expostbus51


CBS


CBS:Conjunctuurbericht Juni 1999

Algemeen: overwegend positief nieuws
De economische groei in Nederland in het eerste kwartaal van 1999 blijft wat achter bij de stijgingen in de voorgaande kwartalen. De terugval is echter beperkt en het relatief hoge niveau blijft gehandhaafd. Internationaal gezien scoort ons land goed. De groeivertraging doet zich eveneens voor in de Europese Unie. Het herstel in Japan in het eerste kwartaal is een belangrijke factor bij de positieve ontwikkeling voor de G7 als totaal. Het productieniveau in de industrie ligt in de eerste vier maanden van dit jaar onder het niveau van vorig jaar. Het productieniveau in deze periode van 1998 was toen echter relatief hoog. De ondernemers in de industrie verwachten in 1999 meer te investeren dan in 1998, bovendien zijn hun verwachtingen nu positiever. In mei ligt het producentenvertrouwen hoger dan in april. Het vertrouwen van de consument in de ontwikkelingen van de Nederlandse economie blijft ook in juni op nagenoeg hetzelfde peil als in de voorgaande maanden. De inflatie blijft in mei, zeker internationaal gezien, relatief hoog. De geregistreerde werkloosheid blijft dalen.

Investeringsverwachtingen: opwaartse bijstelling Uit de jaarlijkse voorjaarsenquête blijkt dat de ondernemers in de industrie verwachten dat in 1999 hun investeringen in vaste activa 5% hoger zullen uitkomen dan in het voorgaande jaar. Afgelopen najaar voorzagen de industriële ondernemers nog een daling van 3%. Het gegeven dat de ondernemers in het najaar pessimistischer zijn over de investeringen voor het komende jaar dan in het daarop volgende voorjaar heeft zich in het verleden vaker voorgedaan. De voor dit jaar verwachte investeringen liggen in vrijwel alle bedrijfsklassen hoger dan in 1998. Een belangrijke uitzondering is de aardolie-industrie. Na de uitzonderlijk grote daling in 1998 nemen de investeringen in 1999 naar verwachting verder af. In grootte gemeten is het bedrag van de voorziene investeringen in de metaal- en elektrotechnische industrie met ruim vijf miljard het hoogst. De nu verwachte groei (9%) ligt vijftien procentpunt hoger dan die in het vorige najaar. De opwaartse bijstelling in de chemische industrie ligt in dezelfde orde van grootte.

Inflatie: blijft licht oplopen
Tussen april en mei zijn de consumentenprijzen gemiddeld niet veranderd. Van de voedingsmiddelen werd fruit in mei wat duurder, maar verse groenten en aardappelen evenals koffie en eieren werden iets goedkoper. Autobrandstof en meubels stegen in prijs, kleding en schoeisel daarentegen werden goedkoper.
In mei lagen de prijzen gemiddeld 2,3% hoger dan in dezelfde maand een jaar eerder. De inflatie loopt daarmee licht op. In de eerste vijf maanden van dit jaar lagen de prijzen gemiddeld 2,2% hoger dan in hetzelfde tijdvak van 1998. Vergeleken met de gemiddelde inflatie van vorig jaar (2,0%) is er van een lichte stijging sprake. Voor de internationale vergelijking wordt gebruik gemaakt van de geharmoniseerde consumentenprijsindex. April is de meest recente maand waarover cijfers van de Eurozone beschikbaar zijn. De geharmoniseerde index voor Nederland lag 1,9% hoger dan een jaar eerder. Voor de elf landen van de Monetaire Unie was dit 1,1%. De inflatie was in ons land dus 0,8 procentpunt hoger dan het gemiddelde in de Eurozone. In januari bedroeg het verschil nog 1,3% procentpunt.

Productie industrie: in april vrijwel stabiel
Gecorrigeerd voor invloeden van het seizoen is het volume van de productie in de industrie in april nagenoeg even groot als in maart. Vergeleken met dezelfde maand van vorig jaar lag het productieniveau in april 1,8% lager. Hiermee is het volume van de industriële productie in de eerste vier maanden 1,6% lager dan in de overeenkomstige periode een jaar eerder. Hierbij wordt opgemerkt dat het productievolume in het tijdvak januari-april van 1998 relatief hoog was. Alleen in de papier- en grafische industrie nam het volume van de productie in de eerste vier maanden van dit jaar toe en wel met 2,0%. De grootste daling van het niveau van de productie (-4,2%) deed zich voor in de chemische industrie. In de metaal, met een aandeel in de totale industriële productie van ruim 35%, was het volume 1,5% kleiner dan in dezelfde periode vorig jaar.

Producentenprijzen: stijging door hogere olieprijs De afzetprijzen van Nederlandse industriële producten zijn in april met 0,6% toegenomen ten opzichte van maart. Deze ontwikkeling wordt vooral veroorzaakt door een prijsstijging van ruwe aardolie, waardoor de afzetprijzen in met name de aardolie-industrie fors zijn toegenomen (+14%). Binnen de andere branches van de industrie waren de prijsveranderingen minder groot. De verbruiksprijzen liggen in april 1,8% hoger dan in maart van dit jaar. Door forse prijsdalingen vorig jaar liggen zowel de verbruiks- als de afzetprijzen in april van dit jaar nog wel onder het niveau van april 1998.
De geaggregeerde indexcijfers voor de totale industrie verhullen de verschillen tussen de bedrijfsklassen. Door voor verschillende bedrijfsklassen de verhouding tussen de indexcijfers van de afzet- en de verbruiksprijzen te berekenen kunnen deze verschillen nader worden bezien. Als dit cijfer stijgt betekent het dat de afzetprijzen meer gestegen zijn of minder zijn gedaald dan de verbruiksprijzen. Een waarde groter dan 1 betekent dat de verhouding tussen afzet- en verbruiksprijzen groter is dan die van het basisjaar. Als de verbruiksquote van grondstoffen en halffabrikaten hoog is, vormt deze verhouding naast de volume-ontwikkeling van de toegevoegde waarde een indicator voor een verandering in de winstmarges. Vanaf medio 1998 wordt de aardolie- en aardgaswinning, door een drastisch dalende olieprijs, geconfronteerd met afzetprijzen die meer dalen dan de verbruiksprijzen. Dit heeft een negatieve invloed op de verhouding van de prijsindexcijfers. Voor de
aardolieproductenindustrie is een andere ontwikkeling waar te nemen. Weliswaar liggen de afzetprijzen sinds 1998 gemiddeld ruim twintig procent lager dan in dezelfde periode van het voorgaande jaar, maar de verbruiksprijzen dalen met gemiddeld bijna dertig procent. Het quotiënt van de indexcijfers heeft daarom de laatste anderhalf jaar een oplopende trend.
In de basismetaalindustrie daalden de afzetprijzen sterker dan de verbruiksprijzen in het laatste kwartaal van 1998. De internationale ontwikkelingen hebben een drukkend effect op de afzetprijzen in de metaal. In de chemie is de verhouding tussen de indexcijfers van de afzet- en verbruiksprijzen al sinds november 1995 kleiner dan die van het basisjaar.

Producentenvertrouwen: iets gestegen
De stemmingsindicator van de ondernemers in de industrie, het producentenvertrouwen, is in mei gestegen naar 1,6. Daarmee bereikt deze indicator de hoogste waarde van de afgelopen negen maanden. Met name de verwachte bedrijvigheid en het positievere oordeel over de omvang van de voorraden gereed product droegen bij aan de verbeterde stemming onder de ondernemers.

Consumentenvertrouwen: stabiel
Het vertrouwen van de consument in de ontwikkelingen van de Nederlandse economie blijft in juni nagenoeg op hetzelfde niveau als in de voorgaande twee maanden. De deelindicatoren van het economisch klimaat en de koopbereidheid liggen in juni ook op ongeveer hetzelfde niveau als in de voorgaande maanden

Geregistreerde werkloosheid: verdere daling
De geregistreerde werkloosheid komt in de periode maart-mei van dit jaar uit op gemiddeld 227 duizend. Dat is negentienduizend minder dan in februari-april. In deze tijd van het jaar is een daling met vijftienduizend gebruikelijk. Na verwijdering van de seizoeneffecten is het nieuwste werkloosheidcijfer nog vierduizend lager dan het gemiddelde van de voorgaande driemaands periode. Vergeleken met de overeenkomstige periode van vorig jaar ligt het aantal werklozen nu ruim zestigduizend lager. De geregistreerde werkloosheid is na augustus 1980 niet meer zo laag geweest. Het aantal werklozen als percentage van de beroepsbevolking bedraagt in de periode maart-mei van dit jaar 3,4%. Dit is bijna een vol procentpunt minder dan in het overeenkomstige tijdvak van vorig jaar. Bij de vrouwen is dit percentage sterker gedaald (van 5,0% naar 3,8%) dan bij de mannen (van 3,6% naar 2,9%).

Kosten gezondheidszorg: opnieuw stijging in 1998 De kosten van de gezondheidszorg zijn in 1998 met vijf procent gestegen ten opzichte van het jaar ervoor tot 63,7 miljard gulden, ofwel bijna 4 100 gulden per hoofd van de bevolking. Het grootste gedeelte van de kosten (30,6%) komt voor rekening van de ziekenhuizen. Ook aan extramurale praktijken (inclusief specialisten, tandarts- en huisartspraktijken) wordt relatief veel geld uitgegeven (14,6%). Een derde belangrijke kostenpost zijn de geneesmiddelen (14,5%). De verdeling over de verschillende kostenposten is in 1998 ongeveer gelijk aan die van 1997.
De stijging over 1998 wordt onder andere veroorzaakt door hogere lonen in de intramurale gezondheidszorg, tariefsverhogingen bij specialisten en prijs- en volumestijgingen van geneesmiddelen. De toename over 1998 is de grootste sinds 1992. Omdat ook de Nederlandse economie in 1998 flink groeide is het aandeel van de kosten van de gezondheidszorg in het bruto binnenlands product 0,1 procentpunt kleiner dan vorig jaar en komt uit op 8,1%. De laatste drie jaar is het aandeel steeds gedaald, doordat de groei van de uitgaven achterbleef bij die van de Nederlandse economie.

FOCUS

Nederland: van goederen naar diensten

De ontwikkeling van de economie wordt gemeten aan de hand van de volumegroei van het bruto binnenlands product (BBP). Dit is de som van alle in de verschillende bedrijfsklassen gevormde toegevoegde waarden. De groei van het volume van de totale toegevoegde waarde in de periode 1990-1998 bedroeg in Nederland gemiddeld 2,7% per jaar. Niet alle bedrijfsklassen hebben in dezelfde mate bijgedragen aan deze groei. De gemiddelde groei van de productie (bruto toegevoegde waarde, gewaardeerd tegen factorkosten) van goederen bedroeg in de beschouwde periode (1990-1998) 1,9%. Opvallend binnen de goederenproductie is de minieme volumegroei in de bouwnijverheid. De landbouw, voedings- en genotmiddelenindustrie en de chemische industrie daarentegen lieten gemiddelde groeipercentages zien van ruim 3%. De productie van commerciële diensten steeg in dit tijdvak met gemiddeld 3,7%. Dit is één procentpunt boven het genoemde BBP-gemiddelde. Een forse impuls ging hier uit van de post en telecommunicatie met een groeicijfer van maar liefst 5,9%. De overige zakelijke diensten, waaronder juridische en economische dienstverlening, architecten- en ingenieursbureaus en computerservicebureaus en dergelijke, realiseerden in deze periode de hoogste groei (6,0%). De niet-commerciële diensten, hoofdzakelijk diensten van de overheid en de gezondheidszorg, groeiden gemiddeld in volume met 1,3%. Door deze uiteenlopende groeicijfers heeft in de loop der jaren in ons land een verdere verschuiving plaatsgevonden van de productie van goederen naar de productie van diensten. Het aandeel van de productie van goederen in de totale toegevoegde waarde liep in de jaren 1990-1998 verder terug van 34% naar 29%. In 1970 was dit nog 44%. Dankzij de uitbundige groei van de commerciële dienstverlening is het belang hiervan in de Nederlandse economie in deze periode gegroeid van ruim 45% naar ruim 50%. Ter vergelijking: in 1970 was dit slechts 31%. Tussen 1990 en 1998 veranderde het aandeel van de niet-commerciële diensten in het BBP nauwelijks en bleef hangen rond de 21%.

INTERNATIONALE ONTWIKKELINGEN

Economische groei en werkgelegenheid

In veel geïndustrialiseerde landen lag de groei van het bruto binnenlands product in de tweede helft van 1998 lager dan in de eerste helft. In het Verenigd Koninkrijk halveerde het groeicijfer. Ook in Nederland nam de groei van het bruto binnenlands product duidelijk af in de tweede helft van 1998, al bleef zij op een internationaal gezien hoog peil. In Duitsland en Frankrijk viel de economische ontwikkeling in de loop van 1998 eveneens terug. Mede als gevolg hiervan daalde ook de groei in de Europese Unie (EU). De Scandinavische landen Denemarken en Zweden vormen een uitzondering; daar nam het groeitempo toe. De economische groei beïnvloedt de ontwikkeling van de werkgelegenheid. Wel blijft de stijging van de werkgelegenheid in de meeste gevallen achter bij die van het bruto binnenlands product, omdat een gedeelte van de economische groei kan worden bereikt door technologische vooruitgang of het aanwenden van meer kapitaal. Voor de weergegeven landen was de gemiddelde stijging van de werkgelegenheid ongeveer 1,5%. In Nederland was de toename in 1998 drie procent. Na Spanje had Nederland daarmee van de weergegeven landen de grootste stijging.
In Japan nam het bruto binnenlands product toe in het eerste kwartaal van 1999 na vijf achtereenvolgende kwartalen met een afname. Door de lichte verbetering van het economisch klimaat in Japan ligt ook de economische groei van de G7 als totaal hoger dan in het laatste kwartaal van vorig jaar. In de EU groeide de economie in het eerste kwartaal van 1999 met 1,6% ten opzichte van dezelfde periode in het voorgaande jaar. Hoewel dit een afname betekent vergeleken met de halfjaarcijfers van vorig jaar is het resultaat een lichte verbetering vergeleken met dat van het laatste kwartaal van 1998.

Deel: ' CBS Conjunctuurbericht Juni 1999 '




Lees ook