Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

Den Haag

Directie Personenverkeer, Migratie en Consulaire Zaken

Afdeling Consulair Maatschappelijke Zaken

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 20 januari 1999
Kenmerk DPC/CM/P-9901/sp
Blad /1
Bijlage(n) 1
Betreft Beantwoording vragen van de leden

Vos en Halsema over een gevangene in Venezuela

Zeer geachte Voorzitter,

Onder verwijzing naar de brief van de Griffier Uwer Kamer d.d. 8 januari 1999, kenmerk 2989905520, waarbij gevoegd waren de door de leden Vos en Halsema overeenkomstig artikel 134 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer bij U ingediende vragen, heb ik de eer U, mede namens mijn ambtgenoot van Justitie, als bijlage dezes het antwoord op de gestelde vragen te doen toekomen.

De Minister van Buitenlandse Zaken,

_________________________________________________________________

Antwoord van de Minister van Buitenlandse Zaken mede namens de Minister van Justitie op vragen van de leden Vos en Halsema

Vraag 1

Kent u het artikel Overleven in Venezolaanse gevangenisjungle ?

Antwoord:

Ja, het artikel uit NRC Handelsblad d.d. 4 januari
1999 over schrijnende toestanden in Venezolaanse gevangenissen is mij bekend.

Vraag 2

Zal de daarin genoemde Philip nog geruime tijd in de Venezolaanse gevangenis moeten verblijven, omdat er stagnaties optreden op het Ministerie van Justitie en de WOTS-procedure nog niet is aangevangen ?

Antwoord:

De in het artikel opgevoerde "Philip" werd op


20 januari 1997 in Venezuela gearresteerd en is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 jaar. Op 1 juli 1998 is in werking getreden hetverdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Venezuela. Door tussenkomst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft daarna een aantal Nederlanders de wens kenbaar gemaakt om te worden overgebracht naar Nederland om alhier de hun in Venezuela opgelegde vrijheidsstraf verder te ondergaan. Onder hen bevond zich ook de genoemde "Philip". Naar aanleiding hiervan heeft de Minister van Justitie bij brief van


28 september 1998 de Venezolaanse Minister van Justitie verzocht de formele procedure voor overbrenging in gang te zetten door de in het verdrag vereiste documenten op basis waarvan over een overbrenging kan worden beslist, over te leggen.
_________________________________________________________________

Met betrekking tot zes andere personen zijn deze documenten verstrekt en is de procedure thans zo ver gevorderd dat deze personen naar verwachting op korte termijn zullen worden overgebracht. Met betrekking tot de genoemde "Philip", evenals trouwens met betrekking tot de in het artikel genoemde J.L., heeft het Ministerie van Justitie, ondanks inspanningen terzake van de Nederlandse ambassade in Venezuela, nog geen documenten van de Venezolaanse autoriteiten ontvangen. Gelet op de in het bilaterale verdrag tussen Nederland en Venezuela gestelde vereisten stagneert hierdoor de procedure tot overbrenging naar Nederland.

Vraag 3

Deelt u de mening dat, zeker gelet op de omstandigheden in de Venezolaanse gevangenissen, de uiterste spoed zou moeten worden betracht om deze procedure te doorlopen? Bent u bereid dit te bevorderen ?

Antwoord:

Ja, gelet op de schrijnende situatie in de Venezolaanse gevangenissen deel ik uw mening dat een snelle afwikkeling van de WOTS-procedure gewenst is. Verzoeken tot overbrenging van in Venezuela gedetineerde Nederlanders zullen met spoed in behandeling worden genomen. Daarbij dienen wel de eisen die het verdrag en de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen stelt, in acht genomen te worden.

Deel: ' Buitenlandse Zaken en Justitie over gevangene in Venezuela '




Lees ook