CDA

: Tweede Kamer : Initiatief-wetsvoorstel strafbaarstelling van belaging (310899)

Initiatief-wetsvoorstel strafbaarstelling van belaging (310899)

Den Haag, 31 augustus 1999

Algemeen
Er is met het fenomeen stalking iets merkwaardigs aan de hand, het fenomeen dat inhoudt het opzettelijk, herhaaldelijk lastigvallen van een ander waarbij inbreuk wordt gemaakt op haar of zijn persoonlijke levenssfeer. Het merkwaardige schuilt hierin dat ieder weldenkend mens zich tegen dit fenomeen zal keren, maar dat de vraag of dergelijk gedrag strafrechtelijk moet worden aangepakt zeer uiteenlopend wordt beantwoord. Niet zelden wordt door de critici van strafrechtelijke bepalingen gewezen op de handhaafbaarheid, de bewijsbaarheid en de alternatieve mogelijkheden om dit laakbare gedrag tegen te gaan. Het is niet verwonderlijk dat ook het voorliggende wetsvoorstel dergelijke kritiek ontmoet, zowel in deze Kamer zie de inbreng van diverse partijen als daarbuiten.

De CDA-fractie is van mening dat mensen verantwoordelijk zijn voor elkaar en zich jegens elkaar ook verantwoord hebben te gedragen. Een fenomeen als stalking of belaging vormt een inbreuk op een dergelijk verantwoorde omgang met elkaar. Stalking is eerst en vooral een moreel probleem en dit fenomeen heeft dus ook te maken met waarden en normen. De morele kwaliteit van de samenleving is gebaat met het krachtig tegengaan van dit verschijnsel. Het gaat hier dus in eerste aanleg om verhoudingen tussen mensen. Maar dat laat de rol van de overheid onverlet. De overheid kan zich op het standpunt stellen dat partijen er zelf maar uit moeten zien te komen. De overheid kan regels willen stellen, maar daarvan afzien in verband met wetstechnische of uitvoeringstechnische bezwaren. De overheid kan trachten regels te stellen, zich daarbij realiserend dat strafrecht altijd het karakter zal hebben van een ultimum remedium. De CDA-fractie is van mening dat daar waar de waardigheid van mensen in het gedrang komt, ook de overheid een verantwoordelijkheid draagt. De overheid heeft immers tot taak de publieke gerechtigheid te bevorderen. Vanuit deze motieven is er dan ook aanleiding voor een positieve grondhouding met betrekking tot de strafbaarstelling van belaging. Nu kunnen er ook in het geval van stalking bezwaren van juridische aard worden ingebracht. Toch behoort het naar de mening van mijn fractie in de eerste plaats te gaan om de principiële vraag of belaging al dan niet strafrechtelijk relevant moet worden verklaard. Het strafrecht strekt er immers toe normen vast te stellen die onder meer de menselijke waardigheid in de samenleving moeten versterken. Vervolgens kunnen dan de juridische en andere tegenwerpingen aan de orde komen. De vraag of tot strafbaarheid van belaging moet worden besloten en dat is de kern van het wetsvoorstel dat nu wordt besproken wordt door de CDA-fractie in beginsel positief beantwoord. Dat neemt uiteraard niet weg dat de nodige vragen bij het wetsvoorstel zijn te stellen, en dat doet de CDA-fractie dan ook. In ieder geval acht de CDA-fractie de enkele regeling via het civielrecht inschakeling van advocaat, kort geding, rechterlijke verboden, naleving een onvoldoende waarborg voor de slachtoffers van stalking.

Over dit wetsvoorstel wordt nu reeds langere tijd gesproken. In politiek opzicht lijkt de VVD een bijzondere positie in te nemen. Het wetsvoorstel is mede ondertekend door VVD-Kamerlid Vos, terwijl er vanuit zijn fractie nu zeer kritische geluiden klinken over dit voorstel. We zijn dus benieuwd naar de positie van de VVD? Over het kabinet hebben we het nog niet gehad. De vorige minister van Justitie, Sorgdrager, voelde niets voor strafbaarstelling van belaging. Mede daarom spreken wij nu over het initiatief-ontwerp. Wij vernemen graag de visie van de huidige regering en de huidige minister van Justitie op het wetsvoorstel.

Nu dan de inhoud van het wetsvoorstel. De term belaging lijkt volgens de definitie van Van Dale verder te gaan dan de omschrijving van de indieners. De kern van belaging is volgens de indieners dat door de gedragingen van de belager het slachtoffer in zijn persoonlijke vrijheid op een ontoelaatbare manier wordt beperkt. Deze formulering in de Nota naar aanleiding van het verslag geeft een inkleuring van de delictsomschrijving zoals neergelegd in het voorgestelde art. 285b Wetboek van Strafrecht. Een essentiële vraag blijft wat nog wel en wat niet tot ontoelaatbaar mag worden gerekend? Waar ligt de rechtens relevante ondergrens van belaging? Delictsomschrijvingen moeten beantwoorden aan het beginsel van rechtszekerheid: rechten en plichten van de burger dienen helder te zijn gemarkeerd (lex certa). Remmelink waarschuwt voor vage en complexe delictsomschrijvingen die tot rechtsonzekerheid leiden en tot onvoldoende mogelijkheid voor een succesvolle strafvervolging. Hoewel de indieners werk hebben gemaakt van de toelichting op de delictsomschrijving, lijkt er toch een grijs gebied te blijven bestaan tussen wel en niet strafrechtelijk relevante hinder. Achten de indieners de omschrijving op pag. 2 van de Memorie van Toelichting (derde alinea) zodanig scherp omlijnd dat de rechter deze strafrechtelijke norm ook werkelijk kan toepassen? Deze vraag moet ook worden gesteld omdat in de juridische literatuur de term persoonlijke levenssfeer nog immer vragen oproept. Ook de Raad van State betoont zich op dit punt kritisch. De CDA-fractie is afhankelijk van de beantwoording van de gestelde vraag - geneigd zich in dit stadium neer te leggen bij de toelichting van de indieners op de delictsomschrijving, mede gelet op de argumentatie op de paginas 6 en 7 van de Nota naar aanleiding van het Verslag. Toch zal de wetgever mogelijk op enig moment nader stil dienen te staan bij de invulling van de aanduiding inbreuk maken op eens anders persoonlijke levenssfeer. In dit stadium acht de CDA-fractie de bezwaren echter niet van dien aard dat de vragen rondom de persoonlijke levenssfeer een belemmering zouden mogen vormen tot strafbaarstelling van belaging.

Aan de indieners van het wetsvoorstel moet dus ter wille van de duidelijkheid van de delictsomschrijving nogmaals worden gevraagd of naar hun opvatting deze omschrijving voldoende helder is voor de rechtspraktijk. Met andere woorden: biedt de delictsomschrijving voldoende waarborgen voor een effectieve bestrijding van dit fenomeen door politie en justitie? In dit verband is het interessant acht te slaan op de beginperiode van de anti-stalkingwetgeving in de Verenigde Staten. Het kwam regelmatig voor dat regelgeving onconstitutioneel werd verklaard vanwege de te vage bepalingen. Nu kennen we in Nederland niet of moeten we zeggen: nog niet - de constitutionele toetsing, maar de vraag of de delictsomschrijving voldoende scherp is met het oog op de toepassing ervan door politie en justitie is niet onbelangrijk. Graag hierover een nadere toelichting door de indieners. In dat verband kan ook de vraag worden gesteld in hoeverre de indieners rekening hebben gehouden met delictsomschrijvingen in andere landen. Bieden de ervaringen elders nog aanknopingspunten voor onze wetgeving?

In het Verslag heeft de CDA-fractie aangedrongen op nadere informatie over de uitvoering van anti-stalkingwetgeving in andere landen. De Nota naar aanleiding van het Verslag voegt echter weinig toe aan de eerder verstrekte informatie. Hebben de indieners bijvoorbeeld kennisgenomen van de bijdrage Onderzoek naar het verschijnsel stalking door N.J. Baas in Proces (maart/april 1999)? Dossieronderzoek in Los Angeles zou uitwijzen dat interventie door de politie in 95% van de gevallen effect heeft. Informele interventies van politie en justitie lijken eerder effect te sorteren dan formele interventies. Voortbouwend op dergelijke waarnemingen zou kunnen worden gesteld dat strafbaarstelling van belaging in ieder geval politie en justitie de bevoegdheid biedt te interveniëren. Alleen al dat gegeven pleit voor het wetsvoorstel. Hebben de indieners inmiddels nog andere ervaringen uit andere landen? Er moeten toch langzamerhand meer gegevens komen over onderwerpen als vervolgingsbeleid, effecten van regelgeving e.d.?

Op pagina 10 van de Nota naar aanleiding van het Verslag gaan de indieners in op het fenomeen van valse aangiften. Juist vanwege de problemen in de relationele sfeer is het gevaar aanwezig dat er onder omstandigheden verwarring ontstaat over het dader dan wel slachtoffer zijn. Wanneer iemand valselijk wordt beschuldigd kan dat voor betrokkene vergaande consequenties hebben. Het moet niet worden uitgesloten dat in dergelijke gevallen schadeclaims volgen. De indieners schrijven: Het valselijk afleggen van verklaringen zal bij belagingszaken ook in de toekomst niet uit te sluiten (zijn). Toch mag hiermee niet lichtvaardig worden omgesprongen. Ook vanuit dit gezichtspunt bezien is het raadzaam na verloop van tijd deze kwestie mee te nemen in de voorziene evaluatie van de anti-belagingspraktijk. De indieners zullen het, naar wij aannemen, hiermee eens zijn.

De bescherming van slachtoffers van stalking is zeer gebaat met effectief en vertrouwenwekkend handelen van politie en justitie. Dat roept wel de vraag op of politie en justitie voldoende toegerust zijn deze nieuwe taak naar behoren te verrichten. Mede tegen die achtergrond heeft de CDA-fractie aan de indieners de vraag voorgelegd welke capaciteitsconsequenties en budgettaire kaders met de strafbaarstelling van belaging zijn gemoeid. Kunnen de indieners hier alsnog antwoord op geven? Strafbaarstelling moet immers gevolgd worden door een betekenisvolle uitvoeringspraktijk.

Verder rest er nog een aantal vragen.

- Kunnen de indieners nog eens aangeven hoe het verband ligt tussen het acht slaan op de intentie van de dader, het objectiveren van de belagingshandelingen (MvT, nr. 5, pag. 8) en de aard van de persoon tegen wie de belaging is gericht? Is het nu zo dat slachtoffers die zeer nerveus en onzeker zijn, gemakkelijker nul op rekest krijgen bij politie en justitie dan anderen, zulks in verband met het objectiveren? Maar ook: speelt bij het vaststellen of er sprake is van belaging (en de daarbij behorende intentie) door de dader ook mee de aard en persoonlijkheid van het slachtoffer, bijvoorbeeld wanneer de dader precies de zwakke plekken van de ander poogt te treffen?
- Kan worden aangegeven waarop de volgende stelling is gebaseerd: Bij dergelijke belagers bestaat de kans dat zij een vonnis, geëist door de Officier van Justitie namens de samenleving en uitgesproken door de strafrechter, wel aanvaarden. (MvT, nr. 5, pag. 10) Is de aanwezigheid van een kans niet een te smalle basis voor een effectieve aanpak?
- In hoeverre speelt het vraagstuk van belaging via Internet? Het eindeloos mailen van stukken kan buitengewoon irritant zijn. Is over dit fenomeen in het licht van het wetsvoorstel meer te zeggen?
- Kan meer worden gezegd over de relatie tussen belaging en acties van demonstranten?

Juist bij slachtoffers van stalking bestaan verwachtingen ten aanzien van de wetgeving waarover wij nu spreken. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat de wetgeving helder en niet voor meerdere uitleg vatbaar is. Bij het dienen van het recht en menselijke waardigheid moet de anti-belagingsbepaling betekenisvol en praktisch zijn. Niets frustrerenders is denkbaar dan wetgeving die vanwege juridische haken en ogen haar doel zou missen. Tegen die achtergrond moeten de kanttekeningen van de CDA-fractie worden gezien. Daarbij zij herhaald dat stalking eerst en vooral te maken heeft met de morele kwaliteit van de samenleving. Zoveel mogelijk zullen mensen op hun verantwoordelijkheid voor elkaar moeten worden aangesproken. Maar dat neemt de noodzaak van het strafrecht niet weg. In die zin verdient het initiatief ondersteuning.

Jan Peter Balkenende
Tweede-Kamerlid voor het CDA

Deel: ' CDA over Initiatief-wetsvoorstel strafbaarstelling belaging '




Lees ook