bij de beoordeling met dit gegeven rekening te houden.

Federatie van Kunstenaarsverenigingen

Organisaties zoals de Federatie van Kunstenaarsverenigingen, FNV/KIEM en Kunsten '92 behartigen de belangen van kunstenaars en kunstinstellingen. De federatie wordt gesubsidieerd, de beide andere organisaties niet. Ik vraag de raad in hoeverre de federatie de functie van overlegplatform van kunstenaarsverenigingen overstijgt en of daarvoor subsidie zou moeten worden verleend.

Kunst & Zaken / Kunst & Meerwaarde

De stichting Kunst & Zaken is een voorbeeld van een organisatie die met een bescheiden bijdrage een significante rol speelt in de bevordering van cultureel ondernemerschap. De stichting stimuleert de uitwisseling van kennis en ervaring tussen kunstinstellingen en bedrijfsleven, en heeft daarin inmiddels een goede reputatie opgebouwd. Ik vraag u aandacht voor de bijzondere rol die deze stichting in het culturele veld speelt.

Ook de stichting Kunst & Meerwaarde heeft een duidelijke vliegwielfunctie: zij wil bedrijven interesseren in sponsoring van kunst- of museale activiteiten met behulp van premies voor nieuwe sponsors. In de afgelopen tweeëneenhalf jaar is met een totaal aan premies van circa 1,3 miljoen ruim 2 miljoen gulden aan sponsorbijdragen gegenereerd. In het licht van de nota Een ondernemende cultuur hecht ik veel waarde aan de continuering van dit initiatief. Is de raad het hiermee eens?

Internationaal cultuurbeleid

Zoals de bedoeling was, hebben heel wat instellingen hun internationale activiteiten als integraal bestanddeel opgenomen in hun beleidsplan. Ik heb echter de indruk dat lang niet alle plannen daarover helder genoeg zijn. Die helderheid zal wel moeten worden geboden in de jaarlijkse activiteitenplannen. Hoewel niet alle algemene uitgangspunten van het cultuurbeleid zonder meer van toepassing zijn, is er mij veel aan gelegen om ze in elk geval zoveel mogelijk te betrekken bij de beoordeling van instellingen die internationale activiteiten tot hun reguliere taken rekenen. Ik verzoek u bovendien bij de beoordeling van de internationale activiteiten die een instelling ambieert, uit te gaan van de plaats en functie binnen het bestel waarvan die instelling deel uitmaakt.

De meeste aanvragers hebben volgens afspraak de uit de HGIS-middelen ontvangen meerjarensubsidies vanaf 2001 verwerkt in hun begroting - meestal in de wensbegroting. Aldus worden er geen voorschotten genomen op een HGIS-cultuurprogramma na 2002, waarvan nog niet zeker is dat het er komt - en als dat wel het geval is, hoe groot het zal zijn. Ik verzoek ook de raad daar niet op te anticiperen en uit te gaan van de middelen die binnen de cultuurbegroting beschikbaar komen. De beleidsplannen geven slechts beperkt inzicht in hoeverre wordt aangesloten bij de prioriteitsgebieden voor internationaal cultuurbeleid. Ik blijf er overigens bij dat de keuze voor internationale samenwerking met een land daarbuiten afzonderlijk onderbouwd moet worden.

Het aantal aanvragen van internationale culturele netwerken is fors toegenomen. In principe komen netwerken die buiten Nederland zijn gevestigd, niet in aanmerking voor een cultuurnotasubsidie. Mochten er in de ogen van de raad zwaarwegende redenen zijn om daar van af te wijken, dan verneem ik die graag. Op de algemene vraag hoe zwaar de eis van vestiging in Nederland moet wegen, zal ik terugkomen via een apart adviesverzoek.

Felix Meritis

Zij het met een enigszins zwaarder accent op onderwijs en wetenschappen dan voorheen behelst het plan van Felix Meritis voor het merendeel een voortzetting van het bestaande beleid. Felix Meritis wijst erop dat de activiteiten die het onderneemt in hoge mate procesgericht zijn en dat ook zullen blijven - een modus operandi waarbij niet zozeer een van te voren omschreven eindresultaat maar het werkproces centraal staat. Ik verzoek u bij de beoordeling van de nieuwe plannen expliciet na te gaan wat zo'n procesmatige aanpak concreet oplevert. Kunt u aan de hand daarvan aangeven op welke wijze de uitkomsten van zulke processen kunnen worden gemeten bij de jaarlijkse toetsing van de verrichte activiteiten? Welke betekenis vervult Felix Meritis precies voor het Nederlandse culturele leven? Ik ben in afwachting van een nader rapport van een extern accountantsbureau. Mocht daartoe aanleiding zijn, dan zal ik u dit t.z.t. ter hand stellen.

Digitale kunsten/media

In Een ondernemende cultuur heb ik mijn ideeën ontvouwd ter versterking van de infrastructuur en de internationale netwerken op het gebied van de digitale media/kunsten. Ik verneem graag de mening van de raad hierover. Daarbij beschouw ik de financiële middelen voor mediaprojecten die ik de fondsen heb gevraagd hiervoor uit te trekken, als complementaire middelen. Aldus wil ik voldoende mogelijkheden creëren om snel te kunnen reageren op media-ontwikkelingen met een hoog innovatief tempo. Op dergelijke ontwikkelingen kan immers onvoldoende worden ingespeeld in aanvragen voor meerjarig subsidie.

Ook ben ik voornemens om voor een proefperiode een expertisebureau, een intendant en een matching fund in te zetten om de innovatieve kracht van de culturele sector te versterken. Ik denk daarbij vooral aan onderzoekscapaciteit en samenwerking van culturele media-instellingen met andere maatschappelijke sectoren, alsmede aan aansluiting bij de verschillende onderzoeksprogramma's van de Europese Unie. Ik leg u de vraag voor hoe, gelet op de beleidsplannen, deze voornemens het beste kunnen worden geëffectueerd.

BIJLAGE 2

KENGETALLEN

Algemeen

Er zijn voor de komende cultuurnotaperiode aanzienlijk meer aanvragen ingediend dan de vorige keer: 734 aanvragen tegen 473 vier jaar geleden. Daaronder zijn 450 nieuwe aanvragen. Dat is ongeveer 60 procent van het totaal. De vorige keer was 50 procent van de aanvragen nieuw.

Per sector zijn de aanvragen als volgt verdeeld:

Aantal aanvragen

Waarvan nieuwe aanvragen

Kunsten


565 348 62%

Cultureel Erfgoed


91 53 58%

Media, Letteren en Bibliotheken 52 36 69%

Internationaal en overig 26 13 50%

Totaal


734 450 61%

In totaal is voor een bedrag van 998 miljoen gulden subsidie aangevraagd, bijna twee keer de omvang van het beschikbare budget dat
575 miljoen gulden bedraagt. Thans gesubsidieerde instellingen vragen
722 miljoen gulden en nieuwe aanvragers 275 miljoen. Dit betekent dat
39 procent van de aanvragers goed is voor 72 procent van het totaal gevraagde subsidie. De instellingen die nu gesubsidieerd worden, vragen gemiddeld een subsidie van 2,6 miljoen gulden, de nieuwkomers gemiddeld een subsidie van 0,6 miljoen. Opmerkelijk is dat de nieuwkomers een subsidie aanvragen dat gemiddeld lager is dan wat de gesubsidieerde instellingen extra vragen.

Gevraagd subsidie Gemiddeld per instelling

Alle aanvragen


997.924.000 100%


1.373.000

thans gesubsidieerde instellingen

Waarvan extra t.o.v. huidig subsidie 722.440.000


166.622.000 72%


17% 2.553.000


694.000

Nieuwe aanvragen


275.484.000 28% 620.000

Doelgroepenbudget

Alle aanvragers is verzocht te specificeren welke bedrag uit de begroting wordt besteed aan het bereiken van nieuwe doelgroepen.179 aanvragers hebben deze specificatie niet in hun plan opgenomen.

De aanvragers die wel een specificatie hebben opgenomen, trekken naar eigen opgave in hun begroting gemiddeld 389 duizend gulden uit voor het bereiken van nieuwe doelgroepen. Dit is 18 procent van het door hen gevraagde subsidie. Dit percentage ligt bij nieuwe aanvragers op
30 procent. Opmerkelijk is dat nieuwe aanvragers nominaal bijna evenveel geld uittrekken voor doelgroepactiviteiten als thans gesubsidieerde, hoewel zij gemiddeld aanzienlijk minder subsidie aanvragen.

Subsidie per bezoek en verhouding tussen publiekinkomsten en subsidie

Het verschil tussen reeds gesubsidieerde instellingen en nieuwe aanvragers komt het meest tot uiting in het subsidie per bezoek en de verhouding tussen publieksinkomsten en het subsidie. Deze gelden als criteria voor maatschappelijk bereik. Reeds gesubsidieerde instellingen verwachten blijkens hun plannen niet al te zeer af te wijken van de gemiddelden in de periode 1994-1997, het muziektheater uitgezonderd. Nieuwe aanvragen daarentegen kennen niet alleen een aanzienlijk lager subsidie per bezoek, maar ook veelal een gunstiger verhouding tussen publieksinkomsten en het gevraagde subsidie.

Gemiddeld 1994-1997 Plannen 2001-2004

Reeds gesubsidieerden Nieuwe aanvragen

Subsidie per bezoek Aandeel publieksinkomsten Subsidie per bezoek Aandeel publieksinkomsten Subsidie per bezoek Aandeel publieksinkomsten

Dans


105,- 18% 111,- 16% 53,- 24%

Muziek


74,- 28% 71,- 23% 36,- 34%

Muziektheater


216,- 22% 202,- 20% 57,- 34%

Theater


90,- 15% 81,- 18% 46,- 30%

Musea


25,- 21% 37,- 20% 17,- 69%

Bovenstaande tabel geeft een eerste indicatie van het subsidie per bezoek en de verhouding tussen publieksinkomsten en het gevraagd subsidie per hoofdgroep. Zoals is aangegeven in Cultuur als confrontatie worden plannen getoetst op het niveau van vergelijkbare subgroepen. Daarbij geldt dat het aandeel van de publieksinkomsten volgens de aangescherpte definitie ten minste 15 procent moet bedragen en dat het subsidie per bezoek niet meer dan 150 procent van het subgroepgemiddelde bedraagt, tenzij daarvoor goede redenen worden aangevoerd. Deze grenzen gelden voor alle aanvragen, dus ook de nieuwkomers.

BIJLAGE 3

OVERZICHT AANVRAGERS SUBSIDIE

NIEUWE AANVRAGERS

Affichemuseum Nederland

Alink-Argerich voor Musici en Muziekconcoursen

Ammonietenhoeve

Amstelveens Poppentheater

Amsterdam Loeki Stardust Quartet

Amsterdam Roots

Amsterdam Vluchtstad

Amsterdams Kamermuziekcentrum De Suite

Amsterdams Kleinkunst Festival

Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten

Ancient Arst Alive

Anumadutchi Percussion

Appelmoes

Ar@besk, Stichting vor Realisatie van Transculturele Present

Archeologische Monumentenwacht Nederland

ArchiNed

Architecture International Rotterdam

Art Primeur

Artbon

Arti et Industriae

Association Europeenne des Conservatoires

Audiovisuele Antropologie Nederland

Aurelia Saxofoon Kwartet

Autoped

Aviodome

AVL - Ville

AXIS

Bartje op Zuid

BASALT

Beeldende Kunst Middelburg

Beeldverzamelgebouw

Beestenbende

Behoud en Bestemming Academiegebouw Maaskant

Bellissima

Beppie Blankert Dansconcerten

Beurs van Berlage

Bevordering Muziekimprovisatie

Bijbels Museum

Bijbels Openluchtmuseum

Bodytorium

Boeng Diepie

Bonas

Borderline

BUFFO Operamakers

Buitenmuseum Leuvehaven

BuroFriedrich

BZO/Krater Kunstzinnige Vorming Zuidoost

Calefax

Carina Molier

CASla

Caspar Rapak

Cell-initiators of incidents

Cello Octet Conjunto Ibirico

Centrale Discotheek

Centrum voor Film in Friesland

CIRC Atelier

Circle Percussion

Cloud Chamber II

CODART

CodArts

Collectieve Danspromotie i.o.

Combustion Chamber

Compagnie Karina Holla

Concerto '91

Conny Janssen Danst

Convent van Gemeentelijke Archeologen

Counter Current

Covperatieve Vereniging De Brandstichting

Cultureel Centrum Volten

Cultureel Jongeren Paspoort

Cultuurpaleis

Dagelet c.s. (i.o)

Dansateliers

Dansend Hart

Danstheater Het Kabinet

DansWerkplaats Amsterdam

Dasar, Try-out Podium

Davina van Wely

de Bende

De Berenkuil

De Best Verzorgde Boeken

De Ereprijs

De Gasten Komen

De Koppoter Voorbij i.o.

De la Mar Poppentheater

de Oefening de Kunst i.o.

De Rode Hoed

De Stilte

De Theatermakers

De Wassen Neus

De Wetten van Kepler

De Winternachten

De Zuidpunt

Designprijs Rotterdam

Dichter aan Huis

Dick de Graaf Septet

Dienst Gemeentelijk Musea Utrecht

Dienst Stadsschouwburg Utrecht

Do

Doelenensemble

Dood Paard

Doors of Perception

Dordtse Cultuur- en Monumentendagen

Dordtse Musea

Drents Instituut voor Kunst en Cultuur

Drents Poppenspel Festival

Droog Design

Dutch Jazz Orchestra

Egmond Film & Television

ELS

Emmasingel

Euregio Dans Forum

Euriade Heerlen

Europa Cantat

Europan

European Forum for the Arts & Hertitage

Expositiecentrum Exedra

Federatie Oud-Nederlandse Vaartuigen

Festival Musica Sacra

Festivalbureau Storm

Festivals Vrouwenfilms Claire Obscur

Film Educatie

Film in Concert

FilmStad

Folklore in School

Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten

Forum voor Samenwerking v/h Nederlandse Archiefwezen

Fotografie Museum Amsterdam i.o.

Fotografie Noorderlicht

Frysk Jeugdorkest

Fryske Klub Ljouwert

Gasthuis, werkplaats & theater

Gemeente Breda De Beyerd, Centrum voor beeldende kunst

Gemeente Leiden

Gemeente Maastricht, dienst OCWS

Geschiedschrijving Illustratie Nederland

Gijs Hendriks Band

Golden Palace

Grachtenfestival

Grafische Cultuurstichting

Grenzeloos Geluid

Haags Matrozenkoor - Hofstads Koorknapen

Haast

Hal 4

Handtheater

Hans Hof Instituut

Helu

Hendrik Chabot

Hesp Theatermakers

Het Filiaal

Het Gezelschap van de Zee

Het Groote Hoofd

Het Ketelhuis

Het Laagland

Het Lokaal

Het Nederlands Fluitorkest

Het Nederlands Scenario

Het Nederlands Studenten Orkest

Het Oranjehotel

Het Slagwerkfestival

Het Syndicaat

Het Toneel Speelt

Het Toneelschap B&D

het Virtueel Platform

Het Voorhout van de Beeldende Kunst II

Het Waterhuis

Het Witte Vuur

Het Zuidelijk Toneel / Theatergroep Hollandia

Hexagon Ensemble

High Arts in the Lowlands

Hogeschool voor de Kunsten Utrecht

Homo/Lesbisch Informatiecentrum en Archief

Huis a/d Werf

Hummelinck Stuurman Theaterbureau

Hussaarts & Van Lohuizen

i.o. WWW.OPEN.NL

Imago Mundi

Impakt

Impresariaat Kunsteducatie

Indisch Herinneringscentrum `Het Indisch Huis`

Industrial Heritage Facilities

Info- en Kenniscentrum v.d. Jazz en Improvisatiemuziek

Inter-Art

Intermediair voor Filmeducatie

Internationaal Bodemreferentie en Informatie Centrum

Internationaal Jongeren Theater & Dans Festival Rotterdam

Internationaal Kunstambassade Park

International Council for Curators of Duch and Flemish Art

International Folkfestival

Internationale Concerten en Werkgroepen

Internationale Culturele Activiteiten

Iordens Viooldagen

Islamitische Kunst en Cultuur

It Fryske Amateur Toaniel

Ives Ensemble

Jansen & Jelier

Januari

Jazz & Wereldmuziek Kollektief

Jazz en Geomproviseerde Muziek Utrecht

Jazz in Amsterdam/Bimhuis

Jazz Orchestra of the Concertgebouw

Jekerstudio, European Centre for Performing Arts

Jong Muziektalent Nederland

Jongeren Onderwijs Media

Jongerentheatergroep DOX i.o.

Joods Europese Muziek

Joris Ivens

Josquin des Prez en tijdgenoten

Julidans

K2

Kadewe

Kameropera Trionfo

Kathedrale Basiliek Sint-Bavo

Keesen & Co

KinderKunstHal

Kinderkunstland

Kindermuseum van het Koninklijk Instituut voor de Tropen

Kleurrijk Centrum Rotterdam

Koninklijk Instituut voor de Tropen

Koor Nieuwe Muziek

Koorbegeleidingen Randstad

Kultureel Overleg Maastricht

Kunst & Zaken

Kunst- en ontmoetingscentrum Tramhuis

Kunst en Openbare Ruimte

Kunst in Serie

Kunst op schrift

Kunstinitiatief Casco

Kunstvereniging Diepenheim

Kunstzinnige Vorming Rotterdam

Kwakoe zomerfestival

Laboratoria Lirico

Le Grand Cru

Lenteschrift

Les Perruques d'Amsterdam

Lezersfeest

Liberia

Literatuurfestival De Wintertuin

Live Arts i.o

Live at Nighttown

LOS Bewegingstheaterwerkplaats

Louis Couperus Museum

Love & Orgasm

M97

Maatschap Quink Vocaal Ensemble

Maiden Voyage

Mainport Haven voor kunstenaars

Maritiem Museum Curacao

Mediamatic

MeerWaarde

Melkweg

Mime Geeft Vreugde

Mobiele Collectie Nederland

Moer-staal

Moviezone

Moving Mime Festival

Multatulimuseum

Multi Arts Producties

Museum Suriname

Museum voor Communicatie

Museumstoomtram Hoorn-Medemblik

Music & Art i.o.

Musis Sacrum

Muziekcentrum 's-Hertogenbosch

Muziekcentrum van de Omroep

Muziekeducatie Nederlandse Symfonieorkesten

Muziekgezelschap Cappella Amsterdam

Muziekgroep Briza

Muziektheater Festival

Muziektheater Hollands Diep

Muziekwerkplaats Brabant i.o.

'n Meeuw

Naranti Productions

Narragonia Productions Azart

Nationaal Kinderkoor/Nationaal Jeugdkoor

Nationaal Muziekinstrumenten Fonds

Nationaal Rijtuigenmuseum

Nationale Jeugd Blaasorkesten en Ensembles

Nederlands Archief Grafisch Ontwerpers

Nederlands Audiovisueel Archief

Nederlands centrum van het Beeldverhaal

Nederlands Historisch Museum

Nederlands Jeugd Strijkorkest

Nederlands Muziek Instituut

Nederlands Persmuseum, Het

Nederlands Piano Museum

Nederlands Platform Ouderen en Europa

Nederlands Promenade Orkest

Nederlands Reclamearchief

Nederlands Studenten Kamerorkest

Nederlandse Dans Dagen

Nederlandse Raad voor Muziek

Nederlandse Vereniging van Archeologen

Nexus Institute

Nieuw Israelietisch Weekblad

Nieuw Israelitisch Weekblad

Nieuwe Slagwerkgroep Amsterdam

Nomade

Noorderslag

November Music

Ontwikkeling en ondersteuning amateur-theater Nederland i.o.

Open Haven Museum

Opus One Theaterprodukties

Organisatie Podiumkunsten Nederland i.o.

Orlando Academie

Osiris Trio

Oude Muziek De Graafschap

Overstekend Wild

Oye Listen

P.A.R.K.

Palinckx

Paradox

Parkstad Limburg Theaters NV

PassePartout Foudation

Passionate

Patronaat

Peter Bulcaen Rogie & Company

Peyre Fiot

Planet jr. Productions

Platform voor Amateurkunst

Plotloos drama

Podium Trio

Poeziefestival

Popverzamelgebouw Rotterdam

Post Productions

Praalwagens

Praktijkopleidingen Architectuur en Stedebouw

Prime

Proma

Promotie Literaire vorming

PROMT

Ptah kunstadvies VOF

Public Art Squad

Raad voor Kunst en Cultuur Vlissingen

Raduga-Ensemble

Raras Budaya

Rast

Rein Edzard Producties

Rembrandthuis

Restauratoren Register

Rietveldpaviljoen Venetie

ROC TRE-groep

Ronald Snijders

Roots and Routes

Rotterdam Festivals

Rotterdams Wijktheater

Rotterdamse Schouwburg

Rotterdamse Tramweg Maatschappij

Rumor

Sahne

Samba Salad

School der Poezie

Schrijverspodium

Service- en Adviesbureau Industrieel Erfgoed Ned.

Service Organisatie Migranten Media

Sferra

Sitos

Smart Project Space

SOB Research, Instituut voor archeologisch en aard

Spanga, het Verona van Weststellingwerf

Splendor

Stadsschouwburg en Concertgebouw Haarlem

STAP

Stichting De Oude Kerk

Stichting Historisch Boerderij-onderzoek

Stichting Nationaal Smalspoor

Stichting tot Behoud van het Stoomschip C. Bosman

Stichting voor Stem, Theater en Muziek

Stichts Tram Museum

Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties

Stoomtrein Goes-Borsele

Stout

Stroom Haags centrum voor beeldende kunst

Studiefonds Oskar Back

Studio Philharmonia

Submarine

Sweelinck Museum

't Barre Land

Talens Palet

Tamar

Teatro Munganga

The Amsterdam Wind Orchestra

The Game of Life

The International Holland Music Sessions

The Jungle Warriors i.o.

Theater & Educatie

Theater De Regentes

Theater Gnaffel

Theater het Amsterdamse Bos

Theater Lantaren/Venster

Theater op Locatie

Theater te Water

Theatercentrum Den Haag

Theatergroep Aluin

Theatergroep Benjamin

Theatergroep El Amal

Theatergroep Toetssteen

Theatermakerij

Toneelgroep de Trust / Artikelen en Projecten

Toneelgroep Drang

Toneelgroep Het Volk

Toonkunstkoor Amsterdam

Totaal

Tramweg Stichting

Triade

TryTone

Tumult B.V.

Tweeledig

Uitgeverij International Theatre & Film Books

Ultramarijn

Ulysses

Unieke Zaken

UNISONO

United Ropes

UR

Urgent Dance

Utrechtse beeldende kunst

Vereniging Digitaal Erfgoed Nederland

Vereniging Koning Keizer Admiraal

Vereniging Ouders van Dove Kinderen

Vereniging voor Kunstzinnige Vorming

Virus

Vis a Vis

Volksbuurtmuseum

Vormgevingsgalerie Vivid

Vrienden Spoorweg Materieel

Vrienden van het Filmarchief

Vrije Val

Vrouw en Muziek

W139

Walden

Waterland Producties

Wereld en Europese Historische Musea

Wereldfestival Parade Brunssum 2000

Wereldmuseum Rotterdam

Weshm, Atelier d'Art et de Criation

World Art Foundation

WORM

Wuerz

Xynix

Zangschool Zuid-Holland

Ze Doen Wat Ze Kunnen

Zep

ZID

Zijdemuseum

Zomerparkfeest

Zwaanproducties

THANS GESUBSIDIEERDE AANVRAGERS

Afrika Museum

AIDA Nederland

Alex d'Electrique p/a/ Hummelink Stuurman

Algemeen Nederlands Verbond

Amsterdam Baroque Orchestra & Choir

Archeologische Werkgemeenschap in Nederland

Archiefschool

Archiprix

Architectuur Lokaal

Artisjok/Nultwintig

ASKO Ensemble

Associatie van Nederlandse Filmtheaters

Beeldende Amateurkunst

Berlage Instituut

Bewegingstheater BEWTH

Bibliotheek voor Varenden

Bik Bent Braam

Boekmanstichting

Bonheur

Buitenkunst

Bulkboek's Dag van de Literatuur

Centraal Bureau voor Genealogie

Centrum Elektronische Muziek

Cinekid Nederland

Cinemien

Cococon

Colofon, Schrijversvakschool

Combattimento Consort Amsterdam

Contact Film Cinematheek

Contraband

Cosmic Illusion

Culture Coalition

Culturele Manifestaties NANA

Dansgroep De Meekers

Dansgroep Krisztina de Chatel

Danstheater Arena

Dasarts

Date

De Appel

De Ateliers

De Balie

De Balie

De Daders, Jan Langedijk

De Dogtroep

De Nederlandse Bachvereniging

De Nederlandse Opera

De Nieuw Amsterdam

De Paardenkathedraal

De Rotterdamse Dansgroep

Directie Overleg Dansgezelschappen

Doe Maar Dicht Maar

Dunya Festival

Ebony Band p/a Henriktte Post

El Hizjra

Europan Nederland

European League of Institutes of the Arts

Europees Keramisch Werkcentrum

Europese Mime Federatie

Fact

Federatie Kunst Uitleen

Felix Meritis

Festival aan de Werf/Utrechtse School

Firma Rieks Swarte

Fonds Bibliotheekwerk Blinden en Slechtzienden

Fonds Kunst en Educatie

Fonds voor Amateurkunst

Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst

Fonds voor de Letteren

Fonds voor de Podiumkunsten

Fonds voor de Scheppende Toonkunst

FORUM for international co-financing of documentaries

Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum

Fuurland/De Filmkrant

Gate Foundation

Gaudeamus

Geestgronden Concert

Gemeente Leeuwarden i.z. Princessehof

Grand Theatre

Grif Theater

Groningen Dansstad

Grote Prijs van Nederland

Growing up in Public

Henny Jurriens

Het Brabants Orkest

Het Gelders Orkest

Het Huis van Bourgondik

Het Internationaal Danstheater

Het Nationale Ballet

Het Nationale Toneel

Het Nederlands Balletorkest

Het Nederlands Philharmonisch Orkest

Het Nieuw Ensemble

Het Onafhankelijk Toneel

Het Residentie Orkest

Het Theater Festival

Het Van Doesburghuis

Het Veem theater

Het Vervolg

Holland Animation Filmfestival

Holland Dance Festival

Holland Festival

Holland Film Promotion

Hollandse Schouwburg

Hoofdstad Operette

Huis aan de Amstel

Huis Doorn

Huygens-Fokker

Informal European Theatre Meeting

Inspectie Kunstzinnige Vorming en Amateurkunst

Intercultureel Centrum Rasa

Internationaal Filmfestival Rotterdam

Internationaal Micro Festival

Internationaal Opera Centrum Nederland

Internationaal Orgelconcours

Internationaal Theaterfestival Images

Internationaal Theaterschool Festival

Internationaal Vocalisten Concours

International Documentary Filmfestival Amsterdam

Intro

Introdans

Jachthuis Sint Hubertus

Jan van Eyck Akademie

Jeugdorkest Nederland

Jeugdtheater Rosa Sonnevanck

Jeunesses Musicales Nederland

Joods Historisch Museum

Kalebas Producties

Kasteel Radboud

Kastelenstichting Holland en Zeeland

Kerkelijk Kunstbezit in Nederland

Kinderen en Poezie

Koninklijk Concertgebouworkest

Koninklijk Penningkabinet

Koninklijke Bibliotheek

Koninklijke Vereniging van Archivarissen in Nederland

Koninklijke Vereniging voor de Nederlandse Muziekgeschiedeni

Korzo (theater en productiehuis voor de dans)

Kroller-Muller

Kulsan

Kunst en Jeugd in Europa

Kunstkanaal

Landelijk Centrum voor Amateurdans

Landelijke Ondersteuning Amateurmuziek

Lezen

Limburgs Straattheaterfestival

Limburgs Symphonie Orkest

Lokaal 01

LOKV, Nederlands Instituut voor Kunsteducatie

LOOS

Maarten Altena Ensemble

Maatschappij Discordia

Maatschappij voor Oude en Nieuwe Media

Made in Da Shade

MAPA

Materiaalfonds voor Beeldende Kunst en Vormgeving

Maurits Binger Film Instituut

Mauritshuis

Media Educatie en Informatie

Meer Doen met Cultuur, Kunstbende

MIXT, stichting voor interculturele projecten

Mondriaan Kwartet

Mondriaan Stichting

MonteVideo/Time Based Arts

Multiculturele Aktiviteiten Utrecht

Museum Boerhaave

Museum Gevangenpoort

Museum Het Catharijnevonvent

Museum Slot Loevestein

Museum van het Boek/Museum Meermanno-Westreenianum

Music Meeting

Musica Neerlandica

MuzieGroep Nederland Donemus

Muziekcentrum De IJsbreker

Nationaal Contact Monumenten

Nationaal Jeugd Orkest

Nationaal Pop Instituut

Nationale Reisopera

Naturalis/Nationaal Natuurhistorisch Museum

NBLC Vereniging van Openbare Bibliotheken

Ned. Fonds voor Midden en Oost-Europese Boekprojekten

Nederlands Architectuur Instituut

Nederlands Blazers Ensemble

Nederlands Centrum voor Volkscultuur

Nederlands Dans Theater

Nederlands Film Festival

Nederlands Filmmuseum

Nederlands Fonds voor de Film

Nederlands Foto Instituut

Nederlands Fotoarchief

Nederlands Instituut voor Animatiefilm

Nederlands Instituut voor de Blaasmuziek

Nederlands Jazz Archief

Nederlands Kamerkoor

Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum

Nederlands Literair Produktie en Vertalingenfonds

Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam

Nederlands Vormgevingsinstituut

Nederlandse Jeugdbond voor Geschiedenis

Nederlandse Museumvereniging

Nederlandse Muziekraad

Nederlandse Openluchtmuseum

Nederlandse Poppodia

Nes theaters

Nieuw Sinfonietta Amsterdam

Nieuwe Kerk Amsterdam

Nieuwe Muziek Zeeland

NKT Theaterproducties

Noord Nederlands Orkest

Noord Nederlands Toneel

Noord Nederlandse Dans/Galili Dance

Noorderzon

Noordhollands Philharmonisch Orkest

OISTAT Foundation

Omroep Allochtonen (STOA)

Ons Erfdeel

Opera Zuid

Organisatie Oude Muziek

Orkater

Orkest de Volharding

Orkest van de Achttiende Eeuw

Orkest van het Oosten

Orlando Festival

Other World Productions

Paleis Het Loo,Nationaal Museum

Paradiso Amsterdam

Poetry International

Prinses Christina Concours

Productiehuis Brabant

RAZ Dansvoorziening van het Zuiden

Ricciotti Ensemble

Rijksakademie Beeldende Kunsten

Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie

Rijksmuseum Amsterdam

Rijksmuseum het Zuiderzeemuseum

Rijksmuseum Muiderslot

Rijksmuseum Twenthe

Rijksmuseum van Oudheden

Rijksmuseum voor Volkenkunde

Rotterdams Philharmonisch Orkest

Rotterdamse Kunststichting, Zaal de Unie

Samenwerkende Nederlandse Korenorganisaties

Sampone Music Productoins, Fra Fra Sound

Scapino Ballet Rotterdam

Schonberg Ensemble

Schonberg Kwartet

Schrijven

Schrijvers, School, Samenleving

Skrien

Slagwerkgroep Den Haag

Speeltheater Holland

Springdance Festival

STEIM

Stella Den Haag

Stichting van de Toekomst

Stichting voor de Nederlandse Archeologie

Stimuleringsfonds voor Architectuur

Studio Peer

STUT Theater

Suver Nuver

Swing

't MUZtheater

Tejater Teneeter

Terschellings Oerol Festival

Teylers Museum

Theater Artemis

Theater De Citadel

Theater Instituut Nederland

Theater Sirkel

Theater Terra p/a Olbe Producties

Theater van het Oosten

Theaterfestival Boulevard 's-Hertogenbosch (Bosse Nova)

Theatergroep Carrousel

Theatergroep Carver

Theatergroep De Gebroeders Flint

Theatergroep Delta

Theatergroep Maccus

Theatergroep Mug met de Gouden Tand

Theatergroep Wederzijds

Theaterproduktie Rotterdam (RO Theater)

Theaterwerkplaats Independance

Toneelgroep Amsterdam

Toneelgroep De Appel

Toneelgroep de Trust

Toneelschuur Produkties

Toonkunst Bibliotheek

Trans Artists

Tryater

V2 - Organisatie

Vakblad voor de Podiumkunst/De Theatermaker

Van Gogh Museum

Vooropleiding Theater Groningen

Voorzieningsfonds voor Kunstenaars

Vrienden van het Lied

Walter Maas Huis

Wereld Muziek Concours

Willem Breuker Kollektief

Witte de With

World Wide Video Festival

Zeebelt

BIJLAGE 4

OVERZICHT PROFIELSCHETSEN

Het Noorden

provincies Groningen, Drenthe, Friesland / gemeenten Groningen, Leeuwarden

«Culturele Kompas voor het Noorden»

Het Midden

provincie Flevoland

«Culturele Profielschets 2001-2004»

provincie Utrecht

«Ontwerp Cultuurnota 1999-2002»

gemeente Utrecht

«Cultureel profiel gemeente Utrecht 1999»

Het Oosten

provincies Gelderland, Overijssel / gemeenten Enschede, Arnhem, Nijmegen,

Zwolle, Hengelo

«Over kunst en cultuur in Oost-Nederland»

Het Westen

provincie Noord-Holland

«Startnotitie Cultuurnota 2001-2004»

provincie Zuid-Holland

«Cultuurprofiel Zuid-Holland 2001-2004»

gemeenten Leiden, Haarlem

Het Zuiden

provincies Noord-Brabant, Limburg, Zeeland / gemeenten Eindhoven, Den Bosch, Tilburg,

Breda, Maastricht

«De ontdekking van het zuiden»

Amsterdam

«Allianties, de uitgangspunten voor het Amsterdamse Kunstenplan
2001-2004»

Den Haag

«Adviesaanvraag Meerjarenbeleidsplan Cultuur 2001-2004»

Rotterdam

«Uitgangspunten Cultuurnota 2001-2004»

Aparte gemeentelijke profielschetsen

Alkmaar

«Cultureel profiel Alkmaar»

Almere

«Cultuurprofiel Almere»

Ede

«Gemeentelijke voorbereiding Cultuurnota 2001-2004»

Gaasterland/Balk

«Cultuurprofiel Gaasterlan-Sleat»

Groningen

«De Kunst van Groningen Cultuurnota 2000-2003»

Haarlem

«Cultureel profiel Haarlem»

Heerhugowaard

«Opvattingen en wensen op het gebied van kunst en cultuur»

Heerlen (Parkstad Limburg)

«Profielschets Parkstad Limburg»

Hoorn

«Cultureel profiel Hoorn»

Sittard

«Cultuurprofiel»

Zaanstad

«Zaanstad cultureel op pad»

div. Noordhollandse gemeenten

«Cultureel profiel»

BIJLAGE 5

OVERZICHT BRIEVEN, NOTA'S EN NOTITIES

Brief aan de Tweede Kamer over de fondsenstructuur, 29 april 1999 (Kamerstuk 1998-1999, 26200, nr. 80)

Brief aan de Tweede Kamer met de notitie Ruim baan voor culturele diversiteit, 25 mei 1999 (Kamerstuk 1998-1999, 26565, nr. 1)

Nota Cultuur als confrontatie - uitgangspunten voor het cultuurbeleid in de periode 2001-2004, 8 juni 1999 (Kamerstuk 1998-1999, 26591, nr.
2)

Brief aan de Tweede Kamer met de notitie Media- en minderhedenbeleid,
9 juni 1999 (Kamerstuk 1998-1999, 26597, nr. 1)

De nota Zicht op kwaliteit: ontwikkeling van artistiek talent in het kunstonderwijs, 14 juni 1999 (Kamerstuk 1998-1999, 25802, nr. 12)

Nota Cultuurhistorische en ruimtelijke inrichting (Belvedere), 2 juli
1999 (Kamerstuk 1998-1999, 26663, nr. 2)

Brief aan de Tweede Kamer met de notitie Internationaal cultuurbeleid en de besteding van de HGIS-middelen, 14 juli 1999 (Kamerstuk
1998-1999, 26682, nr. 1)

Brief aan de Tweede Kamer over het hanteren van de drieprocentnorm voor doelgroepactiviteiten van culturele instellingen, 22 september
1999 (Kamerstuk 1999-2000, 26565, nr. 4)

Brief aan alle instellingen die een subsidieaanvraag willen indienen in het kader van de cultuurnota 2001-2004 met als onderwerp «ander publiek: doelgroepactiviteiten», 14 oktober 1999 (ons kenmerk ACB/1999/42047)

Brief aan de Tweede Kamer over de uitgangspunten voor het internationale cultuurbeleid 2001-2004, 15 oktober 1999 (Kamerstuk
1999-2000, 26591, nr. 3)

Nota Een ondernemende cultuur, 25 oktober 1999 (Kamerstuk 1999-2000,
26858, nr. 1)

Brief aan de Tweede Kamer over het budget voor de media, 8 november
1999 (Kamerstuk 1999-2000, 26800 VIII, nr. 15)

Brief aan de Tweede Kamer met het financieel kader 2001-2004, 12 november 1999 (Kamerstuk 1999-2000, 26591, nr. 5)

Brief aan het Nederlands Filmmuseum,V2-organisatie, het Nederlands Foto Instituut, het Nederlands Foto Archief en het Nationaal Fotorestauratie Atelier betreffende het Centrum voor Foto, Film en Media Technologie, 18 november 1999

Brief aan de Tweede Kamer met mijn standpunt over de nieuwe contouren voor de landelijke ondersteuning voor de cultuureducatie, 23 november
1999 (Kamerstuk 1999-2000, 26591, nr. 10)

Inrichtingseisen subsidieaanvragen cultuurperiode 2001-2004 (Staatscourant 1999, 228, pagina 8, datum uitgifte 25 november 1999)

Brief aan de Tweede Kamer met het overzicht van uitgebrachte en uit te brengen brieven en nota's die van belang zijn voor de advisering door de raad, 30 november 1999 (Kamerstuk 1999-2000, 26591, nr. 12)

Van belang zijn uiteraard ook de brieven die de Raad voor Cultuur mij heeft gestuurd in het kader van de cultuurnota 2001-2004. Ik noem hier in het bijzonder de brief van 19 april 1999 over de werkwijze van de Raad voor Cultuur, de brief over de uitgangspuntenbrief van 22 juni
1999, de brief over het budget van de cultuurnota van 7 september 1999 en de aanvullende reactie op de uitgangspuntenbrief van 17 september
1999.

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief Van der Ploeg over adviesaanvraag cultuurnota '




Lees ook