CDA

Stortplaats Derde Merwedehaven-Eindverslag Evaluatiecommissie BOOT en Vierde verkenning uitvoering BOOT (040400)

Den Haag, 4 april 2000

Inbreng:

De aanpak van de minister vinden wij - voor wat betreft de uitgangspunten - goed: Er wordt geen brandbaar afval meer gestort en er worden geen onomkeerbare stappen genomen in afwachting van de uitkomsten van het nieuwe RIVM gezondheidsrisico onderzoek. De gezondheidsklachten worden dus echt serieus genomen.

Naar ik begrepen heb is gisteren aan het RIVM opdracht gegeven het onderzoek uit te voeren. Wij vinden dat wel rijkelijk laat, als de resultaten van het onderzoek in augustus beschikbaar moeten zijn. Is dat wel haalbaar? Hoe luidt de onderzoeksopdracht precies? Heeft er goed vóóroverleg over die onderzoeksopdracht plaatsgevonden met alle betrokken partijen? Wordt bij het onderzoek óók de vraag betrokken naar een eventueel oorzakelijk verband tussen de gezondheidsklachten en overige industriële activiteiten, en AVIs in de directe omgeving? De CDA-fractie hecht daar nadrukkelijk aan.

Een vervolgens de vraag: Hoe staat het met de aanpassing door de provincie van de vergunningvoorschriften voor storten van brandbaar afval op de Derde Merwedehaven?

Er moet meer duidelijkheid komen over de financiële problematiek voor PROAV. Wij lezen daarover allerlei berichten in de pers. Wie is daarvoor nu uiteindelijk verantwoordelijk, mede gezien de rechtelijke uitspraken uit het verleden, waarbij PROAV herhaaldelijk in het gelijk is gesteld? Met andere woorden: het stoppen/verbieden van storten van brandbaar afval is één ding, maar wie gaat er opdraaien voor alle extra kosten? De financiële problematiek waar PROAV mee geconfronteerd wordt, lijkt in belangrijke mate toe te schrijven aan het succes van het rijksbeleid: Er wordt immers steeds minder gestort en méér hergebruikt. De vraag dient derhalve beantwoord te worden in hoeverre de rijksoverheid verantwoordelijk is voor de financiële situatie waar PROAV zich nu in bevindt. Hoe kijkt de minister aan tegen deze verantwoordelijkheidsvraag?

Een bericht in de Haagse courant van 14 maart jl. heeft ons verbaasd. De accountant van de provincie stelde dat de stort van brandbaar bedrijfsafval uit financieel oogpunt weer moet worden gestart, en dat hij een garantie van fl. 15 miljoen door de provincie ontraadt, indien storten verboden blijft. Inmiddels is deze garantie verstrekt door de provincie. Ondanks het feit dat de provincieleiding kennelijk nu toch weer zint op mogelijkheden om storten onder voorwaarden mogelijk te maken, is mijn fractie van oordeel dat op dit moment geen onomkeerbare stappen genomen moeten worden in afwachting van de resultaten van het nieuwe RIVM-onderzoek.

In dit verband nog een enkele vraag met betrekking tot de laatste uitspraak van 13 december 1999 van de afdeling Rechtspraak van de Raad Van State. PROAV is hier dus in het gelijk gesteld, met haar verzoek om ontheffing van het stortingsverbod. Betekent dit, dat de toestemming om te storten in feite nog steeds van kracht is? Of zijn de omstandigheden (beschikbare verwijderingsmogelijkheden) inmiddels gewijzigd? Wat is volgens de minister de betekenis van deze rechtelijke uitspraak voor het vervolg van de activiteiten van PROAV, en de door haar geleden omzetschade? Als stankoverlast niet de reden is geweest van het weigeren van een verklaring als bedoeld in artikel 4, derde lid van het Besluit stortverbod afvalstoffen, wat was dan wel de reden tot weigering? Hoe is de Raad Van State aan het idee gekomen dat stankoverlast vooral reden tot weigering was?

Het eerdere RIVM-rapport inzake geurhinder van de afvalberging Derde Merwedehaven heeft onder meer gewezen op de structureel verkeerde ligging van de stortplaats ten opzichte van Sliedrecht. Hoe beoordeelt de minister deze constatering in het rapport? Welke gevolgen heeft deze waarneming in het rapport voor de verantwoordelijkheidsvraag met betrekking tot de nu ontstane situatie? Wat gaat de minister verder doen met de suggesties van de gemeente Sliedrecht naar aanleiding van het RIVM-geurhinderonderzoek? Met name op het punt van de H2S-problematiek moet er echt meer duidelijkheid komen. Wil de minister dit toezeggen?

De CDA-fractie is van mening dat de hinder van de stortplaats (en eventueel andere industriële aktiviteiten in de buurt) zoveel mogelijk moet worden beperkt. Ook dringt mijn fractie er op aan bewoners en belanghebbenden in het vervolg goed te blijven informeren, en zoveel mogelijk te betrekken bij verder te nemen stappen en maatregelen.

Tot slot nog de volgende vraag: Speelt deze kwestie met betrekking tot de stort van (brandbaar organisch) afval nu alleen in de Derde Merwedehaven, of kampen andere afvalverwerkingsbedrijven met soortgelijke problemen? Als het goed is zal het storten van brandbaar organisch afval straks niet meer nodig zijn, gezien het wegvallen van de provinciegrenzen en de landelijke coördinatie van vraag en aanbod van brandbaar afval. Een situatie zoals nu met PROAV zou dan tot het verleden moeten behoren. Graag een reactie van de minister.

Het gehele dossier met betrekking tot de Derde Merwedehaven overziende, kunnen wij niet anders dan tot de conclusie komen dat voor de provincie Zuid-Holland de combinatie van functies van eigenaar/aandeelhouder, vergunningverlener en toezichthouder een uiterst ongelukkige is. Dat moet zo snel mogelijk veranderen! In die zin beoordeelt mijn fractie het recente dubbelbesluit van de provincie de garantie én het streven naar ontvlechting als positief. Hiermee handelt de provincie geheel in de geest van de in deze Kamer verworpen, door ons mede ondertekende motie over de pettenproblematiek van provincies met belangen in de afvalsector.

Eindverslag Evaluatiecommissie BOOT en Vierde verkenning uitvoering BOOT (KIWA-rapport)

De brief van de minister van 22 december gaat niet uitvoerig in op de restproblematiek met betrekking tot BOOT, voor wat betreft milieu-aspecten. De omvang van die restproblematiek is niet eens echt duidelijk. Waarschijnlijk zitten er nog 26.000 ongesaneerde tanks in de bodem. Het risico is groot (aldus de Evaluatiecommissie) dat deze tanks op termijn een behoorlijke bodemverontreiniging zullen veroorzaken. Bevoegde gezagen moeten echt zo snel mogelijk, actief nagaan waar zich nog potentieel ondergrondse tanks bevinden, en toezien op sanering. Nú is er immers nog een grote groep KIWA-gecertificeerde bedrijven die sanering kan verrichten. Wij roepen de minister op zich daar actief voor in te zetten, en de Kamer te informeren. Kan de minister ook helderheid verschaffen over de kwaliteit van de verwerking van verwijderde tanks? De verlenging van de bijdrageregling dubbelgepakte tankeigenaren tot en met 31 december 2000 is wel te rechtvaardigen, maar wij moeten er nu naar streven dat dit dossier zo spoedig mogelijk afgesloten kan worden. Hoeveel tijd denkt de minister nog nodig te hebben om de sanering geheel te voltooiien? Wat betekent dit voor de bijdrageregeling? Tot slot van dit onderwerp: het is noodzakelijk dat controle en handhaving met betrekking tot bovengrondse tanks en vloeistofdichte verharding krachtig ter hand wordt genomen. Wij vragen de minister zich hierover uit te spreken.

Woordvoerder: J.M.G. Schreijer-Pierik

Deel: ' CDA over eindverslag stortplaats Derde Merwedehaven '




Lees ook