CDA

: Tweede Kamer : Fondsenstructuur en Culturele Diversiteit (300699)

Fondsenstructuur en Culturele Diversiteit (300699)

In het Algemeen Overleg komen twee onderwerpen aan de orde, namelijk:

1. fondsenstructuur (26.200 VIII, nr. 80)

2. culturele diversiteit (notitie Ruim Baan voor Culturele Diversiteit)

De uitgangspuntennotitie "Cultuur als confrontatie" komt slechts aan de orde op de onderdelen fondsenstructuur en diversiteit.

Inbreng

Brief inzake Fondsenstructuur.
Op verzoek van de Tweede Kamer middels een motie Van Nieuwenho-ven/ Van Heemskerk uit l997 is verzocht om een evaluatie van de fondsenstructuur. De Raad van Cultuur heeft inmiddels een evaluatie verricht en stelt vast dat de bestaande structuur een geschikt instrumentarium biedt om incidentele subsidieaanvragen op inhoudelijke kwaliteit te beoordelen en de diversiteit van het aanbod te waarborgen.

De staatssecretaris is van mening dat toch enkele bijstellingen noodzakelijk zijn en met sommige daarvan kunnen wij instemmen.

1. In het recente verleden heeft de CDA-fractie met anderen herhaaldelijk vraagtekens geplaatst bij de representativiteit en diversiteit van de fondsbesturen en adviescommissies. (Voor de fondsenbestuurders geldt overigens dat zij allen benoemd worden door de staatssecretaris).
De CDA-fractie kan zich dan ook vinden in de criteria die worden genoemd als leidraad bij de benoeming van leden van adviescommissies:

evenredige deelname van vrouwen en personen behorende tot culturele minderheidsgroepen

deelname van leden die voldoende kennis dragen van het gemeentelijke of provinciale cultuurbeleid

spreiding van leden over het hele land.
Het hanteren van deze criteria kan tot verbetering leiden, evenals het toevoegen van deskundige liefhebbers.
In de reactie op de diversiteitsnotitie zal ik hierover de mening van mijn fractie verder weergegeven.

Het duidelijk plaatsen van het beleid van de fondsen binnen het kader van het algemeen cultuurbeleid is in het algemeen een goede zaak. De passage halverwege pagina 3 waarin de staatssecretaris aangeeft het van belang te vinden dat fondsen ruimte wordt geboden om mee te denken over nieuw beleid en de beste uitvoering daarvan lijkt ons echter een utopie.
De fondsen krijgen naar het zich laat aanzien geen inspraak in het nieuwe beleid maar moeten slechts meedenken over de uitvoering. Of kan de staatssecretaris mij van het tegendeel overtuigen?

Het idee om de tweejarige subsidies af te schaffen lijkt de CDA-fractie geen aanlokkelijk perspectief zolang er niet meer geld komt voor vierjarige subsidies.
Het betreft hier immers instellingen en organisaties waarvoor tenminste een zekere mate van continuïteit bestaansvoorwaarde is.
-Kan de staatssecretaris verduidelijken waarom hij hiertoe wil overgaan?

Over de intendant is bij een vorige gelegenheid al gesproken, met enige reserve. Mijn fractie wacht de uitslag af van het experiment bij het Nederlands Fonds voor de Film. Wel rijst nog de volgende vraag: Hoe verhoudt zich de omschrijving dat deze moet werken binnen de kaders die daartoe in het bestuur zijn aangegeven en het persoonlijk karakter geven aan de uitvoering van dat deel van het beleid"?

Notitie Ruim Baan voor Culturele Diversiteit
De fractie van het CDA heeft met belangstelling kennis genomen van de notitie Ruim Baan voor Culturele Diversiteit. In de uitgangspuntennotitie "Cultuur als confrontatie" zien we deze ook weer terugkomen.

Voor de CDA-fractie staan drie belangrijke noties vast:

1. Cultuur heeft een eigen intrinsieke waarde die gestimuleerd en ontwikkeld wordt doordat kunstenaars daartoe de ruimte wordt gegeven. Cultuur is noch alleen noch allereerst een middel om bijvoorbeeld integratie van minderheden te bereiken. Dat kan een welkom neveneffect zijn, maar niet de hoofddoelstelling van het cultuurbeleid van de overheid.

2. Cultuur draagt bij aan de ontplooiing van mensen en aan de samenhang in de samenleving.
Daarom dient het voor een zo breed mogelijk publiek toegankelijk te zijn. En het moge inmiddels duidelijk zijn dat wij daar zeker ook de regio mee bedoelen.

3. Het is de taak van de overheid gunstige voorwaarden voor het artistieke scheppingsproces te creëren, niet om culturele activiteiten te willen beheersen en doordringen.

Vanuit die noties beoordelen wij de voorliggende diversiteitsnota.

1.De CDA-fractie kan zich vinden in de wense-lijkheid van meer diversiteit en een ander publieksbereik in de cultuursector. Eigenheid, ontmoeting en toegankelijkheid zijn uitgangspunten die wij onderschrijven.

Ook de vorige staatssecretaris heeft al stappen ondernomen ten aanzien van migranten.
Ik citeer enige punten uit "Pantser en ruggengraat" van de hand van de heer Ad Nuis.:

stimulering van kunstinstellingen zodat zij zich gaan opstellen als interculturele voorzieningen voor een breed publiek.

minderheden dienen vertegenwoordigd te zijn in de besturen van instellingen.

musea dienen gestimuleerd te worden om d.m.v. cultuurontmoetingen de ontwikkelingen van een veelzijdige internationale cultuur te laten zien.

Er wordt voortgeborduurd op de vorige Cultuurnota. Mijn fractie vindt het noodzakelijk te weten wat het resultaat van de vorige Cultuurnota-periode is geweest en vraagt daarom dringend naar een evaluatie. Dan kan worden nagegaan wat de goede voorbeelden zijn die navol-ging verdienen en welke initiatieven niet voor herhaling vatbaar zijn. Dat is noodzakelijk voordat de staatssecretaris overgaat tot verstrekkende nieuwe plannen die voor 4 jaar in de Cultuurnota vastliggen.
Kan de staatssecretaris hierover duidelijkheid geven?

2.In het CDA-verkiezingsprogramma wordt cultuur genoemd als een wijze waarop jongeren en nieuwe Nederlanders kunnen participeren in de samenleving en worden onder meer projecten aanbevolen die gericht zijn op het ontwikkelen van cultuurbewustzijn van deze achterblijvende groepen. Vandaar ook dat wij in eerdere debatten de beide staatssecretarissen van harte hebben ondersteund in de voorstellen inzake Cultuur en School.
Deze voorstellen scharen wij echter onder onderwijsbeleid, welzijnsbeleid en Grote Stedenbeleid en dienen derhalve vanuit die beleidssectoren gefinancierd te worden.
De CDA-fractie kan zich niet aan de indruk onttrekken dat deze staatssecretaris zijn collega Van Boxtel aan de financiën moet helpen om het door Kok II beloofde Grotestedenbeleid uit te voeren. Participatie en publieksbereik zijn belangrijk, maar mogen niet kwaliteit en ontwikkeling van cultuur in het gedrang doen komen.

De CDA-fractie is van mening dat de geringe deelname van jongeren en allochtonen in hoofdzaak wordt veroorzaakt vanuit het lagere opleidingsniveau en de sociaal-economische positie; een mening waar de staatssecretaris kanttekeningen bij plaatst zonder steekhoudende argumenten.
Voor ons is onderwijs van cruciaal belang.

Nieuwe Nederlanders moeten met name snel en goed Nederlands kunnen leren, daarmee vergroten zij hun kansen op een goede opleiding en deelname aan de arbeidsmarkt en aan de samenleving.

Dat zijn ook voorwaarden die nodig zijn, om deelname aan culturele activiteiten te vergroten. Dat kost inderdaad meer tijd. Meer recht doen aan culturele diversiteit zal daarbij helpen, maar het is niet het wondermiddel waarin de staatssecretaris ons wil doen geloven.

De CDA-fractie vindt dus wel dat extra aandacht voor allochtone cultuur-uitingen van belang is, evenals projecten ge-richt op het ontwikkelen van cultuurbewustzijn onder jongeren, waaronder allochtonen.
Zoals wij als stelden kan integratie nooit de hoofddoelstelling van het cultuurbeleid van de overheid zijn, maar beschouwen wij dit wel als een bijzonder positief neveneffect.

Grotere toegankelijkheid van musea voor nieuwe Nederlanders en grotere aandacht voor hun culturele erfgoed is een goede zaak. En dat gebeurt ook al: Het Bijbels Museum in Nijmegen heeft bijvoorbeeld stappen genomen tot verbreding naar andere godsdiensten. Een goed initiatief dat ondersteuning verdient, temeer daar het van onderaf opkomt.

3. Afwijzend staat de CDA-fractie tegenover de suggestie die het voorliggende stuk wekt dat kunst en cultuur niet meer een doel op zich mogen zijn, maar moeten worden gezien als middel om bepaalde maatschappelijke doelen te bereiken. Daarmee brengt de staatssecretaris naar de mening van de CDA-fractie een enorme rem aan op de ontwikkeling van de cultuur.
Mijn fractie vindt dat cultuurbeleid vooral die cultuur moet ondersteunen die vanuit de doelstellingen kwaliteit, verscheidenheid en vernieuwing interessant maar kwetsbaar is.
Het vermogen van cultuur om verbinding te leggen met de maatschappij is een onderdeel van kwaliteit, maar slechts een onderliggend criterium.

4. De CDA-fractie heeft grote bezwaren tegen de manier waarop de staatssecretaris in deze notitie van bovenaf zaken wil opleggen. Er wordt voorbijgegaan aan de initiatieven die in de sector al zijn genomen en worden genomen.

Op pagina 18 geeft de staatssecretaris aan hoe met diversiteit rekening moet worden gehouden in het aanbod en de publieksbenadering.

Dit idee wordt uitgewerkt op pagina 14 van de uitgangspuntennotitie. Daar wordt aangegeven dat culturele instellingen minimaal drie procent van hun subsidies moeten besteden aan het bereiken van jongeren en minderheden. Van instellingen die daaraan niet voldoen, wordt drie procent van de subsidie ingehouden en in een apart budget geplaatst.

Dit vindt mijn fractie getuigen van een aanpak die niet meer van deze tijd is. De samenleving is niet van bovenaf maakbaar. Als christen-democraten geven wij de voorkeur aan initiatieven die van onderaf opkomen. Laat burgers en hun instellingen zelf de hand aan de ploeg slaan en evalueer die activiteiten. Pas indien nodig kan dan de overheid optreden.
Vanuit dat principe is mijn fractie er voorstander van dat kunstenaars en instellingen worden uitgenodigd om gezamenlijk een plan op te stellen waarin de uitgangspunten eigenheid, ontmoeting en toegankelijkheid worden verwerkt. Met de budgetten die daarbij horen. Op die manier leg je de verantwoordelijkheden waar ze behoren te liggen, zorg je voor draagvlak en zal men zich inzetten voor een goed resultaat.

Quotering, resultaatsafspraken en premies hebben niet gewerkt bij de Nuis-norm voor Nederlandse muziek waarvan de staatssecretaris onlangs ook afstand nam. Dat heeft ook niet gewerkt bij de Wet Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen. Dat zal ook niet werken om diversiteit in cultuurbeleid te realiseren.

De CDA-fractie wil dat idee van tafel gaat en ik zal proberen hiervoor een kamerbrede steun te krijgen in dit debat.

5. De CDA-fractie betreurt het dat de staatssecretaris weinig aandacht schenkt aan de kunstenaar als schepper van vele cultuuruitingen, die mensen daarmee een spiegel voor houdt en als voorbeeld dient. Hoe zijn de ontplooiingskansen van de kunstenaar en wat zijn de belemmeringen op nationaal en internationaal niveau? Ook daarin komt diversiteit immers tot uiting.
Waarom heeft de staatssecretaris hieraan geen aandacht gewijd?

6. De CDA-fractie is het eens met de staatssecretaris dat de samenstelling van adviescommissies en besturen van instellingen te eenzijdig is en dat een veelzijdiger samenstelling het perspectief kan verbreden en de deskundigheid vergroten.
Het stimuleren van het aanstellen van meer jongeren waaronder nieuwe Nederlanders, vrouwen en mensen van buiten de Randstad juichen wij toe. Daarnaast is het nodig dat bij alle leden van dergelijke raden kennis en deskundigheid op het terrein van culturele diversiteit wordt vergroot. Ook kennis van de eigen cultuur is overigens belangrijk, omdat kennis van de eigen culturele wortels de basis is van interactie. Wij raden de staatssecretaris aan om ten aanzien van de samenstelling van commissies en besturen, ook te bezien hoe het is met de vertegenwoordiging van de traditionele groeperingen in onze Nederlandse samenleving. Zij hebben veelal een geheel eigen visie op cultuur en mijn fractie vindt dat ook hun stem meer gehoord zou moeten worden.

7. Het verheugt de CDA-fractie dat de staatssecretaris erkent dat in het domein van de amateurkunst de cultuurparticipatie groot is en deze daarmee de meest gedemocratiseerde sector in de cultuurwereld is. Die vaststelling heeft de CDA-fractie al lang geleden gedaan en het doet ons deugd dat de staatssecretaris dat nu ook erkent. In eerdere debatten is door mijn fractie al aangegeven dat dit domein meer benut zou moeten worden omdat hier de kansen op succes vooreerst groter zijn dan in de andere domeinen.

Verenigingen van amateurkunst kunnen een cruciale functie vervullen. Ze zijn laagdrempelig en tellen onder hun leden veel jongeren, waaronder allochtonen. Gegevens over het percentage allochtonen zijn ons onbekend.

-Heeft de staatssecretaris wellicht de beschikking over cijfers hieromtrent?

De CDA-fractie vindt dat jongeren ook in de verenigingen van amateurkunst les dienen te krijgen van gekwalificeerde docenten die hun belevingswereld kennen. De praktijk leert dat de combinatie van presteren op school en presenteren op het podium aansluit op de belangstelling van jongeren. Samenwerking tussen de professionele kunst en de amateurkunst kan daarvoor ook stimulerend werken.

Een deel van de sector van de kunstzinnige vorming (muziekscholen en creativiteitscentra) en amateurkunst (muziekverenigingen, koren, dans- en theaterscholen) heeft moeite om het juiste beleid te maken om meer jongeren en allochtonen te bereiken.
Helaas blijkt in de praktijk dat instellingen vaak afzien van het ontwikkelen van nieuwe activiteiten voor allochtonen vanwege negatieve ervaringen, veelal samenhangend met cultureel bepaalde verschillende wijzen van werken. Informatie over de verschillende manieren van aanpak en begeleiding is noodzakelijk.

-Wat is de mening van de staatssecretaris hierover?

Het succesvol bereiken van allochtonen gebeurt meestal via de lokale zelforganisaties. Ook de zelforganisaties moeten gestimuleerd worden om het initiatief te nemen om contact te zoeken met het verenigingsleven en de culturele instellingen.

De idee van de staatssecretaris om cultuurambassadeurs aan te stellen lijkt mijn fractie waardevol. Ook hier geldt echter wat mijn fractie steeds bepleit: inventariseer wat er voorhanden is en probeer verbinding te leggen tussen de amateurverenigingen, de instellingen voor kunstzinnige vorming en de overige culturele instellingen. Zo kunnen de cultuurambassadeurs daadwerkelijk de gewenste bruggenbouwers worden!

De CDA-fractie vindt de financiële paragraaf in de notitie Ruim Baan voor Culturele Diversiteit mager. De staatssecretaris stelt slechts dat er een forse financiële inspanning nodig is om culturele diversiteit te bevorderen. Ook wordt aangegeven dat budgetten voor culturele diversiteit zichtbaar moeten worden gemaakt op de cultuurbegroting. Er wordt echter geen concreet bedrag genoemd. Ook uit de nota Cultuur als confrontatie kan niet worden opgemaakt hoeveel geld precies wordt vrijgemaakt voor culturele diversiteit. De staatssecretaris geeft in deze nota aan welke budgetten benodigd zijn voor de vijf onderdelen van het Actieprogramma Cultuurbereik. Voor de twee onderdelen programmering en culturele diversiteit samen wordt 50 miljoen gulden uitgetrokken.

-Welk bedrag is nu precies nodig is om het beleid van de staatssecretaris ten aanzien van culturele diversiteit te realiseren?

Kamerlid: Marry Visser- van Doorn

Deel: ' CDA over Fondsenstructuur en Culturele Diversiteit '




Lees ook