CDA

Defensienota 2000

Den Haag, 14 februari 2000

Het regeerakkoord van het tweede kabinet Kok besteedt aan Defensie niet veel woorden. Ondanks het feit dat het belang van Defensie wordt ingezien wordt het budgettaire kader gedurende deze kabinetsperiode met 1,5 miljard beperkt. Of dat, gelet de internationale veiligheidssituatie wenselijk dan wel mogelijk is, blijkt niet uit de defensiepassage in het regeerakkoord.
Sindsdien zijn de bewindslieden voortvarend aan de slag gegaan. Binnen een half jaar na hun aantreden presenteerden zij een Hoofdlijnennotitie op basis waarvan een Strategische Toekomst Discussie heeft plaats gevonden. Tal van maatschappelijke organisaties alsmede de politieke partijen hebben zich vorig jaar intensief met de positie van onze krijgsmacht bezig gehouden. Op zich een positieve ontwikkeling.
Het budgettaire kader was in deze discussie echter een gegeven. En daar wringt de schoen. Immers als er geen financiele middelen zijn om gesignaleerde knelpunten aan te pakken dan moet dat gefinancierd worden uit het bestaande budget. Dat betekent keuzes maken binnen het budget. En dat budget is op het punt van exploitatie, personeel en materieel al te krap bemeten. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de toenemende werkdruk van het militair personeel en het achterblijven van de investeringen. Kiezen voor meer geld voor personeel heeft dan ook gevolgen voor de andere onderdelen van het defensiebeleid. Zeker als het ambitieniveau op hetzelfde niveau blijft en het Europese defensiebeleid sterk in ontwikkeling is.

Het blijft voor het CDA een raadsel waarom tijdens deze kabinetsperiode het defensiebeleid niet op basis van een discussienota de prioriteitennota geëvalueerd zonder budgettaire voorwaarden vooraf. Dan was het daadwerkelijk mogelijk geweest te komen tot een Strategische Toekomst Discussie. Dan was het ook voor de oppositiepartijen mogelijk geweest om, rekening houdend met de internationale veiligheidssituatie, met alternatieven te komen. Alternatieven die nu worden afgewezen, hierbij verwijzend naar het budgettaire kader.

Ondanks deze gevoelens van onbehagen heeft ook het CDA zijn gedachten over de toekomst van de Nederlandse krijgsmacht en het defensiebeleid opnieuw geformuleerd op basis van een grondige veiligheidsanalyse en politieke bepaling van het Nederlandse ambitieniveau. In de CDA-defensienotitie wordt een beleid voorgesteld dat door een combinatie van herschikking van middelen, -met name op grond van opgedane inzichten na diverse vredesoperaties-, en extra middelen (zie amendement die tijdens de begroting 2000 is ingediend) op de korte en middellange termijn uitzicht moet bieden op een consistente Nederlandse defensie-inspanning. Een defensie-inspanning die recht doet aan de bondgenootschappelijke verplichtingen, de verdediging van het eigen grondgebied en de positie en ambities van Nederland in de internationale gemeenschap.

Naast de bondgenootschappelijke verdediging van het NAVO-grondgebied kiest het CDA ervoor om permanent een bijdrage te kunnen leveren aan maximaal vier vredesoperaties op bataljons (of eskadron / squadron) niveau tegelijkertijd. De vier krijgsmachtdelen moeten hiervoor beschikbaar blijven.

Daarnaast is het CDA van mening dat Nederland een actieve rol dient te spelen in de ontwikkeling van een Europese defensiecapaciteit. In overleg met de EU-lidstaten zal op verschillende terreinen naar vormen van samenwerking, integratie en taakconcentratie gestreefd moeten worden.

EVDB

Mede met het oog op de Europese samenwerking is het CDA van mening dat het Duits Nederlandse Legerkorps gehandhaafd dient te blijven. Ten behoeve van de inzetbaarheid voor crisisbeheersing/vredesoperaties zijn wel aanpassingen zowel op legerkorpsstafniveau als bij de divisie-eenheden noodzakelijk.

In onze CDA notitie staat dit reeds vermeld. De Defensienota is voor wat betreft de Europese dimensie echter achterhaald. Te laat heeft het kabinet ingezien dat de afspraken tussen de Britten en de Fransen in St Malo uiteindelijk zouden resulteren in afspraken door de Europese Raad in Helsinki over een gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid. De verdere uitwerking van de Europese defensieplannen zal invloed hebben op de Nederlandse defensieplanning en aanpassing van de nota vereisen. Het CDA is met Instituut Clingendael van mening dat Nederland een evenredig aandeel zal moeten nemen (circa 5 %) in Europese samenwerkingsprojecten die moeten worden gerealiseerd om EU-landen in staat te stellen autonoom op te treden op een schaal die vergelijkbaar is met de operaties van SFOR in Bosnië en KFOR in Kosovo.

Het gaat daarbij o.a. om de capaciteit voor lucht- en zeetransport, verplaatsbare hoofdkwartieren, inlichtingenvergaring en gemeenschappelijke logistieke systemen. Voor een deel zal Nederland zijn aandeel met bestaande middelen (zeetransport) kunnen leveren, voor een ander en waarschijnlijk voor het grootste deel- echter niet. Voor volledige modernisering van de Europese luchttransportvloot wordt voor ongeveer 50 miljard gulden begroot. Ook op het punt van sattelietwaarneming en middelen voor doelopsporing en elektronische oorlogsvoering vanuit de lucht zullen de europese landen vergaande investeringen moeten doen om de ambities van Helsinki waar te maken. Op al deze gebieden zijn geen maatregelen genomen in de Defensienota. Hoe denkt het kabinet het Nederlandse aandeel in dergelijke vergaande uitgaven te gaan dekken? De minister stelt in zijn NRC artikel van 9 februari jl. dat de Europese defensie een ruimere financiele armslag verdient! Betekent dat dat het kabinet meer financiele middelen beschikbaar stelt voor de ontwikkeling van een Europese defensiecapaciteit? Het CDA heeft duidelijk in haar notitie gesteld dat de gelden voor een Europese samenwerking buiten het Defensiebudget gevonden dienen te worden.

Door Eurofedop, Beroepsraad Defensie van de Europese Federatie van het Overheidspersoneel, is gewezen op de onwenselijke situatie dat er in het kader van het EVDB door de verschillende Europese krijgsmachten in de toekomst wel nauwer wordt samengewerkt doch dat de rechten van de militairen per Europees land nogal verschilllen. Landen als Frankrijk, Ver. Koninkrijk erkennen voor het defensiepersoneel niet het recht op vereniging. Toch een fundamenteel grondrecht. Is de minister bereidt dit in het overleg met zijn collegae aan de orde te stellen?

Personeelsbeleid

Zonder goed gemotiveerd getraind en toegerust personeel is er geen krijgsmacht. Daarop is de laatste jaren helaas enig achterstallig onderhoud opgetreden. De jaarverslagen van de Inspecteur-generaal leggen al jarenlang de mancos van het huidige personeelsbeleid bloot. De werkdruk, de onzekerheid over loopbaanperspectieven en imagoproblemen beïnvloeden de motivatie van het personeel negatief. Dit heeft een nadelig effect op de werfkracht van Defensie als werkgever.

Het CDA is van oordeel dat het huidige peroneelsbeleid aangepast moet worden aan de eisen van deze tijd. Het huidige pakket arbeidsvoorwaarden zal ingrijpend gewijzigd moeten worden. Het werven van voldoende jonge BBTers voor een salaris van 800 gulden netto is op de huidige arbeidsmarkt onbegonnen werk. Door de vakorganisaties zijn tijdens de hoorzitting van 31 januari jl., de arbeidsvoorwaardelijke problemen van de militairen indringend naar voren gebracht. Militairen blijken niet alleen reorganisatiemoe, de voorgestelde aanpassingen van de arbeidsvoorwaarden stuiten eveneens op groot verzet. Dit geldt met name het optrekken van de UKW leeftijd alsmede de financiele neerwaartse aanpassing van de UKW. Bovendien vinden de bonden dat een langere overbruggingsperiode in acht moet worden genomen waarin de omschakeling plaatsvindt van BOT naar BBT. Gelet deze kritiek wil het CDA van het kabinet vernemen of het overleg met bonden kan leiden tot aanpasingen van de Defensienota. Zo ja, op welke wijze wordt voorkomen dat deze eventuele aanpassingen ten lasten komen van de investeringsquote?

Defensie dient ook te voldoen aan de wens van de tweede kamer om geen militairen aan te stellen onder de 18 jaar. Dit hoeft volgens ons geen probleem te zijn voor de werving. De assistentenopleidingen op de Regionale Opleidingscentra blijken momenteel dermate succesvol, dat hieruit een substantieel deel zich meldt voor de krijgsmacht. Is de Staatssecretaris bereidt om de contacten met de ROC s te intensiveren?

Nu het ernaar uitziet, dat uitzendingen voor vredesoperaties een structureel karakter krijgen, zal de huidige uitzendnorm bijgesteld moeten worden. Deze is, gelet op de belasting voor militair en thuisfront, thans veel te zwaar. Een flexibele norm variërend van drie tot zes maanden uitzending per twee jaar is dan ook noodzakelijk. Het huidige roulatiesysteem dient hiertoe te worden gewijzigd van 1 op 3 naar 1 op 4. Het CDA wil dan ook de op verzoek van de Staatssecretaris aangehouden motie over dit onderwerp in stemming brengen.

Het CDA is het er mee eens dat het kabinet het aantal parate, inzetbare eenheden verhoogd. Gelet op de huidige personeelsproblematiek vinden wij het van belang dat deze eenheden ook kunnen worden gevuld door reservisten. De systematiek van BBT-contracten dient daartoe gewijzigd. Binnen het eerste zesjarige contract is een proefperiode van een half jaar, daarna volgt het definitieve contract met mogelijkheid tot uitzending. In het laatste jaar van de contractperiode is geen uitzendplicht, maar een studieperiode met het oog op uitstroom naar de burgermaatschappij. Voor uitstromers na een volledige aanstellingstermijn geldt een recht op een FLO-toelage, gebasseerd op leeftijd en diensttijd. Naar de mening van het CDA is een financiele tegemoetkoming, welke is gekoppeld aan het aantal gediende jaren, een meer dan noodzakelijke arbeidsvoorwaardelijke stimulans. Dat blijkt ook uit ervaringen in het verleden toen kortverbanders na afloop van hun diensttijd een omvangrijke vertrekpremie ontvingen. De BBTer wordt na zijn diensttijd een actieve reservist die in de daarop volgende drie jaar kan worden opgeroepen voor deelname aan crisisbeheersings- en vredesoperaties. Daarvoor is echter wel noodzakelijk nieuwe afspraken te maken over oproepbaarheid, oefeninspanning en de financiële aspecten. Tevens zijn afspraken noodzakelijk met werkgevers over het ter beschikking stellen van het personeel.

Het blijft overigens de vraag of ondanks de verbetering van de arbeidsvoorwaarden en de positie van de BBT er, het zal lukken voldoende jonge mensen te interreseren voor een baan bij de Krijgsmacht. Het gaat om een omvangrijk probleem. Er is sprake van 4000 niet vervulde vacatures. Het CDA heeft net als de andere politieke partijen zeer kritisch gereageerd op de plannen van Clingendael om buitenlanders in te zetten voor de Nederlandse Krijgsmacht. Een betere weg is het verbeteren van het imago van de krijgsmacht, verbetering van arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden. Ondanks aanvullende maatregelen zijn wij bevreesd dat, gelet de huidige spanning op de arbeidsmarkt, de werving achter zal blijven bij de behoefte. Wordt deze vrees bij Defensie gedeeld? Zo ja, is Defensie doende met het ontwikkelen van alternatieven? Gaarne een reactie van de zijde van de bewindspersonen.

Opleiding en vorming

Van de moderne militair wordt veel verwacht. Hij of zij moet krijgsman, diplomaat, politieagent, hulpverlener en manager tegelijk zijn, op het hoogste geweldsniveau kunnen opereren en anderzijds ook humanitaire noodhulp kunnen verlenen. Uitzending naar crisisgebieden betekent dat de militair geconfronteerd wordt met andere culturen, gewoontes en gebruiken, waarden en normen. Hij of zij zal hierop voorbereid moeten zijn. Van belang daarbij is dat binnen de krijgsmacht respect voor de medemens, gewetensvol en verantwoord handelen in binnen- en buitenland hoog in het vaandel staat. Gezien de vaak jeugdige leeftijd van de uitgezonden militairen vraagt dit een gedegen vooropleiding in "Human Qualities". Daarbij hoort zeker ook de kennis van interreligieuze en multiculturele verhoudingen in de gebieden waarnaar militairen worden uitgezonden. Het probleem wordt in par. 4.6.2 wel gesignaleerd maar het blijft onduidelijk op welke wijze aan voornoemde aspecten aandacht wordt geschonken in de vooropleiding. Gaarne een reaktie van de minister.

Tijdens interventies komen Nederlandse militairen vaak voor moeilijke morele keuzen te staan. Meer aandacht voor het omgaan met deze dillema's in de opleiding is zoals gezegd essentieel. Het CDA vindt het een gemis dat in de Defensienota niet wordt ingegaan op de mogelijkheid dat een militair een opdracht kan weigeren op grond van een gewetensbezwaar. De bisschoppen van Nederland hebben in hun brief van 1996 een onderzoek bepleit naar geinstitutionaliseerde - met procedures omringde - erkenning van selectieve gewetensbezwaren. Erkent de regering dat de militair geconfronteerd kan worden met morele dilemma's en gewetensvragen om hier vervolgens grondig over na te denken?. Kan dit dientengevolge betekenen dat de militair in kwestie een specifiek bevel vanwege gewetensbezwaren niet kan uitvoeren? Het CDA heeft hiervoor begrip en ondersteunt dan ook het verzoek van de bisschoppen en vraagt de regering met voortvarendheid het gevraagde onderzoek te doen verrichten en daar de kamer bij te betrekken?

INVESTERINGSQUOTE

Mijn fractie is eveneens van mening dat bij een goed personeelsbeleid een goed materieel beleid hoort. Wij zijn verplicht om de militairen met het beste materieel op pad te sturen. Het CDA maakt zich echter grote zorgen over de investeringsquote van 20,6 % hetgeen resulteert in het moeten werken met sleets materieel.
Tijdens het begrotingsdebat 2000 daagde de minister het CDA uit om de noodzaak van een investeringsquote van 28-30% die in de prioriteitennota staat, en door het CDA wordt bepleit, te motiveren. Het CDA is van mening dat op basis van ervaringsgegevens binnen de NAVO voldoende is aangetoond dat voor een moderne hightech krijgsmacht, waar het CDA voor kiest, dit percentage minimaal noodzakelijk is. Hier staan wij niet alleen in. Wij worden in onze kritiek gesteund door het AIV, Clingendael en tal van andere organisaties. Uit het Defence Capability Initiative is gebleken dat deze norm eerder opwaarts dan neerwaarts dient te worden bijgesteld. Echter uit berekeningen blijkt dat in de periode 2000-2004 de investeringsquote van de Nederlandse Defensieinspanning slechts 20,8 bedraagt en in de daarop volgende periode zelfs nog iets zal dalen naar 20,6%. De conclusie is ons inziens onontkoombaar: binnen enkele jaren komt de defensiebegroting opnieuw onder druk te staan. Het CDA vraagt dan ook aan de minister om, rekening houdend met genomen beslissingen in Helsinki over het Europees Veiligheid en Defensiebeleid en de afspraken voortkomend uit de Defence Capability Initiative, zijn stelling te motiveren dat de investeringsquote de komende tien jaar beperkt kan blijven tot een niveau van iets meer dan 20%.
Overigens hoe verhoudt deze ionvesteringsquote zich tot die van de overige NAVO landen?

Tenslotte maakt het CDA zich zorgen over de wijze waarop het aanschaffen van meterieel plaatsvindt. Het CDA vindt het tijd voor een grondige evaluatie van het materieelbeleid. De afgelopen jaren is Nederland weer met een aantal problemen geconfronteerd, die wellicht een andere aanpak van het materieelkeuzebeleid vereisen. Zo noem ik de problemen rondom de LVB, de vrachtwagens zoals de Fennek, de Trigat, NH90 etc.

BUDGETTAIR KADER

Voor de inrichting van de krijgsmacht dient Defensie zich te richten op integratie en kwaliteit opdat de krijgsmacht haar taken op verantwoorde wijze kan uitvoeren. Daarvoor is, zoals eerder gesteld, een groter defensiebudget nodig dan thans is voorzien. Uiteraard kan er door meer samenwerking, en dus meer efficiency tot besparingen worden gekomen maar het is een illusie om ervan uit te gaan dat kosten binnen de huidige Defensiebegroting kunnen worden opgebracht.

Naast verschuivingen zijn er ook extra middelen nodig; Voor de misdaad- en drugsbestrijding vindt het CDA het noodzakelijk dat door de Marine meer nadruk wordt gelegd op de kustwachttaken. Het CDA kiest daartoe voor 4 kustwachtvaartuigen. Het aantal fregatten kan in dat geval van 16 naar 12 volledig uitgeruste en bemensde fregatten. Het aantal benodigde maritieme helicopters kan daarmee ook met 4 worden teruggebracht. Het aantal mijnenjagers kan terug naar 12.

Het CDA is van mening dat, gelet het belang van het voortzettingsvermogen, het zestal F-16 squadrons bij de luchtmacht dient te worden gehandhaafd. Een motie daartoe heeft het CDA op verzoek van de minister aangehouden. Het CDA wenst nu het oordeel van de kamer over deze motie.

Voor het inlopen van de boeggolf, extra investeringen voor materieel, verbetering van arbeidsvoorwaarden, aantrekken van extra personeel alsmede een nieuw reservistenbeleid is, zo acht mijn fractie, een structureel een bedrag van 400 miljoen gulden gemoeid.

Voor de financiering daarvan wordt het defensiebudget met 100 miljoen gulden verhoogd. Bij de Algemeen Politieke Beschouwingen is 50 miljoen toegezegd voor personeel. Door alternatieve invulling van de projecten NH 90 en ATGW, en enkele verschuivingen en efficiency-winst kan 100 miljoen worden gewonnen. Vanuit de HGIS wordt structureel 150 miljoen uitgetrokken voor vredes- en CIMIC- operaties.

TOT SLOT

Ondanks twijfels heeft het CDA waardering voor het iniatief om maatschappelijke organisaties bij de discussie over de toekomst van Defensie te betrekken. Impulsen vanuit de samenleving zijn, zeker bij het verdwijnen van de dienstplicht van essentieel belang. Alle inspanningen en creativiteit ten spijt is het kabinet er echter niet in geslaagd een oplossing te vinden voor het door het regeerakkoord gecreeerde probleem. Te weten enerzijds een forse bezuiniging op het defensiebudget en anderszijds het in standhouden van het ambitieniveau. De reakties van het personeel en de consequenties voor het materieel maken duidelijk dat er binnen de huidige Defensieorganisatie voor deze dubbele doelstelling weinig ruimte is. Het vredesdividend, ontstaan na het vallen van de Muur, is bij de vorige aanpassingen en reorganisaties opgesoupeerd. Het kabinet moet dus kiezen of de bezuinigingen worden te niet gedaan of het ambitieniveau wordt aangepast aan de huidige beschikbare middelen. Van twee walletjes eten is definitief voorbij!

Kamerlid: Van der Knaap

Deel: ' CDA over de Defensienota 2000 '




Lees ook