CDA

: Tweede Kamer : Landenbeleid structurele bilaterale hulp (280699)

Landenbeleid structurele bilaterale hulp (280699)

Den Haag, 28 juni 1999

Iedere landenlijst is arbitrair (Minister Herfkens, 8 maart 1999)

Waterscheiding

1. Vandaag discussieert de Kamer over het nieuwe landenbeleid van Minister Herfkens. Met stroomlijning van de hulp en vermindering van het aantal hulplanden wil de Minister een nieuwe koers inzetten. Zij brengt daarmee naar onze opvatting een waterscheiding aan tussen haar beleid en dat van haar voorganger Pronk. Geen wijdverbreide hulp meer aan meer dan 100 landen. Niet steeds weer nieuwe doelen, nieuwe landen en nieuwe themas erbij. Weg met de ingewikkelde toetsen. De periode Pronk wordt definitief afgesloten. Effectiviteit en efficiency, daar gaat het om bij deze Minister. In die benadering steunt de CDA-fractie de Minister. Wij waarderen het dat de Minister deze nieuwe koers al zo kort na haar aantreden aankondigde. Wij vinden het van moed getuigen om zo direct en openlijk afstand te nemen van het beleid van een voorganger, van een partijgenoot, die jarenlang zijn stempel op het Nederlands ontwikkelingsbeleid heeft gezet, een beleid dat blijkbaar zodanig is vastgelopen dat nu het roer om moet. De CDA-fractie heeft in het verleden vaker voor concentratie van hulp en landen gepleit. Onze hulp moet helpen en diegenen bereiken die deze hulp het hardste nodig hebben. Daar draait het vandaag in de discussie over het nieuwe landenbeleid ook om. Kan de Minister straks werkelijk aantonen dat onze hulp helpt? Kan de Minister straks werkelijk aantonen dat onze Nederlandse gulden of euro daar terechtkomt waarvoor die bestemd is? Worden met deze nieuwe landenlijst de beheersproblemen op het Ministerie nu definitief opgelost?
De tweede vraag van vandaag is, of de Minister met deze landenlijst een herkenbaar Nederlands ontwikkelingsbeleid gaat voeren of dat grote en algemene instellingen zoals de Wereldbank en instellingen van de Verenigde Naties straks de hoofdrol spelen in het Nederlands ontwikkelingsbeleid. In hoeverre wordt in het nieuwe landenbeleid nog rekening gehouden met de expertise en ervaring van het grote aantal verschillende particuliere organisaties, van de medefinancieringsorganisaties en van het Nederlands bedrijfsleven en wordt deze een rol toegekend? In hoeverre wordt in het nieuwe landenbeleid rekening gehouden met Nederlandse banden, relaties, geschiedenis, interesses en belangen? Blijft ontwikkelingssamenwerking onderdeel van ons buitenlands beleid?
De derde vraag is of met dit nieuwe landenbeleid het Nederlands draagvlak voor ontwikkelingsamenwerking versterkt gaat worden.

Landenlijst nog teveel versnipperd

2. Met de aankondiging van november vorig jaar, dat het landenbeleid geconcentreerd zou worden zijn verwachtingen gewekt. In ieder geval bij de CDA-fractie. Wij hadden verwacht, dat op basis van heldere criteria een beperkte en overzichtelijke lijst met landen zou komen, maar daarin zij wij teleurgesteld. Wat breeduit was aangekondigd als landenconcentratie blijkt met de vier categorieën landen niet uit de verf te komen. Alles opgeteld zal het aantal hulpontvangende landen nog op 53 blijven. Hoezo concentratie? Deze landenlijst is een lijst met compromissen geworden, die ook weer tot versnippering van de hulp leidt. Er is geen consequente redenering in de selectie van de landen te ontdekken, terwijl de Minister met haar aangekondigde selectiecriteria toch stellig de indruk wekte dat zij daarmee eenduidig te werk zou gaan. Dat is, de landenlijst overziende, niet echt gelukt. De Minister blijkt enkele maanden na het presenteren van haar landenlijst zelf ook niet helemaal gelukkig te zijn met haar voorstel, want in het programma Buitenhof vorige week zondag meldde zij dat zij nu al weer overweegt om de landenlijst verder te concentreren. Waarom is dit niet meteen gebeurd? Heeft deze gedachte te maken met nog meer budgettaire krapte in de nabije toekomst? Discussiëren we vandaag over een tussenvoorstel van de Minister? Welke voorstellen heeft de Minister nog in petto? Waarom wordt de Kamer daarover niet geïnformeerd? Overigens wenst de CDA-fractie ten aanzien van de budgettaire krapte vandaag in ieder geval te vernemen hoeveel geld er beschikbaar is voor het nieuwe landenbeleid. Tot nu toe bleef het schimmig, als het om de financiën ging. Tot nu toe kon de Minister geen inzicht geven in de financiële consequenties van haar nieuwe beleid. Dat maakt een complete beoordeling van deze voornemens vrijwel onmogelijk. Wij nemen aan, dat de Minister er begrip voor heeft, dat de CDA-fractie dit punt bij deze landenbespreking weer aan de orde stelt en hierover ook klip en klaar duidelijkheid verlangt. Wij voelen ons in dit verzoek gesteund door de Comptabiliteitswet, die aangeeft (artikel 14) dat bij nieuw beleid ook de financiële consequentie moet worden aangegeven. Het lijkt ons gewoon een kwestie van goed bestuur om de Kamer inzicht te verschaffen over de financiële paragraaf van het landenbeleid. Zonder hierover te beschikken is het voor ons onmogelijk een definitief oordeel over het nieuwe landenbeleid te geven. Kan de Minister op meerjarenbasis indicatief aangeven hoeveel beschikbaar is voor de structurele relatie, (de 19 + 3) hoeveel voor de themalanden en hoeveel voor de exit-strategie?

Landenlijst willekeurig opgesteld, voldoet niet aan criteria Minister

3. Het heeft de CDA-fractie verbaasd op welke wijze de Minister de criteria hanteert voor de landenlijst. Naast versnippering blijkt ook een tamelijk willekeurige lijst van Ianden te zijn opgesteld. Op de lijst van landen die getoetst zijn aan goed bestuur en goed beleid staan landen als Jemen, dat niettemin op het terrein van mensenrechten en democratie, gelijkwaardigheid van vrouwen absoluut slecht scoort, en India, Pakistan, Eritrea en Ethiopië, die de instabiliteit in de regio bevorderen en met elkaar in hevig conflict zijn. Bovendien geldt voor India en Pakistan van Nederlandse zijde nog steeds een wapenembargo vanwege het houden van kernproeven vorig jaar. Landen zoals Zambia, Tanzania en Zimbabwe scoren met hun mensenrechtenbeleid onvoldoende, met de mate van democratie en het sociaal-economisch beleid eveneens onvoldoende tot matig. Toch staan deze landen op de lijst voor een structurele bilaterale relatie.

Op de lijst van landen die getoetst zijn aan het armoedecriterium staan landen zoals Zuid-Afrika en Egypte, die respectievelijk bijna viermaal en tweemaal zoveel gemiddeld inkomen per hoofd van de bevolking verdienen dan Sri Lanka, dat ook en terecht op de lijst staat. Van de negentien landen in de eerste categorie, meldt de Minister zijn er slechts tien die onder de armoedegrens zitten. Hoe kan de Minister dan volhouden dat zij voor armoedebestrijding kiest? Overigens is het armoedecriterium zoals toegepast ook voor nadere beschouwing vatbaar. De Minister heeft het armoedecriterium van 925 US$ per capita per jaar verlaten en selecteert landen nu op het hebben van toegang tot zachte IDA-leningen. Daar tellen dezelfde factoren als bij de Minister voor het criterium goed bestuur en goed beleid. Maar hoe wordt dit gemeten? Daar is geen zicht op. Wordt corruptie zwaarder aangerekend dan het ontbreken van gender- of milieubeleid? In welke mate wordt de hoogte van de defensie-uitgaven meegewogen? De Minister heeft overigens bij nader inzien ook op andere gronden haar keuze bepaald. Zo lezen we in de synopsis bijvoorbeeld herhaaldelijk dat de aanwezigheid van een ambassade in een land eveneens in de afweging is betrokken. Hoe doorslaggevend is dit geweest bij de landenkeuze?

Mensenrechten, milieu en bedrijfsleven, daar gaat het in de themalanden om. We nemen aan, dat hiermee de eindeloze en tijdrovende reeksen toetsen van de baan zijn. Dat is een duidelijke lijn. Maar waarom niet ontschotten? Waarom niet alle themas, mensenrechten, milieu en bedrijfsleven voor één groep landen? Waarom zou milieuland Filippijnen niet ook voor mensenrechtenprogrammas in aanmerking komen? Waarom voor Kenia alleen mensenrechtenprogrammas en geen bedrijfsleven- en milieuprogrammas? Waarom is niet naar meer samenhang tussen de themas gezocht? Wij vinden het vreemd dat China wel op de themalijsten milieu en bedrijfsleven en niet op de lijst mensenrechten en goed bestuur staat. De CDA-fractie mist bij de lijst met themalanden de samenhang en logica. Onze vraag aan de Minister is of zij de themalijsten wil ontschotten, zodat in ieder geval per land een samenhangend beleid gevoerd kan worden. Dat zal de kwaliteit van de hulp ten goede komen.

Als het om natuur- en milieubeleid gaat, gaat de CDA-fractie ervan uit dat de betrokken landen dit zelf ook als prioriteit zien. Zo niet, dan heeft de Nederlandse bijdrage slechts ten dele zin. Brazilië kwalificeert zich niet als DAC-land, maar is toch op de landenlijst voor milieu terechtgekomen. Dit heeft, zo hebben wij begrepen te maken met de Nederlandse milieu-verplichting van 0,1%. En dan heb je grote landen als China en Brazilië nodig. Voor Brazilië mogen geen bijdragen uit het ontwikkelingsbudget betaald worden. Maar dan komt de Minister weer niet aan haar 0,1% milieu-verplichting! Hoe gaat de Minister dit probleem oplossen? Dit brengt mij op de vraag naar het bedrag van f 500 miljoen, door de Minister nog te besteden aan Clean Development en Joint Implementation. Gaat dit bedrag naar de nu gekozen landen of komen er straks nieuwe milieu-landen bij? Hoe moet het verder met het Regeringsstandpunt Tropische Regenwouden nu de landen waarmee wordt samengewerkt, zoals Thailand, Cambodja, Laos, Kenia, Papoea Nieuw Guinea en Honduras niet op de lijst staan. In dit verband is ook de vraag of in de eerste categorie landen voldoende aandacht voor tropische regenwouden en natuur en milieuprojecten blijft, gelet op het feit, dat deze landen van de Minister volgens de gedachte van ownership zelf de sectoren en programmas mogen kiezen. Wat doet de Minister als milieu door het partnerland niet als prioriteit wordt gezien?

Rol en betekenis particulier initiatief

4. De cijfers en statistieken van de laatste jaren tonen aan, dat de verschillen tussen rijk en arm, tussen de kanshebbers en de kanslozen binnen landen en volken, maar ook tussen landen en volken niet afnemen, maar toenemen. Het is niet alleen maar een kwestie van aantallen, die alsmaar niet afnemen, maar ook een kwestie van groeiende verschillen. Miljoenen mannen, vrouwen en kinderen worden dag in dag uit in hun bestaan bedreigd, vernederd, uitgebuit en uitgesloten, met geweld geconfronteerd en op de vlucht gejaagd, zonder enige bescherming, overgeleverd aan het recht van de sterken. Vijfenvijftig landen zijn momenteel In oorlog of hebben een binnenlands conflict. De vraag of dit ons, in Nederland, in Europa aangaat, hoeft wat ons betreft niet eens gesteld te worden. Natuurlijk gaat het ons aan, het lijden van mensen waar ook ter wereld te helpen verlichten, voor zover het in ons vermogen ligt. Natuurlijk is het in ons belang, dat vrede, stabiliteit en welvaart niet alleen in Europa wordt nagestreefd, maar ook in Afrika, Zuid-Azië en Latijns-Amerika. De globalisering brengt steeds duidelijker de interdependentie, de wederzijdse afhankelijkheid tussen landen en volken in beeld. Daar liggen dan ook kansen om de verbondenheid tussen mensen tot uitdrukking te laten komen. Vanouds kennen we in ons land de goede traditie om op dit punt het particulier initiatief niet te schuwen. Decennia lang trekken Nederlanders erop uit naar den vreemde om anderen te ondersteunen in hun ontwikkeling. Decennia lang worden daarvoor grote sommen geld via het particulier initiatief bijeengebracht. Begonnen met missie en zending, nu uitgebreid met een keur van kerkelijke en maatschappelijke organisaties, die zich verbonden voelen met het lot van de allerarmsten en zich inzetten voor het herstel van hun waardigheid. Daar is op enig moment de overheid bijgekomen, die zich eveneens verantwoordelijk voelt voor armoedebestrijding. Nu diezelfde overheid besluit tot een wijziging van het bestaande ontwikkelingsbeleid, lijkt het de CDA-fractie vanzelfsprekend, dat vooraf met deze particuliere organisaties en medefinancieringsorganisaties, alsmede met het relevante bedrijfsleven zou zijn overlegd, alvorens tot een keuze van concentratie te komen. Dit is niet gebeurd. Volgens de Minister zijn er discussiebijeenkomsten geweest en ligt er nu een afsprakencomplex met de medefinancieringsorganisaties. Hulde daarvoor, maar dat is niet wat wij bedoelen. Wij krijgen de indruk dat de Nederlandse particuliere hulp en pluriforme samenwerking van Artsen zonder Grenzen tot aan de Stichting Oecumenische Hulp en het bedrijfsleven er voor de Minister er niet zo toe doen en dat multilaterale organisaties zoals UNDP, de Wereldbank, de Wereldgezondheidsorganisatie, en het Wereldbevolkingsfonds de belangrijke kanalen voor de Nederlandse hulp en samenwerking worden. Indien dit zo is, dan zou dit bijzonder pijnlijk zijn.
De CDA-fractie vindt, dat de Minister een herkenbaar Nederlands ontwikkelingsbeleid moet voeren. Daarin heeft ons veelkleurig en veelzijdig particulier initiatief een eigen rol te vervullen, die door de overheid of een grote neutrale multilaterale organisatie niet vervuld kan worden.
Uit tal van studies blijkt, dat particuliere projecten, de micro-hulp van mens tot mens beter en meer zichtbaar effect sorteren dan de hulp op macroniveau van land tot land, van overheid tot overheid, zeker in landen met geen goed bestuur. Als dus naar de effectiviteit van de hulp wordt gezocht, dan zal hierbij ook het particuliere kanaal betrokken dienen te worden, evenals de lokale projecten ter plaatse en ondersteuning van particuliere organisaties in de landen zelf. In dat opzicht is het buitengewoon te betreuren dat de Minister als voorschot op het nieuwe landenbeleid nu al de Kleine Ambassade Projecten om zeep heeft gebracht. Daarmee zijn juist met kleine lokale initiatieven ter plaatse veel ontwikkelingen te starten, van onderaf en wordt erkend dat ook kleinschalige projecten belangrijk zijn. Wij verzoeken de Minister dit besluit te heroverwegen. Ten tweede kan de Minister ook niet zonder maatschappelijk draagvlak voor haar beleid kan. Dit draagvlak wordt voor het overgrote deel gevormd door de activiteiten van talloze Nederlandse organisaties waarin mensen zich voor anderen elders in de wereld inzetten. Die inzet is op zich al waardevol, en behoort alleen al daarom op waardering en erkenning van de zijde van de Minister te kunnen rekenen. In de afsprakenlijst met de medefinancieringsorganisaties wordt uitgegaan van de elkaar aanvullende rollen tussen overheid en niet-gouvermentele organisaties op basis van kracht en meerwaarde. Maar waar staat de Minister nu? Erkent zij de eigen verantwoordelijkheid van onze particuliere pluriforme organisaties en de waarde ervan? Of behoudt zij een grotere voorkeur voor de multilaterale instellingen? De CDA-fractie heeft ernstig bezwaar tegen het al te gemakkelijk en al te vaak inschakelen van multilaterale organisaties. Dit leidt namelijk tot veralgemenisering en het op afstand plaatsen van hulp en samenwerking. Dit gaat ten koste van de betrokkenheid van het Nederlandse publiek. Uit de evaluatie van twintig jaar co-financiering van Nederland en de Wereldbank die eind vorige week verscheen blijkt, dat de Nederlandse bijdragen door co-financiering de laatste jaren explosief zijn gestegen, onder andere om de Nederlandse eindejaarsproblematiek op te lossen, terwijl Nederland over de besteding nauwelijks zeggenschap had en de hulp niet terechtkwam waarvoor die bedoeld was en zeker niet de armste groepen, waaronder vrouwen bereikt heeft. Het enige wat geholpen had, was de werkdruk op Buitenlandse Zaken te ontlasten. Hieruit zal de Minister lessen moeten trekken. Zij zal niet te snel, omwille van de beheersbaarheid moeten overgaan op de multilaterale toer. Het evaluatie-rapport toont duidelijk aan, dat hulp dan zeker niet helpt. Ook aan multilaterale organisaties behoren eisen van effectiviteit en efficiency gesteld te worden. Iedere Nederlandse bijdrage zal via welk kanaal dan ook zijn bestemming moeten bereiken en verantwoord moeten kunnen worden.
De CDA-fractie wil van de Minister weten in welke verhouding zij de Nederlandse bilaterale hulp gaat verlenen. Hoeveel van regering tot regering, hoeveel hulp via Nederlandse particuliere organisaties en hoeveel hulp via multilaterale organisaties. Kan de Minister hiervan een overzicht geven?
Hoe worden Nederlandse organisaties ingeschakeld bij de zogenaamde exit-strategie, de afbouw van de structurele hulprelatie. In welk tempo denkt de Minster dit te kunnen doen? Kiest zij voor een benadering op maat per land of valt per januari 2001 het doek voor alle landen die niet meer op de lijst staan. Hoe zorgvuldig bouwt de Minister de bestaande hulprelaties af?

De landenkeuze

5. De CDA-fractie is het voluit met de Minister eens, dat voor de doelmatigheid en de doeltreffendheid een selectie van landen nodig is. De CDA-fractie kan zich vinden in het onderscheid tussen wat wij noemen partnerlanden voor structurele bilaterale samenwerking en themalanden die voor de specifieke themas mensenrechten, milieu en bedrijfsleven op niet-structurele bilaterale basis in aanmerking komen. Over de partnerlanden het volgende.

De CDA-fractie deelt de aarzeling van de Minister over voortzetting van de structurele bilaterale relatie met de vijf landen Eritrea, Ethiopië, Pakistan, Zambia en Zimbabwe.
Over een jaar wil de Minister hierover beslissen. Op grond van de aangeleverde gegevens kwalificeren géén van de vijf landen zich voor een structurele relatie met Nederland. Andere landen zijn op diezelfde gronden ook niet op de lijst terechtgekomen. Waarom zouden deze landen dan nu nog een jaar op de lijst blijven? Dan wordt vanaf vandaag de nieuwe sectorale benadering voor drie jaar opgetuigd, terwijl je weet dat mogelijk volgend jaar de relatie beëindigd zal worden. Dat is weinig vruchtbaar.
CDA-fractie stelt voor deze landen niet in de lijst partnerlanden op te nemen, wel in de lijst themalanden en hierover nu te beslissen en niet over een jaar. Dat geldt ook voor Jemen (mensenrechten) en India (land in conflict). Ook deze landen kwalificeren zich niet voor een bilaterale relatie. India bewapent zich sterk, is in langdurig conflict met Pakistan, een conflict dat op het punt van hevige escalatie staat. Overigens leent India gewoon op de kapitaalmarkt, is de armoede in India mede een kwestie van verdeling. Voor Jemen geldt het mensenrechtencriterium.
Zuid-Afrika en Egypte zijn anders dan de overige voorgestelde partnerlanden te rijk voor die landenlijst. Ook in Zuid-Afrika en in Egypte gaat het om de binnenlandse verdeling van de welvaart. Egypte heeft al twee grote donoren, de VS en de EU. Afbouw van de structurele relatie zal dus omgezet dienen te worden in een samenwerking op thema. Voor Zuid-Afrika evenals voor de Palestijnse gebieden mag dit wat ons betreft in een laag tempo en over enige jaren pas een aanvang nemen. Met Zuid-Afrika heeft Nederland cultuur-historische banden, politieke en andere samenwerking loopt goed, Nederlandse samenwerking heeft toegevoegde waarde. Zuid-Afrika speelt belangrijke rol in de regio en op het Afrikaanse continent als geheel.
Voor de Palestijnse gebieden geldt de verbondenheid van Nederland met het vredes- en verzoeningsproces in Midden-Oosten en onze bijdrage daaraan. Er zijn onzerzijds hieromtrent beloftes gedaan en deze dienen nagekomen te worden.

Voor Guatemala geldt hetzelfde. Staat niet op de lijst met partnerlanden, maar heeft bij de vaststelling van de vredesaccoorden de toezegging gekregen dat Nederland Guatemala structureel zou bijstaan. Die belofte nu verbreken zou niet behoorlijk zijn. Bovendien blijkt het vredesproces nog niet voorspoedig te verlopen. Nederlandse expertise blijft nodig.

Kaap-Verdië blijkt goed te scoren op de criteria goed bestuur en goed beleid en IDA-eligibility, maar valt desondanks af vanwege bijdragen van andere donoren. Nederland heeft specifieke expertise op het terrein van plattelandsontwikkeling / milieu / visserij, deze wordt goed ingezet en benut. Gelet op grote groep betrokken Kaap-Verdianen in Nederland wil CDA-fractie huidige relatie voortzetten. In Kaap-Verdië is een stevige decentralisatie naar gemeenten gaande. Wellicht zou eventueel voortzetting van de huidige relatie op lokaal niveau met behoud van sectorspecialisme kunnen plaatsvinden. Hoe kijkt de Minister hier tegenaan?

De Balkan en het Stabiliteitspact zullen de komende jaren veel inzet en financiën vergen. Nederland zal daaraan naar vermogen ook dienen bij te dragen. Wederopbouw, herstel van sociale verbanden, fysieke infrastructuur en alles wat het leven van alledag weer mogelijk maakt zal ter hand genomen dienen te worden.
Macedonië is op de partnerlandenlijst terechtgekomen. Daar hoort wat de CDA-fractie betreft Albanië bij. Beide landen hebben zwaar te lijden gehad van de Balkanoorlog, een grote stroom vluchtelingen in korte tijd opgevangen en de neveneffecten van de boycots gevoeld. Het is van belang dat deze landen zich langdurig gesteund weten door donoren zoals Nederland. Het is in het belang van stabiliteit aan de randen van Europa dat met deze landen intensief wordt samengewerkt. (MOTIE)

Indonesië komt van lieverlee in een nieuwe fase. Vorig jaar toenadering door Habibie richting Nederland. Nederland verleent momenteel schuldverlichting, het pakket Wijers voor economische samenwerking loopt en er is een programma voor onderwijs en culturele samenwerking. De verkiezingen zijn achter de rug en er vormt zich een nieuwe regering. Als gevolg van de branden op Kalimantan verleent Nederland milieu-expertise. Daarnaast zijn talloze Nederlandse ontwikkelingsorganisaties actief.
De CDA-fractie meent dat dit het moment is om te besluiten de eertijds structurele bilaterale relatie te herstellen en de dialoog met de nieuwe regering hierover te starten. De Ministers van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking vinden wij op dit punt nog steeds te terughoudend. (MOTIE)
Over voortzetting van bilaterale samenwerking op structurele basis met Tanzania en Oeganda heeft de CDA-fractie grote twijfels. In Tanzania blijkt het na al die jaren maar niet te lukken. Weinig aantoonbare resultaten van de hulpinspanning, corruptie blijkt enorm toegenomen, de kwaliteit van het bestuur is vergelijkbaar met die van Kenia, dat om die reden van de lijst is afgevallen. Voor Oeganda geldt de vraag wat de toegevoegde waarde van Nederland kan zijn gelet op het grote aantal donoren. Bovendien is de actieve deelname van Oeganda in het conflict in het Grote Merengebied een goede reden om de intensieve relatie niet voort te zetten.

6. Voor de uitwerking hecht de CDA-fractie aan het volgende:

Stel per partnerland op basis van een nationale ontwikkelingsstrategie in gezamenlijk overleg de sectoren voor programmahulp vast, de doelen en bevolkingsgroepen die daarmee bereikt zullen worden. Geef geen blanco cheques, maar geconditioneerde cheques. Maak afspraken over het afleggen van verantwoording door het partnerland over donorcoördinatie, over monitoring en resultaatmetingen. Verwacht niet teveel van ownership, richt je meer op partnership.

Versterk zonodig de institutionele capaciteit van nationale rekenkamers, kadasters, planning en ontwikkelingscapaciteit op departementen etc. Versterk nadrukkelijk de burgersamenleving. Laat de plaatselijke bevolking zoveel mogelijk betrokken zijn en deelnemen in de programmas en projecten.

Stel per partnerland een meerjarig ontwikkelingscontract op. Wees een betrouwbare partner met name voor wat betreft de financiering.

Zorg voor voldoende deskundigheid en behoud van langjarige ervaring van specialisten op de ambassades. Stel zo spoedig mogelijk landenbeleidsdocumenten op.

Maak bindende afspraken over terugnemen van uitgeprocedeerde asielzoekers. Betrek remigratie van overige migranten in het meerjarenprogramma

Benut de flexibiliteit van de themalanden. Dit biedt het voordeel dat bijvoorbeeld conflictpreventie, crisisbeheersing, verzoeningsprocessen en wederopbouw gesteund kunnen worden. Deze lijst zou bijvoorbeeld jaarlijks bij de begroting vastgesteld kunnen worden. Wees ook flexibel in het honoreren van goede initiatieven die regionale impact hebben zoals uitwisseling studenten Palestijnse Gebieden, Israël en ander Arabisch land en Asian Institute of Technology voor lokaal hoger beroepsonderwijs. Uitwisseling en training van studenten en deskundigen dient voortgezet te worden. Het internationaal onderwijs dient haar onafhankelijke positie te behouden.

Besteed zowel aan armoedebestrijding als economische samenwerking aandacht. Het bedrijfslevenprogramma heeft steeds weer met budgettaire en bureaucratische problemen te kampen. Uitbreiding en versterking zijn, gelet op het belang ervan voor ontwikkelingslanden dringend gewenst. Het scala instrumenten voor economische samenwerking dient verbreed te worden, niet versmald. Naast
exportfinancieringsondersteuning ook investeringsbevordering. Nieuwe impulsen voor versterking van de rol van het Midden en Kleinbedrijf voor werkgelegenheid en economische ontwikkeling zijn nodig evenals steun aan startende en doorstartende ondernemers, versterking van management en ondernemerschap en het overdragen van kennis en technologie. Uitwisseling van PUM en PUA dient uitgebreid te worden.

Duurzame ontwikkelingssamenwerking en co-donorschap

7. De CDA-fractie zet vraagtekens achter deze gekunstelde constructies. De duurzaamheidsverdragen hebben tot nu toe weinig bevredigende resultaten opgeleverd. Deze zouden zo spoedig mogelijk afgeschaft dienen te worden. Het idee van co-donorschap, waarbij de Nederlandse overheid als het ware bemiddelt en faciliteert tussen andere donor en hulpontvangend land doet eveneens gekunsteld aan. Niet aan beginnen dus.

Draagvlak en maatschappelijk debat

8. Er zal een plan de campagne moeten komen om het draagvlak voor internationale samenwerking te verbreden met in ieder geval nieuwe bevolkingsgroepen in onze samenleving, te versterken en de maatschappelijke discussie hierover te stimuleren. Een actief en eerlijk voorlichtingsbeleid , opzetten van debatten in het land, op scholen , universiteiten en andere relevante plekken, uitbreiden van uitwisselingsprogrammas voor studenten, versterken van internationaal wetenschappelijk en dit niet verzwakken door opname in het reguliere universitaire onderwijs, inschakelen van jongeren in ontwikkelingsprojecten en programmas als onderdeel van de maatschappelijke stage, uitbreiding van het PUM-programma, nadrukkelijk versterken van het Nederlands particulier initiatief.

Tenslotte

CDA-fractie wenst dat de Minister een herkenbaar Nederlands ontwikkelingsbeleid gaat voeren. Daar hoort bij, dat we weten waar, waarvoor en voor wie onze Nederlandse gulden besteed wordt. Daar hoort bij, dat we in de landenkeuze rekening houden met Nederlandse banden, relaties, geschiedenis belangen en interesses en dat het ontwikkelingsbeleid nadrukkelijk onderdeel blijft van het buitenlands beleid. Daar hoort bij, dat ons Nederlands particulier initiatief een betekenisvolle rol toegekend wordt in dit nieuwe landenbeleid en niet zonder meer wordt gekozen voor grote multilaterale organisaties. Daar hoort ook bij het versterken van het Nederlands draagvlak voor het nieuwe landenbeleid door inschakeling van onder andere jongeren, vrijwilligers en andere deskundigen. De CDA-fractie wil van de Minister de garantie dat met dit nieuwe landenbeleid de beheersproblemen op het Ministerie opgelost zullen zijn en dat voortaan de effectiviteit van de hulp zichtbaar en controleerbaar zal zijn.

Op maandagavond 8 maart 1999 zei Minister Herfkens in de Beurs van Berlage tijdens een discussie over het nieuwe landenbeleid, dat iedere landenlijst arbitrair is. Zij zei zich niet te kunnen voorstellen dat er een lijst uit de bus kan komen waar iedereen zich achter kan scharen. Toch is vandaag aan de orde of de Minister met een landenlijst verder kan die - in de goede traditie van het ontwikkelingsbeleid tot nu toe- door een royale meerderheid van de Kamer gesteund kan worden. De CDA-fractie heeft gemotiveerd voorstellen voor een andere landenlijst voorgelegd. Andere fracties zullen dit ook doen. Wij vinden deze landenlijst nog te versnipperd en te willekeurig opgesteld. Het is aan de Minister deze voorstellen in de discussie van vandaag serieus te betrekken en haar landenlijst daarop aan te passen.

Kamerlid: A.M.A. van Ardenne-van der Hoeven

Deel: ' CDA over landenbeleid structurele bilaterale hulp '




Lees ook