CDA

: Tweede Kamer : Overgangsrecht in de sociale zekerheid (240200)

Archief Schriftelijke Vragen Archief Schriftelijke Vragen

Overgangsrecht in de sociale zekerheid (240200)

Den Haag, 24 februari 2000

Inleiding
De CDA-fractie constateert dat na ruim 8 jaar discussie over het opstellen van heldere regels voor overgangsrecht we net zo ver zijn als we waren. Wat Hoogervorst presenteert is in feite een herhaling van de lijst met invalshoeken uit de Notitie Overgangsrecht van Ter Veld uit 1993. Wat is de toegevoegde waarde van zijn eigen lijst met aandachtspunten?
Over de opsomming van alle invalshoeken en aandachtspunten zijn we het niet oneens. Maar de cruciale vraag is natuurlijk hoe de weging van de verschillende rechtsbeginselen en belangen plaatsvindt. Blijven we dat ad hoc bepalen of stellen we een hoofdregel vast? De staatssecretaris wil geen hoofdregel vaststellen (vanwege verwachtingen die hij dan zou wekken en die hij misschien niet waar kan maken) en ziet geen aanleiding het beleid te wijzigen anders dan in het vervolg iets explicieter in te gaan op de gemaakte keuze van het overgangsrecht. Toch onderschrijft ook de staatssecretaris de conclusie van het SCOSZ dat in de praktijk de eerbiedigende werking (van beperkte duur) de hoofdregel is. Waarom die dan niet bestendigen en bekrachtigen? (We hebben toch geleerd van het verleden)
Het SCOSZ zegt niet voor niets aan het eind van haar studie: nu is het woord aan de politiek. Als de staatssecretaris het woord niet neemt, moet de Kamer zich maar uitspreken (evt.motie).

CDA Uitgangspunten
Zoals gezegd gaat het bij de keuze van het overgangsrecht om de weging van rechtsbeginselen en belangen. Op grond daarvan wordt vervolgens gekozen voor regelgeving met eerbiedigende werking, uitgestelde werking, onmiddelijke werking of werking met terugwerkende kracht. Ik hecht eraan hier uiteen te zetten wat de leidraad voor het CDA is. (Vraag reactie staatssecretaris en andere fracties)

Mijn fractie hanteert als leidraad bij het beoordelen van regelgeving en de keuze voor het overgangsrecht het principe van de betrouwbare overheid.

Dit principe is neergelegd in het rechtzekerheidsbeginsel. Als je wilt dat mensen verantwoordelijk handelen, dan moet het recht berekenbaar zijn, dan moet je erop kunnen vertrouwen. Dan moet je er ook op kunnen vertrouwen dat wanneer de overheid de regelgeving wil wijzigen, er rekening gehouden wordt met gewekte en gerechtvaardigde verwachtingen en met het feit dat jij die wijziging niet kon voorzien en dus ook geen passende maatregelen kon nemen om je leven daarop in te richten. Met andere woorden, dan moet je erop kunnen vertrouwen dat de overheid je in bescherming neemt (vangnet biedt) en in een overgangsrecht voorziet waarin het rechtzekerheidsbeginsel leidraad is. Van belang is in dat opzicht ook dat iedereen goed is geinformeerd over de wijziging. (voorbeeld AWBZ KB 164, Anw). Het mag niet zo zijn dat men nalaat om de nodige maatregelen te nemen uit onwetendheid. De overheid heeft ook op dat punt verplichtingen die voortvloeien uit het principe van de betrouwbare overheid. Daarnaast kan het ook niet zo zijn dat wetgeving eindeloos gerepareerd wordt omdat niet voldoende is stilgestaan bij de gevolgen van de nieuwe regeling en vooral de mogelijk onbedoelde gevolgen. Ook reparaties leggen druk op het beginsel van rechtszekerheid. (voorbeeld: vorige Veegwet WIK reparatie, Anw)

Gerechtvaardigde verwachtingen zijn er vooral wanneer gedurende lange tijd premie is betaald en rechten zijn opgebouwd: dus bij volksverzekeringen en werknemersverzekeringen. Dit ligt dus anders bij voorzieningen. Maar dat neemt niet weg dat ook daar de overheid zich als een betrouwbare partner op moet stellen en mensen niet plompverloren kan confronteren met een wijziging die hun inkomen aantast.

CDA voorstel voor een leidraad

1. Hoofdregel bij wijzigingen in regelingen met een verzekeringskarakter is de eerbiedigende werking voor de lopende gevallen (diegenen voor wie het verzekerd risico al is ingetreden).
2. Hoofdregel bij alle andere regelingen is uitgestelde werking voor degenen die gerechtvaardigde verwachtingen koesteren (omdat ze al aanspraak maken op een voorziening of omdat ze langere tijd premies hebben betaald voor een verzekering), zodat ze de tijd en de mogelijkheid krijgen om eventueel alsnog maatregelen te treffen (aanvullend verzekeren, een betaalde baan zoeken) en om zich op de nieuwe situatie in te stellen.

3. Onmiddelijke werking kan in principe alleen worden toegepast als het de inkomenspositie niet aantast, om mazen in de wet te dichten, om bestaand beleid te intensiveren, bij wetswijzigingen die betrekking hebben op controle en toezicht, op sanctierecht of bij correctie van onbedoelde effecten en bij nieuwe aanspraken.

4. Terugwerkende kracht kan in principe alleen als betrokkenen nadeel is berokkend en dit met de wijziging wordt goedgemaakt. Afwijking kan alleen als er zwaarwegende motieven zijn.

Ingaand op zwaarwegende motieven:

- Het gelijkheidsbeginsel weegt zwaar. Maar niet zwaar genoeg. Het enkele feit dat langere tijd een onderscheid wordt gemaakt tussen oude en nieuwe gevallen is namelijk te rechtvaardigen vanuit de vaak wezenlijk verschillende verwachtingen, belangen en omstandigheden van oude en nieuwe gevallen. Het gelijkheidsbeginsel betekent tenslotte niet alleen dat personen onder gelijke omstandigheden op gelijke wijze moeten worden behandeld, maar houdt ook in dat er differentatie moet plaatsvinden als door gelijke behandeling een ongerechtvaardigd verschil bestaat of blijft bestaan.

- Staatssecretaris Hoogervorst noemt ook de financieel-economische situatie in het land als argument om voor een beperkt overgangsrecht te kiezen. Kunnen we dat ook omdraaien? Als het goed gaat met Nederland, zijn we dan coulanter op dit vlak, zijn we dan zelfs bereid oude overgangsregelingen te versoepelen? (bijvoorbeeld de AWW; zou dat nu niet moeten dan?) Dit is teveel een gelegenheidsargument. Mijn fractie vindt dat geen doorslaggevend argument om van de hoofdregel af te wijken.

- De staatssecretaris stelt dat bij een rechtssysteem dat is gebaseerd op een omslagstelsel er minder verwachtingen zijn en dat er dan eerder gekozen kan worden voor onmiddelijke werking. Bij de AOW is die verwachting er niettemin wel degelijk! Mensen zien dat toch als een verzekering waarvoor ze premie hebben betaald. Verder stelt de stsecr. dat uiteraard extra aandacht nodig is bij groepen die bijzonder kwetsbaar zijn, zoals ouderen en weduwen en wezen en gehandicapten. Is dit niet met elkaar in tegenspraak?

Kamerlid: Ank Bijleveld-Schouten

Deel: ' CDA over overgangsrecht in de sociale zekerheid '




Lees ook