tweede kamer der staten generaal

26884000.005 brief sts vrom inzake de invoeringswet wet stedelijke vernieuwing
gemaakt: 3-3-2000 tijd: 16:35


26884 wet ter stimulering van integrale stedelijke vernieuwing (wet stedelijke vernieuwing)
nr. 5 brief van de staatssecretaris van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer

aan de voorzitter van de tweede kamer der staten-generaal

's-gravenhage, 22 februari 2000

met deze brief informeer ik u over de stand van zaken en de hoofdlijnen van het wetsvoorstel invoeringswet wet stedelijke vernieuwing (invoeringswet wsv) en -voorzover van toepassing- de daarmee verband houdende lagere regelgeving. concreet komen alleen wijzigingen in vrom-wetten en vrom-regelingen aan de orde omdat alleen ten aanzien van die wetten en regelingen uitvoerige overgangsregelingen nodig zijn.

de in deze brief te bespreken voornemens zullen deels worden opgenomen in het wetsvoorstel invoeringswet wsv en deels in andere regelgeving in verband met de invoering. het desbetreffende wetsvoorstel is onlangs door de ministerraad geaccordeerd en aan de koningin aangeboden ter verkrijging van advies van de raad van state. dat ik u nu informeer over de hoofdlijnen van de voorgenomen invoeringsmaatregelen, hangt samen met het in het verslag van uw kamer inzake het voorstel van wet stedelijke vernieuwing (kamerstukken ii 1999/2000, 26 844, nrs. 1 t/m3, verder te noemen: wsv)gedane verzoek om (de hoofdlijnen van) het wetsvoorstel invoeringswet wsv spoedig bekend te maken en met de behoefte van de desbetreffende subsidieontvangers om snel enig inzicht te krijgen in de voornemens ten aanzien van de afbouw van de aflopende subsidieregelingen. dit inzicht hebben zij nodig om die regelingen goed te kunnen afwikkelen en om hun administratie daarop te kunnen toesnijden. daarom heb ik deze brief in afschrift gestuurd aan gemeenten, provincies en budgethouders geluid.

in het hierna volgende komen achtereenvolgens aan de orde de globale inhoud van de invoeringswet (1), de beleidsmatige voornemens ten aanzien van de afbouw van de oude regelingen (2), de beleidsmatige uitwerking van het uitgangspunt dat in het verleden gedane bestuurlijke subsidietoezeggingen die nog niet tot subsidiebeschikkingen hebben geleid, binnen de ingevolge de wsv te verstrekken subsidies worden nagekomen (3) en tenslotte het verdere regelgevingstraject (4).


1. inhoud van de invoeringswet wsv op hoofdlijnen
in het wetsvoorstel invoeringswet wsv zijn in hoofdzaak drie categorieën van bepalingen opgenomen.
in de eerste plaats bevat het wetsvoorstel een hoofdstuk met een aantal algemene bepalingen met betrekking tot de invoering. deze bepalingen betreffen algemeen geldende uitgangspunten, zoals bijvoorbeeld het uitgangspunt dat in het verleden gedane bestuurlijke subsidietoezeggingen die nog niet hebben geleid tot subsidiebeschikkingen, geacht worden deel uit te maken van het investeringsbudget stedelijke vernieuwing. deze algemene bepalingen betreffen ook bepaalde vóór de plaatsing in het staatsblad van de wsv verrichte (rechts)handelingen. deze moeten na de inwerkingtreding ervan onder de werking van de wsv worden gebracht. het gaat hierbij bijvoorbeeld om het omzetten van gemeentelijke programma's stedelijke vernieuwing in ontwikkelingsprogramma's in de zin van de wsv of om het aanwijzen van programmagemeenten door provincies. in de tweede plaats bevat het wetsvoorstel een hoofdstuk waarin steeds per paragraaf de noodzakelijke wijzigingen in één bepaalde wet die valt onder de eerste verantwoordelijkheid van de minister van vrom en de daarbij behorende overgangsbepalingen zijn opgenomen. aldus zijn per wet de wijzigingen in die wet en de daarbij behorende speciaal op die wet betrekking hebbende overgangsbepalingen bij elkaar te vinden. het gaat hierbij om wijzigingen in (financiële) bepalingen uit de woningwet, de wet op de stads- en dorpsvernieuwing, de wet geluidhinder en de wet bodembescherming, over het algemeen dus wetten die door de wsv aanmerkelijk worden beïnvloed. daarnaast zal veelal een algemene bepaling worden opgenomen, inhoudende dat vóór de inwerkingtreding van de wet geslagen subsidiebeschikkingen, naast en los van het isv worden afgehandeld volgens de desbetreffende (nu nog bestaande) regeling.
in de derde plaats bevat het wetsvoorstel een klein hoofdstuk waarin vrijwel uitsluitend technische wijzigingen zijn samengebracht in wetten die niet onder de eerste verantwoordelijkheid van de minister van vrom vallen. dit betreft voornamelijk terminologische aanpassingen en aanpassingen van verwijzingen.


2. de afbouw van bestaande regelingen


2.1 algemeen

het voornemen bestaat bij de afwikkeling door het rijk van tot het jaar
2000 aangegane financiële verplichtingen op voet van nu nog bestaande regelingen, de hierna volgende algemene uitgangspunten te hanteren. het betreft regelingen die in het isv opgaan, zoals de subsidietitel van de wet op de stads- en dorpsvernieuwing (wsdv), het besluit woninggebonden subsidies 1995 (bws-1995) en de tijdelijke herstructureringsregeling goedkope woningvoorraad.
bestaande wetten en daarop gebaseerde regelingen schonen van overbodige bepalingen.
delen van bestaande wetten en daarop gebaseerde regelingen kunnen voorlopig vanwege de afhandeling van subsidies nog niet worden gemist. het voornemen is om die wetten en regelingen wel te ontdoen van overbodige bepalingen. het gaat hierbij met name om het schrappen van de hoofdstukken die betrekking hebben op nieuwe toekenningen van budgetten waar dat niet meer zal gebeuren na de inwerkingtreding van de wsv. daarnaast gaat het om bepalingen die inmiddels anderszins door de feitelijke ontwikkelingen zijn achterhaald, zoals bijvoorbeeld de bepaling uit de woningwet die het jaarlijks publiceren van het (meerjarig) nieuwbouw- en woningverbeteringsprogramma betreft.

alleen noodzakelijke beleidswijzigingen van regelgeving doorvoeren het voornemen is om in eerste instantie -om voortgangsredenen- via de invoeringswet wsv in principe alleen die beleidsmatige wijzigingen van wetten en regelingen door te voeren waarvan het in verband met het in werking treden van de wsv rechtstreeks noodzakelijk is dat ze gewijzigd worden. dit betekent dat wijzigingen die op zich beschouwd wellicht gewenst zijn ter bevordering van het proces van stedelijke vernieuwing maar die geen directe relatie met de wsv hebben, voor het moment buiten beschouwing blijven. bedoeling is wel dat hier op korte termijn systematisch naar wordt gekeken. voor sommige zaken gebeurt dat nu al. thans wordt bijvoorbeeld reeds onderzocht hoe de planningsinstrumenten uit de wsdv, met name het stadsvernieuwingsplan, in de praktijk functioneren. afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek zal in het kader van de fundamentele herziening van de wet op de ruimtelijke ordening (wro) worden bezien of en zo ja in welke vorm deze instrumenten naar de wro kunnen worden overgeheveld.

bestaande verplichtingen ongewijzigd nakomen
op grond van regelingen die in het isv opgaan, zoals delen van de wsdv en van de wet geluidhinder, zijn vóór 1-1-2000 subsidiebedragen toegekend waarvan de afwikkeling nog niet is afgerond. de desbetreffende gelden moeten voor een deel nog door het rijk worden uitbetaald. het is de bedoeling dat de nog bestaande verplichtingen uit deze subsidiebeschikkingen richting subsidieontvangers, door het rijk in principe ongewijzigd en apart en dus los van het isv, worden nagekomen. de hiermee gemoeide gelden maken dan ook geen deel uit van de medio 1999 indicatief verdeelde isv-middelen. in lijn hiermee dienen de subsidieontvangers, dus de gemeenten, de provincies en de diverse categorieën budgethouders, de desbetreffende subsidies te besteden cq er voor te (blijven) zorgen dat ze, conform de subsidievoorwaarden, besteed worden aan het doel waarvoor ze in het verleden door het rijk zijn toegekend. voor deze gescheiden afwikkeling van bestaande verplichtingen is gekozen omdat de 'oude' budgethouders in veel gevallen niet dezelfde zijn als de isv-budgethouders. gecompliceerde en geforceerde boedelscheidingen kunnen zo worden voorkomen. 'in principe' wil in dit verband zeggen met inachtneming van een aantal verderop in deze brief te bespreken aanpassingen of uitzonderingen.

overgangsperiode beperken tot de eerste isv-periode zonder daarop gerichte maatregelen zou de afwikkeling van bepaalde (nu nog) bestaande regelingen nog vele jaren kunnen duren. het voornemen is de overgangsperiode (d.w.z. de termijn waarbinnen de op voet van de bestaande regelingen door het rijk aangegane financiële verplichtingen worden afgewikkeld) zoveel mogelijk te beperken tot de eerste isv-periode. wat tot lang na 2004 nog resteert, zijn dan slechts de beleidsongevoelige uitbetalingen door het rijk van de jaarlijkse bijdragen op voet van het bws
1992. de beleidsmatige betrokkenheid van het rijk bij de financiële afwikkeling van de gelden die verplicht zijn op voet van de regelingen die in het isv opgaan, zal in 2005 eindigen (als ze vanzelf al niet eerder eindigt, zoals bij de tijdelijke regeling herstructurering goedkope woningvoorraad) met de afhandeling door het rijk van de laatste verantwoording door de desbetreffende budgethouders. alle gelden die op voet van deze regelingen vóór de inwerkingtreding van de wet door het rijk zijn verplicht, dienen uiterlijk 31 december 2004 door de desbetreffende budgethouders te zijn verplicht. de subsidie behoeft dan dus nog niet ook reeds te zijn uitbetaald door de budgethouder. eventuele (vóór 2005 door de budgethouders verplichte) middelen die na 1 januari 2005 vrijkomen (bijvoorbeeld als gevolg van het niet doorgaan van een plan) vervallen aan de budgethouder. in 2.2 wordt dit beleidsuitgangspunt nader uitgewerkt voor de wsdv en het bws-1995 .


2.2 enkele specifieke regelingen

hieronder worden, voorzover nodig, per regeling voorgenomen overgangsmaatregelen besproken.

wet op de stads- en dorpsvernieuwing (wsdv)
bij de wsdv bestaat het voornemen tot een tweetal aanpassingen, namelijk:
- het terugvorderen door het rijk van niet per 1-1-2005 verplichte middelen en

- het omzetten van vanaf 2005 terugvallende middelen in vrijvallende middelen.

het voornemen bestaat de wsdv aan te passen in die zin dat per ultimo 2004 de gelden die dan door de wsdv-budgethouders nog niet verplicht zijn aan het rijk vervallen. dit laat de mogelijkheid onverlet dat de huidige wsdv-budgethouders ook in 2005 en latere jaren nog uitbetalingen kunnen doen ter nakoming van eerder aangegane verplichtingen.

verder bestaat het voornemen om de vóór 2005 door de wsdv-budgethouders verplichte middelen die in 2005 of latere jaren eventueel terugvallen, de vrijvalstatus te geven. middelen kunnen bijvoorbeeld aan de budgethouder terugvallen omdat een plan waarvoor gelden zijn toegezegd, niet doorgaat. nu moeten deze middelen opnieuw volgens de wsdv-systematiek worden toegezegd en betaald. de vrijvalstatus houdt in dat de keuze van de nieuwe besteding van de desbetreffende middelen de verantwoordelijkheid van de budgethouders is. ik vind het overigens wel voor de hand liggen dat deze vrijvallende middelen worden besteed aan stedelijke vernieuwing, gericht op de fysieke leefomgeving maar het is niet de bedoeling te regelen dat de budgethouders zich daarover dienen te verantwoorden. door deze wijziging kan bij de wsdv de beleidsmatige betrokkenheid van het rijk in 2005 (met de beoordeling van de rapportage over het jaar 2004) eindigen.

anders dan bij het hierna te bespreken bws-1995 is het bij de wsdv niet de bedoeling dat het spaarregime wordt gewijzigd omdat dat voldoende gelegenheid voor geleidelijke afbouw biedt. het huidige regime houdt in dat het maximale spaarbedrag aan het eind van een jaar maximaal het in dat jaar uitbetaalde bedrag is plus de bedragen die in de drie daaraan voorgaande jaren zijn betaald. bij de wsdv zijn in 1999 voor het laatst subsidietoekenningen door het rijk gedaan. deze worden in 2000 -en voor een klein gedeelte in 2001- uitbetaald. omdat na 1999 geen nieuwe toekenningen meer plaatsvinden, betekent handhaving van het huidige spaarregime een gelijkmatig verlopende afbouw van het spaarbedrag gedurende de eerste isv-periode.

ook anders dan bij het bws-1995 is het bij de wsdv niet de bedoeling de thans bestaande jaarlijkse rapportageplicht vóór 2005 af te schaffen: daarvoor acht ik de huidige omvang van de gespaarde budgetten te groot. zo mogelijk zal hier wel van een vereenvoudigd model gebruik worden gemaakt.

besluit woninggebonden subsidies 1995 (bws-1995)
vanaf het jaar 2000 worden door het rijk ook geen nieuwe bws-verplichtingen meer aangegaan. bij de afwikkeling van de op voet van het bws-1995 tot dat jaar aangegane subsidieverplichtingen (die voor een deel nog in het jaar
2000 en later worden uitbetaald), bestaat het voornemen tot een drietal aanpassingen, namelijk:

- het verruimen van de spaargrens in de tijd,

- het omzetten van vanaf 2005 terugvallende middelen in vrijvallende middelen en

- het vervangen van de jaarlijkse verantwoordingsplicht door een verantwoording over een langere periode.
deze voornemens komen hieronder achtereenvolgens aan de orde.
in november 1999 is, zoals de afgelopen jaren reeds gebruikelijk was en binnen de reguliere mogelijkheden die het bws-1995 daarvoor biedt, per mg-circulaire de spaargrens qua hoogte van het bedrag verruimd per ultimo
1999 en per ultimo 2000.
in aanvulling op deze reeds doorgevoerde verruiming qua hoogte van de spaarmogelijkheid, bestaat het voornemen de spaarmogelijkheid ook in de tijd te verlengen tot eind 2004. aldoende worden de bws-budgethouders in staat gesteld de eerste (ook voor de ingroei bedoelde) isv-periode te gebruiken om in eigen tempo het bws-1995 beleidsmatig af te bouwen. deze verruiming in de tijd vergt een wijziging van het bws-1995. zonder deze wijziging zouden er per ultimo 2001 geen spaargelden meer aanwezig mogen zijn bij de budgethouders. de per ultimo 2004 door de budgethouder nog niet verplichte gelden vervallen in de gewijzigde situatie aan het rijk.
het bws-1995 in zijn huidige vorm kent reeds het onderscheid tussen vrijvallende middelen en terugvallende middelen. bij vrijvallende middelen gaat het hier bijvoorbeeld om terugvloeiingen naar de budgethouder als gevolg van tweede en volgende inkomenstoetsen bij sociale koopwoningen. de mogelijkheid van vrijvallende middelen is er indertijd gekomen ter compensatie van bepaalde risico's die budgethouders met het bws-1995 lopen zoals die met betrekking tot de rente. in het huidige bws-1995 kunnen middelen bijvoorbeeld terugvallen als gevolg van de intrekking van een subsidietoekenning vóór de melding van voltooiing (van bijvoorbeeld een nieuwbouwproject). het voornemen is het bws-1995 zo aan te passen dat na
2004 terugvallende middelen als vrijvallende middelen worden aangemerkt, zodat de verplichte verantwoording daarover aan het rijk vanaf 2005 door de bws-budgethouders of hun erfopvolgers kan vervallen. ook hier vind ik het voor de hand liggen dat vrijvallende middelen vervolgens worden besteed aan stedelijke vernieuwing, gericht op de fysieke leefomgeving.
het bws-1995 in zijn huidige vorm vereist een jaarlijkse verantwoordingsrapportage door de budgethouders over de verplichtingen die in het afgelopen jaar zijn aangegaan. gelet op de geringe bedragen waarvoor na 2000 verplichtingen zullen worden aangegaan, bestaat het voornemen die eis te laten vervallen voor de jaren na 2000 en in 2005 voor de laatste keer een samenvattende verantwoordingsrapportage te vragen over de jaren
2001 t/m 2004. de laatste reguliere rapportage (over het jaar 2000) vindt dan dus plaats in 2001. de 'slotverantwoording' kan dan, zo mogelijk aan de hand van een vereenvoudigd model, in 2005 volgen.
geluidwerende maatregelen aan de gevel
de tot de inwerkingtreding van de invoeringswet wsv door het rijk voor de zogenaamde a-lijst en raillijst aangegane verplichtingen zullen naast en los van het isv conform de huidige regelgeving (bij of krachtens de wet geluidhinder) worden afgewikkeld.

vinex/vinac
het besluit locatiegebonden subsidies (bls) betreft de vrom-locatiesubsidies voor de vinex-periode (dat wil zeggen voor de jaren
1995 t/m 2004). een gedeelte van deze (reeds verplichte) subsidies wordt in de eerste isv-periode uitbetaald. op de vrom-begroting zijn deze subsidies aangemerkt als isv-subsidies maar voor de afwikkeling wordt niet afgeweken van het huidige bls. dit betekent dus onder meer dat de afwikkeling naast en los van het isv plaatsvindt, dat de resterende uitbetalingen door het rijk aan de budgethouders (i.c. de bon-gebieden en de provincies) op de oude voet doorlopen en dat de budgethouders de door het rijk uitbetaalde gelden conform de subsidievoorwaarden moeten (blijven) besteden aan het doel waarvoor ze zijn toegekend.

voor de vinac-periode (2005 tot en met 2009) zijn door het rijk uitvoeringsafspraken gemaakt met de bongebieden, de provincies en de desbetreffende gemeenten. vertaling hiervan in formele regelgeving moet nog plaatsvinden. het voornemen is de grondkostensubsidiëring voor deze periode, dus de tweede isv-periode, zo vorm te geven (op de punten van toekenning, besteding, verantwoording enz.) dat ze een volwaardig en integraal onderdeel van het isv uitmaakt. echter, mede omdat niet vooruit kan worden gelopen op de uitkomsten van de in voorbereiding zijnde herijking van de uitvoeringsafspraken over de verstedelijkingsopgave in de perioden 1995-2005 en 2005-2010, is het de bedoeling de invoeringswet wsv nu niet te belasten met de nadere vormgeving van de grondkostensubsidiëring en dit punt dus voor het moment verder buiten beschouwing te laten. te zijner tijd zal dit wel leiden tot een aanpassing van de wsv of de daarop gebaseerde regelgeving.

voor de vinex/vinac-bodemsaneringssubsidies geldt mutatis mutandis hetzelfde als hiervoor is opgemerkt bij de locatiesubsidies. de zogenaamde fes-gelden vormen hierop een uitzondering. de vinexbodemsaneringssubsidies bestaan gedeeltelijk uit deze gelden. anders dan de bls-subsidies maken ze geen onderdeel uit van het isv. ze worden wel op de oude voet afgewikkeld. vinac kent geen fes-bodemsaneringsgelden.

bodemsanering op grond van de wet bodembescherming (wbb) bij bodemsanering bestaat het voornemen bij de vóór 1 januari 2000 aangegane verplichtingen de gemeenten te laten kiezen voor afwikkeling op grond van of de wbb of de wsv. bij bodemsanering wordt het dan mogelijk dat een aangegane verplichting voor een bepaald (al dan niet omvangrijk) geval op grond van de wbb - in overleg met de gemeente- wordt omgezet in een verplichting op basis van de wsv (voor een nieuwe deelprojectfase). een bodemsaneringsproject kent immers veel fasen en zeker bij omvangrijke gevallen vaak deelprojecten met de afronding waarvan vele jaren gemoeid kunnen zijn terwijl er aan het begin van het proces voor het geheel één subsidieverplichting is aangegaan. de latere deelprojecten kunnen dan deel uitmaken van het isv-ontwikkelingsprogramma.

momenteel hebben de vier grote steden en de provincies speciale -in de wbb neergelegde- taken en bevoegdheden met betrekking tot de bodemsanering. door de invoering van het isv krijgen ook andere gemeenten budget voor de uitvoering van bodemsanering in het stedelijk gebied. daardoor is er bij deze gemeenten de behoefte ontstaan om deze taken en bevoegdheden in plaats van de provincie te gaan uitoefenen. het voornemen bestaat daarom de wbb zo aan te passen) dat (bij algemene maatregel van bestuur) aan (in eerste instantie vooral rechtstreekse) gemeenten die dat willen, dezelfde taken en bevoegdheden worden toegekend als de vier grote steden nu hebben in het kader van de wbb.

bodemsanering, vooral met betrekking tot de zogenaamde statische gevallen, is op dit moment nog niet integraal opgenomen in het isv. daarom is het bij dit onderdeel mogelijk dat per 1 januari 2002 het ontwikkelingsprogramma wordt aangevuld. dit betekent dat gemeenten op dat moment in het stedelijk gebied tot een verdere integratie kunnen komen van bodemsanering met andere activiteiten van stedelijke ontwikkeling.


3. bestuurlijke afspraken of toezeggingen

vóór 2000 kunnen bestuurlijke afspraken zijn gemaakt of kunnen toezeggingen zijn gedaan waarvoor door het rijk nog geen formele verplichtingen zijn aangegaan. aan deze afspraken of toezeggingen zijn wel aanspraken op het verstrekken van subsidie voor stedelijke vernieuwing na de inwerkingtreding van de wsv in het jaar 2000 of latere jaren te ontlenen. het voornemen is in de invoeringswet wsv te regelen dat deze afspraken en toezeggingen geacht worden onderdeel uit te maken van de aanspraken die gemeenten en/of provincie hebben ingevolge de wsv. de indicatief over de rechtstreekse gemeenten en de provincies verdeelde isv-middelen zullen voor elke rechtstreekse gemeente en elke provincie voor de gezamenlijke niet-rechtstreekse gemeenten, ten minste gelijk moeten zijn aan de hoogte van hun gesommeerde afgesproken en toegezegde gelden. hierbij bestaat de mogelijkheid dat die gelden (deels) ten laste worden gebracht van een ander begrotingsonderdeel dan het voor de indicatieve verdeling beschikbare deel. in de brief van 28 juni 1999 over de indicatieve verdeling van het isv-budget (kamerstukken ii 1998/99, 25 427, nr. 19) is reeds aangegeven hoe in dit verband met de belstato-afspraken, de toezeggingen lelystad en het noorden, de bls/vinex-afspraken en de afspraken over de middelen voor gevelisolatie tegen rail- en wegverkeerslawaai zal worden omgegaan. samengevat zal de invoeringswet wsv derhalve een bepaling bevatten, inhoudende dat het subsidiebedrag ingevolge de wsv ten minste even hoog zal zijn als het bedrag van de in het verleden met betrekking tot stedelijke vernieuwing afgesproken en toegezegde gelden, voorzover de verplichting tot betaling ervan althans nog niet in subsidiebeschikkingen is neergelegd. deze laatste categorie (aanspraken op grond van vóór de inwerkingtreding van de wsv afgegeven subsidiebeschikkingen) wordt immers, zoals hiervoor aangegeven, naast en los van de isv-systematiek, volgens de nu nog bestaande regelingen afgehandeld.

in de hiervoor genoemde brief zijn in de indicatief over de rechtstreekse gemeenten en de provincies verdeelde isv-bedragen het volledige restant van de nog via het isv te honoreren belstato-aanspraken en een gedeelte (ten bedrage van f 120 mln) van de nog via het isv te honoreren aanspraken op rail- en wegverkeerslawaai-gelden verdisconteerd. bijgevoegd treft u een overzicht aan van de belstato-aanspraken voor elke niet-rechtstreekse isv-gemeente. de isv-verdeelbrief bevatte reeds een bijlage met een per provincie gesommeerd overzicht van de gelden voor rail- en wegverkeerslawaai waarmee bij de verdeling voor de niet-rechtstreekse isvgemeenten was gerekend. bijgevoegd treft u dit overzicht in geactualiseerde vorm aan. actualisering was nodig met name vanwege de vergroting van het toenmalige aantal rechtstreekse gemeenten van 25 naar
30. het volledige geactualiseerde overzicht voor elke niet-rechtstreekse isv-gemeente van de rail- en wegverkeerslawaaigelden waarmee voor de eerste isv-periode is gerekend, is opgenomen als bijlage bij de brief waarmee ik de gemeenten, provincies en budgethouders geluid afschrift heb gestuurd van de onderhavige brief.
met de in de overzichten opgenomen aanspraken van de niet-rechtstreekse isv-gemeenten dienen de provincies rekening te houden bij de verdeling van de budgetten over deze gemeenten.

in het wetsvoorstel invoeringswet wsv is een bepaling opgenomen die lagere bestuursorganen verplicht -op straffe van verlies van de desbetreffende rechten- binnen een bepaalde periode aan te geven welke (vermeende) rechten op subsidie voor activiteiten van stedelijke vernieuwing men denkt af te leiden uit eerdere afspraken of toezeggingen. bij deze bepaling moet met name gedacht worden aan eventuele (schriftelijk vastgelegde) toezeggingen die de afgelopen jaren door bewindslieden zijn gedaan tijdens gesprekken en werkbezoeken. ze zal niet slaan op de in de hiervoor genoemde brief vermelde afspraken: de daarmee gemoeide rechten zijn immers duidelijk.

zoals eerder aangegeven, worden de met de onderhavige bestuurlijke afspraken en toezeggingen gemoeide subsidiegelden onder de werking van de wsv gebracht en het daarbij behorende subsidieregime. dit betekent dus dat de desbetreffende gelden niet per se besteed behoeven te worden aan het doel waarvoor ze oorspronkelijk zijn toegezegd. geld bedoeld voor bijvoorbeeld stadsvernieuwing of voor gevelisolatie behoeft dus niet aan die specifieke doelen te worden uitgegeven. de isv-gemeenten maken via hun ontwikkelingsprogramma immers zelf uit waar het isv-budget aan wordt besteed. dit is ook het geval voor de programmagemeenten die hun isv-budget via de provincie krijgen. ook voor de projectgemeenten (voorzover ze individuele aanspraken op grond van oude afspraken of toezeggingen hebben) geldt deze bestedingsvrijheid. ook zij kunnen besluiten om bijvoorbeeld het geld voor gevelisolatie waarop ze recht hebben, aan andere activiteiten in het kader van stedelijke vernieuwing te besteden. in de desbetreffende projectsubsidieaanvraag van de gemeente en de desbetreffende subsidietoekenning door de provincie moet dan wel duidelijk zijn of en zo ja welk deel van de verplichtingen uit oude afspraken en toezeggingen daarmee geacht wordt te zijn gehonoreerd.


4. het verdere regelgevingstraject

het voornemen is naast de invoeringswet wsv een algemene maatregel van bestuur en een ministeriële regeling tot stand te brengen waarin de noodzakelijke wijzigingen in bestaande algemene maatregelen van bestuur en bestaande ministeriële regelingen worden opgenomen. het voornemen is deze nadere regelgeving, evenals de wsv en de invoeringswet wsv te laten terugwerken tot en met 1 januari 2000. daarnaast is het gewenst dat alle op het isv betrekking hebbende regelgeving, waaronder de twee meergenoemde wetsvoorstellen, gelijktijdig in werking treedt. zo zal met name de situatie worden vermeden dat gedurende een zekere periode de wsv al wel werkt maar de invoeringswet wsv nog niet. onduidelijkheid over de mogelijkheden om in zo'n situatie aan de wsv uitvoering te geven kan zich dan niet voordoen.

de staatssecretaris van volkshuisvesting,
ruimtelijke ordening en milieubeheer,

j.w. remkes

bijlage

via het isv te honoreren (restant)aanspraken van niet-rechtstreekse gemeenten op belstato-gelden en op gelden voor gevelisolatie tegen rail- en wegverkeerslawaai

hieronder volgt het overzicht van de via het isv te honoreren (restant)aanspraken van de niet-rechtstreekse isv-gemeenten op (a) de belstato-gelden en op (b) gelden voor gevelisolatie tegen rail- en wegverkeerslawaai

a. aanspraken van niet-rechtstreekse isv-gemeenten op restant belstato-gelden

voorzover aanspraken op belstato-gelden door het rijk niet reeds zijn of nog worden gehonoreerd via de huidige aparte subsidieregeling (i.c. de wsdv), worden die via het isv volledig gehonoreerd in de eerste isv-periode. hiermee is rekening gehouden bij de ontwikkeling van de sleutel voor de indicatieve verdeling van isv-gelden over de rechtstreekse isv-gemeenten en de provincies. hieronder volgt voor elke (huidige) rechtstreekse wsdv-gemeente die niet is aangewezen als rechtstreekse isv-gemeente, het restantbedrag van de belstato-aanspraken. bij de toedeling van het isv-budget aan deze gemeenten zullen de provincies hier rekening mee moeten houden.

via het isv in de eerste isv-periode door de provincie te honoreren restant belstato-aanspraken van rechtstreekse wsdv-gemeenten

gemeente bedragen
x f 1000
dongeradeel 1.986
harlingen 1.601
heerenveen 1.684
sneek 1.671
totaal via friesland 6.942

kampen 3.343
totaal via overijssel 3.343

apeldoorn 6.142
zutphen 2.595
totaal via gelderland 8.737

den helder 2.113
enkhuizen 1.851
hilversum 4.560
totaal via n-holland: 8.524

delft 7.441
gorinchem 1.695
gouda 3.330
vlaardingen 1.569
totaal via z-holland 14.035

middelburg 3.665
schouwen-duiveland 2.223
vlissingen 1.884
totaal via zeeland 7.772

bergen op zoom 1.812
totaal via n-brabant 1.812

kerkrade 1.678
roermond 2.390
totaal via limburg 4.068

b. aanspraken van niet-rechtstreekse gemeenten op middelen voor gevelisolatie tegen rail- en wegverkeerlawaai via het isv

voorzover gemeentelijke aanspraken op middelen voor gevelisolatie tegen rail- en wegverkeerslawaai door het rijk niet reeds zijn of nog worden nagekomen via de huidige aparte subsidieregeling, worden die via het isv nagekomen. gegeven de hiervoor thans beschikbare begrotingsmiddelen van f
120 mln voor heel nederland in de eerste isv-periode, kunnen de resterende aanspraken niet volledig in deze eerste periode worden gehonoreerd. in het hieronder volgende overzicht is voor de niet rechtstreekse gemeenten, gesommeerd per provincie, aangegeven met welk bedrag bij de indicatieve verdeling van het isv-budget over de provincies voor de eerste isv-periode is gerekend. het betreft hier een actualisering*) van het desbetreffende overzicht in bijlage 2 bij de isv-verdeelbrief van 28 juni 1999 (kamerstukken ii 1998/99, 25 427, nr. 19). aan o.a. de provincies en de budgethouders geluid is een uitsplitsing gestuurd waarin voor elke niet-rechtstreekse gemeente is aangegeven om welk bedrag het gaat. bij de toedeling van het isv-budget aan deze gemeenten zullen de provincies hier rekening mee moeten houden. bij het opstellen van het overzicht kon vorig jaar en ook nu kon geen rekening worden gehouden met de feitelijke voortgang van de isolatiewerkzaamheden in de afzonderlijke gemeenten. die wordt sterk bepaald door de afspraken die de gemeenten daarover met elkaar maken in het desbetreffende regionale budgethouderschapverband. aangenomen mag worden dat de gemeenten de feitelijke restantsaneringsopgave en de afspraken over de aanpak daarvan die in budgethouderschapverband zijn gemaakt, verdisconteren in hun isv-ontwikkelingsprogramma of in hun isv-projectsubsidieaanvragen.

via het isv beschikbaar gestelde middelen voor de niet-rechtstreekse gemeenten voor gevelisolatie tegen rail- en wegverkeerslawaai voor de 1e isv-periode

via de provincie bedragen
x f 1000
groningen 546

friesland 1.488

drenthe 684

overijssel 3.500

flevoland 29

gelderland 6.063

utrecht 1.803

noord-holland 5.348

zuid-holland 9.941

zeeland 1.848

n-brabant 18.429

limburg 7.761


*) bij de provincies drenthe, utrecht, noord-holland, overijssel en flevoland laat dit geactualiseerde overzicht andere bedragen zien dan het eerder gepresenteerde overzicht. bij de drie als eerst genoemde provincies zijn toen hogere bedragen vermeld omdat die nog inclusief de bedragen voor emmen, amersfoort, zaanstad en alkmaar luidden, welke gemeenten pas later als rechtstreeks zijn aangewezen. (de ook later aangewezen gemeente lelystad staat niet op de a- en rail-lijst). bij flevoland en overijssel doet zich een klein verschil voor omdat in het eerdere overzicht twee gemeenten uit de provincie flevoland bij overijssel waren geteld. in dit overzicht is dit gecorrigeerd. verder is er sprake van afrondingsverschillen.

copyright tweede kamer der staten generaal

Deel: ' Brief Vrom over de Invoeringswet Wet stedelijke vernieuwing '




Lees ook