expostbus51


CBS


CBS: Conjunctuurbericht Mei 1999

Algemeen: zachte landing
Het merendeel van de recent beschikbaar gekomen indicatoren duidt op overwegend positieve ontwikkelingen in de Nederlandse economie. De eerste raming van de economische groei in het eerste kwartaal komt uit op 3,0%. Dit is weliswaar een fractie lager dan de groei in de voorgaande kwartalen, maar de terugval is beperkt en het relatief hoge niveau blijft gehandhaafd. De dalingen in de industriële productie zetten niet door; het producentenvertrouwen herstelt, zij het in lichte mate. De gezinsconsumptie handhaaft in het eerste kwartaal van dit jaar de hoge groeicijfers van 1998. Met name de duurzame goederen, de meest conjunctuurrelevante categorie, waren zeer in trek. Het vertrouwen van de consument in de ontwikkelingen van de Nederlandse economie blijft in mei op nagenoeg hetzelfde niveau als in de voorgaande maand. In april lagen de prijzen voor consumptie-goederen gemiddeld 2,2% hoger dan in dezelfde maand een jaar eerder. De inflatie blijft daarmee, zeker internationaal gezien, relatief hoog. De daling van de werkloosheid zet door.

Economische groei: terugval in eerste kwartaal beperkt Het volume van het bruto binnenlands product (BBP) in het eerste kwartaal van 1999 is 3,0% groter dan in het overeenkomstige kwartaal van vorig jaar. De ontwikkeling van het BBP geldt als de indicator voor de economische groei. Het nieuwe cijfer geeft aan dat het groeitempo van de Nederlandse economie iets is teruggelopen. Deze groei-vertraging komt geheel voor rekening van de goederenproducenten; het volume van de toegevoegde waarde ligt slechts 0,4% hoger dan in hetzelfde kwartaal van vorig jaar. De commerciële dienstverlening handhaafde het groeicijfer (4,2%) van het voorgaand kwartaal. In de drie trimesters hiervoor nam het stijgingspercentage af, al bleef het niveau relatief hoog. De groei van de niet-commerciële dienstverlening is redelijk stabiel. Het volume is 1,9% groter dan een jaar eerder. Onlangs heeft het CBS gereviseerde macrototalen gepubliceerd. De in het Conjunctuurbericht opgenomen reeksen betreffen voornamelijk mutaties en deze zijn ongewijzigd.

Werkloosheid: laagste niveau sinds 1980
De geregistreerde werkloosheid komt in de periode februari-april van dit jaar uit op gemiddeld 246 duizend. Vergeleken met hetzelfde tijdvak een jaar eerder is het aantal nu ruim zeventigduizend lager. In vergelijking met de periode januari-maart van dit jaar is de werkloosheid met bijna twintigduizend gedaald. In deze tijd van het jaar is echter een daling met bijna tienduizend gebruikelijk. Na verwijdering van de seizoeneffecten komt het nieuwste werkloosheidcijfer dus tienduizend lager uit dan het gemiddelde in het eerste kwartaal. Het aantal werklozen is na eind 1980 niet meer zo laag geweest. Na de conjuncturele teruggang in de jaren 1981-1982 bereikte de werkloosheid eind 1983 een top van 640 duizend. Daarna daalde het aantal geleidelijk naar een laagste punt rond de 320 duizend in het najaar van 1991. De economische recessie die daarop volgde leidde tot een nieuwe top van 520 duizend werklozen in het eerste kwartaal van 1993. De vrij snelle daling van de laatste jaren brengt de geregistreerde werkloosheid weer op een niveau van het begin van de jaren tachtig.

Productie: daling industrie zet niet door
Het volume van de productie in de industrie in maart is 0,5% kleiner dan in dezelfde maand een jaar eerder. Voor seizoeninvloeden gecorrigeerd is het volume in maart 1,5% groter dan in de voorgaande maand. In het eerste kwartaal ligt hiermee het niveau van de industriële productie 1% hoger dan in het vierde kwartaal van vorig jaar. Deze toename is de eerste stijging tussen twee opeenvolgende kwartalen sinds het begin van 1998. Nadat in het eerste kwartaal van 1998 de productie, na eliminatie van seizoeninvloeden, op een hoogtepunt lag, is deze in de drie daarop volgende kwartalen teruggezakt.
Het productievolume in de nijverheid (exclusief de bouwnijverheid) is in maart van dit jaar nagenoeg even groot als in het overeenkomstige tijdvak een jaar eerder. De nijverheid bestaat naast de industrie uit de delfstoffenwinning en de openbare nutsbedrijven. De productie van de laatste twee bedrijfstakken was in volume een kleine 3% groter dan in het eerste kwartaal van vorig jaar. De resultaten in deze bedrijfstakken worden sterk beïnvloed door de weersomstandigheden. Hierdoor is het productievolume aan forse fluctuaties onderhevig. Het volume van de toegevoegde waarde in de bouwnijverheid lag in maart fors hoger dan in dezelfde maand van vorig jaar. In de eerste maanden van dit jaar was er steeds van een productietoename sprake. Het groeicijfer over het eerste kwartaal komt uit op een relatief hoge 4,1%. Ook hier zijn de meteorologische omstandigheden een factor van betekenis.

Producentenvertrouwen: iets groter
Het producentenvertrouwen in de industrie is in april ten opzichte van maart iets gestegen. De stemmingsindicator komt uit op 1,2; het hoogste niveau van de afgelopen zes maanden. De waarde in april is echter nog flink lager dan die van 1997, toen het producenten-vertrouwen een historisch hoogtepunt bereikte. Het toegenomen vertrouwen is vooral een gevolg van het positievere oordeel over de voorraden gereed product en de werkvoorraad. Hierbij moet worden aangetekend dat de ondernemers in de industrie in maart van dit jaar vrij negatief waren over de voorraadontwikkelingen. Ongeveer acht procent van de ondernemers achtte toen de voorraden te groot. In overeenstemming hiermee was de verminderde benutting van productie-installaties per ultimo van die maand (84,1%). Beide punten zouden kunnen duiden op een toenemende vrees voor over-capaciteit. Dit weerspiegelt zich echter niet in de aprilcijfers gezien de iets positievere mening over de voorraden.
Ook het oordeel over de orderpositie is in april verbeterd. Ondernemers in de industrie verwachten voor de komende drie maanden een lichte stijging van de bedrijvigheid. Dit komt doordat in april meer orders ontvangen zijn dan in maart. Deze ontwikkeling deed zich met name voor in de sectoren halffabrikaten en
investeringsgoederen.

Consumentenvertrouwen: nagenoeg stabiel
Het vertrouwen van de consument in de ontwikkelingen van de Nederlandse economie blijft in mei nagenoeg op hetzelfde niveau als in de voorgaande maand. Op de vijf vragen die aan het onderzoek ten grondslag liggen, worden in mei per saldo 11% meer positieve dan negatieve antwoorden gegeven. In april was dit saldo 9. Na de forse terugval in het najaar van vorig jaar is er in de eerste vijf maanden van 1999 sprake van een licht herstel. Dit herstel is vooral zichtbaar in de deelindicator van de koopbereidheid. Deze indicator vat de antwoorden op de twee vragen naar de eigen financiële situatie en het oordeel of de tijd gunstig is grote aankopen te doen samen. In zowel mei als in april kent de koopbereidheid een waarde van 20, ongeveer hetzelfde niveau als voor de terugslag in het vorige najaar. Met name het oordeel of de tijd gunstig is grote aankopen te doen wordt positief beantwoord. Uit de bijzonder hoge consumptieve uitgaven aan duurzame goederen blijkt dat de consument de daad bij het woord voegt. De andere deel-indicator, die van het economisch klimaat, steeg van -9 in april naar -3 in mei. Deze stijging is echter nagenoeg geheel toe te schrijven aan seizoeninvloeden.

Inflatie: internationaal gezien hoog
De consumentenprijsindex is tussen maart en april 0,2% gestegen. Vooral autobrandstoffen en schoeisel werden duurder. Verder waren er onder andere prijsstijgingen voor vakantie-accommodatie, pakketreizen en fruit. Verse groenten werden deze maand goedkoper, maar zijn nog steeds aanzienlijk duurder (bijna 15%) dan een jaar geleden. Ook aardappelen bleven deze maand duur.
In april lagen de prijzen gemiddeld 2,2% hoger dan in dezelfde maand een jaar eerder. De inflatie blijft daarmee op hetzelfde niveau als in het eerste kwartaal van 1999. Vergeleken met de gemiddelde inflatie vorig jaar (2,0%) is er van een lichte stijging sprake. Het Nederlandse inflatiecijfer is internationaal gezien hoog. Voor de internationale vergelijking wordt gebruik gemaakt van de geharmoniseerde consumentenprijsindex. De meest recente gegevens voor de EU-landen betreffen maart. De geharmoniseerde index lag toen in de elf landen van de Eurozone gemiddeld 1,0% hoger dan een jaar eerder. In februari was dit nog 0,8%. In Nederland lag de geharmoniseerde index in beide maanden 2,0% hoger dan in dezelfde maanden een jaar eerder. Het verschil met de andere Europese landen is in maart dus iets kleiner geworden.

Faillissementen: daling in eerste maanden 1999
Het aantal uitgesproken faillissementen in april van bedrijven en instellingen (exclusief eenmanszaken) is 17% kleiner dan in dezelfde maand een jaar eerder. Dergelijke stijgingspercentages op maandbasis kunnen ook andere dan conjuncturele oorzaken hebben (b.v. het aantal zittingsdagen van rechtbanken). Een beter te interpreteren beeld ontstaat als de ontwikkeling over een wat langere termijn wordt bezien. In de eerste vier maanden van dit jaar ligt het aantal uitgesproken faillissementen bijna 10% onder het niveau van het overeenkomstige tijdsvak een jaar eerder. Deze daling ligt in dezelfde orde van grootte zoals die over het jaar 1998 werd gemeten; toen daalde het aantal met 8%. In 1997 deed zich een lichte stijging voor (2%). In de drie daaraan voorafgaande jaren daalde het aantal uitgesproken faillissementen van bedrijven en instellingen gemiddeld met 8% per jaar.

INTERNATIONALE ONTWIKKELINGEN


- Bruto binnenlands product en inflatie
Het bruto binnenlands product (BBP) en de inflatie behoren tot de belangrijkste economische grootheden. Zij spelen beide een belangrijke rol in de toetredingscriteria van de Europese Unie. In de figuren is voor een aantal landen de groei van het bruto binnenlands product en de inflatie weergegeven voor respectievelijk de jaren 1997 en 1998.

Het globale beeld voor 1997 en 1998 is ongeveer gelijk. De gemiddelde groei van het BBP en de inflatie lagen vorig jaar iets lager dan in 1997, maar de verschillen waren beperkt. In beide jaren lag de groei van het binnenlands product voor het grootste deel van de landen tussen de twee en vier procent. De inflatie lag tussen de één en twee procent.
Voor individuele landen kunnen echter wel verschillen tussen de jaren worden waargenomen. Frankrijk presteert in economisch opzicht relatief beter in 1998 dan in het voorgaande jaar. In het Verenigd Koninkrijk is er sprake van een tegenovergestelde ontwikkeling. De economische groei in Japan blijft in 1998 duidelijk achter bij die van de andere landen. Andere landen met een relatief geringe groei van het bruto binnenlands product en een lage inflatie zijn Zwitserland en Duitsland. Nederland presteert de laatste twee jaar internationaal gezien goed, maar de inflatie is relatief hoog. Hoewel groter dan gemiddeld is de Nederlandse inflatie historisch gezien niet exceptioneel.
Ondanks een daling van de inflatie in Griekenland is deze in 1998 nog steeds flink hoger dan in de rest van Europa. De figuren illustreren dat in veel landen en met name in 1997 een lage economische groei samengaat met een lage inflatie.

FOCUS


- Consumeren mindert niet
Het volume van de binnenlandse consumptie door gezinnen in maart was 5,9% groter dan in dezelfde maand van vorig jaar. Groeicijfers in deze orde van grootte zijn zeldzaam. Op maandbasis is dit zelfs het hoogste stijgingspercentage dat sinds de jaren zeventig gemeten is. Maandcijfers kunnen door incidentele oorzaken grote fluctuaties te zien geven. Het is daarom zinvoller de ontwikkelingen over een wat langere periode te bezien. Het groeicijfer over het eerste kwartaal van dit jaar komt uit op 4,0%. Niet alle onderscheiden consumptiecategorieën dragen aan de groei bij. De bestedingen aan voedings- en genot-middelen lagen, voor prijsveranderingen gecorrigeerd, bijna 3% onder het niveau van een jaar eerder. Het achterblijven van deze categorie doet zich al enige jaren voor, maar nooit was het zo geprononceerd als in het eerste kwartaal van dit jaar. De volumetoename van de bestedingen aan duurzame goederen (ruim 10%), de meest conjunctuurgevoelige categorie, bleef in de eerste drie maanden van dit jaar uitzonderlijk hoog. Naast auto.s waren ook woninginrichtings-artikelen erg in trek. De categorie diensten en overige goederen kent de meest stabiele groeicijfers. Hieronder vallen onder meer de woning-diensten en de medische diensten. Het bestedingsniveau voor deze categorie lag in het eerste trimester 3,7% boven dat van de overeenkomstige periode in 1998. Op wat langere termijn bezien doet zich een verschuiving voor in de aandelen van de categorieën voedings- en genotmiddelen en de duurzame goederen ten gunste van het aandeel van de diensten en de overige goederen. In waarde gemeten nam van 1990 tot 1998 de binnenlandse consumptie met bijna de helft toe. Het aandeel van de bestedingen aan voedings- en genotmiddelen in het totaal nam af van 15,8% in 1990 naar 13,6% in 1998. De ontwikkeling in het eerste kwartaal van dit jaar duidt op een verdere vermindering. Met name het aandeel van vlees en vleeswaren nam in deze periode sterk af. Ook het relatieve belang van de uitgaven aan duurzame goederen nam in genoemd tijdvak af: van 21,7% in 1990 naar 18,9% in 1998. Een vol procentpunt komt voor rekening van de kleding; het aandeel daalde van 5,5% naar 4,5% vorig jaar. Het belang van de diensten en de overig goederen in het binnenlandse consumptiepakket nam toe; van 62,5% in 1990 naar 67,5% in 1998. Het aandeel van de woningdiensten nam met een toename van drie procentpunt het leeuwendeel van de groei voor zijn rekening. Relatief stegen in de periode 1990-1998 de bestedingen aan vervoers- en communicatiediensten, met meer dan een verdubbeling, het sterkst.

Deel: ' CBS conjunctuurbericht mei 1999 '




Lees ook