Tweede Kamer der Staten Generaal

Brief VROM regeling grenswaarde vcm-luchtemissies s-p vc-inrichtingen milieubeheer

Gemaakt: 17-4-2000 tijd: 11:24


3

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


11 april 2000

Hierbij bied ik U aan de ontwerpen van bovenvermelde ministeriële regelingen. Deze ontwerpen zijn gebaseerd op de artikelen 8.44 en
21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer. Op dergelijke ontwerpen is de procedure van artikel 21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer van toepassing.

Een eensluidende brief heb ik gezonden aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

Hoogachtend,

de Minister van Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.P. Pronk

concept

Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, nr. MJZ , houdende een grenswaarde voor vinylchloride-monomeer emissies naar de lucht die vrijkomen bij de productie van s-PVC (Regeling grenswaarde VCM-luchtemissies s-PVC-inrichtingen milieubeheer)

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Gelet op OSPAR-Besluit 98/5 inzake de grenswaarden voor emissie en lozing voor de vinylchloridesector bij de productie van suspensie-PVC (s-PVC) uit vinylchloride-monomeer (VCM) ( OSPAR 98/14/1 para B-8.2 en annex 40) en op de artikelen 8.44 juncto 21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer.

Besluit:

Eerste aanzet ministeriële regeling OSPAR 98/5 (s-PVC), gebaseerd op
21.6, zesde lid Wm.

Artikel 1:

In deze regeling wordt verstaan onder:

s-PVC: suspensie-polyvinyl chloride;

VCM: vinyl chloride-monomeer;

productie van s-PVC: elk industrieel proces waarbij s-PVC uit VCM wordt geproduceerd;

bestaande inrichting: een inrichting die s-PVC uit VCM produceert, als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer een vergunning verleend is vóór 9 februari 1999, en waarvan de capaciteit voor het produceren van s-PVC uit VCM na de datum van inwerkingtreding van deze regeling naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aanzienlijk is uitgebreid;

nieuwe inrichting: een inrichting die s-PVC uit VCM produceert en die geen bestaande inrichting is;

diffuse emissie: niet-gekanaliseerde emissie naar de lucht als gevolg van lekverliezen.

Artikel 2

Degene die een VCM-inrichting drijft, draagt er zorg voor dat het jaarlijkse gemiddelde van emissies van VCM uit puntbronnen van s-PVC-inrichtingen naar de lucht als gevolg van de productie van s-PVC niet meer dan 80 gram per ton geproduceerd s-PVC bedraagt.

Degene die een VCM-inrichting drijft, draagt er zorg voor dat aan de grenswaarde, genoemd in het eerste lid, niet door middel van verdunning van de emissies wordt voldaan.

Degene die een VCM-inrichting drijft, draagt er zorg voor dat diffuse emissiess van VCM naar de lucht word tot een minimum worden beperkt. geminimaliseerd.

Artikel 3

Degene die een VCM-inrichting drijft, draagt er zorg voor dat monsters van emissies van VCM één of meerdere monsters genomen op een zodanige dusdanige wijze genomen worden dat deze representatief zijn voor de emissies overgedurende een periode van een één uur.

De analysefrequentie van emissies van VCM meting en bemonstering wordt bepaald door het bevoegd gezag. Hierbij wordt rekening gehouden met deuitkomsten resultaten van de en bemonstering, meting en analyse van emissies van VCM.

Degene die een VCM-inrichting drijft, draagt er zorg voor dat de te gebruiken analysemethode van VCM gaschromatografie of een gelijkwaardige methode is.

Degene die een VCM-inrichting drijft, draagt er zorg voor dat dBij het bemeten van diffuse emissies wordt gebruik gemaakt van moderne technieken. iffuse emissies gekwantificeerd worden door middel van de tracergasmethode of een gelijkwaardige methode.

Artikel 4

Deze regeling treedt voor nieuwe inrichtingen in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling blijft voor bestaande inrichtingen buiten toepassing tot
1 januari 2003.

In afwijking van het tweede lid zijn de artikelen 2 en 3 op een bestaande inrichting, waarvan de capaciteit van het produceren van s-PVC uit VCM na de inwerkingtreding van deze regeling naar het oordeel van het bevoegd gezag aanzienlijk is uitgebreid, van toepassing vanaf het moment van die uitbreiding.

Artikel 5

Deze regeling kan aangehaald worden als: Regeling grenswaardereductie VCM-luchtemissie s-PVC-inrichtingen milieubeheer.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

`s-Gravenhage,

De Minister van Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.P. Pronk15

Toelichting

Paragraaf 1naar de lucht afwaterbij de produktie van suspensie PVC (polymeer vinylchloride) uit vinylchloride monomeer (VCM)

Algemeen

De onderhavige regeling strekt ter implementatie van OSPAR-Besluit
98/5 inzake de grenswaarden voor emissie en lozing voor de vinylchloridesector bij de productie van suspensie-PVC (s-PVC) uit vinylchloride-monomeer (VCM) ( OSPAR 98/14/1 para B-8.2 en annex 40).
OSPAR-Besluit 98/5 is gebaseerd op het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, Parijs, 22 september 1992 , Trb. 1993, 141 (hierna te noemen het Verdrag). In het Verdrag is bepaald dat de verdragsluitende Partijen, afzonderlijk of gezamenlijk, alle mogelijke stappen ondernemen om de verontreiniging van het zeegebied vanuit onder meer landbronnen te voorkomen en te beëindigen. Daartoe kunnen programma's en maatregelen aangenomen worden, waarbij gebruik gemaakt wordt van onder andere de best beschikbare technieken voor puntbronnen. De Verdragspartijen zijn: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, de Europese Commissie, Ierland, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Portugal, Spanje, IJsland, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zwitserland.

Bij de productie van s-PVC komt het carcinogene VCM vrij. Teneinde het mariene milieu tegen de nadelige effecten van de productie van s-PVC te beschermen, is in het kader van het Verdrag het initiatief genomen tot het opstellen van regelgeving voor de sector waarin die productie plaatsvindt. Dit heeft in 1996 geresulteerd in de publicatie van het achtergrondrapport getiteld: «Best Available Techniques for the Vinyl Chloride Industry, 1996 Oslo and Paris Commissions» (ISDN nr.
0946955476) waarin de best beschikbare technieken ter voorkoming en bestrijding van verontreiniging van het milieu beschreven zijn voor bedrijven waar s-PVC wordt geproduceerd. Tevens heeft de OSPARCOM in
1996 PARCOM aanbeveling 96/3 betreffende de best beschikbare technieken voor de productie van suspensie PVC uit vinylchloride monomeer aanvaard (OSPAR 96/17/1 para 3.34 en annex 12), waarin in het kort de best beschikbare technieken aangegeven worden die door s-PVC bedrijven toegepast dienen te worden. OSPAR-Besluit 98/5 is een vervolg op de PARCOM-Aanbeveling 96/3 en geeft de grenswaarden en vrachtenbetreft de bij de die ten minste tenmisnte bereikt moeten worden door toepassing van de best beschikbare techniekente bereiken emissie-grenswaarden.

OSPAR-Besluit 98/5 regelt zowel een vrachteisgrenswaardeneen grenswaarde voor de emissies naar de lucht in de vorm van een vrachteis als grenswaarden voor lozingen van afvalwater op oppervlaktewater. De onderhavige Regeling betreft de implementatie van dat deel van het OSPAR-Besluit 98/5 dat op de grenswaarden of vrachteis voor de emissies naar de lucht lozingen van afvalwater op oppervlaktewater ziet. De Regeling is gebaseerd op artikel 8.44 en artikel 21.6 zesde lid van de Wet milieubeheer, en eventueel 8.44 en
8.45. verontreiniging oppervlaktewateren

De grenswaarden voor lozingen van afvalwater op oppervlaktewater emissies naar de lucht zijn geregeld in de op artikel 1a, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren gebaseerde Regeling grenswaarden afvalwater s-PVC-productie, die tegelijk met deze regeling inwerking zal treden.

Ingevolge de artikelen 5.1 en 5.2 van OSPAR-Besluit 98/5 dienen de verdragspartijen op gezette tijden een rapportage uit te brengen over de naleving en effectiviteit van de uitvoering van het OSPAR-Besluit op zowel juridisch als technisch gebied. De gewenste informatie wordt aan het bevoegd gezag beschikbaar gesteld via de reguliere rapportages van bedrijven. De nationale overheid zal vervolgens zorg dragen voor de rapportage naar de OSPARCOM.

Voor OSPAR-Besluiten die in of na 1998 zijn aanvaard bestaat voor de verdragspartijen de verplichting deze wettelijk te implementeren. Voor besluiten die voor 1998 zijn aanvaard en voor aanbevelingen geldt op grond van artikel 13 van het verdrag deze verplichting niet.

Op grond van het OSPAR-Verdrag zijn OSPAR-Besluiten binnen een termijn van 200 dagen bindend voor de verdragsluitende Partijen. In Nederland zijn slechts twee bedrijven die s-PVC produceren. Deze behoeven ingevolge OSPAR-Besluit 98/5 pas op 1 januari 2003 aan de eisen betreffende luchtemissies van dit besluit en derhalve aan de eisen van de regeling te voldoen.

Overtreding van de voorschriften van deze regeling is strafbaar gesteld via artikel 1a van de Wet op de economische delicten.

De ontwerp-regeling is op 28 januari 2000 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni
1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr.
98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).

De volgende bepalingen bevatten technische voorschriften: artikel 2 en artikel 3. Deze voorschriften hebben betrekking op emissies die vrijkomen tijdens het productieproces en niet op het eindproduct. Daarom zijn de bepalingen verenigbaar met het vrije verkeer van goederen. Aangezien het gaat om verplichtingen in OSPAR-kader zijn van de ontwerp-regeling geen significante handelsbelemmeringen te verwachten. De ontwerp-regeling behoeft derhalve niet te worden aangemeld bij het WTO-secretariaat.

Paragraaf 2

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

In OSPAR-Besluit 98/5 en dus ook in de regeling is een onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe bedrijven. Dit onderscheid is van belang voor het vaststellen van de datum waarop de bepalingen uit de regeling verplicht worden voor bedrijven.

In de Regeling wordt ook een onderscheid gemaakt tussen enkelvoudige en samengestelde bedrijven. Op de enkelvoudige bedrijven is de s-PVC produktie de enige activiteit, terwijl op samengestelde bedrijven naast de s-PVC produktie ook andere processen plaatsvinden. Het onderscheid is van belang voor de in bijlage I aangegeven grenswaarden bij Chemisch Zuurstof Verbruik (CZV).

Artikel 2

Het eerste lid bepaalt dat de totale hoeveelheid vrijkomend VCM uit puntbronnen niet meer mag bedragen dan 80 gram per ton geproduceerd PVC over een periode van een kalenderjaar. Bij het toetsen van deze vrachteis worden diffuse emissies niet meegeteld.grenswaarden zoals opgenomen in bijlage I vanaf een bepaalde datum niet meer overschreden mogen worden. Het artikel vormt daarmee de kern van de regeling. De grenswaarden betreffen jaarlijkse gemiddelden. In bijlage I wordt per tabel het meetpunt aangegeven waarvoor de grenswaarde geldt.In artikel
2, tweede lid is overeenkomstig het OSPAR-besluit expliciet een verbod is opgenomen om via verdunning van het afvalwater aan de grenswaarden te voldoen. Dit is overigens al een algemeen aanvaard gebruik in Nederland.

In het tweede lid is overeenkomstig het OSPAR-Besluit bepaald dat niet via verdunning van de emissies naar de lucht aan de grenswaarden kan worden voldaan. Dit is overigens al algemeen aanvaard in Nederland.

Artikel 2 derde lid bepaalt dat diffuse emissies zoveel mogelijk beperkt moeten worden. Hiervoor wordt verwezen naar de Bijzondere Regeling in de NeR.

Er zijn diverse gebruikelijke procedures en maatregelen om diffuse emissies te beperken zoals good-housekeeping, zo min mogelijk flenzen enz.

Het derde lid bepaalt dat diffuse emissies tot een minimum beperkt worden. Minimalisering van diffuse emissies is mogelijk door beter onderhoud aan bestaande afdichtingen (good housekeeping) en preventieve maatregelen (apparatuur met minder afdichtingen en lekkages) bij nieuwbouw of vervanging. In de Bijzondere Regeling voor PVC-produktie van de Nederlandse emissierichtlijn Lucht (verkrijgbaar bij het Informatiecentrum Milieuvergunningen, Den Haag) staan maatregelen voor de bestrijding van diffuse emissies uit s-PVC-inrichtingen.

Voor een planmatige aanpak van controle en onderhoud van lekkages kan een beheersprogramma worden opgesteld. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de factsheet Lekverliezen Chemische Industrie (KWS2000 factsheet nr. 19, december 1994, verkrijgbaar bij het Informatiecentrum Milieuvergunningen, Den Haag) en van de Handreiking Lekverliezen (IPO, mei 1995, verkrijgbaar bij het InterProvinciaal Overleg, Den Haag), waarin een opzet wordt gegeven voor een dergelijk beheersprogramma.

Bij het toetsen van de vrachteis worden diffuse emissies ,als gevolg van lekkages e.d. niet meegeteld.

Artikel 3

Artikel 3 bevat de eisen waaraan voldaan moet worden bij het bemonsteren, meten en analyseren van de concentraties van vrachten. De voorgeschreven meetmethoden zijn in dergelijke gevallen gebruikelijk. (zie ook mijn opmerking bij de notitie van 18 augustus)

Blijkens het vierdetweede lid van artikel 3 wordt de frequentie van meten en bemonsteren niet vastgelegd in de regeling aangegeven maar in de vergunning vastgelegd door het bevoegd gezag. Voor het vaststellen van het controleregime kan door het bevoegd gezag gebruik worden gemaakt van de Nederlandse emissierichtlijn Lucht (verkrijgbaar bij het Informatiecentrum Milieuvergunningen, Den Haag).

Artikel 4

In het derde lid is voor het geval dat een bestaande inrichting zijn capaciteit aanzienlijk uitbreidt bepaald dat de artikelen 2 en 3 van toepassing zijn vanaf het moment van die uitbreiding. Een aanzienlijke uitbreiding is in ieder geval een uitbreiding die naar oordeel van het bevoegd gezag aanzienlijke negatieve gevolgen kan hebben voor de menselijke gezondheid of het milieu.

De Minister van Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.P. Pronk

CONCEPT

Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, nr. MJZ , houdende grenswaarden voor luchtemissies uit VCM-inrichtingen

(Regeling grenswaarden luchtemissies VCM inrichtingen milieubeheer)

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

Gelet op OSPAR-Besluit 98/4 inzake de grenswaarden voor emissie en lozing bij de productie van vinylchloride-monomeer (VCM), met inbegrip van de productie van 1,2-dichloorethaan (EDC) (OSPAR 98/14/1 para B-8.2 en annex 39) en op artikel 8.44 juncto artikel 21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer.

Besluit:

Artikel 1:

In deze regeling wordt verstaan onder:

VCM: vinylchloride-monomeer;

dioxines: polychloordibenzo-p-dioxines en polychloordibenzofuranen, uitgedrukt in toxiciteitsequivalenten (TEQ);

productie van VCM: elk industrieel proces waarbij VCM wordt geproduceerd;

productie van 1,2-dichloorethaan: elk industrieel proces waarbij
1,2-dichloorethaan wordt geproduceerd;

VCM-inrichting: een inrichting die VCM of 1,2-dichloorethaan produceert uit etheen en chloor of uit etheen of waterstofchloride als grondstof;

bestaande inrichting: een inrichting die VCM of 1,2-dichloorethaan produceert, waarvoor op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer een vergunning verleend is vóór 9 februari 1999 en waarvan de capaciteit voor het produceren van VCM of 1,2-dichloorethaan na de datum van inwerkingtreding van dit besluit naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aanzienlijk is uitgebreid;

nieuwe inrichting: een inrichting die VCM of 1,2-dichloorethaan produceert en die geen bestaande inrichting is;

diffuse emissie: niet-gekanaliseerde emissie naar de lucht als gevolg van lekverliezen;

Bijlage I: bij deze regeling behorende bijlage I;

Bijlage II: bij deze regeling behorende bijlage II.

Artikel 2

Degene die de inrichting drijft, draagt er zorg voor dat gassen die afkomstig zijn uit puntbronnen van installaties en procesapparatuur in een VCM-inrichting, worden verzameld en behandeld in een verbrandingsinstallatie of in apparatuur met een vergelijkbaar rendement.

Degene die de inrichting drijft, draagt er zorg voor dat het maximale jaarlijkse gemiddelde van de uitworp van rookgassen uit de in een VCM-inrichting aanwezige verbrandingsinstallatie of apparatuur met een vergelijkbaar rendement voldoet aan de in Bijlage I opgenomen grenswaarden.

Degene die de inrichting drijft, draagt er zorg voor dat aan de in Bijlage I opgenomen grenswaarden niet door middel van verdunning van de emissies wordt voldaan.

Degene die de inrichting drijft, draagt er zorg voor dat diffuse emissies naar de lucht tot een minimum worden beperkt.

Artikel 3

Degene die de inrichting drijft, draagt er zorg voor dat de wijze van bemonsteren, meten en analyseren van de concentraties en vrachten voor de stoffen waarvoor in Bijlage I grenswaarden zijn vastgesteld, ten minste voldoen aan de in Bijlage II gestelde eisen.

Artikel 4


1. Deze regeling treedt voor nieuwe inrichtingen in werking met ingang van de tweede dag na
de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Deze regeling blijft voor bestaande inrichtingen buiten toepassing tot
1 januari 2006.

In afwijking van het tweede lid zijn de artikelen 2 en 3 op een bestaande inrichting, waarvan de capaciteit voor het produceren van VCM of 1,2-dichloorethaan na de inwerkingtreding van deze regeling naar het oordeel van het bevoegd gezag aanzienlijk is uitgebreid, van toepassing vanaf het moment van die uitbreiding.

Artikel 5

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling grenswaarden luchtemissies emissiereductie VCM-inrichtingen milieubeheer.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

`s-Gravenhage

De Minister van Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

J.P. Pronk

BIJLAGE I Grenswaarden


1. Het maximale jaarlijkse gemiddelde van de uitworp van rookgassen uit de verbrandingsinstallatie of apparatuur met een vergelijkbaar rendement bedraagt voor:
a. VCM 5 mg/ Nm³


1,2-dichloorethaan 5 mg/ Nm³

dioxines 0,1 ng TEQ/ Nm³

waterstofchloride 30 mg/ Nm³


2. De in het eerste lid weergegeven grenswaarden gelden voor droge rookgassen onder standaardcondities (273 Kelvin, een druk van 101,3 kiloPascal), omgerekend naar een gehalte van 11% droge zuurstof.
Deze Bijlage behoort bij de regeling van .

De Minister van Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.P. Pronk

BIJLAGE II Eisen voor bemonstering, meting en analyse

Degene die de inrichting drijft, draagt er zorg voor dat de monsters één of meerdere monsters genomen op een zodanige dusdanige wijze worden genomen dat deze representatief zijn voor de emissiess overgedurende de periode van één een uur.

De analysefrequentie van meting en bemonstering wordt bepaald door het bevoegd gezag. Hierbij wordt rekening gehouden met de resultaten uitkomsten van de meting, en bemonstering en analyse.

Voor dioxines kan is één meting per jaar voldoende zijn, mits de gebruikte methode van monsterneming zodanig is datgarant staat voor representatieve monsters genomen kunnen worden.


4. De door degene die de inrichting drijft te gebruiken methode van analyse is;

a. gaschromatografie voor VCM, 1,2-dichloorethaan en waterstofchloride;

NEN-EN19481984, deel 1 tot en met 3, voor dioxines.

In afwijking van het onder punt 4 gestelde mag degene die de inrichting drijft een methode met een gelijke even hoge of hogere nauwkeurigheid gebruiken.

Degene die de inrichting drijft draagt er zorg voor dat diffuse emissie gekwantificeerd wordt door middel van de tracergasmethode of een gelijkwaardige methode.

Deze Bijlage behoort bij de regeling van ..

De Minister van Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.P. Pronk15

In toelichting: De tracergas methode is in ieder geval een toereikende methode. Artikel 5

In artikel 5 is bepaald hoe de afbakening is geregeld tussen de onderhavige regeling en de Regeling grenswaarden voor EDC in afvalwater van 3 januari 1992 Stb. 25. De grenswaarden zoals opgenomen in de laatstgenoemde ministeriële regeling betreffen uitsluitend waarden voor EDC. De onderhavige Regeling ziet echter specifiek op het lozen van afvalwater dat bij de produktie van VCM inclusief EDC vrijkomt en bevat in dat kader naast grenswaarden voor gechloreerde koolwaterstoffen, waarvan EDC er een van is, ook grenswaarden voor koper, dioxines en CZV. De in de Regeling gestelde grenswaarden zijn strenger dan de grenswaarden zoals gesteld in de Regeling grenswaarden voor EDC in afvalwater. In de onderhavige Regeling is de waarde voor het totaal aan gechloreerde koolwaterstoffen (waar EDC één van de koolwaterstoffen is naast bijv. VCM en chloroform), 0,7 g/ton capaciteit gezuiverd EDC, namelijk in alle gevallen lager dan de waarde voor alleen de stof EDC zoals aangegeven in de Regeling grenswaarden voor EDC in afvalwater. Voorzover de grenswaarden uit de Regeling strenger zijn gaan deze voor de grenswaarden zoals gesteld in de Regeling grenswaarden voor EDC in afvalwater

Bijlage I

De grenswaarden gelden op het punt aangegeven in de tweede kolom van de tabel:

voor gechloreerde koolwaterstoffen op het punt waar het afvalwater de eerste zuiveringstechniek (strippen) is gepasseerd maar nog niet de tweede zuiveringsstap is ingegaan;

voor koper, dioxines en CZV op het punt waar de laatste zuiveringsstap heeft plaatsgevonden en het afvalwater het bedrijfsterrein verlaat.

Als facultatief alternatief voor de parameter gechloreerde koolwaterstoffen, kan ook voor EOX (of AOX) gekozen worden (zie toelichting op bijlage I), mits er per individueel VCM-bedrijf een correlatie wordt vastgesteld tussen EOX (of AOX) en gechloreerde koolwaterstoffen. Er wordt geadviseerd om de gangbare praktijk in Nederland voort te zetten; dit zal in veel gevallen betekenen dat de parameter EOX gehanteerd wordt.

Met voetnoten 1, 2 en 3 wordt aangegeven dat op locaties waar alleen EDC produktie (en geen VCM produktie) plaatsvindt er voor gechloreerde koolwaterstoffen, koper en dioxines anders geformuleerde grenswaarden gelden dan in de tabel in bijlage I zijn opgenomen.

In voetnoot 4 worden alternatieve voorschriften aangegeven voor de CZV-eis van 250 mg/l. Deze alternatieven zijn in het OSPAR-besluit opgenomen om een compromis te bereiken met de andere verdragspartijen. Er wordt echter geadviseerd om in de Nederlandse situatie de CZV-eis van 250 mg/l te hanteren.

Toelichting

Paragraaf 1

Algemeen

De onderhavige regeling strekt ter implementatie van OSPAR-Besluit
98/4 inzake de grenswaarden voor emissie en lozing bij de productie van vinylchloride-monomeer (VCM), met inbegrip van de productie van
1,2-dichloorethaan (EDC), (OSPAR 98/14/1 para B-8.2 en annex 39).
OSPAR-Besluit 98/4 is gebaseerd op het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, Parijs, 22 september 1992 , Trb. 1993, 141 (hierna te noemen het Verdrag). In het Verdrag is bepaald dat de verdragsluitende partijen, afzonderlijk of gezamenlijk, alle mogelijke stappen ondernemen om de verontreiniging van het zeegebied vanuit onder meer landbronnen te voorkomen en te beëindigen. Daartoe kunnen programma's en maatregelen aangenomen worden, waarbij gebruik gemaakt wordt van onder andere de best beschikbare technieken voor puntbronnen. De Verdragspartijen zijn: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, de Europese Commissie, Ierland, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Portugal, Spanje, IJsland, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zwitserland.

Bij de productie van VCM kunnen toxische en carcinogene stoffen vrijkomen. Teneinde het mariene milieu tegen de nadelige effecten van de productie van VCM, inclusief de productie van 1,2-dichloorethaan, te beschermen, is in het kader van het Verdrag het initiatief genomen tot het opstellen van regelgeving voor de sector waarin die productie plaatsvindt. Dit heeft in 1996 geresulteerd in de publicatie van het achtergrondrapport getiteld: «Best Available Techniques for the Vinyl Chloride Industry, 1996 Oslo and Paris Commissions» (ISDN nr.
0946955476) waarin de best beschikbare technieken ter voorkoming en bestrijding van verontreiniging van het milieu beschreven zijn voor bedrijven waar de bouwstenen voor PVC, namelijk vinylchloride-monomeer en de grondstof voor vinylchloride, 1,2-dichloorethaan, worden geproduceerd. Tevens heeft de OSPARCOM in 1996 PARCOM-aanbeveling 96/2 betreffende de best beschikbare technieken voor de productie van vinylchloride-monomeer aanvaard (OSPAR 96/17/1 para 3.31 en annex 11) waarin de best beschikbare technieken aangegeven worden die door VCM-bedrijven toegepast dienen te worden. OSPAR-Besluit 98/4 is een vervolg op de PARCOM-Aanbeveling 96/2 enbetreft de bij de BAT-technieken te bereiken geeft grenswaarden die ten minste bereikt moeten worden door toepassing van de best beschikbare technieken.
OSPAR-Besluit 98/4 regelt zowel grenswaarden voor emissies naar de lucht als grenswaarden voor lozingen van afvalwater op oppervlaktewater. De onderhavige ministeriële regeling betreft de wettelijke implementatie van dat deel van het OSPAR-Besluit 98/4 dat betrekking heeft op de luchtemissies.op lozingen van afvalwater op oppervlaktewater ziet. De Regeling is in dat kader gebaseerd op artikel 8.44 en artikel 21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer, en eventueel ook 8.44 en 8.45.

De grenswaarden voor lozingen van afvalwater op oppervlaktewateremissies naar de lucht worden geregeld in de op artikel 1a, derde lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren gebaseerde Regeling grenswaarden voor VCM en EDC in afvalwater van VCM bedrijven, die tegelijk met deze regeling inwerking zal treden.

Ingevolge de artikelen 5.1 en 5.2 van OSPAR-Besluit 98/4 dienen de verdragspartijen op gezette tijden een rapportage uit te brengen over de voortgang met betrekking tot de implementatie en effectiviteit van een OSPAR-Besluit op zowel juridisch als technisch gebied. De gewenste informatie wordt aan het bevoegd gezag beschikbaar gesteld via de reguliere rapportages van bedrijven. De nationale overheid zal vervolgens zorg dragen voor de rapportage naar de OSPARCOM. VCM bedrijven waarvan het aannemelijk is dat de lozingen het Conventie gebied van het OSPAR-Verdrag kunnen bereiken. Deze clausule is niet overgenomen in de Regeling, omdat aangenomen wordt dat in Nederland vanaf welke locatie dan ook de emissies naar de lucht invloed kunnen hebben op de lozingen de Noordzee kunnen bereiken.

Voor OSPAR-Besluiten die in of na 1998 zijn aanvaard bestaat voor de verdragspartijen de verplichting deze wettelijk te implementeren. Voor besluiten die voor 1998 zijn aanvaard en voor aanbevelingen geldt ingevolge artikel 13 van het verdrag deze verplichting niet. Op grond van het OSPAR-Verdrag zijn OSPAR-Besluiten binnen een termijn van 200 dagen na aanneming ervan bindend voor de Verdragsluitende Partijen. In Nederland is er slechts één bedrijf dat VCM en 1,2-dichloorethaan produceert. Het hoeft ingevolge OSPAR-Besluit 98/4 pas op 1 januari
2006 aan de eisen betreffende luchtemissies van dit besluit en derhalve aan de eisen van de regeling te voldoen.
Overtreding van de voorschriften van deze regeling is strafbaar gesteld via artikel 1a van de Wet op de economische delicten.

De ontwerp-regeling is op 28 januari 2000 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter voldoening aan artikel 8, eerste lid, van richtlijn nr. 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni
1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 204), zoals gewijzigd bij richtlijn nr.
98/48/EG van 20 juli 1998 (PbEG L 217).

De volgende bepalingen bevatten technische voorschriften: artikel 2 en artikel 3, inclusief bijlagen. Deze voorschriften hebben betrekking op emissies die vrijkomen tijdens het productieproces en niet op het eindproduct. Daarom zijn de bepalingen verenigbaar met het vrije verkeer van goederen. Aangezien het gaat om verplichtingen in OSPAR-kader zijn van de ontwerp-regeling geen significante handelsbelemmeringen te verwachten. De ontwerp-regeling behoeft derhalve niet te worden aangemeld bij het WTO-secretariaat.

Paragraaf 2

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

In OSPAR-Besluit 98/4 en daarmee ook in de regeling is een onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe bedrijven. Dit onderscheid is van belang voor het vaststellen van de datum waarop de bepalingen uit de regeling verplicht worden voor bedrijven.

De regeling is van toepassing op de productie van VCM en op de productie van 1,2-dichloorethaan (als grondstof voor VCM). Ook indien de 1,2-dichloorethaan-productie op een andere locatie plaatsvindt dan de VCM-productie is de regeling van toepassing op de
1,2-dichloorethaan-productie. In een dergelijke situatie zijn de grenswaarden in sommige gevallen anders geformuleerd (zie voetnoten 1,
2 en 3 in bijlage I).

De De productie van de bouwstenen van 1,2-dichloorethaan (chloor en etheen) en de productie van PVC vallen valt niet onder de reikwijdte van de regeling.

Artikel 2

Het tweede lid verwijst naar bepaaldaBijlage I welke de grenswaarden voor emissie uit puntbronnen naar de lucht bevat.zoals opgenomen in bijlage I opgenomen vanaf een bepaalde datum niet meer overschreden mogen worden. Het artikel vormt daarmee de kern van de Regeling. De emissiegrenswaarden zijnbetreffen de maximaal toegestane jaarlijkse gemiddelden uit puntbronnen.

In bijlage I wordt in de tweede kolom van de tabel het meetpunt aangegeven waarvoor de grenswaarde geldt.

Per specifiek bedrijf zal vastgesteld moeten worden welke gechloreerde koolwaterstoffen in ogenschouw genomen moeten worden bij het vaststellen of aan de grenswaarde voor gechloreerde koolwaterstoffen wordt voldaan. Het zou in ieder geval de koolwaterstoffen die in artikel 1 genoemd worden moeten betreffen. Als alternatief voor de parameter gechloreerde koolwaterstoffen, kan echter ook voor EOX (of AOX) gekozen worden (zie toelichting op bijlage I).

In het derde lid is overeenkomstig het OSPAR-Besluit bepaald dat niet via verdunning van de emissies naar de lucht het afvalwater aan de grenswaarden kan worden voldaan. Dit is overigens al algemeen aanvaard in Nederland. Of hier de NeR noemen waarin dit ook is opgenomen

Het vierde vijfde lid bepaalt dat diffuse emissies geminimaliseerd beperkt moeten worden. Er zijn diverse gebruikelijke procedures en maatregelen om diffuse emissies te beperken zoals good-housekeeping, zo min mogelijk flenzen enz. Minimalisering van diffuse emissies is mogelijk door beter onderhoud aan bestaande afdichtingen (good housekeeping) en preventieve maatregelen (apparatuur met minder afdichtingen en lekkages) bij nieuwbouw of vervanging. Voor een planmatige aanpak van controle en onderhoud van lekkages kan een beheersprogramma worden opgesteld. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de factsheet Lekverliezen Chemische Industrie (KWS2000 factsheet nr. 19, december 1994, verkrijgbaar bij het Informatiecentrum Milieuvergunningen, Den Haag) en van de Handreiking Lekverliezen (IPO, mei 1995, verkrijgbaar bij het InterProvinciaal Overleg, Den Haag), waarin een opzet wordt gegeven voor een dergelijk beheersprogramma.

Artikel 4

In het derde lid is voor het geval dat een bestaande inrichting zijn capaciteit aanzienlijk uitbreidt bepaald dat de artikelen 2 en 3 van toepassing zijn vanaf het moment van die uitbreiding. Een aanzienlijke uitbreiding is in ieder geval een uitbreiding die naar oordeel van het bevoegd gezag aanzienlijke negatieve gevolgen kan hebben voor de menselijke gezondheid of het milieu.

Bijlage I

Bijlage I geeft de grenswaarden voor emissies van VCM,
1,2-dichloorethaan, dioxines en waterstofchloride naar de lucht. De emissiegrenswaarden zijn de maximaal toegestane jaarlijkse gemiddelden in de rookgassen uit de verbrandingsinstallatie of apparatuur met een vergelijkbaar rendement.

Bijlage II

Bijlage II bevat de eisen waaraan voldaan moet worden bij het bemonsteren, meten en analyseren van de concentraties van vrachten. De voorgeschreven meetmethoden zijn in dergelijke gevallen gebruikelijk.

Punt 1 houdt in dat één of meerdere monsters genomen moeten worden die representatief zijn voor de emissie gedurende de periode van één uur. Hoe lang de feitelijke monstertijd dient te zijn hangt af van de vraag hoe lang men moet meten om een representatief monster te verkrijgen.

Op grond van punt 2 wordt de frequentie van meten en bemonsteren niet vastgelegd in de Regeling maar in de vergunning door het bevoegd gezag. Voor het vaststellen van het controleregime kan door het bevoegd gezag gebruik worden gemaakt van de Nederlandse emissierichtlijn Lucht (verkrijgbaar bij het Informatiecentrum Milieuvergunningen, Den Haag).

Van belang is het bBij de Europese norm voor dioxine analyse (NEN-EN
1948) in punt 4 moet worden uitgegaan uit te gaan van de meest recente versie.(of een specifieke versie uit een bepaald jaar)
Blijkens het vierde lid van artikel 4 wordt de frequentie van meten en bemonsteren niet in de Regeling maar in de vergunning vastgelegd door het bevoegd gezag. Hiermee wordt ruimte geboden voor het vaststellen van jaarlijkse gemiddelden.

Punt 6 geeft aan dat kwantificering van diffuse emissies met een toereikende methode dient te gebeuren. De tracergasmethode is in ieder geval een toereikende methode.

De Minister van Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.P. Pronk

Copyright Tweede Kamer der Staten Generaal

Deel: ' Brief VROM over regeling grenswaarde VCM-luchtemissies '




Lees ook