expostbus51


CBS


CBS: Conjunctuurbericht juli 1999

Algemeen: conjunctuurbeeld stabiel
De internationale conjunctuur blijft nagenoeg op peil. In de Verenigde Staten zette de economische groei in dit jaar door. Het herstel in Japan is onverwacht snel, al moet worden afgewacht of dit een structureel karakter krijgt. Ook in de Zuidoost-Aziatische landen zijn er tekenen dat het dal gepasseerd is. In Nederland bedroeg de economische groei in het eerste kwartaal, vergeleken met het overeenkomstige tijdvak een jaar eerder, 3,0%. Dit cijfer blijft maar weinig achter bij de relatief hoge groeicijfers in de voorgaande kwartalen.
De consumptie door huishoudens blijft de motor van de economische groei. Het vertrouwen van de consumenten in de conjuncturele ontwikkeling bereikt in juli de hoogste waarde van de laatste tien maanden. De industriële productie lijkt aan te trekken. De inflatie is ook in juni stabiel, maar vergeleken met de eurozone in zijn geheel zijn de prijsstijgingen relatief fors. De daling van de geregistreerde werkloosheid zet door. Het aantal openstaande vacatures aan het eind van het eerste kwartaal was het hoogste dat het CBS ooit heeft gemeten.

Nationale rekeningen 1998: evenwichtige ontwikkeling De onlangs beschikbaar gekomen gegevens van de Nationale rekeningen (NR) bevestigen het beeld van de voortgaande evenwichtige ontwikkelingen in de Nederlandse economie. Het betreft hier de gereviseerde rekeningen, die nu aansluiten op de nieuwste internationale richtlijnen, zoals vastgelegd in het Europese Systeem van Nationale en Regionale rekeningen. De herziening heeft consequenties voor het niveau van de macrototalen. Zo is voor het schakeljaar 1995 het bruto binnenlands product (BBP) met ruim 26 miljard gulden opwaarts bijgesteld.
Voor de volumemutaties is het effect van de wijzigingen geringer. De in dit Conjunctuurbericht opgenomen gegevens, veelal volumemutaties, zijn nog niet aangepast aan de herziene NR. Volgens het gereviseerde cijfer bedroeg de economische groei in 1998, afgemeten aan de volumemutatie van het BBP, 3,7%. Dit stijgingspercentage ligt in dezelfde orde van grootte als de groei die over 1997 gerealiseerd werd. Voor het derde opeenvolgende jaar komt de economische groei uit op meer dan 3%.
Consumptie: gestage groei
Het volume van de binnenlandse consumptie door gezinshuishoudingen in mei was 2,5% groter dan in dezelfde maand een jaar eerder. Dit groeicijfer blijft wat achter bij de stijgingspercentages die in de voorgaande maanden werden gemeten. Incidentele oorzaken, als het koopdagenpatroon en de weersomstandigheden, liggen aan deze terugvallende groei ten grondslag.
Wordt de ontwikkeling op wat langere termijn bezien, dan is de invloed van incidentele factoren geringer. In de eerste vijf maanden van dit jaar was het volume van de binnenlandse consumptie 3,8% groter dan in het overeenkomstige tijdvak van 1998. Dit cijfer blijft iets achter bij de uitzonderlijk hoge jaargroei over 1998; deze bedroeg 4,4%. In de eerste vijf maanden van dit jaar hebben niet alle onderscheiden consumptiecategorieën in dezelfde mate aan de groei bijgedragen.
De bestedingen aan voedings- en genotmiddelen lagen, voor prijsveranderingen gecorrigeerd, 2,0% onder het niveau van een jaar eerder. De volumetoename bij de duurzame goederen (8,6%) bleef uitzonderlijk hoog.

Economische groei: blijft hoog in eerste kwartaal De Nederlandse economie in het eerste kwartaal van 1999 is in volume 3,0% groter dan een jaar eerder. Dit betekent een kleine afname ten opzichte van de groeicijfers van de laatste twee kwartalen van vorig jaar, maar het groeicijfer blijft relatief hoog.

Investeringen: flinke groei
Het volume van de investeringen in vaste activa in het eerste kwartaal van 1999 is aanzienlijk groter dan een jaar eerder (6,9%). Vooral in vervoermiddelen wordt aanzienlijk meer geïnvesteerd (17,4%). Ook in de voorgaande twee kwartalen groeiden de investeringen in vervoermiddelen fors.
Vergeleken met het laatste kwartaal van vorig jaar zijn in het eerste kwartaal van 1999 de groeicijfers van de investeringen duidelijk hoger voor bedrijfsgebouwen, grond-, weg- en waterbouwkundige werken en machines. Dit hangt voor een deel samen met het gereedkomen van een aantal grote projecten. Zonder deze projecten zouden de investeringen met 5,6% zijn gestegen.

Industriële productie: lijkt aan te trekken
Het productievolume in de industrie, gecorrigeerd voor invloeden van het seizoen, is in mei 2,1% groter dan in april van dit jaar. Vergeleken met mei 1998 ligt de productie eveneens 2,1% hoger. Ten opzichte van het tijdvak januari-mei 1998 ligt de gemiddelde productie in de eerste vijf maanden van dit jaar nog steeds 0,9% lager.
De industriële productie lijkt echter iets aan te trekken. In de eerste vijf maanden van dit jaar ligt het, voor seizoen gecorrigeerde, niveau van de productie namelijk bijna 1% hoger dan in de tweede helft van 1998. De sterkste groei doet zich voor in de hout- en bouwmaterialenindustrie. Bovengemiddeld groeien ook de voedings- en genotmiddelenindustrie, de chemische industrie, de metaalindustrie en de papier- en grafische industrie.

Inflatie: stabiel
Tussen mei en juni zijn de consumentenprijzen met 0,4% gedaald. Zoals gebruikelijk start in deze tijd van het jaar de uitverkoop van kleding en schoeisel. De prijsdalingen voor kleding (bijna 6%) en schoeisel (ruim 3%) leverden dan ook de belangrijkste bijdragen aan de daling van de prijzen voor de consumenten. Door een, zoals gewoonlijk in deze periode van het jaar, groter aanbod werden ook verse groenten en fruit goedkoper.
De prijs van vis ging omhoog. Gemiddeld zijn de prijzen in juni, vergeleken met een jaar eerder, met 2,3% gestegen. In het eerste halfjaar bedroeg deze 2,2%. De inflatie is dus vrij stabiel. Volgens de maatstaf van de Europese Unie, de geharmoniseerde index, is de inflatie in mei in Nederland 2,1%. Voor de eurozone in zijn geheel is dit 1,0%. De inflatie in ons land is dus ruim twee maal zo hoog als het gemiddelde van de elf landen van de eurozone.

Producentenprijzen: prijzen industrie licht gestegen Het niveau van de afzetprijzen van Nederlandse industriële producten ligt in mei 0,2% hoger dan in april. In de aardolie-industrie stegen de prijzen met 1,6%. Dit is aanzienlijk minder dan in de maanden maart en april toen de prijzen van aardolieproducten achtereenvolgens stegen met 17,5% en 14%. Duurder werden ook producten van de chemische industrie (+0,6%) en de basismetaalindustrie (+0,3%). Een geringe daling van de prijzen werd waargenomen voor producten van de voedingsmiddelen- en drankenindustrie (-0,1%).
De prijzen van de in de industrie verbruikte grondstoffen en halffabrikaten stegen in mei met 0,6%. Vergeleken met mei vorig jaar ligt het prijsniveau van de Nederlandse industriële producten 2,2% lager. De verbruiksprijzen in de industrie zijn in dezelfde periode met 3,1% gedaald. De ruilvoet voor de industrie als geheel is hierdoor verbeterd.
Producentenvertrouwen: gestage groei
De stemmingsindicator van de ondernemers in de industrie is voor de vierde achtereenvolgende maand gestegen. De indicator groeide in juni met 0,8 punt en komt uit op 2,4. Hiermee bereikt het producentenvertrouwen het hoogste niveau van de afgelopen tien maanden.
De groei van het vertrouwen van de industriële ondernemers komt nagenoeg in zijn geheel voor rekening van de verwachte toename van de productie. Verder voorziet men een groei van de buitenlandse afzet en een stijging van de verkoopprijzen. Een toenemend aantal bedrijven ondervindt in juni productiebelemmeringen als gevolg van een tekort aan arbeidskrachten.

Consumentenvertrouwen: verder toegenomen
Het vertrouwen van de consument in de ontwikkeling van de Nederlandse conjunctuur is in juli toegenomen in vergelijking met juni van dit jaar. Op de vijf indicatoren die aan het onderzoek ten grondslag liggen, worden in juli per saldo 15% meer positieve dan negatieve antwoorden gegeven. In juni was dit saldo 10. Vooral het oordeel over het economisch klimaat is in juli positiever geworden. In juni overheerste nog een pessimistische stemming hierover; het aantal negatieve antwoorden overtrof toen het aantal positieve. Dit negatieve saldo is in juli omgeslagen en de deelindicator van het economisch klimaat staat nu op 6. De koopbereidheid is onveranderd hoog gebleven. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de aanhoudende bereidheid grote aankopen te doen. De deelindicator die dat aangeeft komt in juli van dit jaar uit op 38, wat gelijk is aan het niveau van dezelfde periode in het jaar ervoor.

Vacatures: record aantal
Eind maart van dit jaar stonden er bij particuliere bedrijven en instellingen 146 duizend vacatures open; het hoogste aantal dat ooit door het CBS werd gemeten. In de vorige periode van hoogconjunctuur lag het hoogste aantal openstaande vacatures op 134 duizend. Dit was in maart 1990. Eind 1993 lag het aantal vacatures op het laagste niveau van de afgelopen tien jaar, namelijk op 33 duizend. In het eerste kwartaal ontstonden 225 duizend vacatures, terwijl tegelijkertijd
204 duizend vacatures werden vervuld.
Per saldo steeg het aantal openstaande vacatures met ruim 20 duizend. In vergelijking met het vorige kwartaal nam het aantal vacatures in bijna alle bedrijfstakken toe. De sterkste groei deed zich voor in de handel, horeca en bouwnijverheid. Nagenoeg gelijk bleef het aantal vacatures in de computerservice- en IT-bedrijven en de financiële instellingen.

Werkloosheid: verdere daling
In het tweede kwartaal van dit jaar kwam het aantal geregistreerde werklozen gemiddeld uit op 216 duizend. Dit is 54 duizend lager dan in het tweede kwartaal van 1998; een daling van gemiddeld vier duizend personen per maand. Na correctie voor seizoen ligt de werkloosheid twaalfduizend lager dan in het eerste kwartaal van dit jaar. De werkloosheid is in de eerste helft van dit jaar dus verder gedaald. Hiermee is het laagste niveau bereikt sinds juni 1980.

FOCUS


- Economische groei drukt overheidstekort
De Nationale rekeningen (NR) beschrijven het proces van inkomensvorming, inkomensverdeling en besteding van het inkomen. De zojuist beschikbaar gekomen NR geven voor 1998 onder meer de verdeling van het nationaal inkomen over de onderscheiden sectoren. Het inkomen wordt ontvangen op grond van de deelname aan het productieproces of vanwege het bezit van vermogenstitels. De bijdrage van de sector huishoudens is met 78% veruit de grootste. Ten opzichte van 1997 is het primaire inkomen van deze sector met 5% toegenomen. De overheid heeft in 1998 weliswaar het kleinste aandeel, een kleine 9%, maar de groei is hier het grootst (ruim 7%). Het primaire inkomen van de ondernemingen (aandeel 13%) nam met 3% het minst toe.
Het nationaal inkomen wordt via een groot aantal herverdelingstransacties (zoals belastingen, sociale premies en uitkeringen) tussen de sectoren getransformeerd in het nationaal beschikbaar inkomen. Het aandeel van de overheid in het beschikbaar inkomen (26%) is aanzienlijk groter dan de bijdrage aan het primaire inkomen.
Het beschikbaar inkomen van de overheid neemt ten opzichte van 1997 met bijna 9% toe. Dit komt vooral door de forse stijging van de BTW-ontvangsten, de BPM-ontvangsten op de aankopen van nieuwe auto's, de overdrachtsbelasting op de aankoop van huizen en de sociale verzekeringspremies. Tegelijkertijd blijven de uitgaven aan rentelasten en sociale uitkeringen vrijwel stabiel. De overheid heeft het extra inkomen deels gebruikt voor een tekortreductie. Ten opzichte van 1997 neemt het overheidstekort met 0,4%-punt af en komt in 1998 uit op 0,8% van het bruto binnenlands product. De ondernemingen zien hun beschikbaar inkomen relatief weinig stijgen (2,4%). Hun aandeel wijkt met 13,6% weinig af van het belang in het primaire inkomen. Het beschikbaar inkomen van de huishoudens neemt met ruim 4% toe. Dit blijft achter bij de waardestijging van de consumptieve bestedingen van deze sector.

INTERNATIONALE ONTWIKKELINGEN


- Valutakoersen en rente-ontwikkelingen
De introductie van een gemeenschappelijke Europese munt, de euro, op 1 januari 1999 betekent een belangrijke verandering in het Europese monetaire landschap. Vanaf die datum liggen de wisselkoersen tussen de aan de euro deelnemende landen vast. Ten opzichte van bijvoorbeeld de Amerikaanse dollar en de Japanse yen fluctueert de euro daarentegen vrij heftig.
Bij de introductie van de euro was de dollar-euro pariteit 0,85. Dit betekent dat één dollar op die datum 85 eurocent waard was. Ondanks incidentele verbeteringen, zoals vlak na de geslaagde introductie van de euro, verslechterde de positie van de euro ten opzichte van de Amerikaanse dollar in de loop van 1999. Op 22 februari vond, gemeten in dag-op-dag mutaties, de grootste waardedaling van de euro plaats. Op 16 juli was de pariteit tussen de dollar en de euro 0,98. Dit betekent dat de waarde van de euro ten opzichte van de dollar met meer dan 15% is gedaald. De relatie tussen de euro en Japanse yen verloopt grilliger. Ook de yen vermeerdert in waarde ten opzichte van de euro. Vooral in mei en de eerste helft van juni versterkte de Japanse yen zijn positie ten opzichte van de euro. Hier spelen aangekondigde steunmaatregelen door de Japanse overheid en het onverwachte herstel van de Japanse economie mogelijk een rol. De rente in een land kan mede van invloed zijn op de vraag naar een bepaalde munt. Als het ene land een hogere rentevoet heeft dan het andere, is het in het eerste land aantrekkelijker geld te beleggen, wat een positieve invloed heeft op de vraag naar die munt. Twee belangrijke rentes zijn de korte rente, de rente die betaald moet worden over leningen tussen banken met een looptijd van minder dan drie maanden en de lange rente, het rendement op staatsobligaties. Zowel de lange als de korte rente zijn in het jaar 1998 het hoogst in het Verenigd Koninkrijk (VK) en het laagst in Japan. Ook in de Verenigde Staten (VS) zijn de rentevoeten relatief hoog. De lange rentes in Duitsland, Frankrijk, Italië en Nederland blijven hierbij iets achter. In de belangrijke Europese landen is de lange rente in april 1999 flink gedaald ten opzichte van het niveau van 1998. Dit in tegenstelling tot de ontwikkeling in de VS, waar de lange rente iets is gestegen. De korte rente is hoog in het VK, de VS en Italië. In historisch perspectief is de rentestand in Italië echter niet exceptioneel.

Deel: ' CBS Conjunctuurbericht juli 1999 '




Lees ook