CDA

: Nieuws : Centrum voor Beeldcultuur

Centrum voor Beeldcultuur

Den Haag, 14 oktober 1999

Vandaag komen wij een ronde dichter bij de finale van de wedstrijd Amsterdam-Rotterdam. Want zo ongeveer is de sfeer geworden rond het op te richten instituut voor de beeldcultuur.

In de eerste plaats wil mijn fractie benadrukken dat de beslissing over de vormgeving en de locatie aan de staatssecretaris is. Mijn fractie stelt er prijs op aan te geven wat wij belangrijke aspecten vinden bij de realisatie van het instituut.

Voor ons is de eerste vraag: wat moet het instituut voor beeldcultuur zijn?
Pas daarna is aan de orde waar het moet komen. Mijn fractie vindt net zoals de Raad voor Cultuur dat het een culturele instelling moet worden. Een plaats waar kunstenaars alle ruimte krijgen om te experimenteren met nieuwe media en met de combinatie van oude en nieuwe media. Daarbij gaat het om de culturele implicaties van de nieuwe technologische ontwikkelingen.

De andere pijler is de museale functie die kan worden omschreven als het verzamelen, conserveren en toegankelijk maken van de museale collecties. De nieuwe media moeten de mogelijkheid bieden om die collecties langs digitale weg optimaal toegankelijk te maken. Ook de archief- en documentatiefunctie is van belang.

Een wezenlijk onderdeel van het beeldinstituut moet zijn: een stimulerende functie naar de omgeving in de breedste zin. Samenwerkingsverbanden met instellingen op lokaal, regionaal, nationaal en internationaal niveau zijn cruciaal voor de meerwaarde van het instituut. De uitstekende initiatieven van bijvoorbeeld Groningen en Leiden verdienen het om meegenomen te worden in het gehele palet van mogelijkheden tot samenwerking en uitwisseling.

De publieksfunctie is één van de belangrijkste van het nieuwe instituut. Het moet uitnodigend en laagdrempelig zijn en mogelijkheden bieden om met name jongeren en nieuwe Nederlanders te interesseren voor foto- en filmkunst met ook voor hen voldoende lokaliteiten waar zij zelf kunnen experimenteren. De nieuwe media spreken jongeren geweldig aan en dat biedt kansen tot cultuurbeleving die optimaal uitgebuit moeten worden.

De staatssecretaris heeft in de pers iets gezegd over een te verwachten bezoekersaantal van 150.00 in Rotterdam. Daar wil mijn fractie graag duidelijkheid over.

Voor de organisaties die het instituut gaan vormen, geldt wat mijn fractie betreft, dat zij zelf vorm geven aan de manier van samenwerken. De ideeën van de Rotterdamse werkgroep spreken mijn fractie aan met name omdat deze van onderop zijn geïnitieerd.

Voorzitter,

De belangrijkste eisen opsommend, rijst inmiddels het beeld op van één groot centrum, waar alles onder één dak te vinden is. En daarmee komen wij aan de hamvraag: waar moet het instituut komen? De Raad voor Cultuur vindt dat Rotterdam de beste randvoorwaarden biedt.

Ik heb een lijst van alle argumenten vóór en alle argumenten tegen gemaakt en voor mij geeft het volgende de doorslag:

Amsterdam heeft weliswaar enkele voordelen. Vóór Amsterdam pleit de culturele infrastructuur, de aanwezigheid van vele musea en veel instellingen en verenigingen op het gebied van film en fotografie. In Amsterdam is reedseen groot cultureel aanbod. Daar ligt de cultuur voor het grijpen en in Rotterdam moet je er naar op zoek, heb ik geconstateerd.

Daarom steunen wij het advies van de Raad voor Cultuur: het instituut voor beeldcultuur naar Rotterdam!

Vanuit het principe van spreiding en toegankelijkheid van cultuur, en naast de argumenten van de Raad voor Cultuur en de mening van de staatssecretaris, vindt mijn fractie dat Rotterdam een stevige culturele impuls nodig heeft en die ook verdient. (Rotterdam geeft per hoofd van de bevolking f. 83,- per jaar uit aan cultuur.) Kiezen voor Rotterdam is dan ook het advies van mijn fractie aan de staatssecretaris die daar uiteindelijk over beslist.

Het vestigen van het instituut voor beeldcultuur op de Kop van Zuid versterkt in grote mate de culturele positie en het culturele klimaat van de stad.

Het gebouw Las Palmas is bijzonder geschikt en op korte termijn beschikbaar.
Wel wil mijn fractie garanties over de financiën die in het Rotterdamse plan niet toereikend zijn.

Sinds de hoorzitting van gisteren lijkt het voor beide steden acceptabel om een deel van de foto- en filmactiviteiten zoals het Filmmuseum in Amsterdam te laten. Dan bestaat wel het gevaar dat aan het totale concept, het unieke van de concentratie in één gebouw, afbreuk gedaan wordt. Dat zal zeker de aantrekkelijkheid, internationaal gezien, verminderen. Ik wil de staatssecretaris vragen dat aspect nog eens te bezien.

Tot slot wil ik het volgende opmerken:
Het legaat van het fotografieminnende echtpaar Wertheimer mag niet bepalen waar voor de komende 100 jaar in Nederland het inspirerende instituut voor de beeldcultuur zal staan.

Kamerlid: Marry Visser-van Doorn

Deel: ' CDA over Centrum voor Beeldcultuur '




Lees ook