expostbus51


CBS


CBS:Meer vleermuizen, broedvogels stabiel

In 1998 is het opnieuw goed gegaan met vleermuizen. Broedvogels zijn als groep genomen stabiel in aantal gebleven. Nieuwe uitkomsten van het CBS, gebaseerd op gegevens verzameld door
vrijwilligers-organisaties, tonen echter aan dat er ook broedvogelsoorten zijn die in aantal afnemen. Vooral vogels die een voorkeur hebben voor open terreinen doen het de laatste jaren slecht.
Er zijn in 1998 ook meer reptielen gezien dan in voorgaande jaren, maar het is onzeker of dit een echte toename is of dat dit het gevolg is van gunstige omstandigheden bij de waarneming.

Vleermuizen beschermen loont
Vleermuizen die overwinteren in grotten en bunkers en dergelijke zijn gemiddeld met 70% toegenomen sinds 1990. Van veel soorten liggen de aantallen inmiddels weer op het niveau van de jaren vijftig of zelfs daarboven.
Naast het verminderde gebruik van bestrijdingsmiddelen heeft ook de aanleg en bescherming van overwinteringsverblijven bijgedragen aan het herstel.

Invasie van de kwartelkoning
De vogelstand schommelt al tien jaar rond het niveau van 1990. Sinds 1996 is er sprake van een kleine toename. Dat komt door het herstel van vogelsoorten die geleden hebben van de laatste strenge winter van 1995/1996.

Het natuurbeleid richt zich vooral op de zogenaamde aandachtsoorten, zoals kemphaan, grutto en kwartelkoning. Bij deze groep vogels zijn de jaarlijkse veranderingen wat groter. Dankzij een sterke invasie van de kwartelkoning ligt in 1998 het niveau 10% hoger dan in 1997.

Natuurgebieden groeien dicht
Natuurgebieden in Nederland groeien dicht met struiken en hoge grassen. Deze groeien extra hard door verdroging en het teveel aan meststoffen in de
regen.
Soorten die een voorkeur hebben voor dichtgroeiende terreinen, zoals grasmus en blauwborst, maken de laatste jaren een gunstige ontwikkeling door. Hun aantallen zijn sinds 1990 zelfs verdubbeld. Andere vogelsoorten hebben juist last van het dichtgroeien van heidevelden, open duinen en grote rietvelden. De veldleeuwerik en de grote karekiet behoren tot deze soorten. Van veel van deze soorten zijn de aantallen sinds 1990 gehalveerd.

Veel reptielen waargenomen in 1998
Vrijwel alle reptielen hebben de laatste jaren ernstig geleden onder de milieuproblemen zoals verdroging en vermesting. Sinds 1993, het startjaar van het meetnet reptielen, lijkt de achteruitgang gestopt. In 1998 is zelfs sprake van een recordgroei van 40% ten opzichte van 1997. De snelle groei is waarschijnlijk geflatteerd. Koudbloedige reptielen hebben een sterke behoefte aan zonnewarmte. Bij een gering aantal zonnige dagen, zoals in 1998 het geval was, zijn deze dieren op een zonnige dag in grotere concentraties waar te nemen.

Technische toelichting
De indexcijfers geven voor een soortgroep het gemiddelde verloop van de aantallen per soort. De uitkomsten zijn berekend op basis van gegevens van afzonderlijke meetnetten voor vleermuizen, broedvogels en reptielen. Het veldwerk voor deze meetnetten wordt vrijwel geheel uitgevoerd door vrijwilligers. De coördinatie van het veldwerk gebeurt door SOVON Vogelonderzoek Nederland, tel. (024) 684 81 11, de Stichting Reptielen-, Amfibieën- en Vissenonderzoek Nederland (RAVON), tel. (020) 525 66 24 en de Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming (VZZ), tel. (026) 370 53 18.

Aan de hand van de meetnetgegevens worden eerst jaarlijkse indexcijfers berekend per soort, voor alle soorten waarvoor de steekproef voldoende groot is. Voor alle broedvogels, vleermuizen en reptielen worden de uitkomsten van deze berekeningen vervolgens gemiddeld. Nieuwe gegevens over dagvlinders worden op 21 juni gepubliceerd op het Webmagazine van het CBS (www.cbs.nl).

Deel: ' CBS Meer vleermuizen, aantal broedvogels stabiel '




Lees ook