Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

's Gravenhage
Directie Integratie Europa

Sociaal-Economische en Financiële Aangelegenheden

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 15 januari 1999
Kenmerk DIE/SF-032/99
Blad /6
Bijlage(n)
Betreft Kamervragen over het (vermeende) ontslag van een Nederlandse ambtenaar bij de Europese Unie

Zeer geachte Voorzitter,

Onder verwijzing naar de brief van de Griffier Uwer Kamer, d.d. 8 januari 1999, kenmerk 2989905410, waarbij gevoegd waren de door het lid Marijnissen overeenkomstig artikel 134 van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer bij U ingediende vragen, heb ik de eer U als bijlage dezes het antwoord op de gestelde vragen te doen toekomen.

DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN

_________________________________________________________________

Beantwoording van de vragen van het lid Marijnissen (SP) over het (vermeende) ontslag van een Nederlandse ambtenaar bij de Europese Unie

Vraag 1:

Hebt u kennisgenomen van de berichten over het ontslag van de Nederlandse ambtenaar bij de Europese Commissie, Paul van Buitenen, naar aanleiding van zijn brief van 9 december jl. aan het Europees Parlement?

Antwoord 1:

Ja, met dien verstande dat de heer van Buitenen niet ontslagen is.

Vraag 2:

Wat vindt u van de inhoud van zijn brief? Wat vindt u van zijn ontslag?

Antwoord 2:

De misstanden die door de heer van Buitenen gesignaleerd zijn dienen, indien de informatie nieuwe feiten naar boven brengt, een gedegen follow-up te krijgen. De Commissie is evenwel gerechtigd conform het Statuut (met de verordeningen en regelingen van toepassing op de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen) een disciplinaire procedure te starten en de heer van Buitenen hangende deze procedure te schorsen. Aldus is geschied op 16 december jongstleden. De Commissie meent dat de heer van Buitenen niet gehandeld heeft conform de verplichtingen die voortvloeien uit het Statuut en in het bijzonder de plicht tot vertrouwelijkheid. De disciplinaire raad ('tuchtraad') dient binnen vier maanden een oordeel te vellen over deze kwestie en kan dan besluiten over te gaan tot een disciplinaire maatregel waarvan ontslag de zwaarste is. Vervolgens heeft de heer van Buitenende mogelijkheid de eventueel voor hem nadelige uitspraak aan te vechten bij het gerecht van eerste aanleg van het Hof van Justitie. Het definitieve oordeel over deze kwestie is dan aan de rechter.

Vraag 3: zie bij vraag 7

Vraag 4:

Deelt u zijn opvatting dat er sprake is van onvoldoende onafhankelijke controle naar de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de uitgaven van de Europese Commissie? Zo neen, waarom niet? Zo ja, wat moet er naar uw idee dan gebeuren?

Antwoord 4:

Neen. De Europese Rekenkamer is als onafhankelijke instelling verantwoordelijk voor het verrichten van de externe controle op de besteding van de Europese Middelen. De Europese Rekenkamer onderzoekt de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen. Zij dient ook na te gaan of een goed financieel beheer is gevoerd
(doelmatigheidsonderzoek).

De interne controle van de besteding van de Europese Middelen ligt bij het Directoraat-Generaal Financiële controle (DG XX) waar de heer van Buitenen sinds 1 januari 1998 werkzaam is.

Daarnaast is de fraudebestrijdings-eenheid van de Commissie, UCLAF (Unité de Coordination de la Lutte Anti-Fraude) verantwoordelijk voor het onderzoek naar fraude in de Commissie en in de lidstaten. Op deze laatste dienst is veel kritiek geuit aangezien deze fraudebestrijdingseenheid rechtstreeks onder de Commissie valt en als zodanig partijdig zou kunnen zijn.De Commissie heeft echter inmiddels een voorstel ingediend om elke schijn van partijdigheid te voorkomen, namelijk de oprichting van een nieuw bureau met de naam OLAF (Office de la recherche pour la Lutte Anti-Fraude). Dit bureau zou een onafhankelijke status genieten. Het Commissievoorstel zal dit voorjaar in een groep op hoog niveau met vertegenwoordigers van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie besproken worden. Voor meer informatie over het laatste onderwerp wordt U verwezen naar mijn antwoorden van 23 december jl. op de kamervragen van de leden Hessing en Weekers (kenmerk 2899904680). Tevens wijs ik reeds op de brief die u binnenkort van mijn collega Zalm zult ontvangen met de kabinetsreactie op het jaarverslag van 1997 van de Europese Rekenkamer. In deze brief wordt tevens ingegaan op UCLAF en OLAF.

Vraag 5:

Wat is uw oordeel over het feit dat aan de ene kant het Europese Rekenhof zijn waardering uitspreekt over de rapporten van Buitenen en aan de andere kant de Europese Commissie toch tot ontslag van deze man overgaat?

Antwoord 5:

De Europese Rekenkamer heeft niet officieel gereageerd op deze aangelegenheid.

Vraag 6:

Vindt u het terecht dat Europese ambtenaren in tegenstelling tot hun collega's in de lidstaten geen recht hebben te spreken anders dan in de richting van hun directe superieuren?

Antwoord 6:

Uit de strekking van onder meer artikel 21 van het Statuut van Europese ambtenaren blijkt dat niet algemeen gesteld kan worden dat Europese ambtenaren, anders dan hun collega's in de lidstaten, zich uitsluitend zouden hebben te verantwoorden jegens hun superieuren. Met name ingeval naar hun oordeel sprake is van ontoelaatbare normovertredingen hebben ook zij een verantwoordelijkheid om daaraan, met inachtneming van de discretie die vereist is en indien geen andere wegen kunnen worden bewandeld, openbaring te geven. Deze vorm van meningsuiting verdient, mits op een correcte wijze toegepast, hetgeen doorgaans pas achteraf kan worden vastgesteld, een zekere bescherming.

Nederland kan ten algemene niet beoordelen in hoeverre de maatstaven die de Commissie in de praktijk hanteert, overeenstemmen met die welke binnen de openbare dienst van de lidstaten gelden.

Vraag 3 en 7:


- Wat vindt u van de door van Buitenen geuite kritiek dat de Europese Commissie niet adequaat reageert op controlerapporten van haar eigen controleurs over financiële en andere onregelmatigheden?


- Deelt u de opvatting dat de Europese Commissie al veel te vaak in verband is gebracht met fraude en dat het daarom - mede gezien het feit dat het hier gaat om geld van de belastingbetaler - hoog tijd wordt dat er orde op zaken worden gesteld? Zo ja, wat zijn in dit verband de voorstellen van de Nederlandse regering?

Antwoorden 3 en 7:

De Regering vindt het van groot belang, zowel voor de Commissie als voor het Europese draagvlak, dat de gevallen van onregelmatigheden en mogelijke fraude waarmee de Commissie in verband wordt gebracht tot op de bodem worden uitgezocht. Bij gebleken onregelmatigheden moet inderdaad voortvarend opgetreden worden. Het is nog niet duidelijk of de informatie die de heer van Buitenen heeft vrijgegeven, aanleiding zou geven tot een nader diepgaand onderzoek. De Europese Rekenkamer heeft het rapport van de heer van Buitenen in haar bezit. Het is nog onduidelijk of de Europese Rekenkamer met een oordeel over de verstrekte gegevens zal komen. Het lijkt mij verstandig te wachten op het eventuele oordeel van deze onafhankelijke controleur.

Overigens heeft de Commissie de laatste jaren niet stilgezeten. In het kader van de lopende SEM-2000 operatie (Sound Efficient Financial Management) heeft de Commissie plannen voor de verbeteringen op financieel beheersmatig vlak voortvarend ter hand genomen. Daarnaast streeft de Commissie naar een beter en vooral transparanter personeelsbeheer (o.a. gedragscode, regels betreffende interne en externe benoemingen). Tenslotte is het zeker dat het vertrouwensdebat van 12 tot 14 januari jl. in het Europees Parlement een vervolg krijgt. De Commissie heeft weliswaar de motie van afkeuring overleefd maar op instigatie van het Europees Parlement moeten wel verschillende activiteiten ondernomen worden. Zo zal een groep van onafhankelijke experts onderzoek verrichten naar de manier waarop de Commissie omgaat met fraude, nepotisme en mismanagement. Dit onderzoek dientop 15 maart afgerond te zijn. De Commissie dient ook niet later dan 15 maart met voorstellen te komen om haar administratieve cultuur aan te passen. Hierin zal ook meegenomen worden hoe het Europees Parlement nauw bij dit proces betrokken kan worden terwijl een en ander tevens van een duidelijk tijdpad moet worden voorzien. Voorts is het voorstel van de Voorzitter van de Raad, Bondskanselier Schròder, overgenomen om een groep op hoog niveau samen te stellen met vertegenwoordigers van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie om het voorstel van de Commissie te bespreken voor een onafhankelijk fraude-onderzoeksbureau OLAF. De Regering steunt deze activiteiten.

De Regering zal op haar beurt zich ervoor blijven inzetten dat goed invulling wordt gegeven aan de taken die Nederland op het terrein van de fraudebestrijding heeft. In dat verband zij ook gewezen op de hiervoor al genoemde brief die u binnenkort van mijn collega Zalm zult ontvangen.

Deel: ' Buitenlandse Zaken over ontslag van Nederlandse ambtenaar EU '




Lees ook