CDA

: Tweede Kamer : Wetsvoorstel tot wijziging van de wet op het primair onderwijs (160699)

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet op het primair onderwijs (160699)

Den Haag, 16 juni 1999

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet op het primair onderwijs i.v.m. de verkleining van de groepsgrootte voor de 4- tot en met 7- jarige leerlingen van de basisscholen (Kamerstuk 26 513)

Informatie voor de fractie:
Dit wetsvoorstel regelt dat de onderbouwgroepen in het basisonderwijs stapsgewijs worden verkleind tot uiteindelijk 20 leerlingen vanaf 2002. Gelijktijdig vindt er een vereenvoudiging plaats in de toekenning van de formatie via het formatiebesluit. Doordat deze maatregel gelijk oploopt met de investeringen t.b.v. de klassen-verkleining zullen de scholen weinig tot geen last hebben van herverdeeleffecten.
De CDA-fractie kan zich in beide maatregelen goed vinden. Doelstelling van de verkleining van de groepen is kwaliteitsverbetering. In het wetsvoorstel is dat punt echter amper terug te vinden. De CDA-fractie vraagt zich dan ook af wat de beoogde werking van de wet is. Scholen zouden naar de mening van het CDA bovendien meer vrijheid moeten krijgen om de formatie op eigen wijze te zetten. In dit wetsvoorstel wordt het geld echter nadrukkelijk geoormerkt voor de leeftijdsgroep 4-7 jaar. Ook is nog onduidelijk waar scholen die formatie voor mogen gebruiken. Mogen er naast leerkrachten en klassenassistenten ook conciërges en computers ingezet worden?

Inbreng:
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel tot verkleining van de groepsgrootte in het basisonderwijs. Wij kunnen ons goed vinden in de doelstelling van de maatregel, namelijk verbeteren van de kwaliteit van het basisonderwijs en verkleining van de groepsgrootte. Tot onze verbazing wordt er echter uitgebreid gesproken over het terugbrengen van de groepsgrootte in de leeftijd van 4-7 jaar, maar wordt de kwaliteitsverbetering in de memorie van toelichting slechts in de laatste alinea van de inleiding aangestipt.
Voor de CDA-leden is de verkleining van de groepsgrootte één van de middelen om tot kwaliteitsverbetering te komen. De vraag of de verkleining een goed en voldoende middel is om aan kwaliteitsverbetering te werken is voor de leden van de CDA-fractie echter nog onvoldoende beantwoord. De diverse onderzoeken in binnen- en buitenland zijn daarover niet eenduidig. Kan de staatssecretaris toezeggen dat er verder onderzoek komt naar de resultaten van de verkleining van de groepsgrootte?
Worden er in dit kader niet te hoge verwachtingen gewekt? Kunnen scholen enkel door een verkleining van de groepen of meer handen in de klas komen tot kwaliteitsverbetering? En welke verbetering wordt dan bedoeld? Vermindering van de werkdruk voor leerkrachten, meer aandacht voor leerlingen, verbetering van het pedagogisch-didactisch klimaat, meer mogelijkheden om zorg-leerlingen op te vangen, betere resultaten op taal- en rekengebied? Wat is al met al de beoogde werking van deze wet?

Scholen krijgen steeds meer mogelijkheden eigen beleid te maken, een eigen koers te varen mét achteraf en op hoofdlijnen toetsing van de kwaliteit. Een goede zaak vinden de leden van de CDA-fractie. Wij hebben er vertrouwen in dat scholen die keuzes kunnen en ook willen maken.
Daarom blijven wij er voor pleiten dat scholen zelf kunnen bepalen waar zij de formatie inzetten, hetzij voor kleinere groepen in de onderbouw, hetzij gelijkmatig verdeeld over alle groepen, hetzij meer assistenten en begeleiders rond en in de klas. De verantwoording daarvan vindt dan via de geëigende kanalen van inspectie, schoolgids e.d. plaats.

Daarom vraagt de CDA-fractie zich ook af of de formatie die naar de scholen gaat wel geoormerkt moet worden. Er is gebleken dat scholen totnogtoe hun formatie vooral inzetten om meer handen in de klas te creëren via groepsleraren, klassenassistenten, intern begeleiders en remedial teachers. Kennelijk is er redelijke consensus binnen het onderwijs over te maken keuzes. Is het dan wel nodig om deze zo nadrukkelijk te oormerken. Doen scholen dat al niet vanzelf. En waarom scholen niet vrij laten om zelf te bepalen waar ze de formatie inzetten? Naar ouders en inspectie zullen zij toch moeten verantwoorden hoe de formatie wordt ingezet. Wat zijn de overwegingen van de staatssecretaris om de basisformatie te oormerken? Geeft oormerken geen problemen op scholen met combinatieklassen? En hoe wordt omgegaan met personeel wat werkt voor zowel onder- als bovenbouw? Hoe moet een intern begeleider bijhouden of er voor leerlingen van 4-7 jaar wordt gewekt of voor leerlingen van 8-12 jaar? Geeft dat geen gigantische administratieve rompslomp? En hoe verhoudt zich dat tot de deregulering en autonomievergroting die bepleit wordt?

Wat mag een school wel en niet uit de basisformatie halen? Mag een conciërge benoemd worden van onderbouw fres? En computers voor groep 3-4? Hoeveel mag er verzilverd worden? Hoe moeten scholen zich gaan verantwoorden? Wordt daarbij alleen gelet op een rechtmatige inzet van de formatie, of gaat ook gekeken worden naar het resultaat van die inzet?

Er is in een vroeg stadium ook gesproken over een impuls voor het management binnen de groepsgrootteverkleining (gekoppeld aan de kwaliteitsverbetering). Is daarvan iets terug te vinden in het wetsvoorstel wat nu voorligt? De toeslag van de schoolleiding zit in de basisformatie. Betekent dit dat deze formatie vrij is in te zetten? Of is de toeslag ook gebonden aan onder- en bovenbouw? Als bijvoorbeeld extra managementformatie of conciërgeformatie niet betaald mogen worden uit de groepsformatie onderbouw, dan drukken deze fres dus allemaal op de bovenbouw. Hoe bepalend is dat voor de groepsformatie in de bovenbouw en dus de groepsgrootte in de bovenbouw? Verwacht de staatssecretaris dat de groepsgrootte in de bovenbouw blijft groeien door de nadruk op de onderbouw? Wat vindt de staatssecretaris daarvan? Blijft de staatssecretaris de ontwikkeling van de groepsgrootte in onderbouw en bovenbouw volgen de komende jaren?

Hoe wordt de verhouding tussen de groepsformatie in de onder- en bovenbouw? Worden scholen niet voor grote organisatorische problemen geplaatst in de overgang van onderbouw- naar een bovenbouwgroep? Groepen zullen samengevoegd en/of uit elkaar gehaald worden om de overgang naar een grotere groepsgrootte op te vangen. Scholen proberen nu groepen vanaf het begin zo veel mogelijk bij elkaar te houden voor een evenwichtig en veilig pedagogisch klimaat. Dat kan straks dus niet meer. Betekent dat meer combinatieklassen? Als er twee groepen van 20 leerlingen zijn die overgaan van onderbouw naar bovenbouw hoe moet een school dat dan indelen?
Eén groep van 40 leerlingen is onacceptabel. Eén van 30 en een groep van 10 ergens anders bij? Kan de staatssecretaris aangeven hoe vaak scholen met dit soort problemen te maken zullen krijgen door de grote verschillen in groepsgrootte tussen onder- en bovenbouw?

Momenteel is het voor veel scholen al een probleem om vervangers en leerkrachten te vinden, zeker voor de bovenbouw. Zal dat probleem in de bovenbouw niet groter worden? Oudere leerlingen in grotere klassen: niet zo aantrekkelijk vergeleken met kleine klassen met veel assistentie en jonge leerlingen. Zal straks de werkdrukverdeling tussen leerkrachten nog evenwichtig zijn? Is de staatssecretaris bekend of scholen daar op inspelen in hun taakbelastingsbeleid? Zijn er ook plannen om de bovenbouw te betrekken in de kwaliteitsverbetering? Is er nu niet het risico van een pedagogisch-didactische tweedeling binnen de basisschool? Spelen lerarenopleidingen hierin nog een rol?

De gewichtenformatie wordt straks per kind toebedeeld. Betekent dat ook dat deze gewichtenformatie per kind te herleiden moet zijn en ook zodanig moet worden ingezet? Totnogtoe waren scholen vaak geneigd de gewichtengelden te gebruiken voor een integrale klassenverkleining. Kan en mag een school dat straks nog? Zijn er sancties nodig in dat geval en waaraan kan dan gedacht worden?

Waarom is gekozen voor de leeftijdsverdeling van 4-7 jaar en 8 jaar en ouder? Er wordt in de memorie van toelichting gesproken over onder- en bovenbouw. In de praktijk wordt daar groep 1-4 en groep 5-8 mee bedoeld. In groep 4 zijn en worden de kinderen echter 8 jaar. (groep 1: 4-5 jaar; groep 2: 5-6 jaar; groep 3: 6-7 jaar; groep 4: 7-8 jaar; groep 5: 8-9 jaar enz.) Betekent dit dat groep 4 buiten de verkleining van de groepsgrootte valt? Of dat de groepsformatie onderbouw maar gedeeltelijk wordt ingezet in groep 4? En hoe zit dat met een buitenreguliere telling? Op een later tijdstip in het jaar zijn er meer kinderen die inmiddels acht zijn geworden. Is daar rekening mee gehouden? Waarom is er niet voor een verdeling van 4-8 jaar en 9-12 jaar gekozen? Of voor een verdeling in groep 1-4 en groep 5-8. Toch zeer gebruikelijk in het onderwijs?

Is er voldoende personeel om de klassenverkleining vorm te geven zoals de scholen dat zouden willen? Zijn er klassenassistenten voor de scholen die daar voor willen kiezen? En zijn er leerkrachten voor de scholen die liever kiezen voor kleine groepen? Of zullen scholen zich in hun keus voor het één of ander laten leiden door de tekorten die er zijn of komen? Heeft de staatssecretaris zicht op de mogelijkheden en beperkingen die scholen wat die betreft tegen komen? Scholen geven zelf aan dat zij de doelstellingen kunnen halen. Hoe denkt de staatssecretaris daarover?

Hoe staat het met de huisvesting? Liggen de gemeenten op schema? Zijn de voorlopige cijfers van het ministerie die de gemeenten nodig hebben inmiddels formeel bevestigd door het ministerie, zoals gevraagd door de gezamenlijke besturenorganisaties bij brief van 15 maart 1999? Kan gegarandeerd worden dat op 1 augustus 2000 de benodigde huisvestingsvoorzieningen zijn gerealiseerd? Lopen scholen de kans op ruimtegebrek? Maakt het daarbij verschil of scholen kiezen voor meer handen in de klas, waarbij er behoefte is aan wat meer kleinere ruimtes voor individuelere begeleiding of kleinere groepen?

Omdat de vereenvoudiging van de formatie gekoppeld wordt aan de groepsgrootteverkleining zullen de herverdeeleffecten niet zo groot zijn. Kan de staatssecretaris aangeven welke scholen te maken zullen krijgen met herverdeeleffecten en om welke aantallen het daarbij gaat. Hebben scholen nog te maken met eerdere afspraken waardoor de ruimte om de formatie anders in te zetten ingeperkt wordt? Is er sprake van een evaluatie van de vereenvoudiging? Hoe worden besturen en scholen begeleidt als de eerste keer met het nieuwe formatiebesluit gewerkt moet worden? Is het mogelijk om eventuele termijnen de eerste keer wat op te rekken, zodat mogelijke kinderziekten zonder al te veel stress opgelost kunnen worden. Wat is het tijdspad van de invoering? Krijgen scholen op tijd te horen wanneer zij waaraan moeten voldoen? De invoering van de ADV is wat dat betreft voor velen nog een waar schrikbeeld.

Woordvoerder: Clémence Ross- Van Dorp

Deel: ' CDA over voorstel wijziging wet primair onderwijs '




Lees ook