Ministerie van Buitenlandse Zaken

https://www.minbuza.nl/content.asp?Key=421692


---


1 Inleiding

---

Dit bericht bevat, aansluitend op het ambtsbericht van 30 augustus 2000, een beschrijving van de recente ontwikkelingen in Iran, bijgewerkt tot augustus 2001. Tevens wordt aandacht geschonken aan een aantal specifieke deelonderwerpen, voorzover van belang voor de beoordeling van asielverzoeken en voor de beoordeling van de vraag of terugkeer van uitgeprocedeerde afgewezen asielzoekers verantwoord is.

In hoofdstuk twee worden recente politieke ontwikkelingen geschetst. Hoofdstuk drie beschrijft de mensenrechtensituatie in Iran, waarbij onder meer wordt ingegaan op het geruchtmakende proces tegen deelnemers aan een conferentie te Berlijn en het eveneens opmerkelijke proces tegen medewerkers van het ministerie van Informatie die betrokken zijn bij een vijftal moorden op intellectuelen. Hoofdstuk vier gaat ten slotte in op de landen van eerste opvang en het beleid van andere westerse landen en UNHCR met betrekking tot terugkeer van uitgeprocedeerde afgewezen asielzoekers. Het ambtsbericht wordt afgesloten met een samenvatting in hoofdstuk vijf.

Voor het opstellen van deze actualisering is gebruik gemaakt van informatie uit het contacten-netwerk van de Nederlandse ambassade te Teheran en van rapportages van andere landen, VN-organisaties en non-gouvernementele organisaties. Daarnaast is geput uit berichten in de Iraanse pers. Een overzicht van de gebruikte openbare bronnen is opgenomen in de literatuurbijlage.


2 Landeninformatie

---

2.1 Politieke ontwikkelingen

---
De politieke situatie in Iran blijft gekenmerkt door de rivaliteit tussen het conservatief-religieuze establishment enerzijds en hervormingsgezinden anderzijds. De recente ontwikkelingen laten zien dat de behoudende krachten in de Iraanse samenleving in staat zijn geweest hervormingen, zoals voorgestaan door het parlement (Majlis), te frustreren. Anderzijds heeft de bevolking zich met de eclatante herverkiezing van president Khatami in juni 2001 wederom ondubbelzinnig voor hervorming van de Iraanse samenleving uitgesproken.

Na de grote overwinning van de hervormingsgezinden bij de parlementsverkiezingen van februari 2000 waren de verwachtingen hoog gespannen . De conservatieven leken zich neer te leggen bij de wens van het overgrote deel van de bevolking om hervormingen door te voeren. Het afgelopen jaar hebben de conservatieven echter laten zien dat zij niet van zins zijn in te stemmen met hervormingen die op termijn hun machtspositie zouden ondergraven. De kracht van het conservatieve tegenoffensief na het verlies bij de parlementsverkiezingen heeft velen verrast.

Verworvenheden die tot stand kwamen onder de regering Khatami, met name de verruiming van de persvrijheid en vrijheid van meningsuiting, worden stelselmatig teniet gedaan door ingrepen van conservatieve zijde. Deze weten door hun invloed op de rechterlijke macht, leger en politie en de Raad van Hoeders (Guardian Council) de hervormingen te blokkeren . De hervormingsbeweging lijkt in een staat van verwarring en wordt daarbij geplaagd door gebrek aan eensgezindheid en leiderschap.

De grenzen van het democratiseringsproces werden duidelijk zichtbaar toen de Geestelijk Leider intervenieerde en het initiatief van het nieuw gekozen parlement tegenhield om de perswet te amenderen. Belangrijke hervormingsgezinde wetten die door de Majlis waren aangenomen zijn het afgelopen jaar door de Raad van Hoeders verworpen .

De verwarring onder hervormingsgezinden nam verder toe door het verloop van het proces tegen de Iraanse journalisten en intellectuelen die in april 2000 deelnamen aan een conferentie in Berlijn over de toekomst van Iran. Op 13 januari 2001 werden elf van hen veroordeeld tot (voorwaardelijke) gevangenisstraffen. Een aantal van hen hangt nog een vonnis van een andere rechtbank boven het hoofd. Zo is een dissidente geestelijke door de Speciale Rechtbank voor de Geestelijkheid onder meer berecht wegens afvalligheid van de islam .

Op 28 januari 2001 werd uitspraak gedaan in de rechtszaak tegen de daders van de moord op een vijftal schrijvers en intellectuelen eind 1998 . Het feit dat het in deze zaak tot een gerechtelijk onderzoek en een proces kwam, werd algemeen gezien als een succes voor Khatami. De daders bleken allen werkzaam te zijn op het ministerie van Informatie dat onder de controle staat van de conservatieven. Hierdoor werd het conservatief-religieuze establishment in een lastig parket gebracht, te meer omdat ex-president Rafsanjani en enkele andere hoge functionarissen van het ministerie van Informatie met deze zaak in verband werden gebracht. Het proces, dat zich achter gesloten deuren voltrok, eindigde voor de hoofdverdachten in drie doodvonnissen en vijf veroordelingen tot levenslange gevangenisstraf. Mede omdat het proces zich achter gesloten deuren voltrok, leefde bij buitenlandse waarnemers het vermoeden dat hogere echelons buiten schot zijn gebleven.

De inspanningen van de conservatieven om prominente medestanders van Khatami opzij te zetten, verlopen volgens een herkenbaar patroon. Zo werd in 1998 de populaire burgemeester van Teheran, Karbashi, gedwongen het veld te ruimen en volgde in 1999 het gedwongen vertrek van de minister van Binnenlandse Zaken, Nouri. Daarna, in december 2000, moest Khatami de populaire minister van Cultuur en 'Islamic Guidance' Mohajerani laten vertrekken . De conservatieven richtten hun pijlen vervolgens op vice-minister van Binnenlandse Zaken Tajzadeh. Deze werd ervan beschuldigd fraude te hebben gepleegd bij het tellen van de stemmen bij de parlementsverkiezingen vorig jaar. Tajzadeh, die onder meer belast was met het toezicht op de presidentsverkiezingen, trad af nadat op 3 mei 2001 aan hem een 'beroepsverbod' van dertig maanden was opgelegd .

In de aanloop naar de presidentsverkiezingen van juni 2001 liep de politieke spanning in het land op. President Khatami zag zich genoodzaakt zijn gebruikelijke stilzwijgen te verbreken. Hij beklaagde zich reeds eind 2000 erover als president te weinig bevoegdheden te hebben om de grondwet ten uitvoer te leggen. Thans geeft hij in toenemende mate publiekelijk blijk van zijn ongenoegen over de situatie in Iran, zij het dat zijn kritiek in milde bewoordingen is vervat.

Prominente leden van het parlement, onder wie de broer van de president, leveren daarentegen fellere kritiek en komen in het geweer tegen uitspraken van de Raad van Hoeders en de rechterlijke macht.

Na lang aarzelen besloot president Khatami zich in mei 2001 toch kandidaat te stellen voor de presidentverkiezingen van 8 juni 2001. Een gemêleerd gezelschap van ruim 800 personen stelde zich beschikbaar voor het presidentschap. Na schifting door de Raad van Hoeders bleven tien kandidaten over. Onder hen bevond zich geen enkele vrouw. Geen van de overgebleven kandidaten maakte kans tegen de populaire president Khatami . De opkomst was redelijk hoog, alhoewel lager dan in 1997 (67% tegenover 83%), maar het percentage dat voor de zittende president stemde was hoger dan vier jaar geleden (77% tegenover 69%) . De president heeft door tegenwerking van conservatief-religieuze zijde en verdeeldheid onder de hervormingsgezinden in zijn eerste ambtsperiode weinig van zijn beloften waar kunnen maken. Toch heeft het overwegend jonge electoraat zijn hoop wederom op hem gevestigd om meer vrijheid en economisch perspectief onder de bevolking te brengen.

Ondanks Khatami's overweldigende overwinning moet ook bij het komende hervormingsproces rekening worden gehouden met voortdurende tegenwerking van conservatieve zijde via machtscentra als leger, politie, rechterlijke macht en de Raad der Hoeders. Het valt niet te voorspellen in hoeverre de president in een tweede termijn zal slagen de negatieve tendensen van het laatste jaar (zoals de onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting en de ontslagen, arrestaties en berechting van hervormingsgezinden) om te buigen, de beginselen van de rechtsstaat in Iran te vestigen en respect voor de mensenrechten te verzekeren.

2.2 Sociaal-economische situatie

---
Belangrijke eerste levensbehoeften zoals basisvoedsel en benzine worden sterk gesubsidieerd, net als woningbouw, gezondheidszorg en onderwijsvoorzieningen. Desalniettemin is het reële inkomen afgenomen als gevolg van inflatie, beperkte salarisverhogingen, gebrek aan werkgelegenheid en het reduceren van subsidies op een aantal basisproducten. In de Iraanse media worden voorbeelden te over gegeven van de slechte sociaal-economische situatie en de daar uit voortvloeiende sociale onrust .

De werkloosheid vormt het grootste economische en sociale probleem in Iran. Indien verborgen werkloosheid wordt meegerekend ligt het percentage rond de 25%. De werkloosheid onder jongeren (60% van de bevolking is jonger dan 25 jaar) ligt nog hoger .

Mede omdat voor jonge mensen weinig vertier te vinden is in Iran, hebben zij steeds meer moeite slechte vooruitzichten te accepteren. Voor hen lijken deze sombere economische toekomstperspectieven van meer belang te zijn dan het uitdragen van de ideologie van de revolutie. Ook de vele openbare geselingen van jongeren die alcohol hebben gedronken of op party's gemengd hebben gedanst (zie paragraaf 3.4.7 Mishandeling/foltering onder 'openbare geseling'), dragen in niet geringe mate bij aan de onvrede onder de Iraanse jeugd. Een toenemend aantal jongeren probeert dan ook Iran te verlaten, zoekt troost in drugs of neemt, ondanks het gevaar van strenge straffen, zijn toevlucht tot criminaliteit. Hoger opgeleiden zoeken niet zelden hun toekomst buiten Iran. De 'brain drain', waarvan al sinds de revolutie van 1979 sprake is, neemt niet af. In het parlement en de Iraanse media wordt hevig gediscussieerd over de oorzaken van de 'brain drain' .

2.3 Samenvatting

---
De machtsstrijd tussen de conservatieven en hervormingsgezinden over de toekomst van de Islamitische Republiek Iran heeft zich de afgelopen periode voortgezet. De klinkende overwinning van de zittende president Khatami bij de presidentsverkiezingen van juni 2001 heeft wederom duidelijk gemaakt dat de bevolking naar veranderingen en vrijheden uitziet. De Iraanse bevolking heeft zich nu al bij vier achtereenvolgende verkiezingen (presidents-, gemeenteraad-, parlements- en presidentsverkiezingen) met overweldigende steun voor het hervormingsproces uitgesproken.

Het hervormingsproces heeft evenwel niet voldaan aan de verwachtingen die werden gekoesterd ten tijde van het aantreden van president Khatami. Aanvankelijke verworvenheden, zoals de verruiming van de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting, zijn teruggedraaid. De conservatieven gebruiken de rechterlijke macht, leger, politie en de Raad van Hoeders om hervormingen te blokkeren. President Khatami laveert uiterst behoedzaam.


3 Mensenrechten

---

3.1 Inleiding

---
Ook de afgelopen periode bleef de mensenrechtensituatie in Iran reden tot zorg geven. Pogingen tot verbetering te komen leverden weinig op, hetgeen nauw verband houdt met de voortdurende rivaliteit tussen hervormingsgezinde en conservatieve krachten in de Iraanse samenleving. Deze laatste weten door hun invloed op de rechterlijke macht, leger en politie en de Raad van Hoeders hervormingspogingen te blokkeren.

De Speciale Vertegenwoordiger van de VN-Mensenrechtencommissie inzake de mensenrechtensituatie in Iran, Maurice Copithorne, wordt sedert 1996 de toegang tot Iran ontzegd. Hij constateerde in zijn interim-rapport van 8 september 2000 dat de vooruitgang op mensenrechtengebied in de voorgaande jaren gedeeltelijk ongedaan is gemaakt door recente negatieve ontwikkelingen . De Speciale Vertegenwoordiger heeft concrete aanbevelingen gedaan voor verbetering van de mensenrechtensituatie op menig terrein, allereerst dat van de vrijheid van meningsuiting. Zijn rapport van 16 januari 2001 werd tijdens de 57ste zitting van de VN-Mensenrechtencommissie behandeld . Op basis van dit rapport is bovengenoemde resolutie ten aanzien van de mensenrechtensituatie in Iran aangenomen. Het mandaat van de Speciale Vertegenwoordiger is wederom met een jaar verlengd. De mensenrechtensituatie in Iran werd in april 2001, op initiatief van de Europese Unie, evenals in voorgaande jaren per resolutie veroordeeld door de VN-mensenrechtencommissie (57 zitting) . In de resolutie wordt bezorgdheid uitgesproken over de 'still unsatisfactory compliance with international standards in the administration of justice and the absence of due process of law and the use of national security laws to deny the rights of the individual'. Aan de andere kant verwelkomt de resolutie 'improvements in the field of women's education, health and democratic participation'.

De positie van vrouwen in Iran is de afgelopen jaren licht verbeterd. Zo is de deelname van vrouwen aan het openbare leven toegenomen en zijn kleding- en gedragsnormen voor hen versoepeld. Echter, verdergaande wetsvoorstellen van het parlement om de positie van vrouwen te verbeteren, bijvoorbeeld om de huwbare leeftijd van meisjes van negen tot veertien jaar te verhogen, werden recentelijk door de Raad van Hoeders afgewezen .

Iran voldoet op een aantal terreinen niet aan de minimale voorwaarden voor een rechtsstaat . Met de reorganisatie van de rechterlijke macht, waartoe de hervormingsgezinden keer op keer oproepen, is nog geen begin gemaakt. Hoewel in de grondwet staat dat de rechterlijke macht onafhankelijk is, behartigt het justitiële apparaat in de praktijk de politieke belangen van de conservatieve geestelijkheid. De fundamentele rechten van verdachten worden dikwijls niet gerespecteerd en er is geen rechtszekerheid.

De rechtshulp is enigszins verbeterd en een aantal rechtszaken dat eerder achter gesloten deuren zou plaatsvinden, vindt thans in het openbaar plaats, zoals het proces tegen de zogenaamde 'Berlijngangers' .

De inmenging door de overheid in het leven van alledag, die sedert medio 1997 enigszins was beperkt, is recentelijk weer aangescherpt. Wegversperringen verschijnen in toenemende mate, particuliere feestjes worden verstoord en de controle op het (verboden) bezit van satellietschotels en decoders is verscherpt. Deze inbreuken op de persoonlijke levenssfeer dragen bij tot een gevoel van intimidatie .

In de tweede helft van het jaar 2000 en de eerste maanden van 2001 is de mensen- rechtensituatie in Iran duidelijk verslechterd. Het aantal hervormingsgezinde dagbladen en tijdschriften dat als gevolg van de op 18 april 2000 ingevoerde, restrictieve Perswet moest sluiten, is inmiddels de 35 gepasseerd. Uitgevers en hoofdredacteuren werden voor de rechter gedaagd, kregen gevangenisstraf, al dan niet voorwaardelijk, geldboetes en beroepsverboden en zagen hun vergunningen ingetrokken, terwijl zo'n 25 journalisten daadwerkelijk in de gevangenis belandden, sommigen voor jaren .

De vervolging van hervormingsgezinde intellectuelen heeft zich de afgelopen periode onverminderd voortgezet. Niet alleen de deelnemers aan de Conferentie van Berlijn (7- 9 april 2000) moesten het ontgelden . De afgelopen maanden heeft de geestelijkheid haar pijlen vooral gericht op de zogenaamde 'nationalistisch-religieuzen' die minder invloed van de geestelijkheid wensen in de dagelijkse gang van zaken in het land, met name op de terreinen van justitie, politie en de wetgevende macht. Het gaat hierbij om een stroming in de Iraanse politiek en niet zozeer om een groepering.

Veel aanhangers van president Khatami hebben kritiek op de politieke invulling van het ambt van Velayat-e Fakih (heerschappij van de religieuze rechtsgeleerde) door de huidige Geestelijk Leider Khamenei, waardoor zij zich verbonden weten met de 'nationalistisch-religieuzen'. Deze laatsten worden door het huidige regime thans als staatsgevaarlijk beschouwd. De arrestatie van 21 leden en sympathisanten van de nationalistisch-religieuze Iran Freedom Movement (IFM), ook wel LMI-liberation movement of Iran of in het Perzisch Nehzat-e Azadi-ye Iran genoemd, op 11 maart 2001 en een totaalverbod op alle activiteiten van deze beweging op 18 maart 2001 getuigen daarvan . De activiteiten van de IFM werden de afgelopen jaren gedoogd. Officiële registratie werd de beweging echter onthouden. Sinds kort wordt de beweging tegengeworpen dat zij zou trachten het bewind omver te werpen . In juli 2001 waren tenminste zestig leden en sympathisanten van de IFM, alsmede acht familieleden en aanhangers van Grand Ayatollah Montazeri gedetineerd in geheime gevangenissen.

Ofschoon er tot voor kort van werd uitgegaan dat zich nog enige honderden studenten, die zijn gearresteerd na de demonstraties van juli 1999, achter de tralies bevinden, lijkt dit beeld te moeten worden bijgesteld. Op 8 en 9 juli 2001 verschenen berichten in de pers die wisten te melden, dat de Voorzitter van het Parlement, Mehdi Karroubi, schriftelijk aan Geestelijk Leider Khamenei zou hebben gevraagd de laatste 17 studenten die nog in de gevangenis zitten naar aanleiding van bedoelde studentenopstand, amnestie te verlenen. Een bij de Ambassade bekende, doorgaans welingelichte, bron meende te weten dat er nog slechts tien studenten uit deze groep, de allerzwaarst gestraften, gedetineerd zijn. Recentelijk staan vooral leden en sympathisanten van de studentenvakbond Daftar-e Tahkim-e Vahdat(Office for Consolidating Unity, OCU) in de negatieve belangstelling van het regime, hetgeen is gebleken uit het optreden van de politie tegen deze groepering in Khorramabad (augustus 2000) en uit recente arrestaties . Onder OCU-leden zouden zich veel aanhangers bevinden van de eerdergenoemde nationalistisch-religieuze beweging.

Naast studenten, uitgevers en journalisten moesten ook zes parlementsleden zich de afgelopen maanden voor de rechtbank verantwoorden voor hun uitspraken of vragen, nota bene gedaan of gesteld binnen de Majlis en in het kader van hun functieuitoefening. Met name kritiek op het functioneren van het gerechtelijk apparaat leidde al vlot tot een dagvaarding. In één geval werd een Majlis-lid zelfs tot dertien maanden gevangenisstraf veroordeeld .

Hervormingsgezinde parlementsleden hebben zich het afgelopen jaar ingespannen voor verbetering van de mensenrechtensituatie. Onderzoekscommissies van de Majlis inspecteerden gevangenissen en bezochten politieke gedetineerden, onderzochten de gang van zaken bij demonstraties, zoals die in Khorramabad in augustus 2000, hoorden klachten aan van individuele familieleden van gedetineerde journalisten en uitten in rapporten kritiek op de rechterlijke macht. Groepen van honderd tot honderdvijftig hervormingsgezinde parlementsleden vroegen in petities en brieven om opheldering over de procesgang bij zaken als die van de 'seriemoorden' of bij de rechtszaak tegen de vice-minister van Binnenlandse Zaken Tajzadeh . Al deze acties leverden evenwel nagenoeg geen resultaat op en leidden zelfs tot de uitspraak, gedaan in een brief van het hoofd van de rechterlijke macht van Teheran aan de voorzitter van de Majlis, dat parlementsleden slechts woordvoerders lijken te zijn van criminele groepen .

Met name groeperingen of personen die in Iran worden gezien als een (potentiële) bedreiging voor de samenleving, die is ingericht naar islamitische waarden en normen zoals die in Iran zijn voorgeschreven, lopen het risico slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen. In het bijzonder gaat het hierbij om kritische hervormingsgezinden (onder wie bijvoorbeeld intellectuelen, journalisten, uitgevers, schrijvers, advocaten en studenten), bahá'is, leden van verboden oppositionele groeperingen die in Iran actief zijn . Ook zij die bekeringsactiviteiten verrichten blijven tot een kwetsbare groep behoren.

3.2 Verdragen

---
Iran is partij bij het VN Internationaal Verdrag over Burgerrechten en Politieke Rechten, het VN Internationaal Verdrag over Economische, Sociale en Culturele Rechten, het VN Verdrag inzake de Uitbanning van alle Vormen van Rassendiscriminatie, het VN verdrag inzake de Rechten van het Kind en het Vluchtelingenverdrag van 1951, inclusief het Protocol van 1967. Iran heeft de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens onderschreven en onlangs

het statuut voor een International Strafhof ondertekend .

3.3 Toezicht

---
De Speciale Vertegenwoordiger van de VN-Mensenrechtencommissie inzake Iran, Maurice Copithorne, krijgt nog immer geen toegang tot Iran. Amnesty International nam op 5 en 6 mei 2001 deel aan een speciale mensenrechtenbijeenkomst in Teheran die was georganiseerd met medewerking van de Universiteit van Qom. Eerder in 2001 en in 1998 maakten afgevaardigden van Amnesty International deel uit van een delegatie van Mary Robinson, de UNHCR, bij de Aziatische regionale conferentie over racisme en de 'Dialogue among civilizations' conferentie. Human Rights Watch heeft een lokale vertegenwoordigster in Iran .

In Iran zijn de Iraanse mensenrechtenorganisaties Komision-e Hoghoogh-e Bashar-e Eslami (Islamic Human Rights Commission, IHRC) en de Sazeman-e Defaa baraye Ghorbanian-e Khoshoonat (Organisation for the Defense of the Victims of Violence, ODVV) actief . Het kantoor van de ODVV werd na een incident in februari 2001, waarbij buitenlandse vrouwen tijdens bovengenoemde Aziatische regionale conferentie hun hoofddoek afdeden, tijdelijk gesloten, hoewel de ODVV als organisatie actief is gebleven .

3.4 Naleving en schendingen

---
Het Iraanse regime blijft beducht voor alle vormen van oppositie, met name waar het islamitische karakter van de republiek ter discussie wordt gesteld. Het zijn met name 'intellectuele' beroepsgroepen die in dit verband bijzondere belangstelling genieten.

Verworvenheden die tot stand kwamen onder de regering Khatami, met name de verruiming van de persvrijheid en vrijheid van meningsuiting, worden stelselmatig tenietgedaan door ingrepen van conservatieve zijde. Zoals bekend zijn bijna veertig hervormingsgezinde kranten gesloten en zijn veel journalisten opgepakt .

Ook advocaten, hoogleraren en andere intellectuelen ondervinden de gevolgen van de beperking van de vrije meningsuiting. Het proces naar aanleiding van de Conferentie van Berlijn leert dat dissidente intellectuelen het doelwit zijn van het islamitische regime. Het prominente karakter van de Berlijn-conferentie en de grote hoeveelheid publiciteit die de Iraanse televisie hieraan gaf, heeft mogelijk een rol gespeeld bij de hoge strafmaat . Dissidente geestelijken hebben het eveneens erg zwaar. Hun zaken worden behandeld door een Speciale Rechtbank voor de Geestelijkheid, die opvallend streng straft. Het spreekt vanzelf dat kritiek op het regime van de ayatollahs extra hard aankomt als deze afkomstig is van weliswaar andersdenkende, maar niettemin alom gerespecteerde moslim-geestelijken.

Studenten worden steeds als een bedreiging van het regime beschouwd. Na de studentenrellen van 1999 was er een arrestatiegolf en nog altijd is niet duidelijk hoeveel studenten er zijn opgepakt en vervolgens weer vrijgelaten. Hetzelfde geldt ten aanzien van de demonstraties vorig jaar augustus bij Khorramabad .

Iraniërs zijn van oudsher een kunst- en poëzieminnend volk. Daar heeft de Revolutie weinig of geen verandering in gebracht. Kunstenaars staan in hoog aanzien.

Voor wat deze groep betreft, kan worden gezegd dat zij -sommige al te kritische schrijvers en tekenaars van spotprenten uitgezonderd- nauwelijks te lijden heeft onder beperkende maatregelen, met dien verstande dat de kunstuitingen nimmer als beledigend mogen worden ervaren voor de Islamitische godsdienst, de Geestelijk Leider, het instituut van de 'Veliyat-e Fakih' en de Islamitische Republiek. Ook de goede zeden mogen niet in het geding zijn. Naaktschilderijen zijn dientengevolge uit den boze, doch de beeldende kunst bloeit in Iran. In de grote steden vinden regelmatig tentoonstellingen plaats. Dit geldt ook voor boekenbeurzen en poëziefestivals. Filmproducenten maken de ene filmproductie na de andere, reizen de wereld rond, bezoeken internationale filmfestivals, nemen daar prijzen in ontvangst en lijken altijd weer in Iran welkom te zijn. De in Iran zeer bekende zangeres 'Googoosh', die na de omwenteling van 1979 niet meer mocht optreden, is thans bezig aan een wereldtournee voor de Iraniërs in de diaspora . Afgewacht moet evenwel worden of zij te zijner tijd Iran weer mag binnenreizen.

Restrictieve perswet en gevolgen

Nadat op 18 april 2000 door de 'oude' (vijfde) Majlis een aantal amendementen was aangenomen, waardoor de Perswet in aanzienlijke mate werd aangescherpt, was de prioriteit van de 'nieuwe' (zesde) Majlis het ongedaan maken van die verharding. Aangetreden op 27 mei 2000, nam het parlement reeds op 18 juni 2000 een wetsvoorstel dienaangaande aan. Toen de Majlis evenwel op 6 augustus 2000 in plenaire zitting in debat wilde gaan over deze wetswijziging, greep de Geestelijk Leider in en verbood per brief verdere behandeling van de perswetswijziging . Sedertdien houdt de conservatieve Raad van Hoeders wetsvoorstellen die gericht zijn op hervormingen tegen. Daarmee is duidelijk geworden dat de invloed van het parlement in feite gering is. Het verbod van de Geestelijk Leider maakte de tot dan toe grootste verworvenheid van de regering Khatami, de verruiming van de persvrijheid, ongedaan. Na deze ingreep ging de in april 2000 in gang gezette sluiting door de rechterlijke macht van hervormingsgezinde dag- en weekbladen in versneld tempo door en werden veel uitgevers en journalisten gedagvaard en veroordeeld tot gevangenisstraffen. Uit angst voor verdere represailles stelden de meer gematigde kranten zich vervolgens weinig kritisch op. De populaire minister van Cultuur en 'Islamic Guidance' Mohajerani, één van de boegbeelden van de regering Khatami en een voorvechter van de persvrijheid, diende onder grote druk van de Geestelijk Leider eind vorig jaar zijn ontslag in. Met zijn vertrek verloor zowel de binnenlandse als de in Iran aanwezige internationale pers haar belangrijkste beschermheer.

De afgelopen periode waren de gevolgen van de aanscherping van de Perswet duidelijk merkbaar. De lijst van hervormingsgezinde dag-, week- en maandbladen die door de rechterlijke macht met een verschijningsverbod werden getroffen, bleef groeien, hetgeen blijkt uit onderstaande opsomming (die overigens niet pretendeert volledig te zijn). Na sluiting van het dagblad Bahar op 8 augustus 2000 , volgden op 21 september 2000 Khalij-e Pars, op 30 september de jeugdkrant Gonbad-e Kaboud, op 24 oktober de weekbladen Mihan, Sepideh-e Zendegi en Sobh-e Omid, op 28 november het jongerenmagazine met de grootste oplage Iran-e Javan, op 9 december 2000 de in Tabriz uitgegeven krant Ahrar, op 18 januari 2001 het politiek-culturele maandblad Kian, op 29 januari het weekblad Hadith -e Qazvin (van Naqi Afshari, de vader van studentenleider A1i Afshari) , op 3 maart de universiteitskrant Qarnieh,op 8 maart het weekblad Harim en op 18 maart 2001 het dagblad Doran-e Emrouz, de weekbladen Mobin en Jameah Madani Iran en het maandblad Payam-e Emrouz . Op 9 mei 2001 werden twee studenten gearresteerd vanwege een 'heiligschennend' artikel dat in hun universiteitsblad Kavir was verschenen. Het blad kreeg een verschijningsverbod . Ten slotte werden de uitgever en twee medewerkers van de Universiteitskrant 'Faryad' (Shout!), de uitgever van het studentenmagazine 'Fourouq' (Light), alsmede twee redactieleden van het studentenblad 'Arman' (Aim) uit Yazd gearresteerd. In totaal werden tussen mei en juli 2001 zo'n 12 studenten-journalisten opgepakt, van wie er één op borgtocht vrijkwam.

Van de inmiddels ongeveer veertig verboden publicaties zijn er ook enkele van conservatieve snit, zoals het weekblad 'Harim', dat president Khatami had beledigd en bespot.

Ook nieuwe publicaties bleven in de kiosken verschijnen , waaronder het weekblad Jameah Madani Iran (Civil Society of Iran) dat op 18 maart 2001 echter weer werd gesloten , en het jongerenmagazine Javan-e Iran, een conservatieve vervanger van het verboden Iran-e Javan . Vanaf 9 april 2001 verscheen het nieuwe hervormingsgezinde dagblad Norouz . Een week later verscheen ook Seday-e-Edalat(The Voice of Justice) en twee weken later het derde hervormingsgezinde blad in korte tijd: Tosseh (Ontwikkeling, uitgegeven door de vice-minister van Werkgelegenheid) . Op 1 mei 2001 verscheen het een jaar eerder verboden blad Mellat (Nation) . Op 5 mei 2001 verscheen vervolgens wederom een hervormingsgezind nieuw blad, getiteld Nosazi (Renovation). Uitgever is de bekende Hamidreza Jalaipour (o.m. van Jameh, Tous en Neshat) . Enkele dagen later op 9 mei kreeg Nosazi al weer een verschijningsverbod. De vergunning zou zijn verlopen .

Aan het einde van het Iraanse jaar (20 maart 2001) bevonden zich, voorzover bekend, zeker 22 journalisten en schrijvers daadwerkelijk in detentie, sommigen in geheime gevangenissen, anderen in de Evin-gevangenis. Een tiental journalisten is op borgtocht vrij, in afwachting van het begin van hun rechtszaak of de behandeling in hoger beroep. Er vinden nog steeds arrestaties van journalisten plaats. Recentelijk waren dit voornamelijk journalisten of uitgevers die verbonden waren aan het maandblad Iran-e Farda van de Iran Freedom Movement.

Zo'n veertig uitgevers of 'managing-directors' van al dan niet verboden kranten zijn momenteel in een rechtszaak verwikkeld. Zij wisten slechts na betaling van zeer hoge borgsommen de gevangenis vooralsnog te ontlopen.

Radio en televisie bleven de afgelopen periode stevig in handen van de conservatieven. Een opmerkelijk nieuw door de Geestelijk Leider gesteund initiatief betreft de in juni 2001 aangekondigde financiële doorlichting van de staatstelevisie als organisatie.

Satelliettelevisie

Hoewel de wet het bezit en de ontvangst van satelliettelevisie verbiedt, is algemeen bekend dat velen, voornamelijk de beter gesitueerden, zoals die in Noord-Teheran (eerder regel dan uitzondering), uitzendingen via de satelliet volgen. In armere delen van de steden en het platteland is de verspreiding geringer. Satellietontvangers zijn verboden, maar worden algemeen gedoogd. Er zijn periodes dat de politie hiertegen optreedt, maar, mits enigszins verdekt opgesteld, wordt deze ontvangstapparatuur in het algemeen met rust gelaten.

Uiteraard is de handel in satellietontvangers verboden. Er worden regelmatig inbeslagnames van handelsvoorraden gemeld .

Zoals reeds in eerdere ambtsberichten is vermeld, zou de vrijheid van vereniging en vergadering moeten worden gewaarborgd door artikel 27 van de Constitutie, doch in de praktijk is de 'bandbreedte' voor politieke activiteiten, zeker van oppositiebewegingen, nog steeds uiterst beperkt.

In het ambtsbericht van 30 augustus 2000 is uitgebreid ingegaan op de diverse politieke bewegingen die aan de parlementsverkiezingen van februari 2000 hebben meegedaan .

In januari 2000 verscheen een handzaam overzicht over in Iran werkzame niet gouvernementele organisaties (ngo's) . Gesteld kan worden dat tijdens de eerste twee jaar van het presidentschap van Khatami er verrassende en bemoedigende ontwikkelingen zijn geweest in de richting van een 'civil society'. Veel ngo's zagen het licht en gaven uitdrukking aan de wil van velen om zelf verantwoordelijkheden te nemen voor maatschappelijke hervormingen. Sinds begin 2000 is er evenwel sprake van een toenemende repressie van conservatieve zijde, waardoor het sociale klimaat in Iran zodanig is veranderd dat initiatieven terzake stil zijn komen te liggen. Ten tijde van zijn herverkiezing in 2001 heeft Khatami nog wel gerept over het belang van civiele, niet gouvernementele instituties, doch ontwikkelingen zijn op dit terrein verder uitgebleven. De ngo's die zijn opgericht bestaan nog wel, doch men is aanmerkelijk voorzichtiger geworden bij het ontplooien van activiteiten, waardoor ook de aantrekkingskracht van deze civiele organisaties onder de bevolking is teruggelopen.

De oppositiebeweging Iran Freedom Movement (IFM) werd op 18 maart 2001 op last van de rechterlijke macht verboden en belandde in één klap in de categorie illegale politieke bewegingen .

Een week eerder, op 11 maart 2001, werden 21 leden en sympathisanten van de IFM gearresteerd. Op 7 en 8 april volgden arrestaties van meer dan veertig politieke activisten, onder wie velen die geassocieerd worden met de IFM.

Onder de arrestanten bevonden zich Mohammad Tavasoli, oud-burgemeester van Teheran en de 84-jarige dr. Ahmad Sadr Haj-Seyyed Javadi, één van de oprichters van de IFM veertig jaar geleden.Javadi werd enige dagen later op borgtocht vrijgelaten . Meer dan vijftig familieleden van gearresteerde leden van de IFM hielden op 20 juni 2001 een openbare solidariteitsbijeenkomst voor hun familieleden voor het gebouw van de Verenigde Naties in Teheran. . President Khatami heeft zich kritisch uitgelaten over de arrestaties . Honderdvijftig kamerleden hebben de conservatieve rechterlijke macht opgeroepen om de arrestaties ongedaan te maken. Geestelijk Leider Khamenei bekritiseerde in een publieke verklaring het parlement vanwege deze aanval op de rechterlijke macht .

Ten slotte zij opgemerkt dat een aantal leden van de IFM ook ervan wordt beschuldigd banden te onderhouden met de MKO (zie onder § 3.4.2.2.). Twee arrestanten hebben daadwerkelijk een MKO-verleden. Zij worden beschuldigd van samenzwering tegen de Islamitische Republiek .

De Iran Nation Party houdt van tijd tot tijd bijeenkomsten, o.a. ter herdenking van het vermoorde echtpaar Forouhar (zie § 3.4.5), doch treedt voor het overige zelden in de openbaarheid.

In de situatie van de illegale (seculiere) oppositie is de afgelopen maanden geen verandering gekomen. De Tudeh Party, Iran Paad, Fedayeen, Darafash Kaviani, de Union of Communists of Iran en Sarbedaran zijn nog altijd monddood en activiteiten van bedoelde oppositiebewegingen worden niet waargenomen. De toekomst zal leren of de IFM nog van zich kan doen spreken.

Actieve illegale politieke bewegingen zijn de Mujaheddin-e Khalq (MujaheddinKhalq Organisation, MKO) en de Kurdish Democratic Party of Iran (KDPi) , die hun bases in (Noord-) Irak hebben.

Arrestaties van leden of sympathisanten van de MKO worden regelmatig in de pers gemeld, althans wanneer het gaat om infiltranten, die de grens Irak-Iran waren overgestoken. Te oordelen naar hun in de pers genoemde uitrusting (mortiergranaten, rocket-propelled grenades en cyanidepillen) waren zij voornemens aanslagen in Iran te plegen. Over wat vervolgens gebeurt met gearresteerde MKO-leden tast men in Iran veelal in het duister. Rechtszaken, veroordelingen of eventueel executies van MKO-leden of
-aanhangers worden, anders dan bijvoorbeeld bij fraudeurs, moordenaars of drugssmokkelaars, de laatste tijd niet in de openbaarheid gebracht.

De MKO is allerminst populair. De Iraanse bevolking kan (illegaal) de televisie-uitzendingen van de MKO volgen en kennis nemen van internetsites, doch de weerzin van de bevolking jegens de MKO is algemeen, wellicht niet zozeer vanwege de gewapende acties, doch veeleer vanwege het sektarische karakter van deze organisatie, de steun van Irak aan de MKO en de rol van de MKO tijdens de Iran-Irak oorlog (1980-1988), waarin de MKO aan de zijde van Irak tegen het Iraanse bewind streed. De MKO is door de Verenigde Staten en Groot-Brittannië op de lijst van internationale terroristische organisaties geplaatst .

Ten slotte zij vermeld dat sinds enige tijd de 'Komala' weer activiteiten lijkt te ontplooien. Zo wisten Iran News en AFP onlangs te melden dat op 13 juli 2001, in het dorp Avihand (West-Iran) aan de grens met Irak, de politie slaags was geraakt met 'contra-revolutionaire' Koerdische groepen. Bij een aanslag op een politieauto raakten vier agenten gewond. De aanslag werd toegeschreven aan leden van de verboden 'communistisch-Koerdische Komala'.

Voorts werd op 30 juli 2001 bekend dat enige dagen eerder door 'Komala-strijders', vermomd als leden van de vrijwilligersmilitie 'Basij' in de grensstad (met Irak) Baneh opnieuw een aanslag was gepleegd op een politiewagen. Hierbij werd een politieagent doodgeschoten. De Revolutionary Guards, die de achtervolging van de Komala-leden inzetten, zouden twee van hen hebben gearresteerd.

Verreweg het grootste deel van de Iraanse bevolking is sji'itisch moslim. Het soennisme komt voornamelijk onder etnische minderheden als Koerden, Baluchi's, Turkmenen en Arabieren voor. Bijna 99% van de bevolking hangt de islam aan.

Het beleid van de overheid is gericht op strikte naleving van islamitische waarden en normen. De grondwet verklaart de sji'itische Islam (en de Ja'fari-school van denken) tot officiële religie van Iran, maar erkent het Christendom, Zoroastrianisme en het Jodendom als officiële religieuze minderheden .

De erkende religieuze minderheden hebben het recht op eigen publicaties en de mogelijkheid het eigen geloof te belijden. Bovendien hebben deze minderheden in bepaalde gevallen het recht eigen gebruiken en wetten na te leven. Voor godsdienstminderheden is een vaste plaats in het parlement gereserveerd. Uit hun midden wordt een eigen volksvertegenwoordiger gekozen.

Ondanks deze bescherming door de Grondwet komt discriminatie op religieuze gronden voor, bijvoorbeeld wanneer het gaat om toegang tot een baan bij de overheid. Door toepassing van de Shari'a worden religieuze minderheden achtergesteld op het terrein van het recht en gerechtelijke procedures .

De onlangs doorgevoerde wijziging dat religie niet langer wordt opgevraagd bij registratie van geboorte, echtscheiding of overlijden is door de Speciale Vertegenwoordiger van de VN-Mensenrechtencommissie verwelkomd .

De christelijke gemeenschap in Iran bestaat hoofdzakelijk uit Armeense en Assyrische christenen, die in de Iraanse samenleving geïntegreerde gemeenschappen vormen. De christelijke gemeenschap blijft onverkort in staat haar godsdienst uit te oefenen, voorzover het 'geboren' christenen betreft .

Bekeringen

De 'oude' kerken roepen weinig of geen weerstand op. Deze ontplooien geen zendingsactiviteiten. Men wordt christen bij geboorte en trouwt slechts onderling. In de sporadische gevallen van een gemengde christen/moslim relatie, dient een mannelijke christen moslim te worden. Een vrouw kan haar oude geloof trouw blijven, mits haar kinderen moslim worden.

Complicaties als gevolg van zendingsdrang, kunnen zich voordoen bij 'moderne' kerken zoals de Pinkstergemeente (Assemblies of God) en evangelische kerken . Deels zijn zij actief onder de traditionele christelijke kerken, maar zij zien er om principiële redenen niet van af eventuele moslim belangstellenden in hun midden welkom te heten. Hoewel op apostasie (Mortad) -ofwel afvalligheid van de islam- volgens de Shari'a de doodstraf staat, zijn op dit moment geen signalen van vervolging van bekeerders in Iran waarneembaar. Deze tolerantere houding is deels toe te schrijven aan de vorige minister van Cultuur en 'Islamic Guidance', Mohajerani. Er lijkt evenwel weinig voor nodig te zijn om de houding van de autoriteiten te doen omslaan. Zij die bekeren blijven tot een kwetsbare groep behoren.

Tot het christendom bekeerde moslims kunnen maatschappelijk redelijk probleemloos functioneren . Zij hebben momenteel geen vervolging te vrezen door de Iraanse overheid. De marges worden goeddeels bepaald door de mate waarin de betrokkenen in de openbaarheid treden. Of de autoriteiten al dan niet op de hoogte zijn van de bekering van betrokkene, is slechts van belang wanneer de bekeerling om andere redenen dan zijn geloofsovergang in de negatieve belangstelling staat of komt te staan van de Iraanse autoriteiten. Het is niet ondenkbaar dat een bekeerde moslim, die om wat voor reden dan ook in aanraking komt met de politie, zich tevens voor zijn geloofsafvalligheid zal moeten verantwoorden. Hierbij dient te worden aangemerkt dat vooral de Assemblies of God van mening lijken dat een onopgemerkte bekering geen echte bekering is. Problemen die ontstaan, doen zich over het algemeen voor in de familiesfeer, of worden veroorzaakt door individuele overheidsambtenaren. Het gaat hierbij dan vooral om problemen op het gebied van uitreis, paspoortverstrekking, toegang tot de universiteit of degradatie op het werk. Het is voor bekeerde moslims vaak moeilijk om zich tot hogere autoriteiten te wenden voor rechtsbescherming of beroepsmogelijkheden. Zulks geldt overigens evenzeer voor leden van erkende religieuze minderheden, zoals joden en 'geboren' christenen. Ook zij hebben weinig tot geen mogelijkheden om rechtsbescherming te zoeken wanneer zij bij voorbeeld niet worden toegelaten tot een universiteit.

Er is een grote belangstelling voor het christendom. Kerkdiensten worden wekelijks door talrijke moslims bezocht, vaak vanuit een soort nieuwsgierigheid, maar soms ook vanwege de aantrekkingskracht welke de liturgie, de orgelmuziek en de kerkzang op veel moslims uitoefent. In sommige gevallen komt het tot nader contact en deelname aan bijbelkringen.

Over het algemeen gaat aan een bekering een aanzienlijke periode (twee tot vijf jaar) van bijbelonderricht vooraf. Deze grondige voorgeschiedenis dient onder meer om er zeker van te zijn dat de persoon in kwestie te vertrouwen is en dat de bekeringswens authentiek is en niet ingegeven door de wens naar het Westen te vertrekken. Het aantal geschatte bekeringen in Iran van de islam naar het christendom zou maximaal tweehonderd personen per jaar bedragen.

De bekering wordt niet doorgegeven aan de burgerlijke stand. In tegenstelling tot de officiële 'oude' Armeense en Assyrische kerken (die trouwens geen bekeringsactiviteiten verrichten), betrachten de meeste andere ('moderne') kerken in het algemeen een grote terughoudendheid om doopcertificaten te verstrekken. Soms geschiedt dit slechts nadat een bekeerling vanuit het buitenland hierom verzoekt.

Iraniërs die zich in Nederland hebben bekeerd en terugkeren naar Iran komen aldaar in dezelfde positie terecht als andere ex-moslims .

De joodse gemeenschap blijft onverkort in staat haar vrijheid van godsdienst uit te oefenen, maar zij wordt wel steeds minder talrijk. Ofschoon het proces tegen de joden in Shiraz (zie hieronder) kan hebben bijgedragen aan een versnelde uittocht, spelen ook de slechte economische omstandigheden in Iran een rol bij het besluit het land te verlaten, evenals discriminatie bij toelating tot de universiteit en bij sollicitaties naar overheidsbanen voor met name de jongere joden .

Na de uitspraak op 1 juli 2000 door de revolutionaire rechtbank in Shiraz in het proces tegen dertien joden, waarbij aan tien van hen hoge gevangenisstraffen werden opgelegd, tekenden de advocaten van de veroordeelden hoger beroep aan . Op 21 september 2000 werd bekendgemaakt dat het Hof van Beroep strafvermindering had toegekend. Bij alle tien kwam de aparte veroordeling 'lidmaatschap van een illegaal netwerk' te vervallen, doch bleef de aanklacht van 'spionage' (voor Israël) overeind. Deze uitspraak resulteerde in de praktijk in straffen van twee tot negen jaar cel (in plaats van vier tot dertien jaar). De tien hebben de mogelijkheid benut de 'Prosecutor General' in Teheran te verzoeken het gehele proces door het 'Supreme Court' nietig te laten verklaren , indien het van oordeel is dat de vonnissen niet overeenkomstig de Shari'a of de Iraanse wet opgelegd zijn . Op 5 maart 2001 werd de eerste van de tien in vrijheid gesteld, omdat hij zijn twee jaar gevangenisstraf erop had zitten .

De zoroastriërs, aanhangers van Zarathoestra (Zoroaster in het Grieks, Zarthost in het Perzisch) leefden reeds eeuwen voor het intreden van de islam in Iran. Thans zijn tussen de 30.000 en 50.000 zoroastriërs in Iran woonachtig. De meesten van hen wonen in Yazd en Teheran. Vele anderen zijn de afgelopen decennia naar het buitenland geëmigreerd.

De zoroastrische minderheid in Iran wordt in staat gesteld om traditionele- en familiaire gebruiken na te leven. Zoroastriërs beschikken over zogeheten 'vuurtempels', waar zij hun geloof kunnen uitoefenen. Actieve bekering tot het zoroastrianisme vindt niet plaats.

De zoroastriërs spreken onderling een eigen 'Dari'-taal. Artikelen voor en door zoroastriërs worden gepubliceerd in het tijdschrift Frahvahr.

In de positie van de zoroastriërs is de afgelopen tijd geen verandering gekomen. Zij zijn nog immer in staat hun (eeuwenoude) godsdienst vrijelijk te beleven, hebben een vertegenwoordiger in het parlement en zijn loyale onderdanen van de Islamitische Republiek Iran. Wel zijn aan hen diverse discriminerende beperkingen opgelegd. Dit zijn dezelfde beperkingen die gelden voor de andere erkende religieuze minderheden.

Het islamitisch regime heeft -zij het niet van harte- sommige gebruiken van de zoroastriërs zelfs tot nationale manifestaties zien uitgroeien, zoals het Vuurfeest (Chahharshanbeh Souri), dat sedert 2000 weer met veel vuurwerk op de laatste dinsdagavond en woensdag vóór het Iraanse Nieuwjaar (Norouz) wordt gevierd. Overigens dateert Norouz ook uit het Zarathoestra-tijdperk.

Er zouden zo'n 300.000 aanhangers van het bahá'i geloof in Iran woonachtig zijn . De meerderheid van hen is van Perzische afkomst.

De situatie van de bahá'is in Iran blijft onverminderd zorgwekkend. Het bahá'i geloof wordt niet erkend in de Iraanse grondwet. Aanhangers worden als geloofsafvalligen van de islam beschouwd, die de geloofsovertuiging tarten en een bedreiging zijn voor de stabiliteit van de staat.

Ofschoon de meeste niet-sji'itische geloofsgemeenschappen momenteel een redelijke mate van vrijheid genieten, blijft de situatie van de bahá'is precair. Nog steeds zitten bahá'is gevangen om reden van hun geloofsovertuiging. Twee doodvonnissen tegen bahá'i-leden zouden momenteel door het 'Supreme Court' worden heroverwogen. Van drie ter dood veroordeelde bahá'is is de straf omgezet in veroordelingen variërend van vijf jaar tot levenslang. Bij een ander werd de straf omgezet van tien naar vier jaar celstraf. In totaal verbleven in februari 2001 zeven bahá'is in gevangenschap. Een aantal bahá'is is het afgelopen jaar vrijgekomen .

Soefisme is een vorm van mystieke islamitische beleving en wordt uitgeoefend in vele grote en kleine ordes. Er zijn de afgelopen jaren geen zaken in de openbaarheid gekomen, waaruit is gebleken dat de Soefi-beweging in Iran problemen ondervindt.

Deze ultra-conservatieve, sji'itische, anti-bahá'i gerichte geloofsbeweging, opgericht in 1953, is door ayatollah Khomeini in 1983 verboden. Ofschoon bij tijd en wijle de naam van de beweging opduikt in polemische artikelen of achtergrondbeschouwingen, voornamelijk in Iraanse media in het buitenland, wordt in Iran zelf weinig over de Hojati-geloofsgenootschap (Hojjatieh Association) vernomen. De beweging richt zich op de wederkomst van de Mahdi, de verdwenen twaalfde Imam, die de echte en enige 'Islamitische Republiek' zal stichten en keert zich tegen het instituut van Velayat-e Fakih . Mocht het geloofsgenootschap zich in de toekomst opnieuw manifesteren, dan ligt het voor de hand dat het huidige regime drastisch tegen de aanhangers van de Hojati-geloofsgenootschap zal optreden, zoals de autoriteiten in 1999 eveneens optraden tegen de -aan de Hojati verwante- Mahdaviat groepering, waarvan momenteel 34 leden achter de tralies zitten. Twee van hen zouden onlangs zijn veroordeeld tot de doodstraf voor een poging tot moord in 1999 op het voormalig hoofd van het justitieel apparaat, Ali Razini.

Binnenland

In principe mogen burgers zonder officiële toestemming naar elk deel van Iran reizen en van woonplaats veranderen. Bij binnenlandse vluchten moeten Iraniërs hun identiteit aantonen met hun geboorteboekje of paspoort.

Iedere Iraniër heeft een geboortecertificaat of identiteitsboekje (Shenasnameh) met een uniek nummer dat is opgebouwd aan de hand van de geboorteplaats, de geboortedatum (volgens Iraanse kalender), de voornaam van de vader en een volgnummer van drie, vier of vijf cijfers. Dit nummer staat niet alleen vermeld op allerlei identificatiebewijzen (identiteitsboekje, paspoort, rijbewijs, studentenkaart), maar moet ook steeds genoemd worden als een bepaalde overheidsdienst wordt verlangd .

Buitenland: uitreisprocedure

Bij uitreis uit Iran wordt de identiteit gecontroleerd met behulp van het paspoort. Het is niet nodig hierbij ook het geboorteboekje te tonen.

Op 8 maart 2001 (internationale vrouwendag) werd een wetsontwerp van de Majlis dat ongehuwde vrouwen in staat moet stellen in het buitenland te studeren, na aanvankelijke tegenwerking door de Raad van Hoeders, goedgekeurd .

Voorzover bekend zijn er recentelijk geen wijzigingen in de uitreisprocedure doorgevoerd. De controle op de luchthaven Teheran is strikt te noemen. De feitelijke controles bij uitreis vinden als volgt plaats. Bij binnenkomst van het gebouw worden alle tassen en koffers doorgelicht en wordt iedereen, mannen en vrouwen gescheiden, gefouilleerd. Soms wordt bij die gelegenheid naar paspoort en ticket gevraagd, doch ook niet-passagiers mogen dit deel van het gebouw betreden. Na het inchecken van de bagage, worden onderweg naar de paspoortcontrole allereerst boarding card, ticket en paspoort gecontroleerd bij een balie die niet-passagiers niet mogen passeren. Hierna volgt de (grondige) paspoortcontrole, waarbij wordt gecheckt of de persoon in kwestie op 'de zwarte lijst' voorkomt. Vervolgens wordt, alvorens de reiziger in de bus naar het vliegtuig stapt, de handbagage opnieuw doorgelicht en de passagier opnieuw gefouilleerd. Een enkele keer wordt bij het betreden van het vliegtuig, naast de instapkaart, ook het paspoort nogmaals gecontroleerd.

Naast de vele uitreismogelijkheden vanaf het vliegveld Teheran bestaat tevens gelegenheid om met Iran Air vanuit Iraanse steden als Ahwaz, Bandar-Abbas, Shiraz en Isfahan naar de Golfstaten te vliegen. Op deze Iraanse luchthavens wordt hetzelfde registratiesysteem als dat op de luchthaven Teheran gehanteerd.

Naar verluidt wordt gebruik gemaakt van de zeeweg om illegaal vanuit zuid-Iran naar Dubai te reizen. In de praktijk worden geen gevangenisstraffen opgelegd wegens illegale uitreis. Wel kunnen geldboetes worden opgelegd.

Wat de uitgestrekte landgrens met Turkije betreft, is bekend dat de Iraanse, alsook de Turkse grensautoriteiten moeilijkheden hebben om die deugdelijk te bewaken. Iraniërs zijn niet visumplichtig voor Turkije, hetgeen inhoudt dat dit land dan ook een populaire bestemming is.

Jaarlijks keren duizenden in het buitenland verblijvende Iraniërs voor korte of langere tijd in het kader van zaken, vakantie of familiebezoek terug naar hun vaderland. In verreweg de meeste gevallen levert een dergelijke vrijwillige terugkeer geen enkel probleem op.

Zoals bekend beloofde president Khatami tijdens de verkiezingen in 1997 te zullen werken aan een 'civil society' waar de 'rule of law' zou gelden. Vervolgens heeft de hervormingsbeweging steeds de noodzaak tot hervormingen van het gerechtelijk apparaat bepleit, met name ook bij de Majlis-verkiezingen van februari 2000.

Ook het in 1999 aangetreden nieuwe hoofd van het gerechtelijk apparaat, ayatollah Hashemi-Shahroudi, constateerde al snel dat hervormingen noodzakelijk waren. Daarop werden enige personele wijzigingen bekend gemaakt, doch verdere maatregelen werden niet genomen.

In februari 2001 bezocht de VN Hoge Commissaris voor Mensenrechten (UNHCR), Mary Robinson, Iran in het kader van een Aziatische regionale VN-conferentie tegen racisme, xenofobie en intolerantie . Zij had een uitvoerig onderhoud met ayatollah Shahroudi, waarin hij wederom de nadruk legde op de noodzaak van justitiële hervormingen. Hij zei onder andere dat er een eind moest komen aan de praktijk dat aanklager en rechter veelal één en dezelfde persoon zijn, dat iedere verdachte toegang dient te hebben tot een advocaat, ook al in de onderzoeksfase en dat er, naast gevangenisstraf, alternatieve straffen moeten komen. Dit voornemen om de functie van openbare aanklager en rechter in Iran te splitsten is in de Majlis besproken. Op 11 juli 2001 zou het parlement de contouren van een nieuwe wet hieromtrent hebben geaccordeerd .

Dit alles duidt er op dat er bij president, het parlement en het hoofd van de rechterlijke macht een wil bestaat tot hervorming. Zij weten dat hun marges voor beleid klein zijn en blijven afhankelijk van het oordeel van de conservatieve Raad van Hoeders en uiteindelijk van het oordeel van de Geestelijk Leider.

Een aantal van de belangrijkste mensenrechtenschendingen is gerelateerd aan het optreden van de rechtbanken, waaronder de Speciale Rechtbank voor de Geestelijkheid. Meer dan honderdvijftig Kamerleden tekenden een petitie gericht aan het hoofd van de rechterlijke macht met het verzoek het justitiële systeem te depolitiseren en de mensenrechten van de burger te respecteren . Er is thans geen vertrouwen in de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht.

Uit de gang van zaken en de uitspraken in de processen achter gesloten deuren kan geconcludeerd worden dat de procesgang in Iran de toets der kritiek niet kan doorstaan . Voorbeelden zijn de rechtszaak tegen de joden in Shiraz , het proces tegen de daders van de mislukte moordaanslag op Saeed Hajjarian en de rechtszaak tegen de verdachten van de 'seriemoorden'. Zo werden op 8 februari 2001 de vonnissen van vijf plegers van de moordaanslag op Hajjarian door het 'Supreme Court' vernietigd en overgedragen aan een andere afdeling van de revolutionaire rechtbank . In deze zaak waren aanvankelijk acht verdachten aangehouden die allen schuld bekenden. Toch zitten momenteel slechts drie van hen achter de tralies, terwijl er twee op borg vrij zijn. Iets soortgelijks deed zich voor na de uitspraak in het proces tegen de vijftien schuldigen aan de 'seriemoorden', van wie slechts vijf vastzitten ondanks de zware veroordelingen (zie § 3.4.5.1).

Dat het streven van de Iraanse regering naar 'rule of law' in de praktijk wordt gefrustreerd door de rechterlijke macht blijkt onder meer uit onderstaande geruchtmakende rechtszaken die de afgelopen periode speelden.

Op 23 december 2000 begon voor de Militaire Rechtbank, achter gesloten deuren, het proces tegen achttien verdachten in de zaak van de 'seriemoorden' op een aantal intellectuelen in 1998 . Deze verdachten bleken allen medewerkers van het ministerie van Informatie te zijn geweest. Vooraf was door het hoofd van het militaire gerechtelijk apparaat bepaald dat geen enkele mededeling over de rechtsgang naar buiten mocht worden gebracht. Een advocaat van de nabestaanden van de slachtoffers gaf wel commentaar en werd gearresteerd . Hij bracht een maand in eenzame opsluiting door en werd daarna op borgtocht vrijgelaten. Eerdergenoemde nabestaanden besloten de rechtszaak te boycotten na te hebben geconstateerd dat belangrijke informatie uit de dossiers was verwijderd.

Tijdens de elf hoorzittingen hebben zestien van de achttien verdachten bekend schuldig te zijn aan een of meerdere moorden of medeplichtigheid daaraan. De vonnissen werden op 27 januari 2001 uitgesproken: drie personen, de plegers van de moorden, kregen de doodstraf opgelegd; vijf anderen, onder wie de opdrachtgevers, kregen levenslang, terwijl zeven overigen tot gevangenisstraffen variërend van 2,5 tot 10 jaar werden veroordeeld. Drie verdachten werden vrijgesproken . Zowel de hervormingsgezinde pers in Iran als buitenlandse media zetten vraagtekens bij de gang van zaken rond dit 'showproces' achter gesloten deuren. De echte opdrachtgevers tot de moorden, die naar algemeen wordt aangenomen, tot de hogere echelons van het regime behoren, zijn buiten schot gebleven . Na een petitie van ruim honderd parlementariërs kondigde de voorzitter van de Majlis, Mehdi Karrubi, op de staatsradio een parlementair onderzoek aan naar de rechtsgang voor en tijdens het proces, maar het gerechtelijk apparaat schoof de petitie terzijde .

Of het Iraanse regime erin geslaagd is het dossier 'seriemoorden' met deze rechtszaak af te sluiten, is de vraag. De president van de Militaire Rechtbank verklaarde dat de advocaten van de veroordeelden bij het Hooggerechtshof in beroep waren gegaan en dat op dat moment slechts vijf veroordeelden gedetineerd waren . Het Hooggerechtshof heeft de 15 vonnissen vernietigd en de dossiers teruggestuurd naar het gerechtelijk apparaat van de Iraanse strijdkrachten 'for re-examination'. Het Supreme Court had fouten geconstateerd in de onderzoeksfase ('investigative flaws'). Zelfs de tot de doodstraf veroordeelden zouden op borg vrij zijn.

Afgezien van de gang van zaken rond dit proces is het niettemin opmerkelijk dat voor het eerst in de 22-jarige geschiedenis van de Islamitische Republiek Iran door overheidsdienaren gepleegde terreurdaden werden berecht.

Op 11 juli 2000 werden de verantwoordelijke politiecommandant Farhad Nazari en zeventien politieagenten vrijgesproken van schuld aan de bloedige onderdrukking van de studentenonlusten van juli 1999. Slechts twee agenten kregen gevangenisstraf. De advocaat van de studenten ging in augustus 2000 tegen de vrijspraak in beroep . Op 21 februari 2001 bevestigde het Hof van Hoger Beroep van Teheran de uitspraak van 11 juli 2000 en werd Nazari van alle rechtsvervolging ontslagen .

Intussen is Nazari nu zelf een rechtszaak wegens smaad begonnen tegen onder andere het hoofd van de slaapvertrekken van de Universiteit van Teheran, waar de politie in juli 1999 was binnengevallen en waar doden en gewonden vielen . In deze zaak is, voorzover bekend, nog geen uitspraak gedaan.

Gedetineerde en recentelijk gearresteerde studenten

Het is nog altijd niet met zekerheid bekend hoeveel studenten er thans nog vastzitten als gevolg van de onlusten van juli 1999. Tot voor kort werd hun aantal geschat op enige honderden, van wie vijftig met naam bekend zijn. In Iran worden de namen van gedetineerden die in vrijheid gesteld worden, echter zelden openbaar gemaakt (tenzij het vooraanstaande personen betreft wier rechtszaak veel ophef heeft veroorzaakt). Slechts van de vrijlating in december 2000 van een viertal studenten in Tabriz en van de studentenleider Hamid Alizadeh-Behbehani op 25 februari 2001 werd in de pers melding gemaakt.

Sedert het verschijnen van persberichten op 8 en 9 juli 2001 , waarin werd gemeld dat de Voorzitter van het Parlement, Karrubi, de Geestelijk Leider schriftelijk had verzocht de laatste zeventien nog gedetineerde studenten (van juli 1999) amnestie te verlenen, wordt er thans evenwel vanuit gegaan dat zich nog slechts een klein aantal (tussen 10 en 20) studenten uit bedoelde categorie achter de tralies bevindt, alleen de zwaarstgestraften.

Daarnaast werden tijdens de onlusten in Khorramabad (24 tot 28 augustus 2000) ruim honderd personen gearresteerd, onder wie een onbekend aantal studenten, aangesloten bij de studentenvakbond Office for Consolidating Unity (OCU), die daar zijn jaarlijkse bijeenkomst hield . Op 15 maart 2001 werden meer dan honderd van de in Khorramabad gearresteerden veroordeeld tot lichte straffen variërend van een maand gevangenis en $ 70 boete tot enige maanden cel. Daarnaast werden zes personen, onder wie studenten, veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. Ook in april volgden veroordelingen .

Op 25 maart 2001 werd opnieuw een staflid van de studentenvakbond OCU, Ebrahim Sheikh, opgepakt. Deze prominente studentenactivist werd na achttien dagen detentie op borgtocht vrijgelaten .

Een aantal studenten werd op 9 en 10 februari 2001 gearresteerd tijdens de herdenking van 22 jaar Islamitische Republiek. Zij trachtten op beide dagen demonstraties te organiseren in diverse parken in Teheran, waaronder het Mellatpark. De pers in Iran sprak over zo'n vijftig aanhoudingen op 9 februari en eveneens ruim vijftig op 10 februari 2001. Hoeveel van de gearresteerden inmiddels weer zijn vrijgelaten is niet bekend, maar aangenomen mag worden dat het merendeel hetzij werd vrijgesproken hetzij op borgtocht op vrije voeten is gekomen, evenals zulks het geval was met de arrestanten van 9 juli 2001 (zie volgende twee alinea's).

In de nacht van 8 op 9 juni 2001, toen in Teheran en andere steden van Iran de verkiezingsoverwinning van President Khatami vrij uitbundig werd gevierd, is opnieuw een aantal personen, onder wie studenten, gearresteerd (zie ook bij hoofdstuk 'Presidentsverkiezingen'). Niet is bekend hoeveel van hen thans (juli 2001) nog vastzitten. Alleen over de 50 gearresteerden in de stad Torbat-e Heydarieh (N-O Iran) werd bekend gemaakt dat vijf van hen zullen worden berecht.

Ook op en na 9 juli 2001 vonden er in Teheran zo'n 85 arrestaties plaats van personen die de studentenopstand van juli 1999- ondanks een demonstratieverbod - met protestacties trachtten te herdenken. Onder hen waren 20 tot 24 studenten. Zulks werd op 12 juli 2001 door het Bureau van de Gouverneur van Teheran, de 'Political and Security Branch' bekendgemaakt. (Bron: Hamshahri 12-07-2001). Het Hoofd van deze zelfde instantie, Ali Ta'ala, verklaarde evenwel op 29 juli 2001 dat de Iraanse Justitie alle 87 (dus 2 meer) op 9 juli 2001 gearresteerde personen, inclusief 20 - 24 studenten, had vrijgelaten. . Een dag later meldde 'Iran News' dat van de 87 personen die op en na 9 juli 2001 werden opgepakt, er 28 waren vrijgesproken en 59 op borgtocht waren vrijgekomen.

Onderstaand proces dient gezien te worden als onderdeel van de permanente strijd tussen de conservatieven en de hervormingsgezinden. Na de eclatante overwinning van de hervormers bij de parlementsverkiezingen van februari 2000 sloeg het conservatieve establishment hard terug. Prominente hervormers die deelnamen aan de geruchtmakende conferentie te Berlijn hebben gediend als de 'Kop van Jut' .

Op 29 oktober 2000 begon voor de Revolutionaire Rechtbank, aanvankelijk achter gesloten deuren, het proces tegen de zeventien deelnemers aan de 'Conferentie van Berlijn'. Enkele deelnemers bevonden zich op dat moment nog in de gevangenis, maar de meesten waren inmiddels op borgtocht vrij. Na het verhoor op 29 oktober 2000 van de advocate/vrouwenrechtenactiviste Mehrangiz Kar en de publiciste/uitgeefster Shahla Lahiji, werd op 31 oktober 2000 besloten het vervolg van de rechtszaak in het openbaar te laten plaatsvinden, naar verluidt op aandrang van 'leidende politieke figuren'. Het proces verliep tumultueus, met name door het opzienbarende optreden en de openbare onthullingen van de onderzoeksjournalist Akbar Ganji. Dit leidde tot veel publiciteit in de media, zij het niet op de door conservatieven gedomineerde staatstelevisie . In navolging van Ganji, weigerden voorts ook andere 'verdachten' in gevangenisuniform in de rechtszaal te verschijnen, hetgeen tot meer chaotische taferelen leidde. Uiteindelijk werd de rechtszaak begin december 2000 afgerond.

Op 13 januari 2001 werden de vonnissen tegen de deelnemers bekend gemaakt . Akbar Ganji kreeg tien jaar gevangenisstraf en vijf jaar interne verbanning opgelegd . Deze straf werd op 15 mei 2001 in hoger beroep tot veler verrassing teruggebracht tot zes maanden gevangenisstraf. Hoewel deze periode inmiddels reeds lang is verlopen werd Ganji niet in vrijheid gesteld. Enige maanden later, op 16 juli 2001, werd hij alsnog tot zes jaar gevangenisstraf veroordeeld. . De tolk van de Duitse ambassade, Saeed Sadr, werd eveneens veroordeeld tot tien jaar cel, terwijl de tolk/vertaler Khalil Rostamkhani negen jaar gevangenisstraf kreeg opgelegd . De studentenleider Ali Afshari werd veroordeeld tot vijf jaar celstraf , Ezzatollah Sahabi (van het verboden maandblad Iran-e Farda entevens lid van de Iran Freedom Movement en voormalig lid van de regering Bazargan ) tot 4,5 jaar. Eerdergenoemde Mehrangiz Kar en Shahla Lahiji kregen beiden vier jaar gevangenisstraf en uitgeefster Shahla Sherkat vier maanden cel en een geldboete van omgerekend $ 3.000 . Drie personen liepen voorwaardelijke gevangenisstraffen op, terwijl zes 'Berlijngangers', onder wie het parlementslid mevrouw Jamileh Kadivar, werden vrijgesproken.

Tegen één 'Berlijnganger', de dissidente geestelijke Hassan Yussefi-Eshkevari (sympathisant van Iran Freedom Movement en betrokken bij het verboden Iran-e Farda), werd in de maand oktober 2000 een proces achter gesloten deuren gevoerd bij de Speciale Rechtbank voor de Geestelijkheid . Eshkevari, die zich onder andere heeft uitgesproken tegen de verplichte islamitische kledingcode voor vrouwen, zou onder meer zijn aangeklaagd wegens apostasie (geloofsafvalligheid). Naar aanleiding van deze beschuldiging, waarop de doodstraf staat, sprak president Khatami zijn afschuw uit . Ofschoon er sedert oktober 2000 geen officiële mededeling werd gedaan over het lot van Eshkevari, gingen velen ervan uit dat hij ter dood was veroordeeld. In hoger beroep zette de Speciale Rechtbank voor de Geestelijkheid de eerder opgelegde straf om in een nog nader te bepalen straf .

Alle veroordeelden in de 'Berlijnzaak' hebben hoger beroep tegen de uitspraak van de Revolutionaire Rechtbank aangetekend. Met uitzondering van Ganji, Afshari en Sahabi, die -ook vanwege andere aanklachten- gevangen zitten, alsmede de geestelijke Yussefi-Eshkevari, werden de deelnemers aan de Berlijnconferentie op borgtocht (zeer hoge bedragen) vrij gelaten.

Het is niet bekend of bepaalde gevangenen blootstaan aan discriminatoire behandelingen op basis van de aard van hun veroordelingen, al is het zo dat sommige categorieën (b.v. verkrachters) door de gevangenispopulatie worden getreiterd. Maar zelfs politieke gedetineerden, die vaak tijdens hun voorarrest te lijden hebben van lichamelijke en psychologische martelpraktijken of discutabele verhoormethoden, worden na hun veroordeling in de detentiecentra doorgaans goed behandeld en zeker niet in negatieve zin gediscrimineerd. Dit blijkt uit getuigenissen, onder meer in de pers, van recentelijk uit de gevangenis ontslagen politieke gedetineerden.

Wellicht ten overvloede dient te worden benadrukt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de periode van voorarrest en de tijd van het uitzitten van de daadwerkelijk opgelegde gevangenisstraf. In eerste aanleg worden politieke gevangenen doorgaans, zij het afgeschermd, ondergebracht op een afdeling met gewone criminelen . Dit is voor hen bijzonder zwaar. Voorts is er sprake van grote psychologische druk gedurende het onderzoek naar de tegen hen uitgebrachte beschuldigingen. Naar verluidt worden deze gedetineerden in toenemende mate tijdelijk overgebracht naar geheime gevangenissen, waar zij ter voorbereiding op hun rechtszaak aan indringende verhoormethoden worden onderworpen.

Tijdens weken- of zelfs maandenlange eenzame opsluiting op geheime plekken worden -met name politieke- gevangenen geestelijk afgemat door zowel zeer langdurige, dagelijkse ondervragingen als het onthouden van slaap. Er brandt altijd licht in de cel en de gedetineerden worden elke nacht verschillende malen door bewakers gewekt. Bovendien krijgen zij bepaalde medicijnen toegediend die het geheugen beïnvloeden. Familieleden van deze gedetineerden verklaren regelmatig dat hun gevangen man of vader hen tijdens kortstondige bezoeken nauwelijks herkent. Na de ondervragingsperiode, wanneer de gevangene murw is en geestelijk voldoende in de war, wordt hem een bekentenis voorgeschoteld. Het is de bedoeling dat die bekentenis het eigen verhaal van de gevangene wordt, dat deze er zelf in gaat geloven en het later op natuurlijke wijze kan weergeven. Hij dient de tekst eindeloos te herhalen. Het resultaat is bekend: sommige gedetineerden schrijven vanuit de gevangenis een brief waarin zij hun misdaad of hun fouten bekennen en om vergeving vragen, anderen doen dit op de televisie. Intussen gaat het toedienen van medicijnen door, zeker tot de rechtszaak. Wel worden de gevangenen tegen die tijd fysiek weer opgelapt zodat zij uiterlijk fit in de rechtszaal verschijnen, alwaar zij hun fouten toegeven.

Het gaat bij deze categorie gevangenen (schrijvers, journalisten, politiek actieve studenten en dissidenten zoals de groep leden en aanhangers van de Iran Freedom Movement) derhalve niet zozeer om lichamelijke (al zal ook die wel voorkomen) dan wel geestelijke mishandeling. Van fysieke martelingen zouden vooral gewone criminelen en met name gearresteerde MKO-activisten tijdens hun voorarrest het slachtoffer worden.

Na de veroordeling lijkt het detentieregime voor politieke gevangenen geleidelijk te verbeteren. Bij sommige prominente gedetineerden (oud-burgemeester van Teheran Karbashi en de dissidente geestelijke Kadivar) kon zelfs van een luxe verblijf worden gesproken, doch zij werden in de gevangenis dan ook bezocht door vrienden en familie die soms zelfs deel uitmaakten van de regering Khatami. Wat betreft de bahá'is zijn geen bijzonderheden bekend. Wel krijgen de voor spionage veroordeelde joden in Shiraz op gezette tijden kosjer voedsel en kunnen zij hun religieuze plichten goeddeels vervullen.

Het komt bij tijd en wijle voor dat gevangenen in hun slaap het slachtoffer worden van moordaanslagen gepleegd door medegevangenen.Door het grote aantal gedetineerde journalisten komen deze voorvallen vaker dan voorheen in de openbaarheid. Zo werd op 28 december 2000 in de Evin-gevangenis een berucht misdadiger, tevens celgenoot van de onderzoeksjournalist Akbar Ganji, vermoord . Iets soortgelijks werd de journalist Ahmad Zeidabadi gewaar, die zag hoe een mede-gevangene in zijn slaap met een mes werd bewerkt .

Willekeurige detentie

In de praktijk blijkt zelden sprake te zijn van willekeurige detentie. Slechts bij invallen in privé-woningen, waar feestjes in 'westerse' stijl plaatsvinden, of bij het uiteenslaan van een spontane demonstratie kan het gebeuren dat deelnemers het slachtoffer worden van willekeurige arrestatie en opsluiting. Doorgaans blijkt in deze gevallen de detentie van beperkte duur te zijn. De gearresteerden worden, soms na betaling van een geldboete of het incasseren van zweepslagen, na korte tijd weer in vrijheid gesteld. Zelfs bij een grootscheepse 'schoonmaakactie' door de politie van de achterstandswijk Khak-Sefid op 24 februari 2001, waarbij een kleine honderd drugsdealers en -verslaafden werd opgepakt en gedetineerd, waren individuele arrestaties/detenties bepaald niet willekeurig te noemen .

Het grote aantal aanhoudingen en detenties van intellectuelen dat het afgelopen jaar in Iran heeft plaatsgevonden, bleek steeds zorgvuldig te zijn voorbereid. Zo constateerden deelnemers aan de Conferentie van Berlijn, die enige dagen na hun terugkeer in Iran waren opgepakt, reeds bij hun eerste verhoor dat de rechter/aanklager over een dik dossier betreffende hun persoon beschikte. Sommigen dienden zich bijvoorbeeld te verantwoorden voor uitspraken die zij twintig jaar eerder hadden gedaan.

Langdurige incommunicado -opsluiting

Verontrustend is de trend om gedetineerden voor langere tijd incommunicado (N.B. is dit een dermate gangbare term dat deze onvertaald kan blijven en ook niet tussen aanhalingstekens hoeft?) te houden. Zo werd op 21 januari 2001 bekend dat studentenleider A1i Afshari en de 'religieus-nationalist' Ezzatollah Sahabi zich al enige weken niet meer in de Evin-gevangenis bevonden, doch op een geheime plek zouden worden verhoord en wellicht zijn gemarteld . Protesten tegen deze gang van zaken van onder andere de Artikel 90-onderzoekscommissie van de Majlis hadden weinig succes. Het onderbrengen van gedetineerden in geheime gevangenissen, die naar verluidt onder beheer staan van de Revolutionary Guards, kennelijk ter 'voorbereiding' op hun proces, gaat tot de dag van vandaag door. Zo 'verdwenen' tijdelijk de journalisten Hoda Saber , Ahmad Zeyd-Abadi , mevrouw Davoudi-Mohajer , Reza Alijani en anderen. Het staat vrijwel vast dat ook de twaalf op 11 maart 2001 gearresteerde aanhangers van de IFM en journalisten van Iran-e Farda incommunicado worden gehouden.

Gebleken is dat sommige gevangenen na hun incommunicado-periode bekentenissen afleggen, soms op de televisie, zoals de joden in Shiraz en studentenleider Afshari of per brief aan de persrechter, zoals de satirische schrijver Ebrahim Nabavi, die half november 2000 met een geschreven 'mea culpa' toegaf te ver te zijn gegaan in zijn humor .

Politieke gevangenen worden thans met een zekere regelmaat (naast lange gevangenisstraffen) veroordeeld tot 'interne verbanning' in onherbergzame streken van Iran. Ook komt het voor dat de opgelegde gevangenisstraf moet worden uitgezeten in klimatologisch onaangename oorden als Ahwaz of Bandar Abbas.

De afgelopen drie jaren worden afwijkingen van de islamitische kledingvoorschriften in toenemende mate gedoogd. Mannen met overhemden met korte mouwen zijn geen uitzondering meer. Vrouwen dragen steeds meer make-up, en blote voeten in schoenen en sandalen worden algemeen. De hoofddoek bedekt steeds minder hoofdhaar.

Er is onder de Iraniërs weinig interesse voor westerse literatuur. In het algemeen levert verspreiding van westerse boeken geen probleem op. Op zekere schaal kunnen vertalingen worden uitgegeven. Westerse kranten en tijdschriften zijn er nauwelijks. Anders is het met illegale videobanden. Het zwarte circuit is zo groot dat gezegd kan worden dat eigenlijk alle spraakmakende westerse films in Iran door de elite zijn gezien. Er wordt hiertegen slechts sporadisch opgetreden.

Wat pornografisch materiaal betreft, wordt een enkele keer bericht dat een hoeveelheid in beslag is genomen, doch men krijgt niet de indruk dat het justitieel apparaat zich grote moeite geeft dit op te sporen.

Voorts dient te worden opgemerkt dat er een opvallend liberale houding bestond tegenover e-mail en internet. De abonnementen zijn duur, maar internet-cafés doken overal op, vooral in de grote steden. Uiteraard zijn er islamitische filters die obsceniteiten proberen uit te bannen, maar deze zijn weinig effectief. Van politieke censuur is nauwelijks sprake.

Aan de vooravond van de presidentsverkiezingen veranderde deze houding ten opzichte van de toegang tot internet. Op 13 mei 2001 sloten de Iraanse autoriteiten honderden internet-cafés in Teheran, ongeveer een vierde van het totaal in de hoofdstad. De eigenaren werd te kennen gegeven dat zij nu eerst een vergunning dienden aan te vragen .

In januari 2001 werden voor het eerst invallen gemeld bij 'westerse' nieuwjaarsfeestjes, waar alcohol werd geschonken en waar gemengd werd gedanst. Deelnemers liepen zweepslagen op (zie ook onder 3.4.7. mishandeling / foltering). Even leek het erop dat deze 'ontaarde' feestjes weer met rust werden gelaten, al werd in maart 2001 nog wel een bruiloftsfeest, waar gemengd werd gedanst, verstoord door de politie. Sedert half mei 2001 hebben er in Teheran, Mashhad en andere steden evenwel opnieuw politie-invallen plaatsgevonden in huizen waar 'depraved parties' werden gehouden. Met deze sociale repressie waar het gaat om sex en alcohol, wordt de schrik er bij de jeugd ingehouden.

Met name gedurende de eerste periode van detentie kunnen grove schendingen van mensenrechten voorkomen . Ook kunnen wettelijk lijfstraffen en amputaties worden opgelegd.

Geseling (algemeen)

Geseling wordt voornamelijk toegepast bij zogenaamde 'ontaarde' delicten, zoals alcohol drinken, gemengd dansen, handelen in en bekijken van 'obscene' of 'pornografische' videofilms en CD-Roms alsmede prostitutie.Het ligt voor de hand dat moslims hierbij strenger worden aangepakt dan niet-moslims; immers voor christenen en joden geldt het verbod op alcohol en dansen in mindere mate.

Volgens de Iraanse Shari'a wetgeving worden mannen staand en met alleen de geslachtsdelen bedekt gegeseld, terwijl dit bij vrouwen zittend en geheel gekleed zou gebeuren. Meestal kunnen ook mannen hun bovenkleding echter aanhouden .

Buiten de wettelijke restrictie dat zweepslagen niet toegediend mogen worden op gezicht, hoofd en schaamstreek, zijn er voorzover bekend geen algemene restricties met betrekking tot de ernst van het lichamelijk letsel dat door de geseling mag worden toegebracht. Wel is bekend dat verdachten soms een beroep doen op hun gezondheidstoestand in de hoop dat hier rekening mee wordt gehouden. Hieraan wordt echter niet altijd gehoor gegeven.

Voorts bestaat voor de rechter de mogelijkheid om de zweepslagen toe te laten brengen met de Koran onder de arm van de beul, wat een zekere verlichting van de straf inhoudt. Het is onbekend in hoeveel en welke gevallen de bestraffing op deze wijze toegepast wordt .

Openbare geselingen

Sinds het begin van het jaar 2001 vinden op centraal gelegen pleinen en drukke straathoeken in Teheran en andere grote steden met steeds grotere regelmaat openbare geselingen plaats. De slachtoffers zijn voornamelijk jonge mensen die zich te buiten gingen aan 'on-islamitische uitspattingen' zoals eerder genoemd. Ging het in februari, voor zover bekend, nog slechts om één geval, waarbij drie jonge mannen gedurende een uur in het openbaar werden afgeranseld , in mei 2001 vonden, onder andere in Qom, openbare geselingen van zeker negen jongens en meisjes plaats. In juli 2001 maakte de Iraanse pers al melding van acht gevallen van openbare geseling, waarbij in sommige gevallen 20 tot 25 personen, op één middag of avond, ieder tussen 30 en 85 zweepslagen ontvingen. In totaal ondergingen alleen al in de maand juli van dit jaar 137 jongeren in het openbaar deze wrede vorm van lijfstraf.

Door met name het hervormingsgezinde kamp, de aanhangers van President Khatami van het '23 Mei Front' en de Majlis, wordt veel kritiek geleverd op de openbare geselingen aangezien deze niet alleen Iran een ongunstig imago in het buitenland bezorgen, doch ook een negatieve impact hebben op de binnenlandse publieke opinie.

Opvallend is dat er thans in de pers meer aandacht wordt gegeven aan doodstraf en lijfstraffen dan voorheen. Zo zijn er, blijkens krantenberichten, in de eerste zeven maanden van 2001 tenminste tachtig mensen wegens moord en drugsdelicten opgehangen, van wie velen in het openbaar, zijn er verschillende amputaties uitgevoerd ter bestraffing van diefstal en hebben er, zoals hierboven reeds aangegeven, talloze openbare geselingen plaatsgevonden.

Afkoping lijfstraffen

De Iraanse strafwet voorziet in de oplegging van lijfstraffen. Daaronder dienen vooral zweepslagen en amputaties te worden begrepen.

Het is aan de rechter om te bepalen of een ten laste gelegde lijfstraf omgezet kan worden in een geldstraf. Dit gebeurt conform in de wet vastgelegde richtlijnen. De indruk bestaat dat er de laatste maanden een verharding is opgetreden bij de rechterlijke macht en dat lijfstraffen veelvuldiger daadwerkelijk worden toegepast .

Ook in de afgelopen periode zijn doodstraffen uitgesproken en voltrokken. De Iraanse pers maakt hier melding van. Het betreft veelal aan drugs gerelateerde misdaden, moord, gewapende roofovervallen, verkrachting, incest en spionage. Het exacte aantal voltrekkingen van de doodstraf is niet bekend, maar wordt over het jaar 2000 geschat op enige honderden, terwijl gedurende de eerste zeven maanden van 2001 zeker tachtig executies werden gemeld in de Iraanse pers. Opvallend daarbij is, dat sedert enige maanden veel terechtstellingen van met name moordenaars, in het openbaar plaatsvinden, doorgaans op de plek waar de moord werd gepleegd. Onder de
-soms honderden- toeschouwers bevinden zich ook de nabestaanden van het slachtoffer, de enigen die onder de oog-om-oog wetgeving (Qesas) de veroordeelde op het laatste nippertje van de dood kunnen redden door hemof haar vergiffenis te schenken.

Niet alleen het aantal openbare executies is sedert voorjaar 2001 toegenomen, ook het aantal uitgesproken terdoodveroordelingen is duidelijk aan stijging onderhevig. Nog zeer onlangs bevestigde het 'Supreme Court' 100 doodvonnissen, welke alle op korte termijn zullen worden voltrokken.

De wijze waarop de doodstraf ten uitvoer wordt gebracht varieert. De meest gehanteerde manier is ophanging, maar ook executies, onthoofding en, in een enkel geval, steniging komen voor .

3.5 Positie van specifieke groepen

---
In zijn algemeenheid kan men stellen dat de deelname van vrouwen aan het openbare leven de afgelopen jaren is toegenomen en dat kleding- en gedragsnormen voor hen zijn versoepeld. Vrouwen blijven zich evenwel in een achtergestelde positie ten opzichte van mannen bevinden.

De afgelopen maanden is de positie van de vrouw echter nauwelijks gewijzigd, ondanks enige pogingen daartoe door aanpassing van wetgeving door het nieuwe, hervormingsgezinde parlement. In een motie stelde de Majlis op 9 augustus 2000 dat in de toekomst niet langer de ouders, maar de rechter kan beslissen of jongens jonger dan achttien en meisjes jonger dan vijftien jaar in het huwelijk kunnen treden . Zulks teneinde kinderhuwelijken tegen te gaan, die eigenlijk onder de Shari'a-wetgeving worden toegestaan. Meisjes kunnen in theorie al op negenjarige leeftijd door de ouders worden uitgehuwelijkt, hoewel dit in de praktijk niet veel gebeurt. Het uithuwelijken van zeer jonge meisjes is overigens in de wetgeving wel met een aantal waarborgen omkleed.

Bovengenoemde motie werd als wetsontwerp op 29 oktober 2000 door de Majlis goedgekeurd . Reeds op 11 november 2000 torpedeerde de Raad van Hoeders het wetsontwerp en bleef alles bij het oude: meisjes mogen op negenjarige en jongens op veertienjarige leeftijd in het huwelijk treden, indien de ouders daarvoor toestemming geven .

Een tweede wetsontwerp van de Majlis dat ongehuwde vrouwen in staat moest stellen in het buitenland te studeren, had na aanvankelijke tegenwerking door de Raad van Hoeders meer succes. Het voorstel werd op 8 maart 2001, de Internationale Vrouwendag, goedgekeurd .

Ronduit zorgelijk is het toenemende aantal meisjes dat van huis wegloopt. Hun thuissituatie (huiselijk geweld, onderdrukking) gecombineerd met uitzichtloze sociaal-economische vooruitzichten (zie § 2.2.) en de zoektocht naar een beter leven lijken de voornaamste factoren om van huis weg te gaan. Naar verluidt zouden in het jaar 2000 alleen al in Teheran negenhonderd weggelopen meisjes door de overheid zijn opgevangen .

Voor wat de positie van de vrouw betreft, moge voorts worden verwezen naar het ambtsbericht van 21 december 1999.

De Speciale Vertegenwoordiger van de VN-Mensenrechtencommissie inzake Iran, Copithorne, verwelkomt in zijn laatste rapport de positieve ontwikkelingen ten aanzien van de situatie van Iraanse kinderen op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg en kinderrechtspraak .

Homoseksualiteit is in de Iraanse samenleving een groot taboe. Er zijn echter wel ontmoetingsplaatsen. Van sommige parken in Teheran is bekend dat zich daar 'savonds veel homo's ophouden. In het algemeen kan worden gesteld dat mensen die homoseksuele relaties zoeken in Iran hun weg weten te vinden. Wel moet daarbij worden aangetekend dat openheid hierover naar buiten toe wordt vermeden. Men loopt niet met zijn of haar seksuele geaardheid te koop. In Iran geldt in zijn algemeenheid dat seksualiteit in het openbaar met een zekere omzichtigheid is omgeven.

Er wordt niet actief opgetreden tegen homoseksuele omgang. Dezerzijds zijn geen gevallen bekend van veroordelingen enkel en alleen vanwege homoseksuele handelingen, hoewel hier volgens de Shari'a de doodstraf op staat. Als bij een veroordeling iemand van homoseksualiteit wordt beschuldigd is dit cumulatief ingebracht, in combinatie met andere strafbare feiten die te maken hebben met alcohol, drugs en prostitutie. Over deze laatste zaken wordt wel een zekere openheid betracht.

Deze zaken kunnen zowel voor een gewone (Openbare) als voor een Revolutionaire Rechtbank dienen. Als een en ander wordt ingebracht als 'corruptie op aarde' ( Mofsed fil Arz ) is de Revolutionaire Rechtbank competent.

Operaties met het doel om geslachtsveranderingen te bewerkstelligen zijn in Iran toegestaan en worden in de praktijk uitgevoerd .

Iran is een multiculturele samenleving waar Perzen, Azeri, Turkmenen, Arabieren, Baluchi's, Armeniërs en een variëteit aan andere etnische groeperingen bijeen wonen . De grondwet kent etnische groeperingen geen speciale status toe.

De enige officiële taal in Iran is Farsi. Kranten, tv- en radioprogramma's en culturele centra kunnen evenwel in beperkte mate gebruik maken van andere talen dan Farsi, hetgeen in de praktijk ook geschiedt. In het algemeen kan worden gesteld dat de behandeling van etnische minderheden, die in feite ongeveer de helft van de bevolking uitmaken, in Iran positief afsteekt ten opzichte van de situatie van minderheden in andere landen in de regio. Bewegingen die zijn gericht op een verdergaande vorm van autonomie worden echter gezien als een bedreiging van de territoriale integriteit van de staat en derhalve onderdrukt.

Er is thans in Iran geen Azerbaijaanse bevrijdingsbeweging van enige importantie actief. Wel leeft er onder de Azeri, die met naar schatting tussen de 25 en 30 miljoen zielen naast de Perzen de belangrijkste bevolkingsgroep van Iran vormen, een verlangen naar meer rechten voor hun Azeri-Turkse taal en culturele identiteit . Dit was vóór de Islamitische Revolutie nauwelijks anders. De aspiraties van de Azeri bevolkingsgroep gaan in het huidige Iran echter niet zo ver dat er openlijk wordt gestreefd naar een eigen Azeri-staat of aansluiting bij Noord-Azerbaijan (Baku). De Azeri zijn evenzeer als de Perzen de sji'itische islam toegedaan. Geestelijk Leider Khamenei is van Azeri achtergrond en is vertrouwd met de variant van het Turks die de Azeri spreken. De Azeri kennen in het algemeen een grote loyaliteit jegens Iran .

De figuur van dr. Mahmud Chehragani, een hoogleraar taalkunde in Tabriz, is evenwel te beschouwen als een fervent voorvechter van de Azeri-identiteit. Hiermee verzet hij zich tegen de dominantie van de Farsi-cultuur, hetgeen hem in de ogen van het regime verdacht maakt. Hij bracht in 2000 zes maanden in de gevangenis door en zou thans min of meer onder huisarrest staan. Hij werd tot tweemaal toe, in 1996 en 2000, verhinderd zich kandidaat te stellen voor de Majlis.

De autoriteiten hebben een Azeri regionale televisiezender toegestaan, evenals kranten die in de provincie Azerbaijan tweetalig worden uitgegeven, in het Farsi en het Turks. Bij de gemeenteraadsverkiezingen in Teheran kwam er een specifieke 'Turkse' lijst uit. Er zijn rond de honderd Azeri parlementsleden, doch deze zijn niet als zodanig georganiseerd.

De meeste Iraanse Koerden, wier aantal ongeveer vier miljoen bedraagt, leven in de provincies Kurdestan, Kermanshah en in het zuidwesten van de provincie West-Azerbaijan.

In Iran leven separatistische aspiraties van enig belang slechts onder de Iraanse Koerden. De verboden Koerdische Democratische Partij van Iran (KDP-I) kan separatistisch worden genoemd. Deze beweging, die van buiten Iran wordt gecoördineerd, wordt fel vervolgd. Iraanse veiligheidsagenten voerden in het recente verleden moordaanslagen uit op leden van de KDP-i, zoals de aanslag in het restaurant Mykonos in Berlijn. Er zijn berichten van een zekere toenadering tussen de KDP-i en de Iraanse autoriteiten, doch deze toenadering wordt van Koerdische zijde ontkend .

De meeste Iraanse Arabieren, wier aantal naar schatting één miljoen bedraagt, leven in het zuidwesten van Iran en langs de kust van de Perzische golf. Van een georganiseerd streven naar afscheiding is niets bekend.

Met de Arabieren behoren de aan de Pakistaanse grens wonende Baluchi tot het armste deel van de bevolking. De provincie Baluchistan staat bekend als belangrijk transportgebied van drugssmokkel van Pakistanen Afghanistan naar West-Europa en elders. Iraanse veiligheidsdiensten zijn als bestrijders van de drugssmokkel bijzonder sterk vertegenwoordigd in de regio. Regelmatig verschijnen in de Iraanse pers berichten over gewapend treffen tussen drugsbendes en Iraanse overheidsdienaren, waarbij aan beide zijden slachtoffers vallen.

Wetgeving met betrekking tot de militaire dienstplicht is vervat in de Dienstplichtwet van 21 oktober 1984. Vrouwen zijn uitgezonderd van dienstplicht. Iran kent geen vervangende dienstplicht. De situatie rond dienstplicht en desertie is recentelijk niet gewijzigd. Oude desertiegevallen (Iran-Irak oorlog) blijken in de praktijk met geldboetes en (korte) gevangenisstraf te kunnen worden opgelost, terwijl er ook een amnestie c.q. afkoopregeling bestaat.

In de periode vlak na de revolutie van 1979 kwam het voor dat familieleden van een gezochte persoon werden gearresteerd, teneinde druk uit te oefenen op betrokkene om zich aan te geven. Thans komt Sippenhaft (familiehechtenis) niet meer in Iran voor.

Het is denkbaar dat familieleden van personen die in het buitenland verblijven, ondervraagd worden en op die wijze in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staan. Dit geldt met name voor diegenen die gerelateerd zijn aan personen die in het buitenland actief zijn (of in Iran gedetineerd zijn) voor een oppositiebeweging die in Iran actief is, zoals de MKO. Na de recente arrestaties van leden van de IFM (zie onder § 3.4.2.1.) is bekend geworden dat ook hun familieleden werden lastig gevallen, onder andere door bij hen huiszoekingen te verrichten.

3.6 Samenvatting

---
Ook de afgelopen periode bleef de mensenrechtensituatie in Iran reden tot zorg geven. Pogingen tot verbetering te komen leverden weinig op, hetgeen nauw verband houdt met de voortdurende rivaliteit tussen hervormingsgezinde en conservatieve krachten in de Iraanse samenleving. Deze laatste weten door hun invloed op de rechterlijke macht, leger en politie en de Raad van Hoeders hervormingspogingen te blokkeren.

Aanvankelijke beloftes van de regering Khatami ten aanzien van de vestiging van een rechtsstaat, verbetering van de mensenrechtensituatie en democratisering zijn niet ingelost. Iran voldoet op een aantal terreinen niet aan de minimale voorwaarden voor een rechtsstaat. Met de reorganisatie van de rechterlijke macht is nog geen begin gemaakt.

In de tweede helft van 2000 en de eerste maanden van 2001 is de mensenrechtensituatie in Iran verslechterd, met name op het gebied van vrijheid van meningsuiting. Groeperingen of personen die in Iran worden gezien als een (potentiële) bedreiging voor de samenleving, die is ingericht naar islamitische waarden en normen zoals die in Iran zijn voorgeschreven, lopen het risico slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen. In het bijzonder gaat het hierbij om kritische hervormingsgezinden (onder wie intellectuelen, journalisten, uitgevers, schrijvers, advocaten en studenten), bahá'is en leden van verboden oppositionele groeperingen die in Iran actief zijn. Ook zij die bekeringsactiviteiten verrichten blijven tot een kwetsbare groep behoren.


4 Vluchtelingen en ontheemden

---

4.1 Inleiding

---
De centrale overheid voert de feitelijke macht uit over haar gehele grondgebied. Een alternatieve binnenlandse verblijfsmogelijkheid voor personen die te vrezen hebben voor mensenrechtenschendingen door de centrale overheid is derhalve niet voorhanden.

4.2 Land van eerste opvang

---
Turkije

Informatie over aanmelding, de toelatingsprocedure en verwijderingen is vervat in het ambtsbericht van 21 december 1999.

4.3 Beleid van andere EU-landen

---
EU-landen repatriëren uitgeprocedeerde afgewezen Iraanse asielzoekers terug naar Iran. In dit terugkeerbeleid is recentelijk geen wijziging opgetreden. Ook vanuit Nederland worden uitgeprocedeerde afgewezen Iraanse asielzoekers naar Iran teruggestuurd.

Het aanvragen van asiel in het buitenland wordt door de Iraanse overheid niet beschouwd als een politieke daad en is op zich niet strafbaar.

4.4UNHCR-beleid

---
Ook UNHCR verzet zich niet tegen gedwongen terugkeer van uitgeprocedeerde afgewezen Iraanse asielzoekers, mits een zorgvuldige asielprocedure heeft plaatsgevonden.


5 Samenvatting

---

De machtsstrijd tussen de conservatieven en hervormingsgezinden over de toekomst van de Islamitische Republiek Iran heeft zich de afgelopen periode voortgezet. De klinkende overwinning van de zittende president Khatami bij de presidentsverkiezingen van juni 2001 heeft wederom duidelijk gemaakt dat de bevolking naar veranderingen en vrijheden uitziet. De Iraanse bevolking heeft zich nu al bij vier achtereenvolgende verkiezingen met overweldigende steun voor het hervormingsproces uitgesproken.

Het hervormingsproces heeft evenwel niet voldaan aan de verwachtingen die werden gekoesterd ten tijde van het aantreden van president Khatami.

Ook de afgelopen periode bleef de mensenrechtensituatie in Iran reden tot zorg geven. In de tweede helft van 2000 en de eerste maanden van 2001 is de mensenrechtensituatie in Iran verslechterd. Aanvankelijke verworvenheden, zoals de verruiming van de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting, zijn teruggedraaid.

Iran voldoet op een aantal terreinen niet aan de minimale voorwaarden voor een rechtsstaat. Met de reorganisatie van de rechterlijke macht is nog geen begin gemaakt. De conservatieven gebruiken de rechterlijke macht, leger, politie en de Raad van Hoeders om hervormingen te blokkeren. President Khatami laveert uiterst behoedzaam.

Groeperingen of personen die in Iran worden gezien als een (potentiële) bedreiging voor de samenleving, die is ingericht naar islamitische waarden en normen zoals die in Iran zijn voorgeschreven, lopen het risico slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen. In het bijzonder gaat het hierbij om kritische hervormingsgezinden (onder wie intellectuelen, journalisten, uitgevers, schrijvers, advocaten en studenten), bahá'is en leden van verboden oppositionele groeperingen die in Iran actief zijn. Ook zij die bekeringsactiviteiten verrichten blijven tot een kwetsbare groep behoren.

Met Nederland vergelijkbare landen repatriëren uitgeprocedeerde afgewezen Iraanse asielzoekers naar Iran. In dit terugkeerbeleid is recentelijk geen wijziging opgetreden. Ook vanuit Nederland worden uitgeprocedeerde afgewezen Iraanse asielzoekers naar Iran teruggestuurd.

UNHCR verzet zich niet tegen gedwongen terugkeer van uitgeprocedeerde afgewezen Iraanse asielzoekers, mits een zorgvuldige asielprocedure heeft plaatsgevonden.

Bij de totstandkoming van dit ambtsbericht is onder meer gebruik gemaakt van onderstaande openbare bronnen:

Amnesty International - Annual Report 2001. Covering events from January
-December 2000

Human Rights Watch - STIFLING DISSENT: The Human Rights Consequences of Inter-factional Struggle in Iran. Mei, 2001.

UN, Maurice Copithorne. Situation of human rights in the Islamic Republic of Iran

E/CN.4/2001/39.Report

UNHCR - Background Paper on Refugees and Asylum Seekers from the Islamic Republic of Iran. UNHCR, Centre for Documentation and Research. Genève, januari 2001.

U.S. Department of State. Country Reports on Human Rights Practises, 2000.

De hervormingsgezinde (zesde) Majlis kwam op 27 mei 2000 voor het eerst bijeen.

De Raad van Hoeders houdt toezicht op verkiezingen en ziet toe op het islamitische gehalte van nieuw in te voeren wetgeving. De Raad kan wetten blokkeren als deze niet in het belang van de Islamitische Republiek worden geacht.

De Majlis heeft deze weigering overigens niet altijd geaccepteerd. Zo is de procedure om de publicatie van kranten te reguleren voorgelegd aan de Expediency Council. Dit gremium heeft de bevoegdheid geschillen tussen de Majlis en de Raad van Hoeders bij arbitrage af te handelen.

Voor de 'Berlijn'vonnissen zie § 3.4.5. De geestelijke, Hassan Yussefi Eshkevari, wacht op in hoger beroep op een nader te bepalen straf.

Voor dit proces zie § 3.4.5. Zie ook ambtsbericht Iran 30 augustus 2000 p. 34.

Voor Mohajerani zie ook de paragrafen 2.1 in eerdere ambtsberichten 1998-2000. Hij speelde een leidende rol in de opbloei van de liberale pers na de verkiezing van Khatami in 1997. Mohajerani werd na zijn aftreden door de president benoemd tot voorzitter van de Organisation for Dialogue of Civilisations.

IRNA, Iran News, Tehran Times 3 mei 2001; IRNA, AFP 8 mei 2001.

De tegenkandidaten waren voornamelijk van conservatieve signatuur. Voor een biografie van de tien kandidaten zie IRNA d.d. 17 mei 2001. De verkiezingscampagne is nogal mat verlopen, al hebben zich wel enige gewelddadige incidenten voorgedaan. Zo werd er op 29 mei 2001 in Isfahan brand gesticht in het verkiezingsbureau van het Islamic Iran Participation Front (IIPF) van Mohammad-Reza Khatami (broer van de president). Ook in Izeh, provincie Khuzestan, werd een IIPF-kantoor aangevallen. Overigens zijn ook twee verkiezingskantoren van presidentskandidaat Abdollah Jasbi het doelwit geworden van vandalen (IRNA en AFP, 29, 30 en 31 mei 2001).

De laatste dagen voor de verkiezingen deed president Khatami van zich spreken door expliciet kritiek te leveren op de tegenwerking die hij de afgelopen jaren had ondervonden, waarbij hij niet schroomde het rechterlijk apparaat te noemen. De andere kandidaten leverden met name kritiek op de economische politiek van de president en de hoge werkloosheid. De enige tegenstander van Khatami die een substantieel aantal stemmen wist te verwerven was de voormalige minister Ahmad Tavakoli, een conservatief die 15% van de stemmen (4.400.000 kiezers) achter zich wist te krijgen. Overigens werden ook tussentijdse verkiezingen gehouden voor zeventien nog altijd vacante zetels in de Majlis.

Volgens de bekendmaking van het ministerie van Binnenlandse Zaken kreeg president Khatami 21,6 miljoen van de 28,2 miljoen uitgebrachte stemmen. Opvallend genoeg spraken de eerste bekendmakingen van een opkomst van 83% en een veel hoger percentage pro-Khatami stemmers. Er is geen gehoor gegeven aan oproepen van oppositiebewegingen in het buitenland (w.o. Mujaheddin-e Khalq (MKO) om niet aan de stemming deel te nemen (Iran Mojahedin WWW-Text 4 juni 2001: 'Overwhelming majority of Iranian people will boycott mullahs' election farce')). Geestelijk Leider Khamenei zwaaide het Iraanse volk veel lof toe voor de massale deelname aan de verkiezingen.

Nadat de verkiezingsdag zelf rustig was verlopen, braken in de avond en nacht van 8 op 9 juni 2001 in Teheran en Mashhad ongeregeldheden uit. In beide steden, waar grote groepen jongeren op de been waren om de verkiezingsoverwinning van President Khatami te vieren, verschenen leden van de 'Ansar-e Hezbollah' (zogenaamde 'pressure groups') op het toneel om de menigte feestvierders uiteen te slaan. De bekende BBC-presentator John Simpson en twee leden van zijn cameraploeg werden opgepakt en enige uren vastgehouden. Zij werden uiteindelijk door de reguliere politie gered uit handen van de 'Hezbollah'. (BBC News Online, AFP 12-06-2001 en The Telegraph, Iran Daneshjoo Org. News Service 17-06-2001). In Mashhad zouden die nacht minstens 30 arrestaties hebben plaatsgevonden, (Iran News en Iran Daily 11-06-2001) terwijl het aantal aanhoudingen in de noordoostelijke stad Torbat-e Heydarieh zou zijn opgelopen tot meer dan 50. Onder de gearresteerden bevonden zich verschillende leden van het campagneteam van President Khatami.Vijf van hen zullen worden berecht. (Studentenpersagentschap ISNA / Reuters 29 juni 2001).

Op 8 april blokkeerden vierhonderd stakende arbeiders van een schoenfabriek gedurende twee uur de hoofdweg Teheran-Karaj uit protest tegen achterstallig loon, dat al negen maanden niet zou zijn uitbetaald. (IRNA, AFP 8 april 2001). Op 1 mei 2001 veroorzaakte een groep arbeiders van een textielfabriek uit Isfahan gewelddadigheden tijdens de '1-mei viering'. De arbeiders hadden al vier maanden geen loon ontvangen. Op 7 mei 2001 werd een demonstratie van dezelfde groep uiteengeslagen. (AFP 7 mei 2001). Op 27 maart 2001 vond in de zuidelijke stad Lamerd een demonstratie plaats vanwege plannen een gas-raffinaderij in Mohr te plaatsen. De demonstratie liep volledig uit de hand en er werden tientallen mensen gearresteerd, van wie de meesten na enkele dagen weer zouden zijn vrijgelaten. Er zouden boeken zijn verbrand evenals portretten van de geestelijk leider en imam Khomeini. (IRNA, Kayhan en Jumhuri-ye Eslami 27 maart 2001. AFP 28 maart 2001, AFP 11 april 2001).

Op 26 juni, 10 juli en 15 juli 2001 vonden demonstraties plaats van arbeiders en arbeidsters van de kledingfabriek 'Jamco' voor het Iraanse parlementsgebouw. Ook zij kwamen onder meer in opstand vanwege niet-uitbetaalde en te lage lonen. Op 15 juli 2001 raakte de 'Jamco-groep' slaags met de politie en vielen er acht gewonden (IRNA, Iran News, AFP, 10 juli 2001 en Studentenpersagentschap ISNA, AFP, 15 juli 2001).

Abrar 12 augustus 2000 signaleert het probleem van werkloosheid onder (hoger) geschoolden als doktoren, verpleegsters en vroedvrouwen.

Abrar 23 december 2000. Parlementsvoorzitter Karrubi wees er op dat werkloosheid, hoge prijzen en verwarring in de politieke arena de maatschappij constante onrust hebben gebracht. Er zijn derhalve burgers die hun heil elders zoeken. Jomhuri-ye Eslami 7 januari 2001 analyseert oorzaken van de 'brain drain'. In Dowran-e Emruz verschenen begin januari 2001 twee artikelen met redenen over de drang tot emigratie. Resalat 3 januari 2001 is gealarmeerd over het groeiende aantal mensen dat het land verlaat.

Kayan van 12 juli 2001 wijst erop dat de tweede emigratiegolf (1981-1982) werd veroorzaakt door de hervormers van nu die in die tijd de revolutionairen waren die veel schade toebrachten aan bijvoorbeeld het wetenschappelijk onderwijs. Deze 'nieuwbakken hervormers' hebben dus boter op hun hoofd wanneer zij de schuld voor de derde 'brain drain-golf' (vanaf juli 1999) in de schoenen schuiven van de conservatieven.

Document A/55/363 d.d. 8 september 2000.

De Speciale Rapporteur analyseerde dat een aantal fundamentele verbeteringen heeft plaatsgevonden de afgelopen jaren, zoals op het terrein van het vrouwenonderwijs, democratie en gezondheid, en dat deze trend nu onomkeerbaar is. De Speciale rapporteur verwelkomde de pogingen van de zesde Majlis om de situatie van vrouwen en meisjes te verbeteren, maar is tegelijkertijd diep bezorgd dat vele van deze pogingen door het optreden van de Raad van Hoeders niet in wetgeving zijn uitgemond. Copithorne doelt met name op de wetten die zien op verandering van de wettelijke huwbare leeftijd en de poging het verbod op uitreis van ongetrouwde vrouwen om in het buitenland te studeren ongedaan te maken. (zie ook § 3.4.4)

E/CN.4/2001/39.

UN E/CN.4/Res/2001/17 d.d. 20 april 2001. Commission of Human Rights resolution 2001/17. De resolutie, een EU initiatief, werd aangenomen met 21 stemmen voor, 17 tegen en 15 onthoudingen.

Eerdergenoemde resolutie verwelkomt de pogingen van het parlement de situatie van vrouwen en meisjes te verbeteren, maar verwoordt tegelijkertijd de ernstige bezorgdheid dat deze pogingen niet uitmondden in wetgeving. Zie ook § 3.5.1.

Zie ook de conclusie van het ambtsbericht rechtspleging in Iran van 28 oktober 1998.

Zie § 3.4.5.

Zie § 3.4.5.1; In § 3.4.5.5 wordt ingegaan op recente maatregelen tegen het gebruik van internet.

IRNA 5 mei 2001. De dissidente geestelijke Mohsen Kadivar (zie ambtsbericht 21 december 1999 pp.20,21) droeg zijn redevoering, waarbij hij o.a. op vrijheid van godsdienst inging, op aan zijn gedetineerde mede-geestelijke Eshkevari. Zie § 3.4.5.

Voor vrijheid van meningsuiting zie § 3.4.1.

Zie § 3.4.5.

Voor Velayat-e Fakih zie ambtsberichten Iran 5 maart 1998 p. 5; 9 december 1998 p. 4; 21 december 1999 p. 8.

AFP 11 maart 2001 en Iran Daily 13 maart 2001. IRNA en AFP 18 maart 2001 HRW Stifling Dissent.

Zie ook § 3.4.2.1.

Zie ook § 3.4.5.2. Zie voor de arrestaties in 1999 het ambtsbericht Iran van 21 december 1999 p.24.

Hambastegi 8 juli 2001, Iran 9 juli 2001.

Zo werd studentenleider A1i Afshari, een 'Berlijnganger' die op borgtocht vrij was, in december 2000 opnieuw gearresteerd vanwege 'opruiende' toespraken op de Amir Kabir Universiteit in Teheran. AFP 17 december 2000. Na vijf maanden eenzame opsluiting zond de Iraanse televisie een publieke bekentenis uit van Afshari. Hij zou op televisie hebben aangegeven dat hij het regime omver wilde werpen en dat hij contacten onderhield met een buitenlandse ambassade. Op 25 maart 2001 werd OCU-lid Ebrahim Sheikh aangehouden. (Hambastegi, Studentenpersagentschap ISNA 25 maart 2001). Deze prominente studentenactivist werd na achttien dagen detentie op borgtocht vrijgelaten. (IRNA en AFP 12 april 2001).

Reuters, 19 juni 2001, Iran News 21 juni 2001. Parlementslid Loqmanian 'was found guilty of slandering the judiciary in statements he made in a recent speech in parliament'. Hij heeft beroep tegen de straf aangetekend. Een ander parlementslid kreeg een boete van twee miljoen rial ($ 2.500,-) op grond van dezelfde aanklacht.

Zie § 3.4.5.

Zie § 2.1.1.

Reuters, 1 februari 2001.

Aanhangers van de tot voor kort gedoogde semi-legale politieke beweging Iran Freedom Movement (zie § 3.4.2.1), lijken thans ook tot deze groep gerekend te kunnen worden.

Ratificatie van deze laatste ondertekening dient nog plaats te vinden.

Country Reports 1999 (2000/2001).

Zie ook het ambtsbericht van 21 december 1999. Zie voor de werkzaamheden van IHRC een interview met Mohammed Hasan Zia'ifar, de secretaris van deze organisatie. Payam-e Emruz d.d. 31 maart 2000.

Conservatieve krachten in Iran grepen dit voorval aan door het sterk op te kloppen en de door Khatami geïnitieerde conferentie in een kwaad daglicht te stellen. Trouw, 28 februari 2001. De ODVV had deze conferentie voorgezeten. Een medewerker van de ODVV verdween zes weken in de cel. Voor de conferentie zie ook § 3.4.5.

Zie § 3.4.1.2. Over de terugslag in de vrijheid van meningsuiting schreef de ODVV op 12 januari 2001 een verklaring gericht aan de VN-Ecosoc. E/CN.4/2001/NGO/76 d.d. 30 januari 2001.

Zie § 3.4.5.

Zie § 3.4.5.

De omwenteling van 1979 in Iran bracht met zich mee dat zangeressen slechts in vrouwelijk gezelschap mochten optreden.

Zie algemeen ambtsbericht Iran 30 augustus 2000 pp. 20, 21.

Ibid, p. 21

De rechtbank in Qazvin bepaalde in juni dat dit blad weer mocht verschijnen. (IRNA, 7 juni 2001).

Zie voor bovenstaande opsomming Aftab-e Yazd en AFP 21 september 2000, Tehran Times 30 september 2000, AFP en Tehran Times 26 oktober 2000, Iran Daily en AFP 28 november 2000, IRNA 9 december 2000, Aftab-e Yazd, Iran News en Reuters 18 januari 2001, Aftab-e Yazd en Iran 29 januari 2001, Aftab-e Yazd en IRNA 3 maart 2001, IRNA en AFP 8 maart 2001, IRNA en AFP 18 maart 2001. Zie ook HRW: Stifling Dissent.

Op heiligschennis (Kofr) kan onder de Shari'a de doodstraf staan. (Jomhuri Eslami en BBC Monitoring Service 9 mei 2001; AFP 10 mei 2001; Kayhan en Iran News 12 mei 2001). Op 27 mei 2001 werden opnieuw twee studenten-medewerkers van 'Kavir' opgepakt. (IRNA 29 mei 2001). Eén van de eerste gevangen studenten werd in juni op borgtocht vrijgelaten. (IRNA, 15 juni 2001).

Studentenpersagentschap ISNA en AFP 1 juli 2001 (inzake Faryad en Arman), AFP 2 juni 2001 (Fourouq).

Zo kregen in november 2000 zeventien nieuwe publicaties, qua inhoud variërend van politiek tot wetenschap en computers, het groene licht van het ministerie van Cultuur. (BBC News Online, 29 november 2000).

Tehran Times 30 september 2000.

IRNA en AFP 18 maart 2001. Najaar 2000 verschenen vier nieuwe publicaties Tejarat-e Azad, Sepideh Zendegi, Ruzan en Sobh-e Omid. Tehran Hamshari 14 oktober 2000.

(AFP, 20 februari 2001).

IRNA, AFP 9 april 2001. Het dagblad is onder leiding van het hoofd van de parlementaire commissie voor nationale veiligheid en buitenlands beleid op de markt gebracht.

(AFP 14 en 25 april 2001).

Mellat was in 2000 slechts één maal verschenen!

Zie ambtsbericht 30 augustus 2000 § 3.4.1. en ambtsbericht 21 december 1999 § 3.2.1.

IRNA, AFP, AP 9 mei 2001; Iran News 10 mei 2001.

In juli 2001 is het aantal gedetineerde journalisten opgelopen tot zeker 25.

IRNA 22 februari 2001. 'Police seize 96 contraband satellite dishes'.

Ambtsbericht 30 augustus 2000 pp. 6-10.

Iranian ngo's: Situation Analysis, prepared by M. Baguer Nazami. Teheran, januari 2000. Over de ontwikkelingen op het terrein van de 'civil society' is in het ambtsbericht van 21 december 1999 uitgebreid ingegaan.

AFP 12 maart 2001. IRNA, AFP 18 maart 2001. De IFM trad in het verleden herhaaldelijk naar buiten, maar speelde geen rol van betekenis in de landspolitiek. De leider van de IFM Ebrahim Yazdi is niet gearresteerd. Op 29 april 2001 werd een bevel tot zijn inhechtenisneming uitgevaardigd, maar hij bevindt zich reeds geruime tijd in de Verenigde Staten om een operatie te ondergaan. (IRNA, 29 april 2001).

AFP 12 april 2001. Ook een aantal anderen werden op borgtocht in vrijheid gesteld. (Iran News, Tehran Times 18 april 2001. Iran Daily, 18 april 2001).

AP 20 juni 2001. Volgens AP werden leuzen meegevoerd als 'Political prisoners should be released'. Elf van de gearresteerden hebben geen toegang gekregen tot een raadsman, arts of familie. (HRW, Stifling Dissent onder V).

O.a. Staatstelevisie, AFP d.d. 9 april 2001. Daarentegen betuigden ongeveer vijfhonderd Hezbollahi in Mashhad steun aan de recente arrestatiegolf. (Iran Daily, 15 april 2001).

Iran News 2 mei 2001.

AFP 9 april 2001.

De MKO onderneemt gewelddadige aanslagen in Iran. Deze organisatie propageert het gewapende verzet tegen het 'mullah-regime'. Er bevinden zich MKO-kampen in Irak. MKO-acties en infiltranten worden gerapporteerd in de Iraanse provincies aan de Iraakse grens. Teheran wordt al jaren met een zekere regelmaat opgeschrikt door tamelijk lichte mortieraanslagen. De doelen zijn doorgaans gerelateerd aan het militaire apparaat (Pasdaran), de veiligheidsdiensten of het regime als zodanig. Louter burgerlijke, a-politieke doelen worden vermeden. Volgens de Iraanse pers is de schade bij deze aanslagen over het algemeen gering en vallen er zelden slachtoffers te betreuren. De MKO daarentegen meldt meestal grote schade en veel slachtoffers. In het algemeen wordt door waarnemers ter plekke de regeringsversie als geloofwaardiger geacht. De meest recente geruchtmakende acties waren in 1998 de moordaanslag op de gehate ex-directeur van de Evin-gevangenis Lajevardi en in 1999 de plv. Chef Staf generaal Shirazi, die in het verleden hard zou zijn opgetreden tegen MKO-ers in Irak.

De KDPi onderneemt slechts op kleine schaal acties in Iran vanuit het autonome Koerdische gebied in Noord-Irak. Het zwaarbewaakte KDPi hoofdkantoor is gevestigd in een kamp in Koysandjak. Er zouden in Noord-Irak ongeveer drieduizend burgers en vijf- tot zeshonderd peshmerga's bij de partij zijn aangesloten. De KDPi geeft een krant uit en verzorgt radio-uitzendingen. Volgens de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 8 juli 2000 zouden vele strijders uit de bergen naar hun woonplaatsen zijn teruggekeerd: 'Bei den Regionalwahlen 1998 rief die Opposition erstmals nicht mehr zum Wahlboykott auf. Zudem sind viele Kämpfer, die sich in den Bergen oder jenseits der Grenze im Irak versteckt hielten, zurückgekehrt, nachdem die Regierung zu verstehen gegeben hatte, dass sie nicht strafrechtlich verfolgt würden'.

Staatstelevisie IRIB en AFP 23 april 2001 en Aftab-e Yazd 19 november 2001.

Op grond van de anti-terrorismewet van 1996 maakten de Verenigde Staten op 8 oktober 1997 een lijst met dertig terroristische organisaties bekend. De MKO staat op de lijst. Sedert oktober 1999 is ook de National Council of Resistance (NCR) als frontorganisatie van de MKO op deze lijst geplaatst. Dit betekent onder meer dat het financieel ondersteunen van deze organisaties in de Verenigde Staten strafbaar is gesteld. De MKO is recentelijk door het Verenigd Koninkrijk op de lijst van verboden terroristische organisaties geplaatst. Deze lijst is op grond van de nieuwe Terrorism Act 2000 opgesteld. Persbericht Home Office d.d. 28 februari 2001. Voor de MKO in Iran omringende landen zie ambtsbericht Iran 30 augustus 2000 pp. 24, 25.

Iran News en AFP 17 juli 2001.

IRNA en BBC Monitoring Service 30 juli 2001.

Art. 12 van de Grondwet benadrukt de 'volledige eerbiediging en vrijheid' van het sji'isme ten opzichte van soennitische varianten van de Islam. In artikel 13 worden het Zoroastrianisme, Jodendom en Christendom genoemd als enige erkende godsdienstminderheden.

Men denke aan bloedgeld, getuigenissen en erfrechtkwesties.

E/CN.4/2001/39. Ten aanzien van de positie van religieuze minderheden zijn het afgelopen jaar voor het overige geen noemenswaardige veranderingen geconstateerd.

De liturgie is doorgaans niet in het Farsi. Er leven enkele honderdduizenden christenen in Iran.

Van asielzoekers die in Nederland aangeven zich reeds in Iran te hebben bekeerd, kan in Iran nagegaan worden of de bekeringsgeschiedenis klopt. Sommige kerken weigeren pertinent in Iran te bekeren en geven moslims de raad naar het buitenland te vertrekken en daar een leven als christen te beginnen.

Een zestigtal leden van de Pinkstergemeente, onder wie aspirant moslim-bekeerlingen, ontvingen visa om in Amsterdam een bijeenkomst bij te wonen die werd georganiseerd door de beweging rond de Amerikaanse evangelist Billy Graham. De visumaanvragen en de reis vonden in grote openheid plaats.

Duitsland repatrieert met enige regelmaat uitgeprocedeerde Iraanse bekeerde moslims. Van Duitse zijde zijn geen problemen bij terugkeer gemeld.

Hierbij komt nog de factor dat joden, net als christenen, bij hun uitreis worden geholpen door bepaalde stichtingen in Wenen, die tegen een minimumbedrag van $ 3000,- tijdelijk opvang in Oostenrijk regelen en vervolgens emigratie naar de Verenigde Staten verzorgen.

Voor het proces zie ambtsbericht Iran 30 augustus 2000 pp. 28-30. Omtrent de stappen die Nederland en de EU hebben ondernomen ten behoeve van de in Shiraz veroordeelde joden zie brief van de minister van Buitenlandse Zaken d.d. 19 februari 2001 aan de Tweede Kamer.

AFP 22 september 2000.

Op 23 januari 2001 meldde AFP dat de PG het verzoek had verworpen. Later verschenen verklaringen in de pers dat de zaak nog steeds wordt bestudeerd. (Iran Daily, AFP 6 februari 2001; Kayhan, Iran Daily 7 maart 2001). De BBC meldde tevens dat nog vier moslims en een joodse verdachte, die in het buitenland verblijft, terecht moeten staan. (BBC World 7 februari 2001).

Staatsradio en -televisie, AFP 5 maart 2001.

Bahá'i is een in 1844 in Perzië ontstane monotheïstische godsdienst. De religie kent geen geestelijken. Democratisch gekozen administratieve raden vormen de structuur van de kerk. Het hoogste gezag wordt uitgeoefend door het Universal House of Justice, gevestigd op de berg Carmel in Israël. Volgens de kerk zijn er wereldwijd meer dan vijf miljoen bahá'is. De belangrijkste leerstellingen van het Bahá'i zijn het geloof in één God: de grote oude religies zijn gesticht door boodschappers van God (Abraham, Krishna, Moses, Boeddha, Zarathoestra, Jezus en Mohammed) die gezonden werden omdat de mensheid zich steeds verder ontwikkelt; de invoering van gelijkheid tussen de seksen, het uitbannen van extremen tussen weelde en armoede en het realiseren van de eeuwenoude belofte van wereldvrede. Religieuze gemeenschappen worden niet verdeeld door het woord van God, maar door de menselijke toevoegingen aan dat woord.

Brief Nationale Geestelijke Raad van de bahá'is van Nederland d.d. 13 maart 2001 aan het ministerie van Buitenlandse Zaken. Uit deze brief blijkt dat nog immer bezittingen van bahá'is in beslag worden genomen. Een positief bericht betreft de aankondiging dat bahá'is hun begraafplaats in Teheran opnieuw kunnen inrichten. (Copithorne: E/CN.4/2001/39 onder bahá'is). Daartegenover staat de recente vernietiging van het kerkhof te Abadih. (Brief NGR d.d. 13 maart 2001).

Voor Velayat-e Fakih zie p. 13. De thans gedetineerde journalist van het verboden dagblad Fath, Emadeddin Baqi, had in zijn jonge jaren affiniteit met deze groep en schreef er een boek over. Ook wordt over ex-minister van Cultuur en Islamitische Leiding Ataollah Mohajerani wel beweerd dat hij als 'religious intellectual' contacten met de 'Hojjatieh Association' niet uit de weg ging. (Neshat, 24 april 1999).

Iran 6 juni 2001 en IRNA en AFP 25 juni 2001.

De naam van deze weinig bekende messianistische sji'itische groepering is gelieerd aan de twaalfde imam, de Mahdi. Na zijn terugkeer op aarde zal het tijdperk van de perfecte sji'itische maatschappij aanbreken. Naar verluidt zouden leden van de Mahdaviat groepering pogingen hebben ondernomen /willen ondernemen bekende figuren in de Iraanse samenleving uit de weg te ruimen, die de terugkeer van de Mahdi zouden verhinderen. (Reuters, 23 november 2000).

In Iran komt geen aparte identiteitskaart voor. Iedere Iraniër ontvangt een geboorteboekje wanneer zijn of haar ouders de geboorte aangeven. Tevens wordt hij of zij in het geboorteboekje van de ouders bijgeschreven. Wanneer de houder van het geboorteboekje achttien jaar oud is, wordt een foto toegevoegd. Iraniërs zijn niet verplicht het geboorteboekje bij zich te dragen. Als identiteitsbewijs in het dagelijks leven volstaan een rijbewijs of een militair pasje. Er zijn voorzover bekend geen sancties op het niet dragen van een identiteitsbewijs. Bij verlies of inname van het geboorteboekje kan men een duplicaat aanvragen, ook vanuit het buitenland. Ook is het mogelijk iemand anders, bijvoorbeeld een familielid, te machtigen een dergelijk duplicaat aan te vragen.

In de praktijk is gebleken dat iedere Iraanse asielzoeker zich zijn eigen unieke nummer, dat hij /zij zijn/haar gehele leven met zich meedraagt, probleemloos weet te herinneren. Mocht het tot uitzetting van een uitgeprocedeerde, ongedocumenteerde Iraanse vreemdeling komen, dan zal deze eenmaal in Teheran aangekomen op overtuigende wijze zijn identiteit bij de Iraanse inreisautoriteiten duidelijk kunnen maken door zijn/haar unieke registratienummer te noemen. De Nederlandse ambassade te Teheran noteert recentelijk bij elke visumaanvraag ook dit unieke registratienummer.

Tehran Times en Reuters 8 maart 2001.Voor aanvankelijke tegenwerking zie IRNA 17 januari 2001, Reuters, 18 januari 2001, Herald Tribune 24 januari 2001, HRW 26 januari 2001.

Illegale uitreis is strafbaar volgens artikel 34 van de Paspoortwet. Zie ook noot 82 in ambtsbericht Iran d.d. 5 maart 1998.

Ter voorbereiding op de wereldconferentie over dit onderwerp in Durban (Zuid-Afrika) in september 2001. Serieuze berichtgeving in de Iraanse media werd overwoekerd door het incident rond enige NGO-vertegenwoordigsters, die meenden hun verplichte hoofddoek niet te hoeven dragen. In Qom vond n.a.v. het voorval een protestdemonstratie van geestelijken plaats. Honderdvijftig NGO vertegenwoordigers, onder wie Amnesty International en Human Rights Watch, waren aanwezig. Vertegenwoordigers van de bahá'is en het Simon Wiesenthal Center kregen echter geen visa.

Reuters, 11 juli 2001.

AP 25 januari 2001, Financial Times 26 januari 2001. De Art. 90 commissie van het parlement, die o.a. klachten versus de rechterlijke macht onderzoekt, heeft het initiatief genomen enkele zaken met politieke achtergrond te volgen en te vragen om correcte rechtsgang.

In onderzoeksfase geen advocaat en incommunicado-opsluiting; rechter en aanklager zelfde persoon; rechtsgang achter gesloten deuren; geen begin van bewijsvoering.

Zie § 3.4.3.2.

Zie algemeen ambtsbericht Iran 30 augustus 2000, p. 6.

IRNA, Tehran Times, Iran News, Iran Daily8 februari 2001.

Zie ambtsbericht 30 augustus 2000 p. 34. Doran-e Emrouz, AFP en BBC World 23 december 2000. Het betreft de moorden op het echtpaar Forouhar (Iran Nation Party) en de schrijvers Sharif, Pouyandeh en Mokhtari.

BBC World 10 december 2000, AFP 11 december 2000.

IRNA, Reuters en AFP 27 januari 2001.

Voorzover nog aanwezig.

Onderzoeksjournalist Akbar Ganji (zie proces tegen 'Berlijngangers') publiceerde verleden jaar een boek waarin hij onder meer de vroegere president Rafsanjani in verband bracht met de zogenoemde 'seriemoorden' op een aantal Iraanse schrijvers en dissidente politici in 1998.

(Staatsradio en AFP 27 februari 2001; Staatsradio en AFP d.d. 28 februari 2001).

Tehran Times 25 februari 2001.

AFP 18 augustus 2001 en Iran News 19 augustus 2001.

Zie algemeen ambtsbericht Iran d.d. 30 augustus 2000.

Resalat 21 februari 2001.

IRNA en Iran News 15 januari 2001. Nazari zou overigens op 21 april 2001 aan een moordaanslag in Teheran zijn ontkomen. AFP, 22 april 2001. De MKO zou in een verklaring de verantwoordelijkheid voor de aanslag op Nazari hebben opgeëist. (Tehran Times, 23 april 2001).

Een bij de ambassade bekende student werd na een jaar hechtenis in juli 2000 vrijgelaten, doch had schriftelijk moeten beloven met niemand over zijn detentie en invrijheidstelling te zullen spreken.

IRNA 14 december 2000. Het zou om een amnestie van de Geestelijk Leider gaan. Voor Tabriz juli 1999 zie ook ambtsbericht 21 december 1999 p. 24 en ambtsbericht 30 augustus 2000 p. 14.

SMCCDI News Service 26 februari 2001.

Hambastegi en Iran News.

Iran News, Iran en AFP 27 augustus 2000. In december 2000 vonden botsingen in Hamedan plaats tussen hervormingsgezinde studenten en hardliners. Hierbij vielen diverse gewonden. (AFP 7 december 2000).

Kayhan en AFP 15 maart 2001 en Iran News van 17 maart 2001;Tehran Times, Studentenpersagentschap ISNA 23 april 2001. De Majlis zou op 24 april 2001 besloten hebben de 122 veroordelingen in de Khorramabad-zaak nader te onderzoeken. Kayhan International (IRNA 24 april 2001).

Studentenpersagentschap ISNA, Hambastegi 25 maart 2001. IRNA en AFP 12 april 2001.

Iran en AFP 29 juli 2001.

Iran News 30 juli 2001.

Deze geruchtmakende conferentie met als thema 'Iran na de parlementaire verkiezingen' vond 7-9 april 2000 plaats. De bijeenkomst wekte de woede op bij delen van het conservatieve establishment. Genodigden uit Iran die de conferentie bijwoonden kwamen zwaar onder vuur te liggen. Zie ambtsbericht Iran 30 augustus 2000, pp. 11,12.

Ganji, onder meer hoofdredacteur van de inmiddels verboden krant Fath, beperkte zich in zijn verdediging niet tot zijn deelname aan de conferentie van Berlijn, maar gebruikte de met journalisten volgepakte Revolutionaire Rechtbank als forum om de ware schuldigen aan de 'seriemoorden' op intellectuelen te noemen. Ganji publiceerde verleden jaar een boek waarin hij onder meer de vroegere president Rafsanjani in verband bracht met moorden op dissidenten, waaronder de zogenoemde 'seriemoorden' op een aantal Iraanse schrijvers en dissidente politici in 1998. (zie o.m. AP, Reuters en AFP van 30 november 2000 en Iran News 3 december 2000). Voor het proces inzake de 'seriemoorden' zie hierboven.

IRNA, BBC World; AFP, Reuters 13 januari 2001, alle Iraanse kranten 14 januari 2001 en v.w.b. mevr. Sherkat AFP 19 januari 2001 en Iran Daily 22 januari 2001. Zie ook HRW Stifling Dissent onder V. Naar aanleiding hiervan heeft de Europese Unie op 16 januari 2001 een verklaring afgegeven, waarin zij haar bezorgdheid uitspreekt over de vonnissen. Tevens geeft de EU aan de uitspraak in strijd te achten met de internationale normen inzake de mensenrechten en het streven van de Iraanse regering om een maatschappij te grondvesten op basis van internationaal aanvaarde rechtsbeginselen. De hervormingsgezinde meerderheid van de Majlis reageerde afkeurend. Parlementslid Mohammad Reza Khatami, de broer van de president, sprak van politiek gemotiveerde vonnissen.

Vier jaar vanwege deelneming aan de Conferentie van Berlijn, vier jaar vanwege het in bezit hebben van geheime documenten, zes maanden vanwege propaganda tegen de Islamitische Republiek en achttien maanden vanwege belediging van de Geestelijk Leider.

Stand van zaken per 30 juni 2001. Zie HRW-Stifling Dissent noot 13. Ook de interne verbanning is van de baan. BBC News Online, AFP, IRNA 15 mei 2001; Iran News, Iran Daily 16 mei 2001. De rechterlijke macht zou een borg van $ 75.000 hebben ingesteld. Reuters 17 juni 2001. Over de gevangenisstraf van zes jaar zie AFP 17 juli 2001.

Rostamkhani kreeg ook een geldboete van omgerekend $ 3.000,-. De twee, hoewel zelf niet in Berlijn aanwezig, werden tijdens de rechtszitting beschuldigd van Mohareb (strijder tegen God), waarop de doodstraf kan staan. (Beiden zijn ex-leden van de Union of Communists of Iran en zaten eerder van 1990 tot 1992 een gevangenisstraf uit). De beschuldiging van Mohareb werd in februari 2001 nog eens openlijk herhaald door het Hoofd van de Speciale Rechtbank voor de Geestelijkheid, Ayatollah Mohseni-Eje'i (IRNA, Iran News 18 februari 2001). Deze ayatollah, één van de machtigste rechters van Iran, werd door Akbar Ganji tijdens diens proces ook van betrokkenheid bij de 'seriemoorden' beschuldigd. (Economist, 9 december 2000).

Vier jaar wegens deelname aan de conferentie van Berlijn; zes maanden vanwege propaganda tegen de Islamitische Republiek en zes maanden wegens het oprichten van een crisiscentrum van de studentenbeweging OCU. Tegen Afshari lopen tevens aanklachten wegens 'spionage' en het 'publiceren van leugens'. Op 16 mei 2001 heeft Afshari voor de Iraanse staatstelevisie een 'bekentenis' afgelegd dat hij plannen had gesmeed om de Islamitische Republiek Iran te ondermijnen. Hij verontschuldigde zich t.o.v. de Geestelijk Leider ten opzichte van zijn 'fouten'. (Amnesty International Bliksemactie d.d. 22 mei 2001. MDE 13/017/2001). President Khatami hekelde deze gang van zaken en zei dat zulke bekentenissen in een rechtbank thuishoren en niet op televisie. (IRNA, 5 juni 2001).

Voor IFM zie §3.4.2.1, voor het verbod op Iran-e Farda en andere kranten en tijdschriften zie ook ambtsbericht Iran 30 augustus 2000 pp. 19 - 21.

Mw. Kar kreeg de straf opgelegd wegens propaganda tegen de Islamitische Republiek en ondermijning van de nationale veiligheid. Mevrouw Kar, die in februari 2001 en juni 2001 enige tijd in Nederland verbleef voor een medisch onderzoek, wacht nog een tweede rechtszaak bij de Openbare Rechtbank wegens drie aanklachten, waaronder niet-naleving van de kledingvoorschriften (het niet dragen van de Hejab) tijdens haar verblijf in Berlijn.

Zie o.m. IRNA 16 oktober 2000.

Aftab-e Yazd 10 oktober 2000 en Tehran Times 12 oktober 2000. De Europese Unie heeft op 24 oktober 2000 tegenover de Iraanse autoriteiten haar zorg uitgesproken over het proces tegen Eshkevari en aangedrongen op een transparante rechtsgang met inachtneming van internationaal aanvaarde rechtsbeginselen.

Studentenpersagentschap ISNA en BBC Monitoring Service 19 mei 2001 en Iran News 20 mei 2001.

Het is gebruikelijk dat het identiteitsbewijs dat een persoon bij zich draagt bij een arrestatie wordt ingenomen. Hiervan wordt een zorgvuldige administratie bijgehouden. Bij invrijheidsstelling worden de ingenomen identiteitsbewijzen weer teruggegeven. Er zijn tevens gevallen bekend waarbij identiteitsbewijzen bij een huiszoeking zijn ingenomen.

Op 12 november 2000 publiceerden Kayhan en vervolgens IRNA een 'mea culpa' van de beste satirische schrijver van Iran, Ebrahim Nabavi. In een brief, geschreven in zijn cel, bekent Nabavi zijn 'mistakes' en verloochent zijn extremisme. De brief verontrust o.m. Iran Press Service, die vreest dat de indringende verhoormethoden van het Ministerie van Intelligence weer van stal zijn gehaald. (Kayhan, Reuters en IPS 12 november 2000, IRNA en Iran News 13 november 2000). De bekende student Manouchehr Mohammadi schrijft in een open brief aan het hoofd van het gerechtelijk apparaat Shahroudi dat hij na zijn aanhouding door marteling werd gedwongen tot het bekennen van spionage voor de Zionisten, welke bekentenis op 19 juli 1999 door de staatstelevisie werd uitgezonden. (The Express Chronicle, Moskou 26 januari 2001). Op 16 mei 2001 verscheen studentenleider Ali Afshari op de televisie. Hij nam in een interview afstand van zijn vroegere activiteiten en bood excuses aan de geestelijk leider aan. (BBC Monitoring Service 18 mei 2001). De bejaarde dissident Ezzatollah Sahabi (76) betuigt in een brief, gepubliceerd door Kayhan, spijt over zijn activiteiten en bekent dat hij met de VS heeft samengewerkt om het Islamitisch regime omver te werpen. Ook vraagt hij zijn kinderen hun pogingen te staken om hem vrij te krijgen. (IRNA / Reuters, 3 juni 2001)

Doran-e Emrouz (Epoch of Today), AFP30 december 2000.

Hamshahri, Iran Daily, Iran News 7 november 2000.

Kayhan en AFP 24 februari 2001, staatstelevisie en AFP 25 februari 2001.Volgens de minister van Justitie bestaat de gevangenispopulatie voor 60% uit drugsdealers en verslaafden. (IRNA, 20 november 2000).

Iran, Iran News 22 januari 2001.

Hayat-e No, AFP 29 januari 2001.

Iran News 13 februari 2001.

Hayat-e No, Iran News 20 februari 2001.

Hayat-e No, Iran, Reuters 25 februari 2001 en Iran News 26 februari 2001.

AFP 12 maart 2001, Doran-e Emrouz, AFP en Human Rights Watch 13 maart 2001.

Zie algemeen ambtsbericht 30 augustus 2000 p. 29.

Kayhan 12 november 2000, Iran News 13 november 2000, AFP 15 november 2000, Iran News en Iran Daily 16 november 2000.

Hambestegi, AFP 13 mei 2001, Tehran Times 15 mei 2001. Op 24 juni 2001 zou het telecommunicatiebedrijf van de staat in een nieuwe regel hebben vastgelegd dat personen onder de achttien jaar geen toegang mogen krijgen tot internet. (IRNA 24 juni 2001). Al diezelfde dag liet het bedrijf weten dat dit bericht onjuist was. (IRNA 24 juni 2001).

Doran-e Emrouz, AFP 3 januari 2001 en Iran News 4 januari 2001.

Abrar, AFP 13 maart 2001.

Zie Jomhuri Eslami, Qods, AFP 17 mei 2001, Iran 3 juli 2001, Iran News 3 juli 2001 en Iran en AFP 4 juli 2001.

Amnesty International jaarboek 2001 geeft een voorbeeld van twee mannen die werden gemarteld in het Towhid detentiecentrum. Dit centrum werd in augustus 2000 op last van de rechterlijke macht gesloten. De journalist Akbar Ganji gaf tijdens zijn proces aan tijdens het vooronderzoek te zijn gemarteld. (Tehran Times 14 november 2000, IRNA 29 november 2000).

Een arrestant naar aanleiding van de nieuwjaarsfeesten maakte er melding van dat een van zijn (mannelijke) medearrestanten bij wijze van extra zware bestraffing ongekleed werd gegeseld omdat hij geklaagd zou hebben over de behandeling.

De arrestanten naar aanleiding van de nieuwjaarsfeesten zijn voorzover bekend allen 'zonder Koran' gegeseld en in de krantenberichten is recentelijk slechts eenmaal van geseling 'met Koran' melding gemaakt. Het ging hierbij om een man die, in het openbaar, eerst 180 zweepslagen zonder Koran kreeg, alvorens 99 keer met de Koran onder de arm te worden geslagen. (Iran News, Iran, AFP 17 februari 2001). (Er zouden meer dan 250 personen gearresteerd zijn wegens het overtreden van de islamitische leefregels. BBC News Online, 3 januari 2001. Jomhouri-Eslami, AFP 8 januari 2001).

Iran News, Iran en AFP 17 februari 2001. Op 15 februari werden op het Vanak-plein in Noord-Teheran drie jonge mannen gedurende een uur afgetuigd. De beschuldiging was alcoholgebruik en onwettig geslachtsverkeer. Per persoon werden 99 zweepslagen toegebracht 'met de volle arm', d.w.z. zonder dat de Koran daaronder was geklemd. Een dergelijke publieke marteling heeft, voorzover bekend, al tijden niet meer plaats gehad.

Jomhuri Eslami, Qods, AFP 17 mei 2001 en Kayhan en IRNA 31 mei 2001.

Iran, AFP 4 juli 2001, Kayhan, AFP 7 juli 2001, Iran News, AFP 12 juli 2001 (2 gevallen), Jomhuri Eslami, AFP 15 juli 2001, Abrar, BBC Monitoring Service 21 juli 2001, AFP 24 juli 2001, IRNA, Reuters en AFP 29 juli 2001.

Hambastegi en AFP 28 juli 2001.

Veel publiciteit kregen de amputaties van vier vingers met behulp van een soort guillotine van een aantal recidiverende dieven. Jam-e Jam, Entekhab, Iran News 3 januari 2001; Kayhan, AFP 4 januari 2001 In de media werd vrij algemeen kritiek op deze gang van zaken geuit. Tehran Times van 6 januari 2001 pleit ervoor amputatie van vingers op te schorten totdat de economische situatie zodanig is verbeterd dat diefstal niet echt meer nodig is.

Het is overigens mogelijk dat niet zozeer het aantal ten uitvoer gelegde dood- en lijfstraffen is toegenomen, als wel de mate van berichtgeving hierover in de kranten.

Amnesty International schrijft in haar jaarboek over 2000 'At least 75 executions were reported and 16 death sentences imposed, often in connection with murder charges. However, the true number may have been considerably higher'. Amnesty International Report 2001: Iran. VN-vertegenwoordiger Copithorne houdt het op tweehonderd doodvonnissen die volgens de Iraanse media in het jaar 2000 voltrokken zijn. (E/CN.4/2001/39).

IRNA, AFP 13 augustus 2001.

Zie ook antwoord minister van Buitenlandse Zaken op Kamervragen van de leden Valk en Koenders (beiden PVDA) d.d. 12 februari 2001 en antwoord minister van Buitenlandse Zaken d.d. 22 juni 2001 op Kamervragen van de leden Hoekema (D66) en Wilders (VVD). Op 11 juli 2001 werd een vrouw door steniging ter dood gebracht in de Evin-gevangenis. Zij werd schuldig bevonden aan medeplichtigheid aan de moord op haar man en het plegen van overspel. Amnesty International Bliksemactie en News Release d.d. 11 juli 2001 MDE 13/023/2001 en 13/024/2001; BBC News Online 12 juli 2000. Op 21 mei 2001 werd in de Iraanse media melding gemaakt van steniging van een 35-jarige vrouw in de Evin-gevangenis. Zij zou acht jaar geleden in een 'pornografische' film hebben gespeeld. Nadere informatie over de steniging is niet bekend. Zie ook Amnesty International Bliksemactie d.d. 25 mei 2001 MDE 13/018/2001. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat er in de praktijk tot steniging wordt veroordeeld louter op basis van bewezen overspel. In de gevallen die de publiciteit halen, gaat het veelal om het voltrekken van de doodstraf wegens een moord die in verband staat met een overspelige relatie.

Iran News, IRNA 10 augustus 2000.

Staatsradio en -televisie, AFP 29 oktober 2000.

Hambastegi, Reuters, IRNA 11 november 2000.

Tehran Times en Reuters 8 maart 2001 Voor aanvankelijke tegenwerking zie IRNA 17 januari 2001, Reuters, 18 januari 2001, Herald Tribune 24 januari 2001, HRW 26 januari 2001.

BBC News Online, 14 december 2000. Velen dreigen in de prostitutie of drugsscene terecht te komen.

E/CN.4/2001/39. De VN-vertegenwoordiger verwijst hierbij naar het UNICEF-rapport E/ICEF/1999/p/1.11/Add.1. Copithorne raadt de Iraanse regering sterk aan de aanbevelingen van het UN Commitee on the Rights of the Child (CRC/C/15/Add.123) te implementeren, om zo de positie van het Iraanse kind verder te verbeteren. Kinderarbeid komt nog veel voor in Iran, vooral in de informele sector. Copithorne beveelt de overheid aan de ILO conventie 182 te ratificeren om de ergste vormen van kinderarbeid uit te uit te bannen. (E/CN.4/2001/39).

Voor uitgebreidere informatie over homo- en transseksualiteit zie ambtsbericht Iran 5 maart 1998 pp. 24,25 en ambtsbericht Iran 9 december 1998, p. 18.

Voor de joodse gemeenschap zie onder Vrijheid van Godsdienst § 3.4.3.1.

Iran heeft volgens een recente schatting van de VN momenteel meer dan 70 miljoen inwoners. Ruim de helft van hen zijn Perzen. De etnische Azeri in Iran spreken de aan het Turks verwante Azeri taal. De Azeri zijn in het algemeen goed geïntegreerd in de Iraanse samenleving. Officieel streeft geen enkele organisatie van etnische Azeri in Iran een grotere mate van autonomie na. Een dergelijke organisatie zou ook onmiddellijk door de autoriteiten verboden en ontmanteld worden. Er is echter sprake van een toenemende roep om meer aandacht voor het Azeri culturele erfgoed, het gebruik van de taal en scholing in de taal.

Een veel gehoorde klacht van etnische Azeri in Iran is dat zij in tijden van oorlog toegewijde staatsburgers zijn geweest en dat zij op grond daarvan meer respect van de Iraanse autoriteiten voor hun cultuur en taal hebben verdiend dan ze momenteel krijgen. Vooral onder studenten en intellectuelen lijkt de omvang en de steun voor de beweging die de Azeri taal en cultuur in Iran wil bevorderen, toe te nemen. Hierbij gaat het vooralsnog om het toepassen van rechten die etnische Azeri volgens de Iraanse grondwet hebben. Het lijkt echter niet uitgesloten dat er sprake is van een onderliggend verlangen naar meer autonomie. Juist om deze reden en ook vanwege het grote aantal etnische Azeri in Iran, lijken de Iraanse autoriteiten weinig ruimte te willen bieden aan wensen m.b.t. de Azeri taal en cultuur en al helemaal niet aan een verlangen naar meer autonomie.

Momenteel staat in Teheran een oud-commandant van een KDP-i-gevangenis terecht voor het laten executeren van 42 Iraanse en Iraakse soldaten in de jaren tachtig (AFP 15 augustus 2001, Tehran Times 16 augustus 2001).

Van Iraanse zijde zou slechts op een geheime plaats in Turkije gepraat kunnen worden, doch de KDP-i zou vrezen dat hun vertegenwoordigers een dergelijke ontmoeting niet zouden overleven.

Zie voor dienstplicht ook pagina 48 van het ambtsbericht Iran d.d. 21 december 1999 met kenmerk DPC/AM-643432.

===

Deel: ' BZ Ambtsbericht over situatie in Iran '




Lees ook