expostbus51


CBS


CBS:Conjunctuurbericht Januari 1999

Algemeen
Recent beschikbaar gekomen statistische informatie duidt op een kentering in het overwegend positieve beeld van de ontwikkelingen in de Nederlandse economie. Het bruto binnenlands product in het derde kwartaal is in volume 3,2% groter dan in het overeenkomstige trimester een jaar eerder. Dit betekent een lichte neerwaartse aanpassing ten opzichte van de eerdere raming. Na de relatief hoge groeicijfers in het eerste (4,9%) en in het tweede kwartaal (3,8) deed zich in de loop van het jaar dus een duidelijke groeivertraging voor. De indicator van het consumentenvertrouwen loopt op in januari maar minder dan op grond van het seizoenpatroon verwacht mocht worden. De situatie in de industrie verslechtert. Het productievolume in november is bijna 2% kleiner dan een jaar eerder. Het aantal geregistreerde werklozen is ook in de laatste maanden van vorig jaar afgenomen, maar het tempo waarin dit gebeurt daalt. De gezinsconsumptie blijft zich sterk ontwikkelen. In de eerste elf maanden van 1998 was het volume 4,3% groter dan in het overeenkomstige tijdvak een jaar eerder Productie industrie
Het productievolume van de industrie is in november van vorig jaar 1,8% kleiner dan in dezelfde maand van 1997. In de eerste elf maanden van 1998 is de industriële productie met 2,8% toegenomen vergeleken met dezelfde periode in 1997. Voor 1997 in zijn geheel lag het groeicijfer nog op 4,3%. Het lagere groeipercentage vindt zijn oorzaak voornamelijk in een fors afnemende groei in de chemische industrie. In de periode januari.november 1998 was de groei 2,0%, terwijl deze in 1997 in zijn geheel nog 6,8% bedroeg. Ook de hout- en bouwmaterialenindustrie deed een flinke stap terug. Daar bedroeg de productiegroei in 1997 nog 6,1%, maar in de eerste elf maanden van 1998 is deze afgenomen tot 1,3%. Oorzaak hiervan is onder andere de stagnerende groei in de bouwnijverheid. De productiegroei in de voedings- en genotmiddelenindustrie in de eerste elf maanden van 1998 (1,1%), was, in deze periode, de laagste sinds 1993. Alleen de groei van het productievolume in de textiel-, kleding- en lederindustrie en in de papier- en grafische industrie ligt in de eerste elf maanden van dit jaar iets hoger dan in 1997 in zijn geheel. Werkloosheid
Het aantal geregistreerde werklozen is in de laatste maanden van 1998 verder afgenomen. In het vierde kwartaal van vorig jaar waren er gemiddeld 260 duizend mensen werkloos, daarmee is de werkloosheid sedert begin 1994 gehalveerd. Dit is tevens het laagste niveau sedert november 1980, toen het aantal geregistreerde werklozen 254 duizend bedroeg. Gemiddeld daalt de werkloosheid nu met drieduizend per maand. Tussen het tweede en derde kwartaal lieten de op een steek-proef gebaseerde cijfers nog een daling zien van zesduizend per maand. Tussen medio 1997 en medio 1998 nam de gemiddelde werkloosheid maandelijks zelfs af met negenduizend. De conclusie is dan ook dat het aantal werklozen nu minder snel afneemt. Gemiddeld komt het aantal geregistreerde werklozen in 1998 uit op 287 duizend, 88 duizend minder dan in 1997. Van de vrouwelijke beroepsbevolking was in 1998 4,2% werkloos. Bij de mannen lag dit percentage op 3,4. In 1997 waren deze percentages nog 6,5 respectievelijk 4,8.
Economische groei: vertraagt
Het volume van het bruto binnenlands product (BBP) in het derde kwartaal van 1998 was 3,2% groter dan in het overeenkomstig tijdvak een jaar eerder. Dit groeicijfer blijft duidelijk achter bij dat van het eerste (4,9%) en van het tweede kwartaal (3,8%). De economische groei over 1997 bedroeg 3,6%. Opvallend is de terugval in de loop van vorig jaar van de industrie. Bij enkele bedrijfsgroepen in de metaal en in de chemie deed zich zelfs een krimp voor in het derde kwartaal Alleen in de transportmiddelenindustrie bleef de groei hoog. Ook in veel dienstensectoren waren in de loop van het jaar afnemende stijgings-percentages te zien, zij het dat deze minder geprononceerd zijn dan in de industrie. De uitzendbureaus laten wel een sterke terugval van de groei zien; de post en telecommunicatie valt op door voortdurend hoge groeicijfers.
Consumptie gezinnen: groei houdt aan
Het volume van de consumptieve bestedingen door gezinnen in november vorig jaar was 4,4% groter dan een jaar eerder. De sterke groei van de particuliere bestedingen die de eerdere maanden van 1998 kenmerkte, houdt aan ondanks het ongunstige koopdagen-patroon. November vorig jaar telde een zaterdag minder en een maandag meer dan in 1997, bovendien viel 1 november op een zondag. Dit ongunstige patroon beïnvloedt met name de groeicijfers van de voedings- en genotmiddelen. In volume deed zich voor deze categorie een krimp voor van ruim 3%. De aankopen van de duurzame goederen liggen 9,1% boven het niveau van een jaar eerder. Aan de diensten en de overige goederen werd in volume 4,6% meer besteed.
Producentenprijzen: blijven dalen
De producentenprijzen op de binnenlandse afzetmarkt van de industrie zijn in november 1998 5,2% lager dan in november 1997. De lagere afzetprijzen zijn vooral het gevolg van de lagere prijzen in de aardolie-industrie. In vergelijking met het niveau van november 1997 namen de afzetprijzen in deze bedrijfsklasse met ruim 30% af. Ook de voedings-middelen- en de basismetaalindustrie worden geconfronteerd met prijsdalingen bij de afzet van hun producten. In de basismetaalindustrie staan de prijzen onder druk door een grotere toevloed van metaal uit het buitenland. Stijgingen in het prijsniveau worden waargenomen in de tabaksindustrie (3,6%). De neergang van de producentenprijzen die in november kan worden geconstateerd betekent een continuering van een ontwikkeling die in 1998 inzette. Sinds april van vorig jaar lagen de afzetprijzen steeds onder die van dezelfde maand in 1997.
Het niveau van de verbruiksprijzen ligt in vergelijking met november 1997 ruim 10% lager. In de eerste elf maanden lagen de prijzen steeds onder het niveau van een jaar eerder. De ruilvoet voor de industrie als geheel is hierdoor verbeterd. De lagere afzet- en verbruiksprijzen worden in hoge mate beïnvloed door de lagere aardolieprijzen. Producentenvertrouwen: onveranderd
Het producentenvertrouwen, de stemmingsindicator van de industriële ondernemers, is in december 1998 uitgekomen op 0,2. Dit is een zelfde waarde als in november. Na augustus is deze indicator teruggevallen. Vergeleken met het cijfer uit augustus is de waarde nu 4,9 punten lager. Uit de kwartaalvragen van de Conjunctuurtest in de industrie blijkt dat de bezettingsgraad van de productie-installaties in december 1998 ten opzichte van september vorig jaar is gedaald van 84,9% naar 83,7%. De bezettingsgraad van december is de laagste na maart 1996. Onvoldoende vraag naar het product wordt door een groeiend aantal ondernemers genoemd als een belemmerende productiefactor. In december wordt de orderontvangst wat positiever beoordeeld dan in november het geval was. De ondernemers in de industrie melden voor het eerst sinds enkele maanden dat naar verwachting de verkoop-prijzen gemiddeld niet verder zullen dalen.
Consumentenvertrouwen: daalt na seizoencorrectie De indicator van het consumentenvertrouwen komt in januari 1999 uit op een wat hoger niveau dan in december 1998. Op de vijf vragen die aan de indicator ten grondslag liggen, werden in januari per saldo 8% meer positieve dan negatieve antwoorden gegeven. In de voorgaande maand was dit percentage 3%-punt lager. Een stijging van december op januari is echter zeer gebruikelijk, maar deze is nu geringer dan op grond van het seizoenpatroon verwacht mag worden. Na uitschakeling van seizoeninvloeden resteert dan ook een daling: van 11% in december naar 7% in januari.
De deelindicator van de koopbereidheid vat de antwoorden samen op twee vragen naar de eigen financiële situatie en het oordeel of de tijd gunstig is voor grote aankopen. De koopbereidheid neemt van 13 in december toe naar 15 in januari. Seizoengecorrigeerd daalt deze evenwel van 20 naar 14. De andere deelindicator, die van het economisch klimaat, geeft in januari een stijging van 5 procent-punt te zien; na seizoencorrectie wordt dit een daling van 2. De indicator van de koopbereidheid ontwikkelt zich dus wat minder voorspoedig dan die van het economisch klimaat.
Vacatures: dalende vraag naar arbeid
Eind september vorig jaar bedroeg het aantal vacatures bij particuliere bedrijven en instellingen 117 duizend. Dat is 22 duizend minder dan eind juni. Het aantal vacatures bereikte toen de recordhoogte van 139 duizend. Deze vrij forse daling is slechts voor een deel toe te schrijven aan het aantal schoolverlaters dat zoals gebruikelijk in september op de arbeidsmarkt komt. In de twee voorgaande jaren was de daling van het aantal onvervulde banen niet meer dan tien duizend. Het aantal vacatures aan het einde van een kwartaal is de resultante van de ontstane nieuwe en vervulde bestaande vacatures. De grote daling van het aantal vacatures is dan ook mede veroorzaakt doordat er minder nieuwe ontstonden. Ook de werkloosheid neemt minder snel af. Beide cijfers bevestigen dat de vraag naar arbeid weliswaar nog groeit, echter minder onstuimig dan in voorgaande periodes.
Faillissementen: nieuwe reeks
De Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP), die op 1 december 1998 van kracht is geworden, veroorzaakt een breuk in de in het Conjunctuurbericht opgenomen reeks uitgesproken faillissementen. Particuliere personen al of niet met een eigen bedrijf die niet meer aan hun financiële verplichtingen kunnen voldoen, kunnen onder bepaalde omstandigheden, wanneer een faillissement dreigt een beroep doen op de WSNP. Het aantal uitgesproken faillissementen zal hierdoor sterk dalen. Zo.n beroep op de WSNP is niet mogelijk voor bedrijven en instellingen, uitgezonderd de eenmanszaken. De in het Conjunctuur-bericht opgenomen reeks heeft vanaf dit nummer dan ook alleen betrekking op deze groep. Globaal geven de oude en de nieuwe reeks een zelfde beeld te zien. In 1998 failleerden 2469 bedrijven en instellingen; een daling van 7,9%. In 1997 steeg dit aantal met bijna 2%.

FOCUS: inflatie 2,0% in 1998
Het consumentenprijsindexcijfer lag in december 1,7% hoger dan in december 1997. Vooral de prijzen van vis, groenten en tabak stegen sterk, terwijl onder andere die van koffie, thee en cacao fors daalden. De ontwikkeling van de consumentenprijsindex geldt als de belangrijkste indicator voor de inflatie. Gemiddeld steeg het prijsniveau over 1998 met 2,0%. In 1996 en 1997 bedroeg de toename respectievelijk 2,0% en 2,2%.
Een belangrijke oorzaak van de stijging in 1998 was de toename van het prijsniveau in de categorie huisvesting, water, gas en elektriciteit met 3,1%. Binnen deze categorie namen vooral de kosten voor huisvesting toe. Doordat deze categorie een kwart van het gezins-budget vormt, heeft een stijging substantiële consequenties voor de consumentenprijsindex. Ondanks een daling van de prijs in december van dit jaar, werden kleding en schoeisel in 1998 2,8% duurder. Dit is een aanzienlijk grotere toename dan in 1997. De prijs van voedings-middelen en alcoholvrije dranken nam in 1998 met 2,2% toe. Binnen deze categorie stegen de prijs van groenten, mede door het kleinere aanbod als gevolg van het slechte weer van het afgelopen jaar, en de prijs van vis het sterkst. Evenals voorgaande jaren nam de prijs van tabaksproducten in 1998 sterk toe. Sinds 1995 is het merendeel van de waargenomen goederen in prijs gestegen. Het meest stegen de prijzen van elektriciteit, gas en andere brandstoffen (18,1%), tabak (14,3%), huisvesting (12,2%) en de tarieven van overheidsdiensten (11,8%). Ook het prijsniveau in de productgroep communicatie is behoorlijk toegenomen (10,1%), wat vooral veroorzaakt is door een krachtige prijsverhoging in 1996. Koelkasten, verwarmings- en kookapparatuur daalden voor het derde opeenvolgende jaar in prijs. Ook computers, radio- en televisieapparatuur werden vanaf 1995 jaarlijks goedkoper.

Internationale ontwikkelingen: Amerikaanse dollar en Engelse pond in 1998 iets duurder, Japanse yen goedkoper
De koers van de Amerikaanse dollar kwam verleden jaar gemiddeld uit op f 1,98. Dat is 3 cent meer dan een jaar eerder. In 1997 was de dollar gemiddeld nog met 26 cent gestegen, wat een stijging betekent van ruim 15%. Net als in 1997 is verleden jaar de positie van de gulden ten opzichte van het Engelse pond verslechterd. De waardestijging bleef in 1998 echter beperkt tot bijna 3% tegen ruim 20% in 1997. De Japanse yen is verleden jaar ten opzichte van de gulden gemiddeld met 6% in waarde gedaald.
Op 31 december 1998 hebben de ministers van Financiën van de landen die deelnemen aan de EMU, de waarde van de euro ten opzichte van de deelnemende valuta definitief vastgesteld. Naast de Nederlandse gulden gaat het hier om de Belgische frank, de Duitse mark, de Finse markka, de Franse frank, het Ierse pond, de Italiaanse lire, de Luxemburgse frank, de Oostenrijkse shilling, de Portugese escudo en de Spaanse peseta. De waarde van de gulden ten opzichte van 1 euro werd op 31 december vastgesteld op f 2,20371. Vanaf dat moment zijn ook de onderlinge wisselkoersen van deze landen onlosmakelijk en voor altijd aan elkaar gekoppeld. Hierop vooruitlopend is van de landen die meedoen met de euro de waarde van deze valuta t.o.v. de gulden in 1998 bijna niet meer veranderd. Alleen de Portugese escudo, het Ierse pond en de Finse markka moesten t.o.v. de gulden nog wat terrein prijsgeven. Voor de waardebepaling van de euro eind 1998 is gebruik gemaakt van de koers van de ecu (European currency unit) van dat moment. In 1978 lag deze nog op gemiddeld f2,75. Hierna is in een tijdsbestek van 20 jaar de waarde van de ecu met 20% gedaald. Daarentegen laat in deze periode de Japanse yen een gestage stijging van 50% zien. De Amerikaanse dollar toont tussen 1978 en 1998 een sterk wisselende ontwikkeling. In het tijdvak 1978 tot 1985 is de dollar meer dan 50% duurder geworden. Maar tussen 1985 en 1987 is de koers van de dollar echter weer fors gedaald. In de laatste tien jaar zijn de onderlinge verschillen in de waarde van de dollar, ecu en yen uitgedrukt in guldens veel kleiner dan in de periode 1978-1988.

Deel: ' CBS Conjunctuurbericht januari 1999 '




Lees ook