CDA

: Tweede Kamer : Inbreng wetsvoorstel taakstraffen (040399)

Inbreng wetsvoorstel taakstraffen (040399)

Den Haag, 4 maart 1999

Woordvoerder: W.G.J.M. van de Camp

Wijziging van het Wetboek van strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten omtrent de straf van onbetaalde arbeid ten algemene nutte(taakstraffen)

De leden van de CDA fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Het onderwerp taakstraffen mag zich in een grote maatschappelijke belangstelling verheugen. Van het nut en de noodzaak van taakstraffen is de CDA fractie overtuigd. Dat de taakstraf in de nabije toekomst een zelfstandige hoofdstraf zal zijn (derhalve niet meer afhankelijk van een vrijheidsstraf of bijvoorbeeld een maatregel)heeft bovendien onze instemming en dat voorstel maakt het Nederlandse sanctiestelsel tegelijkertijd inzichtelijker. Een en ander betekent niet dat er bij de CDA fractie niet een groot aantal vragen en opmerkingen leeft omtrent het (maatschappelijk) draagvlak voor taakstraffen, de effectiviteit van taakstraffen, de uitvoeringscapaciteit en de voorwaarden waaronder een taakstraf kan worden opgelegd.

Zoals bij eerdere gelegenheden geuit wil ook de CDA fractie vasthouden aan het concept van de taakstraf. Het opleggen van straf is een complexe aangelegenheid waarbij de doelen van de straf (vergelding, generale en specifieke preventie, mogelijke resocialisatie van de verdachte), de effectiviteit van de ten uitvoerlegging, maar zeker ook de positie van het slachtoffer in het geding zijn. De CDA fractie is van mening dat de positie van het slachtoffer meer de aandacht verdient. Dit in het algemeen binnen het Nederlandse strafrecht, maar zeker in relatie tot taakstraffen. Wij komen daar later in dit verslag op terug.
Een en ander laat onverlet dat de taakstraf, te onderscheiden in werkstraffen en leerstraffen , ook in de toekomst een wezenlijke bijdrage kan leveren aan het Nederlandse strafrechtelijk sanctie systeem.

De CDA fractie kan echter de ogen niet sluiten voor een toenemende kritische bejegening van de taakstraf in onze maatschappij, onder andere tot uitdrukking gebracht in de pers en in de wetenschappelijke literatuur.
Ook het CDA is van mening dat waakzaamheid is geboden teneinde een afbrokkelend maatschappelijk draagvlak jegens de taakstraf tegen te gaan. Zeker in het geval van gewelds- (al of niet de dood tot gevolg hebbende) delicten en zedendelicten. De recente veroordeling van (een)beroemde voetballer en (een) bekende zanger heeft de discussie over dit maatschappelijk draagvlak weer doen oplaaien. Kan de Regering, en dit juist gezien de maatschappelijke discussie, opnieuw ingaan op de motivering achter de verhouding 6 maanden (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf staat tot 240 uur taakstraf c.q. dienstverlening.

Geldt voorts nog de (informele?) omreken tabel bij gedeelten van straffen zoals die gehanteerd wordt door de Nederlandse Vereniging van Rechtspraak( 1 dag gevangenisstraf wordt omgerekend in 2 uur taakstraf).
In hoeverre kan een veroordeelde een gedeelte van zijn detentie ontgaan door in eerste instantie te kiezen voor een taakstraf, die niet te ondergaan en vervolgens weer te laten omzetten in vervangende hechtenis. Zie hieromtrent de berichtgeving in het Dagblad Trouw van 24 oktober l998.

De leden van de CDA fractie wensen eveneens nadere informatie over de vraag of iedere veroordeelde (in theorie keer op keer) in aanmerking komt voor een taakstraf? Betekent een eerdere, niet geslaagde taakstraf of een eerdere veroordeling tot een geldboete of vrijheidsstraf dat vervolgens toch wederom een veroordeling tot een taakstraf kan plaats vinden? Welke richtlijnen worden in door soort gevallen (denk ook aan recidive) gehanteerd?

In het verlengde van het bovenstaande wensen de leden van de CDA fractie nader geïnformeerd te worden over de effectiviteit van taakstraffen en het toezicht op de uitvoering ervan. In hoeverre zijn de berichten juist dat ongeveer 60% van de taakstraffen niet tot een goed einde wordt gebracht (TROUW d.d. 24 oktober 1998)? Kan de Regering in een overzicht aangeven:
a. het opgelegde aantal taakstraffen in de afgelopen 10 jaar. b. het percentage niet succesvol ten uitvoer gebrachte taakstraffen? c. de verdere afhandeling van de niet succesvol ten uitvoer gebrachte taakstraffen.

Voorts willen de leden van de CDA fractie meer inzicht in het toezicht op de ten uitvoerlegging van taakstraffen. Dit toezicht berust bij het Openbaar Ministerie. Op welke wijze is het toezicht in concreto georganiseerd? Wie neemt het initiatief? Welke contacten worden er onderhouden tussen Om en Reclassering? Wat gebeurt er met de toezicht resultaten? Welk sanctiestelsel is van toepassing?

In het verlengde van de effectiviteit ligt de vraag naar de capaciteit voor de tenuitvoerlegging van taakstraffen. Kan de Regering een overzicht geven van de huidige uitvoeringscapaciteit (aantal werkplekken, bezettingsgraad, begeleidingsmogelijkheden en dergelijke) en van de benodigde capaciteit na inwerkingtreding van het onderhavige voorstel van wet? De CDA fractie wil de absolute garantie dat bij een uitbreiding van het aantal opgelegde taakstraffen er geen problemen optreden bij de uitvoeringscapaciteit.

Een ander belangrijk aandachtspunt voor de CDA fractie betreft de aard van de delicten waarvoor een taakstraf kan worden opgelegd. Zeker nu de taakstraf gecombineerd kan worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, een voorstel dat op zich de steun van de CDA fractie krijgt, komen ook de zogenaamd zwaardere delicten en daarmee de zwaarder gestraften voor een taak -straf in aanmerking. Daders van verkrachting of de plegers van dodelijk straatgeweld behoren tot die categorie. Straffen tussen de 12 en 18 maanden onvoorwaardelijk komen door de nu voorgestelde regeling onder het bereik van het taakstraffen regime, met als (weliswaar theoretisch) voorbeeld een tenuitvoerlegging van 6 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf, 240 uur leerstraf en 240 uur werkstraf. Een mogelijke aftrek vanwege voorwaardelijke invrijheidstelling is nog niet in het voorbeeld betrokken.
Is dit een maatschappelijk aanvaardbare ontwikkeling, zo vragen de leden van de CDA fractie. Moet er niet een strafmaximum worden vastgesteld waarboven een taakstraf niet meer als zelfstandige hoofdstraf naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden opgelegd?

Daarenboven zouden de leden van de CDA fractie alsnog een ander accent in het voorstel van wet ingebouwd willen zien : bij misdrijven tegen de zeden (Titel XIV W.v.Sr.) en misdrijven tegen het leven gericht ( Titel XIX W.v.Sr.) zou, bij een veroordeling anders dan een geldboete, altijd sprake moeten zijn van een component vrijheidsstraf en derhalve niet meer de mogelijkheid van enkel en alleen een oplegging van een taakstraf. De aan het woord zijnde leden vernemen gaarne de zienswijze van de regering op deze gedachte. Zou met een dergelijke inperking van de mogelijkheid om taakstraffen op te leggen het maatschappelijk draagvlak voor het concept van de taakstraf niet beter behouden kunnen worden, zo vragen de leden van de leden van CDA fractie. Mede afhankelijk van de beantwoording overwegen deze leden met een wijzigingsvoorstel te komen.

De leden van het CDA wensen nadere informatie over de positie van het slachtoffer bij het op leggen van taakstraffen. In hoeverre is de relatie tussen het opleggen van een taakstraf en de beleving daarvan door het slachtoffer onderzocht? Zijn de berichten juist dat met name slachtoffers moeite hebben met het feit dat de dader slechts een taakstraf krijgt opgelegd? Hoe wordt met deze emoties van slachtoffers omgegaan zonder dat dit direct leidt tot het ter discussie stellen van het concept- van taakstraffen?

Het is de leden van de CDA fractie niet duidelijk waarom de hoogte van een taakstraf als werkstraf zo absoluut wordt afgegrendeld op 240 uur. Is op voorhand zo stellig te zeggen dat een werkstraf van bijvoorbeeld 300 uur of 360 uur voor een individuele gestrafte niet adequaat is? Rechter en reclassering moeten naar de mening van de CDA fractie voldoende mogelijkheden hebben tot individueel maatwerk. Kan de Regering nogmaals uit een zetten waarom de grens van 240 uur werkstraf zo stringent wordt gehanteerd? Een vergelijkbaar probleem doet zich voor met het niet - variabele karakter van het aantal uren van de leerstraf. Waarom zijn leerstraffen c.q. een cursusduur van bijvoorbeeld 120 uur niet adequaat? Dient iedere alcoholmatiging cursus per definitie 240 uur te omvatten? Een en ander komt op de leden van de CDA fractie sterk arbitrair over.

De verhouding tussen celstraf, taakstraf en geldboete. De leden van de CDA fractie hebben gaarne een nadere uiteenzetting over de verhouding tussen deze drie typen van straf, waarbij zij aantekenen dat zij de geldboete in deze reeks als een onderschatte straf mogelijkheid zien. In hoeverre heeft de rechter de mogelijkheid om een geldboete op te leggen in plaats van een taakstraf? Zijn de berichten juist dat met name ook de betrekkelijk vermogende gestraften kiezen voor de taakstraf om zo op een betrekkelijk goedkope manier aan de strafmaat te kunnen voldoen, zonder dat zij onnodig in hun portemonnaie worden getroffen. Een nadere uiteenzetting over deze onderlinge verhoudingen zien de aan het woord zijnde leden met belang -stelling tegemoet.

Tot slot informeren de leden van de CDA fractie naar de financiële consequenties van het thans voorliggende wetsvoorstel. Met name het zogenaamde officiers model ( Onderdeel F, artikel 74 e. v.) brengt weliswaar een werklast vermindering voor de rechter met zich maar wat betekent de invoering van een dergelijk model voor de werkbelasting van het OM? De aan het woord zijnde leden vernemen de gevraagde informatie gaarne zo concreet mogelijk, te meer daar de Memorie van Toelichting over deze onderwerpen weinig opmerkt.

Artikels gewijze commentaar.
De leden van de CDA fractie informeren naar de verhouding tussen het voorgestelde artikel 9 (de daarin opgesomde mogelijkheden en combinatie mogelijkheden ten aanzien van taakstraffen) en Artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht, het zogenaamde legaliteitsbeginsel. Voldoen de in artikel 9 gekozen formuleringen aan dit beginsel? Door de ruime combinatiemogelijkheden weet de burger nooit precies welke straf hij of zij opgelegd kan krijgen. Gaarne een nadere omschrijving.

De CDA fractie heeft ernstige problemen met het feit dat een taakstraf kan worden opgelegd aan een verdachte c.q. veroordeelde die niet ter terechtzitting verschijnt. Op welke wijze kan de rechter inschatten of de op te leggen werk- of leerstraf wel adequaat is voor desbetreffende verdachte. Uit de toelichting op artikel 22b begrijpen zij dat de verdachte niet in persoon zijn of haar instemming behoeft te betuigen. Het zou toch van respect voor de rechter en daarmee voor de samenleving getuigen als de verdachte in persoon aanwezig zou zijn. Hoe is de praktijk thans vragen deze leden? Wordt hierbij nog een onderscheid gemaakt tussen een werkstraf en een leerstraf? Is er sinds de behandeling van de Beleidsnota taakstraffen een verandering in Uw denken op opgetreden. Op dat moment leek het de bedoeling dat leerstraffen niet bij verstek kunnen worden opgelegd. En waarom voert de consequentie geen taakstraf ( maar vrijheidsstraf of geldboete) bij niet verschijnen te ver?
In het verlengde hiervan willen de leden van de CDA fractie weten waarom de huidige artikelen 22b, tweede lid en 77n eerste lid worden geschrapt. Deze artikelen zijn immers niet zonder betekenis.

Een volgende opmerking betreft het voorgestelde artikel 22c. Waarom is hier gekozen voor een kan bepaling? Ontstaat met deze wijze van redigeren geen onnodige spanning met het legaliteitsbeginsel? Naar de mening van de CDA fractie zeker als het om een leerstraf gaat.

Met enige verbazing hebben deze leden kennis genomen van het voorgestelde artikel 22f lid 1. Is het niet vreemd dat na een zorgvuldige afweging door de rechter het openbaar ministerie eigenstandig de opgelegde (leer-) straf kan wijzigen? Veroorzaakt een dergelijke wijziging bovendien niet onnodige onrust bij de reclassering?

Waarom is in artikel 22 g enkel gekozen voor vervangende hechtenis en niet ook voor de geldboete als subsidiair voor de taakstraf? Bovendien zien de leden van de CDA fractie gaarne dat de reclassering geraadpleegd wordt door het openbaar ministerie wanneer tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis wordt overgegaan. In de Memorie van Toelichting (blz. 15) wordt wel gewezen op deze praktijk, maar ware het niet verstandiger een en ander in de wettekst vast te leggen?

Kan wat het nieuw voorgestelde artikel 74 aangaat met feiten en statistische gegevens worden aangetoond dat het zogenaamde Amsterdamse experiment ook daadwerkelijk de snelheid van afdoening heeft bevorderd en dat een en ander ten goede is gekomen aan de preventie?

Het is voor de leden van de CDA fractie nog niet geheel duidelijk welke zaken nu wel en welke zaken nu niet onder de transactiebevoegdheid van het OM gaan vallen. Kan een en ander nader worden gespecificeerd? Lopen we het gevaar dat ook een aantal zwaardere, oudere en/of moeilijk bewijsbare zaken alsnog onder het zogenaamde officiers - model worden afgedaan?

Waarom wordt lid 8 van artikel 359 W.v.Sv. geschrapt. De CDA fractie ziet in het geheel geen reden om dit sympathieke voorschrift schrappen: een duidelijke motivering naar de verdachte toe is altijd nastrevenswaardig.

Deel: ' CDA-inbreng op het wetsvoorstel taakstraffen '




Lees ook