Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

's Gravenhage
Directie Integratie Europa

Sociaal-Economische Financiële Aangelegenheden

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 3 februari 1999
Kenmerk 108/99
Blad /4
Bijlage(n) *
Betreft Kamervragen over de keuze van de Voorzitter van de Europese Commissie

Zeer geachte Voorzitter,

Onder verwijzing naar de brief van de Griffier Uwer Kamer, d.d. 1 februari 1999, kenmerk 2989906790, waarbij gevoegd waren de door de leden De Graaf en Scheltema-de Nie (beiden D66) overeenkomstig artikel
134 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer bij U ingediende vragen, heb ik de eer U als bijlage dezes het antwoord op de gestelde vragen te doen toekomen.

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

_________________________________________________________________


2989906790

Vragen van de leden De Graaf en Scheltema-de Nie (beiden D66) aan de minister van Buitenlandse Zaken over de keuze van de Voorzitter van de Europese Commissie. (Ingezonden 29 januari 1999)

Vraag 1:

Hebt u de uitspraak gedaan dat het geen probleem is dat de staats- en regeringsleiders voor de Europese verkiezingen de Voorzitter van de Europese Commissie aanwijzen?

Antwoord 1:

Ja

Vraag 2:

Zo ja, acht u deze uitspraak een bijdrage aan de versterking van de Europese democratie?

Antwoord 2:

De versterking van de Europese democratie is met mijn uitspraken over het tijdstip van de voordracht van een kandidaat-voorzitter van de Commissie niet in het geding. Aan de orde is de procedure die het Verdrag voorschrijft voor benoeming van de nieuwe voorzitter van de Commissie. Deze procedure begint met een voordracht van een persoon door de regeringen van de lidstaten. Het tijdstip van de voordracht kan in de te volgen procedure geen verandering brengen.
_________________________________________________________________

Vraag 3:

Acht u uit democratisch perspectief en voor het draagvlak onder de Europese burger een betrokkenheid van het Europees Parlement bij de benoeming van de Voorzitter en leden van de Europese Commissie van belang?

Antwoord 3:

Ja, de Nederlandse regering hecht groot belang aan de betrokkenheid van het Europees Parlement bij de benoeming van de Voorzitter en de leden van de Commissie. Door het Verdrag van Amsterdam dat naar verwachting binnenkort in werking treedt, heeft het Europees Parlement een vergaande invloed op de benoeming van de voorzitter van de Commissie. Het nieuwe artikel 158 EG bepaalt onder meer dat de regeringen van de lidstaten in onderlinge overeenstemming de persoon voordragen die zij voornemens zijn tot voorzitter van de Commissie te benoemen. De voordracht kan alleen tot een benoeming leiden indien de voordracht door het Europees Parlement wordt goedgekeurd. Tot nu toe werd het Europees Parlement alleen over de voordracht van de kandidaat-voorzitter geraadpleegd.

Vraag 4:

Hoe verhoudt uw uitspraak zich met de positieve reactie van de regering tijdens de laatste Algemene Politieke Beschouwingen op het voorstel dat een aantal vooraanstaande Europeanen, onder leiding van Jacques Delors, heeft gedaan om de Europese democratie te versterken door de Europese politieke bewegingen in de campagnes voor de Europese verkiezingen kandidaten voor het voorzitterschap van de Commissie te laten presenteren?

Antwoord 4:

De regering wijst erop dat het voorstel van de heer Delors en andere vooraanstaande Europeanen in de eerste plaats is gericht aan de Europese politieke bewegingen. Zij worden opgeroepen kandidaten voor de functie van Commissievoorzitter naar voren teschuiven. Dit laat onverlet dat de regering dit voorstel van de heer Delors een belangrijke en inspirerende bijdrage aan het debat over de verbetering van de Europese democratie vindt. In de discussies over de verdere institutionele hervormingen, waarover nog voor de uitbreiding van de Unie besluiten moeten worden genomen, zal de regering zich inspannen voor vergroting van de democratische controle en versterking van de positie van het Europees Parlement.

Vraag 5:

Bent u bereid daadwerkelijke betrokkenheid van het Europees Parlement te bevorderen, bijvoorbeeld door de aanwijzing van de Commissievoorzitter te doen plaatsvinden nadat het Europees Parlement in nieuwe samenstelling bijeen is gekomen?

Antwoord 5:

De benoeming van de voorzitter van de Commissie moet plaatsvinden volgens de voorschriften van het hierboven beschreven artikel 158 EG. Dit betekent dat de voorgedragen Commissievoorzitter alleen kan worden benoemd indien de voordracht door het Europees Parlement is goedgekeurd. Gezien de datum van de verkiezingen van het Europees Parlement (10-13 juni 1999) zal het Europese Parlement in nieuwe samenstelling zich over de voordracht buigen.

In een latere fase, als de overige leden van de Commissie ook zijn voorgedragen, zal het Europees Parlement zijn goedkeuring moeten geven over de voorgedragen leden van de Commissie als college. Pas na de goedkeuring door het Europees Parlement kunnen de lidstaten in onderlinge overeenstemming de voorzitter en de leden van de toekomstige Commissie formeel benoemen.

Deel: ' Buitenlandse Zaken over keuze voorzitter Europese Commissie '




Lees ook