Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief VROM over drinkwaternormen

Gemaakt: 3-4-2000 tijd: 13:37


9


20560 Bentazon in drinkwater

nr. 9 Brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 27 maart 2000

Bij brief van 6 november 1989 (TK 1989-1990, 20560, nr. 8) heeft de toenmalige Minister van VROM naar aanleiding van het aantreffen van Bentazon in het drinkwater het beleid uiteengezet dat gevoerd wordt bij overschrijding van de drinkwaternormen in de gevallen dat de Waterlei-dingwet geen ontheffingsmogelijkheden biedt. Er is in de praktijk behoefte om dit beleid te actualiseren en op onderdelen nader uit te werken. Met deze brief wil ik u hierover informe-ren.


1. De Bentazon-brief, met vervolgacties

Aanleiding en reikwijdte

De bovenbedoelde brief van 6 november 1989 (verder te noemen: de Bentazon-brief) is destijds opgesteld naar aanleiding van geconstateerde overschrij-dingen van de drinkwater-norm voor pesticiden (in casu Bentazon), maar heeft betrekking op alle parameters die voor de drinkwatervoorziening relevant zijn. Met name werd ingegaan op de situaties waarin de wet geen afwijkings- of ontheffingsmogelijkheden biedt.

Stopzetting of continuering van de drinkwatervoorziening

Hoofdlijn van het in de Bentazon-brief geformuleerde beleid is dat een tijdelijke over-schrijding van de wettelijke norm kan worden toegestaan, mits het gehalte de toxicologi-sche grenswaarde niet overschrijdt. De drinkwatervoorziening kan dan, waar het middel (stopzetting van de levering) uit volksgezondheidsoogpunt erger is dan de (toxicologische) kwaal, worden gecontinu-eerd.

In geval van overschrijding van de toxicologische grenswaarde, die veelal is gebaseerd op de opname van de betreffende stof gedurende het hele leven, zal een nadere afweging moeten plaatsvinden. Daarbij zullen de duur van de opname, de betrouwbaarheid van de toxicologische informatie en de betekenis voor gevoelige bevolkingsgroepen in beschou-wing worden genomen. In geval van onaanvaardbare gezondheidsrisico's zal het gebruik van leidingwater voor consumptie worden ontraden danwel stopzetting van de levering worden gelast totdat de noodzakelijke maatregelen zijn genomen. Eenzelfde gedrags-lijn wordt gevolgd in het geval een schadelijke stof in het drinkwater wordt aangetroffen waarvoor in het Waterleiding-besluit geen norm is opgesteld.

Opheffing van de normoverschrijding

Wat betreft het opheffen van de normoverschrijding bevat de Bentazon-brief de volgende beleidslijn. Indien de overschrijding het gevolg is van een (te) hoog gehalte van de desbetreffende stof in de bron waaraan het water wordt onttrokken, zal primair worden gezocht naar maatregelen die zijn gericht op het wegnemen van deze milieuverontreini-ging. Voor waterleiding-bedrijven staat echter in feite slechts de mogelijkheid van aanpassing van de zuivering ter beschikking. In de brief wordt opgemerkt dat in beide gevallen enige tijd gemoeid zal zijn met de bepaling en uitvoering van de noodzakelijke maatregelen.

Openbaarmaking van normoverschrijdingen

In de Bentazon-brief wordt het uitgangspunt onderstreept dat een zo groot mogelijke openheid wordt gehanteerd ten aanzien van de drinkwaterkwaliteit en normverschrij-dingen. Daarbij wordt de verantwoordelijkheid voor de eerste openbaarmaking neergelegd bij de eigenaar van het waterleidingbe-drijf, gezien zijn verantwoorde-lijkheid voor de kwaliteit van het geleverde product en gelet op de verhouding die hij als leverancier heeft met zijn afnemers.

Op grond van de wet rust bij het waterleidingbedrijf de plicht om reeds bij het vermoeden van bedreiging van de drinkwaterkwaliteit de regionale inspecteur milieuhygiëne te informeren, opdat hij in een vroeg stadium de gezondheidsaspecten en de eventueel te nemen acties kan beoordelen. Specifiek voor bestrijdingsmiddelen heeft de bedrijfstak dit uitgewerkt in de "Handelwijze bij een mogelijke over-schrijding van de drinkwaternorm voor bestrijdingsmiddelen", daterend van december 1990.

Het waterleidingbedrijf waarschuwt ook de VEWIN en collega-bedrijven indien het vermoeden bestaat dat sprake kan zijn van een situatie die ook bij andere bedrijven kan voorkomen. Bij de openbaarmaking zal de VEWIN dan een coördinerende rol vervullen.

Als algemene gedragslijn is in de Bentazon-brief neergelegd dat het waterleidingbe-drijf na bevestiging van de normoverschrijding (en na overleg met de de regionale inspecteur) de normoverschrijding openbaar maakt. Daarbij wordt naast feitelijke informatie over de desbetreffende parameter tevens inzicht gegeven in de in het geding zijnde gezondheidsas-pecten en in de maatregelen die zijn of worden genomen om de overschrijding te beëindi-gen en over de periode waarin overschrijding zal plaatsvinden.

In het geval van zeer geringe en kortstondige overschrijdingen waarbij geen gezondheids-aspecten in het geding zijn, is in de brief aangegeven dat het niet zinvol geacht wordt openbaarmaking ad hoc en ogenblikkelijk te doen plaatsvinden. In deze gevallen wordt de voorkeur gegeven aan openbaarmaking achteraf bij de periodieke (tenminste jaarlijkse) algemene rapportage over de drinkwaterkwaliteit.

Informeren van de Tweede Kamer

In de Bentazon-brief werd de beleidsmatige basis gelegd voor de jaarlijkse rappor-tage over de drinkwaterkwaliteit, aan de hand van de onderzoeksgege-vens van de waterleiding-bedrijven. Op deze wijze wordt tevens inzicht gegeven in de normover-schrijdingen die hebben plaatsgevonden.

De Minister zegde toe de Kamer in ernstige gevallen afzonderlijk te informeren. Bij 'ernstige gevallen' wordt gedacht aan incidenten van boven-regionale betekenis (waarbij dus meerdere bedrijven met normoverschrijdin-gen (kunnen) worden geconfron-teerd) en aan normoverschrijdingen waarbij acuut gevaar voor de volksgezondheid optreedt en die dus leiden tot ontraden van consumptie of stopzetten van de drinkwatervoorziening. In deze gevallen informeert de Minister de Tweede Kamer, parallel aan de openbaar-making door de waterleidingbedrijven.

In het specifieke geval er ruime tijd zit tussen de eerste constatering van de overschrijding en de bevestiging ervan, zal de Minister van geval tot geval beoordelen of het zinvol is de Kamer reeds vertrouwelijk te informe-ren voordat de bedrijven de openbaarheid kiezen.

Voorbeeld van afzonderlijke informering van de Tweede Kamer, los van de jaarrappor-tage, is de brief die de Minister enige maanden voor het uitbren-gen van de Benta-zon-brief naar de Tweede Kamer zond, inzake dikegulac (brief van 2 augustus 1989, kenmerk 2779411). De overschrijding zou vanwege de boven-regionale betekenis als 'ernstig geval' kunnen worden aangemerkt, niet vanwege de gezondheidseffecten.


2. Aanleiding tot herijking van het beleid

Ontwikkelingen in het gedoogbeleid

Omdat het in de Bentazon-brief specifiek gaat om gevallen waarin de wet niet voorziet in afwijkings- en ontheffingsmogelijkheden, is hierin in feite het gedoogbeleid met betrek-king tot overschrijding van de drinkwater-normen neergelegd. Enkele jaren later, bij brief van
10 oktober 1991 hebben de Ministers van VROM en van Verkeer en Waterstaat aan de Kamer aangeboden de notitie "Gezamenlijk beleids-kader inzake het terugdringen van het gedogen van milieu-overtredingen" (TK 1991-1992, 22343, nr. 2). Deze notitie wordt verder aangeduid als "Gezamenlijk beleids-kader."
Gezien het volksgezondheidsbelang van een deugdelijke openbare drinkwater-voorzie-ning en mijn ministeriële verantwoordelijkheid daarvoor, acht ik het vanzelfspre-kend dat deze notitie ook wordt toegepast op het gedogen van overschrijding van drinkwaternormen.

Met de nota "Grenzen aan gedogen" die op 31 oktober 1996 door de Minister van Justitie aan de Kamer is gezonden (TK 1996-1997, 25085, nrs. 1-2), is het gedoogbeleid in een nog bredere context geplaatst.

Ontwikkelingen in het drinkwaterbeleid

In de Bentazon-brief werd er - min of meer impliciet - vanuit gegaan dat normover-schrijdingen binnen betrekkelijk korte tijd (in de orde van enkele jaren) konden worden opgeheven door het nemen van maatregelen aan de bron danwel door aanpassing van het drinkwater-produktieproces. Inmiddels wordt hier genuanceerder over gedacht. In specifieke gevallen kan het vele jaren duren voordat aanpak van de bron het gewenste effect heeft op de grondstof van de watervoorziening, terwijl de desbetreffende stof niet (afdoende) verwijderd wordt met de gangbare zuiverings-technieken. In gevallen waarin de normoverschrijding uit gezondheidsoogpunt geen of weinig betekenis heeft en de gemeten waarden de toxicologische normen dus niet benaderen danwel overschrijden, lijkt het niet passend om kostbare nieuwe zuiveringsinstallaties voor te schrijven of (impliciet) het gebruik van de bron te verbieden.

Ontwikkelingen in de drinkwaterregelgeving

Al sedert enige jaren wordt het instrumentarium van de Waterleidingwet, die voor een belangrijk deel dateert van eind jaren '50 en begin jaren '60, ervaren als verouderd en onvoldoende toegesneden op de huidige situatie. Tegen deze achtergrond wordt dan ook een algehele herziening van de Waterleidingwet voorbereid. In de zogenaamde Hoofdlijnennotitie (TK 1997-1998, 25 869) is hier nader op ingegaan

Specifiek waar het de drinkwaternormen (en afwijkingsmogelijkheden) betreft doet zich daarbij nog het knelpunt voor dat het huidige Waterleidingbesluit nog gebaseerd is op de EG-Drinkwaterricht-lijn uit
1980(80/778/-EEG). Deze richtlijn, die kaderstellend was voor de nationale regelgeving, is op een aantal punten verouderd is en biedt bovendien aan de Lid-Staten onvoldoende mogelijkhe-den om adequaat met normover-schrijdingen om te gaan. Zo zijn bijvoorbeeld de in acht te nemen minimum-concentraties bij ontharding achterhaald (zie hierna, in «Nadere uitwerking») en is afwijking van de kwaliteitseisen slechts in enkele gevallen mogelijk (zie volgende paragraaf). Deze tekortkomingen zijn ook op Europees niveau erkend, hetgeen er toe geleid heeft dat eind 1998 een herziene EG-Drinkwaterrichtlijn is vastgesteld (98/83/EG). De nieuwe Richtlijn biedt veel meer mogelijkheden om adequaat met normoverschrijdingen om te gaan dan de Richtlijn uit
1980. Voor implementatie van de herziene Richtlijn in nationale regelgeving geldt een maximumtermijn van 2 jaar. Naar verwachting zal de implementatie in Nederland eind 2000 hebben plaatsgevonden, zodat de huidige wettelijke regeling nog enige tijd zal blijven bestaan en gedoogsituaties gedurende deze tijd niet gelegali-seerd kunnen worden. Ook na implementatie van de nieuwe EG-Drinkwaterrichtlijn in Waterleidingwet en Waterleidingbesluit is het echter niet uitgesloten dat in een specifieke situatie wordt besloten om een normoverschrijding te gedogen omdat het alternatief (sluiten van de kraan) nadeliger is voor de volksgezondheid. Voor deze situaties zal onderhavige brief het kader vormen.


3. Mogelijkheden tot gedogen binnen kader van EG-Drinkwaterrichtlijn
80/778/EEG en huidige Waterleidingwet

In de artikelen 9 en 10 van de huidige EG-Drinkwaterrichtlijn is bepaald in welke gevallen afwijking van de kwaliteitseisen is toegestaan. Artikel 9 heeft betrekking op overschrijdingen die het gevolg zijn van de natuurlijke bodemgesteldheid of uitzonderlijke weersomstandigheden en is geïmplementeerd in artikel 4, tweede lid, van het Waterleidingbesluit. Artikel 10 van de Drinkwaterrichtlijn betreft noodgevallen en situaties waarin oppervlaktewater wordt gebruikt dat niet voldoet aan kwaliteitsklasse A3, zoals bedoeld in de EG-Richtlijn Oppervlaktewater voor drinkwaterbereiding (75/440/EEG). Artikel 10 is niet expliciet geïmplementeerd in het Waterleidingbesluit, maar gesteld kan worden dit impliciet gebeurd is doordat aan de regionale inspecteur milieuhygiëne en de Minister van VROM in artikel 7 respectievelijk artikel 63 van de Waterleidingwet bij de handhaving een discretionaire bevoegdheid is toegekend. Indien sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 10 van de Richtlijn, kan met het oog op deze omstandigheid afgezien worden van het geven van een aanwijzing respectievelijk het toepassen van bestuursdwang.

Het is te verwachten dat in het gros van de gevallen waarin tot gedogen besloten wordt, sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10. Er is dan geen sprake van strijdigheid met de Richtlijn.

In enkele gevallen zal de gedoogde afwijking naar verwachting niet herleid kunnen worden tot situaties als omschreven in artikel 9 of 10 van de Drinkwaterrichtlijn, maar zijn er gegronde redenen om te anticiperen op de herziene Richtlijn. Met name denk ik dan aan het onderschrijden van de in de huidige Richtlijn opgenomen minimum-concentraties bij ontharding (zie verderop, bij «Nadere uitwerking»). Gezien de evidente voordelen die het anticiperen op de nieuwe Richtlijn in casu met zich meebrengt voor volksgezondheid en milieu, en vanuit de algemene opvatting dat de betreffende normen achterhaald zijn, verwacht ik bij het gedogen van verdergaande ontharding geen onoverkomelijke bezwaren vanuit de Europese Commissie.


4. Herijking gedoogbeleid bij overschrijding drinkwaternormen
Voor alle duidelijkheid zij vooropgesteld dat, voor zover er wettelijke afwijkings- of ontheffingsmogelijkheden bestaan, van deze mogelijkheden gebruik wordt gemaakt en dat gedogen dan niet aan de orde is.

Net als in de Bentazon-brief gaat het ook hier dus alleen om situaties waarbij dergelijke wettelijke afwijkings- of ontheffingsmogelijkheden ontbreken. In de eerder genoemde algemene nota "Grenzen aan gedogen" is aangegeven dat het "Gezamenlijk beleidskader" wordt aangemerkt als een uitwerking van de algemene nota op het terrein van de milieuregelgeving. Voor zover bij die uitwerking is afgeweken van de algemene nota gaat het gezamenlijk beleids-kader vóór, zo is in "Grenzen aan gedogen" te lezen. Tegen deze achtergrond ligt het voor de hand om bij de herijking van het gedoogbe-leid op het terrein van de drinkwaterkwaliteit primair uit te gaan van het "Geza-menlijk beleidska-der".

Alleen gedogen in overgangs- en overmachtssituaties

In het "Gezamenlijk beleidskader" is aangegeven dat na de overgangsperiode 1991-1994 nog slechts gedoogd kan worden in overgangs- en overmachtssitua-ties.

Van een overmachtssituatie is volgens de notitie sprake als het handhaven van de wettelijke regels ongewenste consequenties heeft uit een oogpunt van milieubeheer. Toegepast op het onderhavige beleidsveld betekent dit het volgende. Er kan gedoogd worden indien de eventuele consequenties van handhaving van de drinkwaternormen (aanpassing van de zuivering of stopzetten van de levering) niet in verhouding zouden staan tot het doel van de normstelling (bescherming volksgezondheid), of daar zelfs mee in strijd zouden zijn. Bij het gedogen zullen de gezondheidsrisico's van de normoverschrijding worden afgewogen tegen het belang dat continuering van de drinkwatervoorziening heeft voor de volksge-zondheid en hygiëne en de kosten voor aanvullende zuiveringsmaatregelen. De in de Bentazon-brief neergelegde beleidslijn is hiermee in overeenstemming.

Daarnaast is er in concreto tevens sprake van een overgangssituatie, in afwachting van de implementatie in Nederlandse regelgeving van de herziene EG-Drinkwater-richtlijn.

Triviale normoverschrijdingen

In het geval van zeer geringe en kortstondige overschrijdingen waarbij naar het oordeel van de regionale inspectie milieuhygiëne geen gezondheids-aspecten in het geding zijn, is in de Bentazon-brief aangegeven dat het niet zinvol geacht wordt openbaarmaking ad hoc en ogenblikkelijk te doen plaatsvin-den, maar vindt deze plaats in de jaarrapportage. Het betreft gevallen waarin sprake is van een éénmalige of kortstondige uitschieter in een reeks van waarnemingen, die gelet op de bronnen, het productieproces en de kenmerken van het distributiesysteem van de drinkwatervoorziening nooit voor 100% kan worden uitgesloten. Omdat de norm wel in absolute zin is geformuleerd (de uitkomst van àlle metingen moet aan de gestelde waarde voldoen), is bij een dergelijke uitschieter formeel sprake van een normoverschrijding. Op het moment dat na monstername en laboratoriumanalyse een overschrijding wordt vastgesteld, is de piek veelal reeds voorbij. Het betreft dus eenmalige overtredingen, die pas achteraf worden geconstateerd en waarbij er geen aanwijzingen zijn dat ze zich zullen herhalen. In deze gevallen is bestuurlijk optreden (dat gericht is op het in overeenstemming brengen van de situatie met de wettelijke vereisten) niet zinvol. Het opstellen van gedoogbeschikkingen ligt dan evenmin voor de hand.

Vanwege de hierboven genoemde specifieke kenmerken van de drinkwatervoorziening is bij zeer geringe en kortstondige overschrijdingen veelal geen sprake van verwijtbaar handelen, waarmee ook een grond voor strafrechtelijke handhaving zal ontbreken.


5. Procedure bij gedogen

In het "Gezamenlijk beleidskader" zijn enige minimum-eisen opgenomen, die in acht moeten worden genomen bij het gedogen. Hieronder zijn deze eisen cursief samenge-vat, waarna ze worden toegesneden op de specifieke situatie voor de drinkwatervoor-ziening.


1. Indiening van ontvankelijke vergunningaanvraag, voor zover van toepassing

In het onderhavige geval, waarin de wet niet voorziet in de mogelijk-heid van ontheffing, wordt deze minimum-eis zo ingevuld dat van de eigenaar van het waterleidingbedrijf verlangd wordt dat hij, na overleg met de regionale inspectie milieuhygiëne, bij de Minister van VROM het verzoek indient om een gedoogbe-schikking te verlenen. Bij dat verzoek wordt zo nauwkeurig mogelijk aangegeven:


- de mate van normoverschrijding


- de (verwachte) duur van de overschrijding

- de oorzaak


- de maatregelen die zijn of worden getroffen

- de gevolgen voor de volksgezondheid


2. Contact met overtreder, inspectie milieuhygiëne en openbaar ministe-rie

Naar aanleiding van het gedoogverzoek wordt overleg gepleegd met het waterlei-dingbedrijf en de inspectie milieuhygiëne. Het openbaar ministerie wordt in kennis gesteld van de gedoogsituatie. Indien het openbaar ministerie hiertoe de wens te kennen geeft, wordt met hen over het nemen van een gedoogbeschik-king overleg gepleegd.


3. Opnemen milieubeschermende voorschriften, voor zover nodig
In casu houdt dit in dat in de gedoogbeschikking een maximum-waarde wordt opgenomen in het belang van de bescherming van de volksgezond-heid. Daarbij zal er voldoende zekerheid moeten zijn dat het bedrijf die voorschriften na zal leven. Bij niet-naleving van de voorschrif-ten zal worden gemaand tot naleving. In het geval de situatie dan nog niet verandert, wordt de gedoogbeschikking ingetrokken en wordt alsnog handhavend opgetreden.


4. Opnemen zo kort mogelijke termijn

Uitgangspunt in de Bentazon-brief is dat aan de normoverschrijding zo snel mogelijk een eind wordt gemaakt, hetzij door maatregelen aan de bron, hetzij door zuiveringstechnische maatregelen. Hierboven is aangegeven dat het in bepaalde gevallen geruime tijd kan duren voordat maatregelen aan de bron effect hebben op de kwaliteit van het ingenomen water, terwijl het voorschrij-ven van extra zuive-ringsmaat-regelen niet in verhouding staat met het gezond-heidsbelang. In die gevallen zal bij het bepalen van de termijn worden uitgegaan van de tijd die redelijkerwijs gemoeid is met een afdoende verbete-ring van de kwaliteit van de bron. Bij inwerkingtreding van de voorziene, meer flexibele regeling zullen deze gedoogsituaties naar verwachting voor een belangrijk deel kunnen worden gelega-liseerd.


5. Gedogen voor eigen risico, onverlet handhavingsbevoegdheden andere organen

Conform het "Gezamenlijk beleidskader" zal in de gedoogbeschikking worden aangegeven dat de gedoogde activiteit geheel voor eigen risico van de overtre-der plaatsvindt. Voorts zal in de beschikking worden aangegeven dat het gedogen alleen geldt voorzover het de handha-vingsbevoegdheid van het beschik-kende orgaan betreft. Met name moet worden gewezen op de zelfstandige bevoegd-heid van het openbaar ministerie tot het instellen van strafvervolging, die door de gedoog-beschikking niet wordt aangetast.


6. Vermelding beroepsmogelijkheid

In de gedoogbeschikking wordt vermeld dat er bezwaar tegen kan worden ingesteld bij de Minister van VROM, zijnde het bestuursorgaan dat het gedoogbesluit genomen heeft (art. 7:1 Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Tegen de beslissing op het bezwaar kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepsschrift zijn woonplaats heeft bevoegd (art. 8:6 Awb). Tijdens de bezwaar- of beroepsprocedure kan aan de president van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd (art. 8:81 Awb)


7. Bekendmaking

De beschikking wordt bekendgemaakt door mededeling van de beschikking in de in Staatscou-rant en in het regionale dagblad dat wordt uitgebracht in de regio van waar de normoverschrijding plaatsvindt. Bij de bekendmaking wordt onder meer aangegeven welke omstandigheden (zoals verontreiniging van de bron) aanleiding hebben gegeven tot de normoverschrijding. Ook wordt vermeld op welke wijze rechtsbescherming wordt geboden.

Onverminderd hetgeen in de Bentazon-brief is opgemerkt inzake het informe-ren van de Tweede Kamer, zal ik ervoor zorgdragen dat de gedoogbe-schikkingen aan u worden toegezonden, net zoals dit al sinds jaar en dag gebeurt met ministeriële ontheffingen van de drinkwaternormen. Tegelijkertijd zal ook de Europese Commissie op de hoogte worden gesteld van de gedoogbeschikkingen.


6. Nadere uitwerking voor pesticiden

Uit de praktijk zijn signalen gekomen waaruit een behoefte blijkt aan een nadere uitwerking van het gedoogbeleid, specifiek voor pesticiden en de minimum-concentratie bij ontharding van het water.

Bij het formuleren en uitvoeren van gedoogbeleid inzake overschrijding van drinkwater-normen is van belang dat deze normen eenduidig zijn. Gebleken is dat enige onduide-lijkheid bestaat over welke stoffen moeten worden begrepen onder de in het Waterleiding-besluit genoemde parameters 'pesticiden' (waar het de drinkwaterkwaliteit betreft) en 'organo-chloorpesticiden' (waar het gaat om de kwaliteit van het gebruikte oppervlaktewa-ter). Ik acht het dan ook wenselijk om in deze brief, die strekt tot actualisering van het gedoogbeleid, deze normen nader te concretiseren.

Alleen de werkzame stoffen

Allereerst zij opgemerkt dat pesticiden vaak bestaan uit een of meerdere werkzame stoffen, waar andere stoffen aan toe zijn gevoegd (zoals vulstoffen). In het kader van onderzoek en normstelling van de drinkwaterkwaliteit gaat het om de werkzame stoffen van pestici-den; stoffen die bijvoorbeeld als vulmiddel in een pesticide worden gebruikt zijn in dit kader minder relevant. Waar in het vervolg wordt gesproken over 'pesticiden' wordt dan ook gedoeld op de werkzame stoffen.

Alle relevante pesticiden

Volgens Bijlage A, tabel I van het Waterleidingbesluit moet onder 'pestici-den' worden verstaan:


- organochloor-pesticiden en hun isomeren


- choline-esterase remmers


- carbamaten


- andere bestrijdingsmiddelen alsmede polyhalogeen bi- en trifenylen.
Uit deze opsomming moet worden afgeleid dat de drinkwaternorm (0,1 g/l per afzonderlijke stof en 0,5 g/l totaal) betrekking heeft op alle pesticiden. Gezien het grote aantal pesticiden dat in de handel is, zou het echter weinig efficiënt zijn om het drinkwater op alle bestaande pesticiden te controleren.

Van een waterleidingbedrijf wordt verwacht dat het inzicht heeft in de stoffen die in de bron (kunnen) voorko-men. Dit betekent dat het drinkwater wordt onderzocht op die pesticiden die redelijkerwijs in het oppervlaktewater of het grondwater voor kunnen komen. Voor een oppervlakte-wa-ter verwerkend waterleiding-bedrijf houdt dit in dat er enige mate van inzicht bestaat in de pesticiden die in het stroomgebied worden gebruikt of geloosd. Van een waterleidingbedrijf dat grondwater gebruikt mag worden verwacht dat er enige bekendheid is met de pesticiden die in het intrekgebied worden gebruikt.

Het waterleidingbedrijf doet op grond van deze gegevens een voorstel voor een uit te voeren meetprogramma, dat instemming van de regionale inspectie milieuhygiëne behoeft.

Toelating en herkomst

Bij de inventarisatie van relevante pesticiden zal niet alleen worden gekeken naar de pesticiden die op dat moment waren toegelaten; ook pesticiden waarvoor de toelating inmiddels is ingetrokken zijn relevant indien aangenomen kan worden dat ze nog worden toegepast of - vanwege de persistente eigenschappen - nog in de grondstof kunnen voorkomen. Als er aanleiding bestaat om te veronderstellen dat pesticiden zijn of worden gebruikt waarvoor nimmer een toelating is verstrekt, zullen ook deze pesticiden in het onderzoeks-programma betrokken moeten worden.

Terzijde zij opgemerkt dat het er in dit kader niet toe doet of de aangetroffen stof daadwerkelijk als pesticide is gebruikt, of bijvoorbeeld als bijprodukt van een fabricage-proces is ontstaan. Indien een stof dezelfde chemische structuur heeft als een pesticide, wordt het in dit kader aangemerkt als een pesticide.

Ook metabolieten?

De huidige omschrijving van 'pesticiden' in het Waterleidingbesluit biedt onvoldoende houvast om de norm onverkort op de omzettingsproducten (metabolieten) toe te passen. In geval metabolieten van pesticiden in zulke hoge concentraties zouden voorkomen dat geen sprake meer is van 'deugdelijk drinkwater' in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Waterleidingwet, bestaat er de mogelijkheid om met toepassing van artikel 7 van de wet corrigerend op te treden.

Bij de implementatie van de herziene EG-Drinkwaterricht-lijn zal de pesticidennorm ook op de relevante matabolieten van toepassing worden verklaard.

Organochloorpesticiden

In bijlage D van het Waterleidingbesluit zijn de kwaliteitseisen opgenomen die worden gesteld aan het oppervlaktewater dat voor de drinkwaterbereiding wordt gebruikt. Voor oppervlaktewater van klasse III is voor 'Organochloorpesticiden totaal' een maximum waarde opgenomen van 0,5 g/l.

Hoewel dit beleidsmatig gewenst zou zijn, biedt de wet onvoldoende aanknopingspunten om onder 'organochloorpesticiden' alle pesticiden te verstaan. Bij de toepassing van de oppervlaktewaternorm voor 'organochloorpestici-den' worden hieronder begrepen alle pesticiden met een chloor-atoom. Hiermee sluiten de normstelling en meetverplichtingen voor persticiden in oppervlaktewater op basis van het Waterleidingbesluit en het Besluit kwaliteitsdoelstellingen en metingen oppervlaktewateren (Besluit KMO) beter op elkaar aan. Ook komt de normstelling binnen het Waterleidingbesluit (voor drinkwater en oppervlaktewater) op deze wijze beter overeen. In geval van overschrijding van de maximum waarde biedt de wet de mogelijkheid een ontheffing te verlenen voor het gebruik van dit opper-vlaktewater, onverkort de plicht om te voldoen aan de drinkwaternorm voor pesticiden.


7. Nadere uitwerking voor minimum-concentraties bij ontharding
Momenteel zijn in het Waterleidingbesluit voor de parameters calcium, magnesium en waterstofcarbonaat minimum-waarden opgenomen, voor het geval het water een hardheidsverlaging of ontzouting ondergaat (in alle andere gevallen gelden deze minimum-waarden niet).

De Minister kan voor een eventuele afwijking geen ontheffing verlenen en ook de regionale inspecteur milieuhygiëne heeft geen wettelijke mogelijkheden om een dergelijke afwijking toe te staan.

De waarden zijn gelijk aan de waarden in Drinkwaterrichtlijn
80/778/EG, die evenmin de mogelijkheid biedt daarvan af te wijken. De minimum-waarden waren gebaseerd op de gedachte dat te lage gehalten van de desbetreffende stoffen gezondheidseffecten zouden kunnen veroorzaken. Inmiddels is het inzicht gewijzigd en zijn er geen gezondheidskundige argumenten die zich tegen verdergaande ontharding verzetten. In de herziene EG-Drinkwaterrichtlijn zijn dan ook geen minimum-waarden voor ontharding meer opgenomen.
In de praktijk bestaat de wens om verdergaande ontharding te realiseren dan op grond van het huidige Waterleidingbesluit (gebaseerd op Richtlijn 80/778/EEG) toegestaan is. Door verdergaande ontharding vermindert namelijk de corrosie van koperen en loden waterleidingen, wat uit oogpunt van zowel volksgezondheid als milieu gunstig is. Ook bijvoorbeeld het gebruik van wasmiddelen kan hierdoor verminderd worden.

Tegen deze achtergrond ben ik dan ook van mening dat er goede gronden zijn om ontharding die verder gaat dan de nu toegestane minimum-concentraties te gedogen tot het moment dat de herziene EG-Drinkwaterrichtlijn geïmplementeerd is. Bij het verlenen van de gedoogbeschikkingen zal de hiervóór uiteengezette procedure worden gevolgd.

de Minister van Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.P. Pronk

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief VROM over drinkwaternormen '




Lees ook