CDA

: Tweede Kamer : Integraal Mestplan Brinkhorst (nr. 140)

Integraal Mestplan Brinkhorst (nr. 140)

Kabinetsplannen
15 september jl presenteerde minister Brinkhorst plannen voor een integraal mestbeleid. Vanaf 2002 gaan scherpere normen gelden voor het Mineralen Aangifte Systeem (Minas). Veehouders moeten mestafzettings-contracten afsluiten om overtollige mest te verspreiden of verwerken. De boetes (heffingen) voor overschrijding van de normen worden verhoogd. Bedrijven die de overtollige mest niet kwijt kunnen moeten hun veestapel inkrimpen of het bedrijf opheffen. Voor opkoop en sociaal beleid (oa omscholing) is een bedrag van 500 miljoen ter beschikking, naast de nog resterende 268 miljoen van de Wet Herstructurering. De plannen betekenen een krimp van 30 % voor de rundvleessector, 10% voor de kalverhouderij, 15 tot 20% voor de pluimveehouderij en maar liefst 30% voor de varkenshouders. Geschat wordt dat ongeveer 6000 bedrijven zullen moeten stoppen. Voor bedrijven die overleven zal een fikse inkomens-achteruitgang het gevolg zijn, oplopend tot fl.30.000 gemiddeld. De harde maatregelen zijn volgens de regering nodig omdat de herstructurering van de varkenshouderij stagneert door de juridische impasse rond de Varkenswet. Daardoor zou Nederland achterlopen op de doelstelling van de Europese Nitraat Richtlijn.

Voorgeschiedenis
De eerdere Wet Herstructurering Varkenshouderij van toenmalig minister Van Aartsen is, onder druk van de rechter, tijdelijk in de koelkast gezet. De kern van dit wets-voorstel, de zgn generieke korting, hield in dat de boeren varkensrechten moesten inleveren zonder dat hier een schade-vergoeding tegenover stond. De rechter heeft dit in strijd met de wet verklaard. Sindsdien is er een juridisch steekspel gaande met diverse (bodem-) procedures. De minister is in beroep gegaan maar heeft de uitvoering van de wet niet teruggedraaid. Er zijn dus al varkenshouders failliet op basis van een wet die door de rechter is afgekeurd. De varkenssector verkeert in onzekerheid omdat de minister ervan overtuigd is de langste adem te hebben. Het is dan ook wrang dat het kabinet dit nieuwe pakket harde maatregelen presenteert met het argument dat de sanering van het mestoverschot stagneert als gevolg van de juridische impasse. Een impasse waar het kabinet immers zelf voor verantwoordelijk is.

Standpunt CDA-fractie
Het CDA heeft de noodzaak tot her-structurering van de varkenshouderij en beperking van de mineralenuitstoot van de veehouderij steeds onderschreven. Vanuit milieu-oogpunt, dierenwelzijn èn de levensvatbaarheid van de sector is het van groot belang dat er een duidelijk en ambitieus beleid komt ten aanzien van de reductie van het mestoverschot. Het is echter essentieel dat dit beleid uitvoerbaar is en kan rekenen op draagvlak in de sector. De manier waarop de regering tot herstructurering wil komen werd en wordt afgewezen. De Wet van Van Aartsen was niet aanvaardbaar omdat de varkensrechten werden afgenomen zonder vergoeding.
De kritiek op de nieuwe voorstellen van minister Brinkhorst richt zich met name op drie punten: het te krappe tijdspad, de aanscherping van de verliesnormen en het gebrek aan financiële middelen. Er is veel te weinig geld beschikbaar om de boeren werkelijk bij te staan; een koude sanering dreigt. Het sociaal flankerend beleid is voor zowel wijkers als blijvers onvoldoende. De leefbaarheid op het platteland komt in het geding. Het jaartal 2003, wanneer de plannen gerealiseerd moeten zijn, zal onhaalbaar zijn. Veel wetgeving zal aangepast moeten worden. De veehouderij zal meer tijd nodig hebben om zich aan te passen aan de nieuwe normen. Boeren zullen 1 op 1 afzetcontracten met akkerbouwers moeten afsluiten over de hoeveelheid mest die ze kwijt kunnen. Het zou de minister overigens sieren als hij zou erkennen dat de vertraging niet veroorzaakt is door de sector maar door de (vorige) minister. Ook de VVD heeft zich inmiddels op het standpunt gesteld dat het tijdsbestek veel te kort is. Met de klein christelijke partijen en SP zou daarmee op het punt van het tijdspad in principe een Kamermeerder-heid zijn. (Maar de VVD heeft al vaker in het finale debat ingebonden uit coalitiebelang.)

Het CDA is van mening dat er een oplossing moet komen voor de mestproblematiek, die gebaseerd is op een haalbaar tijdschema, financiële compensatie voor gedupeerden en, daarmee, draagvlak in de sector. De veehouderij is bereid mee te werken aan herstructurering als deze op een redelijke wijze plaatsvindt en komt ook zelf met plannen. LTO is bijv, nog vrij recent met een goed plan gekomen, dat de minister echter niet ver genoeg vond gaan.
Er moet een stimulerende en gerichte opkoop-regeling komen om degenen die hun bedrijf moeten en/of willen sluiten ook een werkelijk alternatief te bieden.
Het zorgdragen voor mestafzet-contracten moet onderdeel uitmaken van een breder scala aan mogelijkheden waar de ondernemer duurzaam mee aan de slag kan. Via het voedselspoor moet gezorgd worden dat de mest schoner is (fosfaatreductie door beter voer). De CDA-fractie pleit voor het stimuleren van initiatieven tav mestbe- en verwerking (verbranding, export etc). Veel initiatieven uit het veld lopen nu nog vast doordat vergunningen geweigerd worden. Er moet meer ingezet worden op het Minassysteem (Mineralen Aangifte Systeem). Via het Minas worden de mineralen op bedrijfsniveau geregistreerd (aanvoer, afvoer en wat overblijft). Dit systeem biedt de veehouder de mogelijkheid om zelf de mestafvoer te sturen (aankoop van voer, bemesten van grond ed) en speelt in op de individuele verantwoordelijkheid van de ondernemer. Uit de Minas boekhouding, die de veehouder zelf bijhoudt, blijkt wat aan mineralen-overschot overblijft. Omdat daar heffing over betaald moet worden, is de ondernemer er veel aan gelegen om te zorgen dat het mestoverschot zo laag mogelijk is. Minas heeft als management-instrument daarom veel potentieel. Door de snelle invoering en de scherpe normen (de zogeheten verliesnorm wordt ook nu weer aangescherpt), dreigt Minas echter aan draagvlak te verliezen. Dat zou een gemiste kans zijn.

De CDA-fractie is van mening dat de overheid meer moet inspelen op de eigen verantwoordelijkheid van de boeren-ondernemer. Een ondernemer die in de 21e eeuw niet kan aantonen dat hij een duurzaam ondernemer is, heeft geen bestaansrecht. Maar de ondernemer die zich inspant om milieu en omgeving zo min mogelijk te belasten, en tegelijkertijd een bedrijf moet runnen waar hij en zijn familie van moeten bestaan, heeft recht op een betrouwbaar overheidsbeleid. Een beleid dat handhaafbare normen stelt, en de veehouder in de gelegenheid stelt daaraan te voldoen.

Woordvoerder: Theo Meijer.
Fractieflits: 140 (20 september 1999)

Deel: ' CDA over integraal Mestplan Brinkhorst '




Lees ook