Tweede Kamer der Staten Generaal

vrom0000.093 brief sts vrom huurprijsbeleid voor de eerstkomende jaren Gemaakt: 29-2-2000 tijd: 14:9

Aan de Voorzitter van de

Vaste Kamercommissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

1 februari 2000

Nadere toelichting inzake het huurprijsbeleid voor de eerstkomende jaren


1. Inleiding

U hebt mij bij brief van 1 februari jl. verzocht de Vaste Kamercommissie voor VROM nader te informeren over de inhoud van de in mijn brief van 28 januari jl. (dbd 1999249774) genoemde «toezeggingen» en «afspraken» in het kader van de afkoop van subsidieverplichtingen.

Tevens verzoekt u mij inzage te verlenen in de adviesaanvraag aan de Landsadvocaat, wiens advies ik in de huurbrief heb genoemd.

Tot slot verzoekt u mij tot openbaarmaking van alle relevante stukken, met inbegrip van de als vertrouwelijk aangemerkte, openbaar te maken.


2. Betekenis afkoopakkoorden

In de brief van 28 januari jl. is bezien of de motie Van `t Riet c.s. kan worden uitgevoerd. De conclusie is dat ik zonder meer bereid ben een deel van deze motie uit te voeren, maar volkshuisvestelijke en juridische problemen zie waar het gaat om het wettelijk regelen van een maximale huurstijging per woning op inflatieniveau. De brief gaat daartoe uitgebreid in op een aantal argumenten, op welke ik reeds eerder in uw Kamer heb gewezen, die het kabinet tot het oordeel hebben geleid dat onverkorte uitvoering van de motie volkshuisvestelijk ongewenst is en ernstige juridisch-financiele gevolgen kan hebben.

Dit oordeel vloeit, zoals reeds in mijn brief van 28 januari jl. aangegeven, ten eerste voort uit de sterke inperking van de bandbreedte voor een gedifferentieerde huurstijging per woning. Ik acht dit niet alleen met het oog op een goede afstemming van prijs en kwaliteit ongewenst. Materieel wordt ook voor een groot deel van de woningvoorraad ineens afgestapt van de in 1993 met de huursombenadering ingeslagen weg. In deze huursombenadering wordt, in tegenstelling tot de systematiek tot dat tijdstip, uitgegaan van een gemiddelde huurstijging (per verhuurder), die binnen een bandbreedte tot stand komt.

In de door de Tweede Kamer aanvaarde Nota bruteren (de nota van toelichting op het bruteringsakkoord van 16 november 1993) is dit beginsel als onderdeel van het akkoord uitdrukkelijk aangegeven (zie blz. 12, onderdelen f. en g. van dat akkoord). Ook in de memorie van toelichting bij de Wet balansverkorting (zie het citaat in de huurbrief op blzn. 4 en 5) is uitdrukkelijk aangegeven dat deze huursombenadering en de mogelijkheid tot differentiatie van het huurprijsbeleid per woning, nadrukkelijk onderdeel zijn van de gehanteerde uitgangspunten en de bij uw Kamer bekende afspraken, waaronder de brutering van de sociale huursector heeft plaatsgevonden. Deze uitgangspunten vormden een essentiële voorwaarde voor de sociale verhuurders voor een grotere financiële en beleidsmatige zelfstandigheid.

Ten tweede zijn en worden in de akkoorden met de sociale huursector, de beleggers en de Niet-winstbeogende instellingen (NWI's) parameters gehanteerd, waarvan een gemiddelde verwachte

huurstijging gedurende een langere reeks van jaren een onderdeel vormt. Zo zijn in de Wet balansverkorting de parameters voor de sociale huursector opgenomen, zoals een subsidie-afbraakpercentage van
5% voor gesubsidieerde woningen. Ik verwijs u nog eens naar de bladzijden 4 tot en met 6 van mijn brief, waarin deze zijn vermeld.

Ik concludeer op basis van het voorgaande dat er weliswaar geen juridisch harde afspraken zijn gemaakt, maar dat wel van rijkswege de verwachtingen zijn gewekt dat verhuurders een gedifferentieerd huurbeleid zouden kunnen voeren binnen een bandbreedte en dat een bedrijfseconomisch verantwoorde exploitatie niet zou worden belemmerd. Kijkend naar de tekst van de Nota bruteren en de Wet balansverkorting, die in de afgelopen jaren - vaak zeer uitvoerig - uitdrukkelijk met uw Kamer zijn besproken en waarmee uw Kamer heeft ingestemd, stel ik vast dat onverkorte uitvoering van de motie Van `t Riet c.s. aan die gewekte verwachtingen geen recht doet. Dat spoort niet met het uitgangspunt van een betrouwbare overheid. Dat kan ernstige juridische en financiële gevolgen hebben.

Ik stel overigens met nadruk dat van andere afspraken dan in mijn brief van 28 januari jl. gememoreerd en hier nog eens kort aangeduid, anders dan in de afgelopen weken door sommigen wel eens is verondersteld, geen sprake is.

De voorgaande conclusie betekent niet dat het huurbeleid nu voor een lange reeks van jaren is vastgelegd. De Tweede Kamer heeft vanzelfsprekend de mogelijkheid te komen tot bijstelling van eerder vastgesteld beleid. Wel kan een wijziging in het beleid, zoals voorgestaan in de motie Van `t Riet c.s., gezien ook de gevolgen die hieraan kunnen zijn verbonden, slechts worden gerechtvaardigd door zwaarwegende argumenten en motivering. Daarvan is mijns inziens in dit geval geen sprake. De komende maanden zal hierover, zo mogelijk in het kader van het Landelijk Overleg Huurders Verhuurders (LOHV), overleg kunnen plaatsvinden. Daarbij zal een analyse van de ontwikkeling van de afkoopparameters, omstandigheden en opgaven worden betrokken.

Zoals ik in mijn brief van 22 oktober 1999 (dbd 99217827) heb aangegeven, is er sprake van een voortdurende daling van de gemiddelde huurstijging en wordt een verdergaande daling tot het inflatieniveau in 2001 door mij nagestreefd. Het aantal hoge huurstijgingen is bovendien in de afgelopen jaren scherp afgenomen, zowel in de sociale als in de commerciële huursector. Ik heb reeds aangegeven de sector in de komende tijd ook stevig te blijven aanspreken op het waarmaken van de sociale en maatschappelijke opgaven.


3. Openbaarmaking advies Landsadvocaat

Zoals ik u in mijn brief van 31 januari jl. (dbd 2000010632) heb aangegeven, heb ik een exemplaar van het advies van de Landsadvocaat bij de griffier van uw Kamercommissie vertrouwelijk ter inzage gelegd. Ik doe u bijgesloten toekomen een kopie van de brief waarin aan de Landsadvocaat is verzocht advies uit te brengen over de vraag of, en zo ja in welke mate, de uitvoering van de motie Van `t Riet c.s., juridische consequenties voor de Staat kan hebben. Ik ben evenwel niet bereid om het advies openbaar te maken, met het oog op lopende juridische procedures en de belangen van de Staat der Nederlanden. Dit standpunt wil ik desgewenst in een vertrouwelijk overleg met uw Kamercommissie nader toelichten.

Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Hoogachtend,

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.W. Remkes

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief Vrom over huurprijsbeleid eerstkomende jaren '




Lees ook