CDA

: Tweede Kamer : Wetsvoorstel toetsing van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (030200)

Archief Schriftelijke Vragen Archief Schriftelijke Vragen

Wetsvoorstel toetsing van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (030200)

Den Haag, 3 februari 2000

Bijdrage verslag:

Algemeen deel.

Beschermwaardigheid van het leven.
De leden van de CDA-fractie hebben kennis genomen van de inhoud van het voorliggende wetsvoorstel. Zij tonen zich verontrust omtrent de ontwikkelingen rondom het levensbeeindigend handelen. Tot het aangaan van de inhoudelijke discussie over dit complexe vraagstuk met de regering voelen zij zich niettemin gesterkt, niet in de laatste plaats door de uitspraken van de minister-president tijdens de laatstgehouden algemene politieke beschouwingen. Bij die gelegenheid is van de zijde van de regering erkend dat ook zij, evenals overigens deze leden, niet de wijsheid in pacht heeft (Handelingen, TK 1999-2000, nr. 3, blz. 89). De regering zal zich open opstellen in het debat in een reële, gave en volledige wisseling van argumenten. Het kan niet zo zijn dat alleen al in het feit dat de drie partijen met elkaar in hun wijsheid hebben besloten om tot een wetsvoorstel te komen en dat het kabinet dat overneemt, de overtuigingskracht is gelegen dat de voorgestelde wetgeving een verbetering is. Het zal om een intrinsieke argumentatie gaan. De leden van de CDA-fractie zijn dan ook sterk gemotiveerd om het debat met de regering te voeren vanuit de oprechte verwachting en overtuiging dat ook zij zich in haar uiteindelijke besluitvorming zal willen laten leiden door de kracht van de argumenten, zoals die in het gemeen overleg gewisseld zullen worden.

De leden van de CDA-fractie nemen de beschermwaardigheid van het leven als uitgangspunt en bezien het wetsvoorstel daarom ook vanuit die invalshoek. De beschermwaardigheid van het leven staat niet op zichzelf, maar komt voort uit de waardigheid van de menselijke persoon. Dat is in de ogen van deze leden het fundament, de grondnorm, die vanuit diverse levensbeschouwingen een verschillende invulling kan krijgen. Voor het humanisme bijvoorbeeld vormt de waardigheid van de menselijke persoon in zich de grondnorm. Voor christenen is de waardigheid van de menselijke persoon een wezenlijk element van de overtuiging dat de mens als Schepsel Gods Zijn beelddrager is. De waardigheid van de menselijke persoon is derhalve het fundament voor alle mensenrechten.
Christendom en humanisme en vele andere mens- en levensbeschouwingen ontmoeten hier elkaar. Met de voorwaardelijke legalisering van actieve directe levensbeeindiging, via de door de regering voorgestelde ja, mits-constructie in plaats van de huidige nee, tenzij de noodsituatie-benadering, is huns inziens feitelijk de vraag aan de orde in welk maatschappelijk en geestelijk klimaat van omgang met menselijk leven wij nu en in de nabije toekomst als rechtsgemeenschap mogen, kunnen en willen bestaan. Respect voor en rechtsbescherming van het leven is van ons rechtsbestel als ook van onze cultuur, de hoeksteen. De wetgever dient zich blijvend te laten leiden door de als algemene norm geldende eerbied voor de onaantastbare waarde en waardigheid van het individuele menselijke leven. Ongeacht het uitgangspunt van waaruit de diverse partijen het onderhavige vraagstuk benaderen, bestaat er politiek een gezamenlijke verantwoordelijheid voor de rechtsorde. In dat verband verwijzen deze leden ook naar de reactie van de Samen op Weg-kerken die in hun verklaring opmerken dat de kerken met zorg een sluipende verandering in het denken over de waarde van het leven, en de waardering van hulpbehoevende mensen bespeuren. De vraag is dan ook actueel of door deze wetgeving niet het ideaal van gezondheid en vitaliteit sterk bevorderd wordt, waardoor handicaps, chronische ziekten en aftakeling steeds minder geaccepteerd worden. () Individualisme en materialisme zijn zulke dominerende levenshoudingen, dat hierdoor het niet-productieve en niet-gave leven in de knel komt. Geluiden die zeker niet alleen uit kerkelijke kringen worden opgevangen, maar veel breder in de samenleving leven en ook met nadruk gehoord worden in en uitgesproken worden door organisaties van gehandicapten en beroepsgroepen. Voor de leden van de CDA-fractie geldt de grondregel dat menselijk leven, ziek of gezond, beschadigd of onbeschadigd, bescherming verdient. Deze leden kunnen het niet anders zien dan dat het onder voorwaarden legaliseren van euthanasie en hulp bij zelfdoding die grondregel zal aantasten en ongewild die zekerheid van bescherming zal ondermijnen. De vraag klemt dan ook door welke waarden de regering zich heeft laten leiden bij het opstellen en de bespreking van het voorliggende wetsvoorstel? Welk (ethisch) toetsingskader heeft zij voor zichzelf daarbij gehanteerd? Wanneer is er in de visie van de regering verlies van waardigheid, als gevolg waarvan mensen ondragelijk zouden kunnen lijden? Kan een mens überhaupt zijn waardigheid verliezen of is de waardigheid van de mens onlosmakelijk met het menszijn verbonden?

Grensverlegging.
De leden van de CDA-fractie beschouwen euthanasie niet als een medische handeling en ook niet als het sluitstuk van een vruchteloos gebleken medische behandeling van ernstig zieke patiënten. Deelt de regering de opvatting van de hier aan het woord zijnde leden dat het toepassen van euthanasie nooit een medische behandeling kan zijn, maar enkel en alleen het handelen van een medicus? Zo neen, waarom heeft de regering er dan ten principale voor gekozen de artikelen 293 en 294, zij het gewijzigd, in het Wetboek van Strafrecht te handhaven? Daarmee blijft toch het toepassen van euthanasie en het verlenen van hulp bij zelfdoding in beginsel een levensdelict, dat onder bepaalde in het wetsvoorstel voorgestelde voorwaarden gerechtvaardigd kan worden? Kortom, het toepassen van euthanasie kan toch nooit een medische (be)handeling zijn? Hoe wordt in dit licht bovendien geoordeeld over het feit dat de Hoge Raad in het verleden de medische exceptie principieel heeft verworpen? De leden van de CDA-fractie stellen vast dat het wetsvoorstel is te beschouwen als het sluitstuk van het beleid dat in de afgelopen jaren is gevoerd. De tweede ondertekenaar heeft te kennen gegeven (Volkskrant 16 juli 1999) dat voor haar met het voorliggende wetsvoorstel de maximale ruimte voor (.) euthanasie bereikt is als haar voorstellen wet worden: Ik ben tot mijn eigen grenzen gegaan. Als ik in mijn eentje in het kabinet zat, zou ik het niet verder willen versoepelen. Hoe denkt zij een verdere, door haar niet gewenste, versoepeling in de toekomst te kunnen voorkomen? Welke garanties kan zij daarvoor bieden? Hebben de afgelopen jaren niet zonneklaar aangetoond dat de grenzen steeds vloeibaar blijken te zijn en dat waneer eenmaal aan het juridisch verbod wordt gesleuteld, verdere grensverlegging onvermijdelijk is? Bij brief van 20 januari 1986 liet juist de regering zelf de Kamer weten dat met wetswijziging grote terughoudendheid is geboden in het licht van het feit dat het scheppen van ruimte in de wet ertoe kan leiden dat daarna wederom grensverlegging optreedt. Nu vastgesteld moet worden dat de regering die terughoudendheid heeft verlaten, klemt de vraag hoe zij wederom grensverlegging concreet denkt te kunnen tegengaan? In dat verband hechten de leden van de CDA-fractie er aan de tweede ondertekenaar van het wetsvoorstel voor te houden wat de voorzitter van de toetsingscommissie voor euthanasie in de regio Arnhem, de voormalige minister van Justitie, mevrouw Sorgdrager, daarover zegt in Trouw van 28 oktober 1999: In euthanasiezaken is de rechter nog wat verder gegaan door in uitspraken in individuele zaken algemene criteria te formuleren. Dat heeft het voordeel dat iedereen weet waar hij aan toe is. Het heeft het nadeel dat bij iedere zaak die de tot dat moment geldende grenzen overschrijdt, de rechter wederom een uitspraak kan doen waarbij algemene criteria worden geformuleerd. En wanneer de rechter niet tot een veroordeling komt, zijn de grenzen daarmee weer ruimer dan voorheen. Bij iedere zaak die aan de rechter wordt voorgelegd, bestaat de kans dat de grenzen worden verlegd. (.) Het is echter een illusie te denken dat als er eenmaal regels zijn, de zaak duidelijk is. Het is onmogelijk om precies vast te stellen wat wel en niet toelaatbaar is. Welke wettelijke regeling er ook komt, jurisprudentievorming zal altijd plaatsvinden en nodig zijn. Hoe beoordeelt de tweede ondertekenaar deze stelling van een haar niet onbekende deskundige bij uitstek in het licht van haar stellingname dat zij tot haar eigen grenzen is gegaan (.) en het niet verder zou willen versoepelen, zo vragen deze leden indringend. Als grenzen in het verleden al niet houdbaar bleken te zijn bij een meer strakkere en strengere wetgeving, hoe temeer zullen die grenzen dan vervagen nu wordt voorgesteld de veroorlovende norm in de wet zelf op te nemen? Hoe kan ooit gegarandeerd worden dat straks, ongetwijfeld ook door beide ondertekenaars ongewild, een situatie ontstaat die feitelijk grenzeloos zal blijken te zijn?
Zal het ooit mogelijk zijn voldoende waarborgen te scheppen om te voorkomen dat de voorwaardelijke legalisering van het vermeende recht zelf te mogen beschikken omtrent de vraag wanneer men het leven wenst te verlaten, voor anderen, en dat zijn dan de meest kwetsbaren in onze samenleving, niet zal verworden tot een vermeende plicht om aan te geven dat men niet langer een beroep op hulpverlening en medische voorzieningen zal doen c.q. als vrijwel weerloze, - want volledig van anderen afhankelijk -, weerstand zal kunnen bieden aan de geïndiceerde euthanasievraag. Naar het oordeel van de leden van de CDA-fractie zal de geldende grondregel onverkort dienen te worden gehandhaafd dat menselijk leven, beginnend of eindigend, ziek of gezond, beschadigd of onbeschadigd, onvoorwaardelijke wettelijke bescherming behoeft en verdient. Voorwaardelijke legalisering van euthanasie zal die grondregel aantasten en die zekerheid van bescherming ondermijnen.

Palliatieve zorg.
Hier willen de leden van de CDA-fractie nogeens met kracht stellen dat zij nadrukkelijk niet het oog hebben op het doorbehandelen van patiënten wanneer dat naar de mens gesproken geen enkel doel meer dient. Leven nodeloos rekken, is lijden verlengen en onmenselijk. Zo kan medisch handelen verworden tot medisch mishandelen. Ook artsen moeten weten wanneer zij terug dienen te treden voor de dood en soms is dat moment eerder dan het medisch kennen en kunnen had verondersteld.
Mensen moeten kunnen sterven. Er is echter een wezenlijk onderscheid, in medische-, ethische- en juridische zin tussen laten sterven enerzijds en doden al dan niet op verzoek anderzijds. In de visie van deze leden is het levenseinde niet met rechtstoedeling te verzachten of te verlichten, maar slechts door hoogwaardige zorg. De leden van de CDA-fractie willen de krachten en inspanningen dan ook vooral richten op palliatieve zorgverlening. De behandeling is gericht op een zo goed mogelijke kwaliteit van het leven voor de stervende; dit is belangrijker dan de nog resterende lengte van het leven. Niet meer genezen, maar liefdevolle verpleging en verzorging staat voluit centraal. Terminale zorg is in de uitvoering een palliatieve behandeling.
Eind 1997 vormde het feit dat de palliatieve zorg () nog niet overal op het gewenst niveau is voor de regering mede reden voor het standpunt dat een beperking, onder strikte voorwaarden, van de strafbaarstelling van levensbeeindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding in het Wetboek van Strafrecht, nu niet aan de orde is. In de memorie van antwoord Vervolgingsbeleid inzake euthanasie van 16 februari 1998 (23877, EK 1997-1998, nr. 246a) werd dat nogeens herhaald: De kennis en ontwikkeling van palliatieve zorg kunnen nog verder worden uitgebreid (.) Nu al deze aspecten van het euthanasiebeleid in de praktijk nog niet in alle opzichten naar volle tevredenheid zijn gerealiseerd, achten wij een nieuw voorstel tot beperking van de desbetreffende strafbaarstellingen thans niet aan de orde. Moet nu worden vastgesteld dat op dit punt zulke grote vorderingen zijn gemaakt dat nu een ingrijpende wijziging, zoals voorgesteld, wel wenselijk is? Gelukkig zijn er verbeteringen in gang gezet op het terrein van palliatie, maar in de verste verte kan nog niet gesproken worden van voldoende beschikbaarheid en toegankelijkheid van adequate palliatieve zorg, zo stellen de leden van de CDA-fractie vast. Zij voelen zich in die conclusie gesteund door de brief van de tweede ondertekenaar aan de Kamer van 3 mei 1999, waarin zij de ontwikkelingen op het gebied van de palliatie schetst. Daarin is onder andere te lezen dat om meer inzicht te krijgen in de aard en omvang van de behoefte aan palliatieve zorg op dit moment in het kader van het meerjarige onderzoeksprogramma van ZorgOnderzoek Nederland een onderzoek wordt uitgevoerd naar de toekomstige behoefte aan palliatieve zorg in Nederland. () Dit onderzoek is gestart in het najaar van 1998 en zal ongeveer twee jaar in beslag nemen. Voorts is er een Projectgroep Integratie Hospicezorg geinstalleerd die een inventarisatie moet maken en wordt gekeken naar de knelpunten. Ook deze projectgroep heeft twee jaar de tijd en dient aan het einde van die periode aan mij (de tweede ondertekenaar) voorstellen te doen voor de wijze waarop de integratie (van hospicezorg in de reguliere gezondheidszorgstructuur) vorm kan worden gegeven. Het plan van aanpak van de Projectgroep zal, getuige een brief van de tweede ondertekenaar van 27 januari j.l. aan de Kamer, pas in februari 2000 aan haar worden aangeboden. Uit de inhoud van beide brieven blijkt zonneklaar hoeveel er in ons land nog moet gebeuren om de achterstand in goede stervensbegeleiding en palliatie in te halen. Kortom, een forse inhaalslag moet nog gemaakt worden. Ter adstructie van die conclusie kunnen ook nog de uitkomsten dienen van een onderzoek (begin 1998) onder huisartsen en verpleegkundigen in de regio Drechtsteden (Tijdschrift voor gezondheidswetenschappen jrg. 77/1999 nr. 8, blz. 485 e.v.): Unaniem vinden ze de dat de kwaliteit van de palliatieve zorg op alle fronten tekort schiet. De patiëntenzorg is in somatisch, psychologisch, sociaal en spiritueel opzicht volgens verpleegkundigen en huisartsen onder de maat. De zorgverleners slagen er onvoldoende in om de zorg probleemloos te laten verlopen.
Daarnaast schort het soms aan de deskundigheid op het gebied van palliatieve zorg en staat de werkdruk optimale palliatieve zorg in de weg. (.) Over het algemeen komt geen rooskleurig beeld van de palliatieve terminale zorg naar voren. Zowel huisartsen als verpleegkundigen bevestigen dat het om een breed spectrum aan knelpunten gaat. De tweede ondertekenaar merkte tijdens een AO over deze problematiek op 27 juni 1996 (TK 1995-1996, 24400 XVI, nr. 101) op dat eigenlijk een verzoek om euthanasie niet zou moeten worden gehonoreerd als niet eerst palliatieve zorg is geboden en dat over enkele jaren waarschijnlijk zal worden vastgesteld dat alle werkers in de geneeskunde vertrouwd zijn met palliatieve zorg". Een ethicus, lid van de regionale toetsingscommissie euthanasie, district Noord-Brabant en Limburg zegt echter na een half jaar ervaring (Medisch Contact, 30 juli 1999): Niet zelden lijken de mogelijkheden van palliatieve zorg in de praktijk te worden onderbenut. (.) er lijkt op het terrein van de pijnbestrijding meer te kunnen worden gedaan. De meeste artsen zijn terdege doordrongen van de noodzaak van een goede pijnbestrijding. Wat evenwel ontbreekt, is expertise op dit terrein. Meer scholing lijkt geen overbodige luxe. De tweede ondertekenaar heeft zich door haar enthousiasme en optimisme kennelijk wat op sleeptouw laten nemen, moeten de leden van de CDA-fractie helaas constateren. Het is des temeer opmerkelijk dat de regering desondanks toch gemeend heeft het voorliggende wetsvoorstel bij de Kamer te moeten indienen. Hier zijn de opmerkingen van de voorzitter van de toetsingscommissie euthanasie regio Arnhem en oud-minister van Justitie, mevrouw Sorgdrager, veelzeggend: Steeds weer wordt in de discussie over euthanasie aandacht gevraagd voor palliatieve zorg. En niet alleen door degenen die een principieel tegenstander van euthanasie zijn. Die vraag is terecht. Soms zien we in de toetsingscommissie een dossier waarbij het vermoeden rijst dat er om euthanasie is gevraagd omdat er niets anders is. Omdat het ziekenhuis de patiënt naar huis stuurt met de mededeling dat er niets meer gedaan kan worden, er vervolgens op korte termijn geen thuiszorg is en er geen bed in een verpleeghuis is. Ik weet ook niet zeker of er geen gevallen zijn waarbij om euthanasie wordt gevraagd omdat de patiënt het gevoel heeft dat hij zijn omgeving tot last is. Het stervensproces duurt soms lang. Maar als dat zo is, mag die tijd toch wel genomen worden? Wat is de visie van de regering op deze constatering uit de praktijk van meergenoemde voorzitter van de toetsingscommissie euthanasie? Ook de onderzoekers Van der Wal en Willems bevestigen (Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen, jrg. 77/1999, nr. 8, blz. 514) dat ondraaglijk en uitzichtloos lijden voor een belangrijk deel valt te verlichten door palliatieve zorg. Goede palliatieve zorg kan een verzoek om euthanasie of hulp bij zelfdoding wegnemen. Deze leden nodigen de regering uit, mede in het licht van het hiervoor gestelde, in te willen gaan op de ontwikkelingen op het gebied van palliatieve zorg met name in relatie tot het onderhavige voorstel van wet.
In dat verband willen de leden van de CDA-fractie de regering ook nadrukkelijk aandacht vragen voor het feit dat reguliere zorginstellingen, waarin de tweede ondertekenaar de palliatieve zorg wil integreren, te kennen geven dat adequate palliatieve zorg en überhaupt de terminale zorg zeer (arbeids)intensief is. Er moet niet alleen veel persoonlijke aandacht van het verzorgend en verplegend personeel zijn voor deze patiënten, maar ook zullen zij specifieke kennis en vaardigheden moeten hebben omtrent de verpleging en verzorging van terminaal zieken en de eerste opvang van de naasten. Voorts vraagt palliatieve behandeling veelal farmaceutische zorg die relatief kostbaar is voor de zorginstellingen. Daarnaast zullen de ruimtelijke voorzieningen zodanig ingericht moeten zijn dat de rust wordt geboden, die in zulke omstandigheden noodzakelijk is. Niet alleen belangrijk voor diegene die gaat sterven, maar ook van de naasten waarvan afscheid genomen moet worden. Voldoende rust en privacy moeten hierbij gewaarborgd zijn. Het is de leden van de CDA-fractie niet ontgaan dat de tweede ondertekenaar niet over gegevens beschikt over de kosten van de zorg aan een terminale patiënt in verhouding tot de zorg aan een reguliere patiënt en ook geen inzicht heeft in het aantal terminale patiënten in verpleeghuizen die complexe, intensieve verpleging en verzorging hebben ontvangen (TK 26200 XVI, nr. 83), maar desondanks van oordeel is dat in het algemeen de verpleeghuizen er zonder problemen in slagen om een gemiddeld aantal terminale patiënten de zorg te bieden en deze zorg te financieren uit het reguliere verpleeghuisbudget. De leden van de CDA-fractie zijn van oordeel dat wanneer de regering van opvatting is dat palliatieve zorg moet worden geintegreerd in de reguliere gezondheidszorgstructuur zij daarvoor ook de middelen beschikbaar zal moeten stellen. Dat geldt nog temeer nu de regering, getuige de memorie van toelichting bij het voorliggende wetsvoorstel, van oordeel is dat euthanasie alleen verantwoord kan plaatsvinden in de context van goede palliatieve zorg. In de ogen van deze leden is, gelet ook op de inhaalslag die nog gemaakt moet worden, een bedrag van f. 7 mln. per jaar tot 2003 volstrekt onvoldoende. Graag ontvangen de leden van de CDA-fractie hierover het oordeel van de regering. Het mag, naar de visie van de leden van de CDA-fractie, overigens bekend worden verondersteld dat zij al vanaf het eerste grote debat in de Kamer over euthanasie in februari 1986 pleiten voor palliatieve zorg in zogenaamde hospices. Nu de regering dat steeds heeft afgewezen met een beroep op integratie binnen de reguliere zorginstellingen schept zulks verplichtingen. Het was deze leden niet ontgaan dat ook de meergenoemde voorzitter van de toetsingscommissie euthanasie regio Arnhem van opvatting is dat in veel gevallen een zogenoemd hospice uitkomst kan bieden.

Waarom nieuwe wetgeving?
De leden van de CDA-fractie stellen vast dat in januari 1997 de regering nog van opvatting was dat toen geen wijziging van het Wetboek van Strafrecht diende plaats te vinden. De regionale toetsingscommissies voor euthanasie bestaan nu iets langer dan een jaar (vanaf 1 november 1998). Het eerste jaarverslag kan pas in de loop van dit jaar verwacht worden. Kortom, er is op dit moment nog geen enkele kennis en inzicht aanwezig in het functioneren van de ingestelde regionale toetsingscommissies, laat staan dat dat fuctioneren voldoende geevalueerd heeft kunnen worden. Dit dan nog los van de vraag of het verantwoord zou zijn uit een evaluatie van slechts één jaar functioneren definitieve beleidsconclusies te trekken. Vindt überhaupt nog een evaluatie plaats van het functioneren van de bestaande praktijk inclusief de meldingsprocedure en de rol daarin van de regionale toetsingscommissies of wordt zulks niet meer nodig geacht, gelet op het thans voorliggende wetsvoorstel? Welke elementen zullen in zon eventuele evaluatie worden meegenomen en betreft dat in ieder geval de effecten van de bestaande praktijk op de patiënt, de arts en de nabestaanden? Het verbaast de leden van de CDA-fractie dan ook in hoge mate dat op dit moment het voorliggende wetsvoorstel door de regering aanhangig is gemaakt.
Die verbazing is nog toegenomen nadat zij in de eerdergenoemde memorie van antwoord Vervolgingsbeleid inzake euthanasie van 16 februari 1998 (23877, EK 1997-1998, nr. 246a) van de volgende stellige uitspraken van de regering hadden kennisgenomen: Het gegeven dat ruim de helft van het aantal gevallen van levensbeeindigend handelen niet wordt gemeld, betekent dat van volledige toetsbaarheid daarvan nog geen sprake is. Dit vormt voor ons, gelet op de aard van de problematiek en de op het spel staande belangen, eerder een argument tegen, dan vóór versoepeling van de wettelijke norm die met reden een strafrechtelijke is. Voorts wijzen wij erop dat het aantal meldingen onder de huidige meldingsprocedure nog altijd stijgende is, terwijl wij er van uitgaan dat de gewenning aan het vertrouwen in de meldingsprocedure verder zal toenemen, indien de voorgestelde toetsingscommissies () zullen zijn geintroduceerd en enige tijd zullen hebben gefunctioneerd. Voor een wetswijziging achten wij de maatschappelijke discussie over de gehele problematiek rond levensbeeindigend handelen nog onvoldoende tot rust gekomen, tevens gelet op het feit dat hierover in het recente verleden, namelijk bij de totstandkoming van de huidige meldingsprocedure in 1993, nog een uitvoerig parlementair debat heeft plaatsgevonden, mede in het licht van het toen nog aanhangige initiatiefwetsvoorstel van D66 strekkende tot legalisering onder bepaalde voorwaarden van levensbeeindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.
We zijn nu nog geen twee jaar verder en het onderhavige vergaande wetsvoorstel wordt ingediend. Zijn er dan zulke nieuwe ontwikkelingen geweest, die de leden van de CDA-fractie kennelijk niet hebben kunnen waarnemen, die de aangehaalde overwegingen van de regering van februari 1998 kunnen ontkrachten? Welke zijn dat, zo vragen zij de regering indringend. Het is toch nog steeds zo dat een groot aantal gevallen van levensbeeindigend handelen niet wordt gemeld? Eerst het nog te verschijnen jaarverslag van de toetsingscommissies kan over die cijfers meer duidelijkheid geven. Melding nu, vormt één van de kernelementen van het voorliggende wetsvoorstel. Niet volledige melding vormde toen nog reden voor de regering eerder tegen dan voor versoepeling van de wettelijke norm te zijn, die met reden een strafrechtelijke is. Waarom dan nu wel de voorgestelde vergaande versoepeling? Uit onderzoek van Van der Wal c.s. van november 1996 is toch al eerder gebleken dat juist die artsen niet melden die wisten dat niet aan alle zorgvuldigheidseisen was voldaan? In de redenen om niet te melden was sinds het onderzoek van de Commissie-Remmelink in september 1991 nauwelijks wijziging opgetreden. Waarop baseert de regering de overtuiging dat zulks met het voorgestelde wetsvoorstel substantieel zal verbeteren? De leden van de CDA-fractie kunnen zich niet onttrekken aan de stellige indruk dat de wijze waarop de commissies hun taak opvatten direct van invloed zal zijn op de meldingsbereidheid. De toetsing dreigt onder die omstandigheden aan de ene kant zichzelf te ondermijnen, aan de andere kant in een pure formaliteit te ontaarden. Wat is hierover de opvatting van de regering? Deelt zij die visie?
Het aantal gevallen was weliswaar stijgende en gewenning aan en het vertrouwen in de meldingsprocedure zal verder toenemen, indien de voorgestelde toetsingscommissies () zullen zijn geintroduceerd en enige tijd zullen hebben gefunctioneerd, aldus de regering februari 1998. De toetsingscommissies functioneren koud een jaar, het eerste jaarverslag moet notabene nog verschijnen en de regering ziet er geen been in, in weerwil van haar eerdere overwegingen, augustus 1999 een nieuw ingrijpend wetsvoorstel bij de Kamer neer te leggen. Kan zij hiervoor een verklaring geven? In dit verband willen de leden van de CDA-fractie nogmaals verwijzen naar opmerkingen van de voorzitter van de toetsingscommissie euthanasie in de regio Arnhem en oud-minister van Justitie, mevrouw Sorgdrager, die zegt: Getoetst worden en verantwoording afleggen, zeker ten overstaan van een commissie waarin niet alleen collegas zitting hebben, ligt kennelijk nog steeds gevoelig. Het niet-melden blijft een probleem en dat probleem wordt groter naarmate er onder de niet-melders zaken zitten waarop iets is aan te merken. Hoe daarover duidelijkheid moet worden verkregen weet ik op dit moment niet. Eén ding weet ik wel: wat voor nieuwe euthanasiewetgeving er ook komt, de verkeerde gevallen pak je er niet mee. Correcte en volledige melding vormt wel mede het hart van het voorliggende wetsvoorstel, zo hebben deze leden vastgesteld. Wat is de reactie van de regering op de duidelijke stellingname van de oud-collega én deskundige in de meldings- en toetsingspraktijk van alle dag en welke conclusies trekt zij daaruit? De voorzitter van de toetsingscommissie heeft overigens tegelijkertijd een mogelijke oplossing. Zij is van mening dat je de verkeerde gevallen er niet mee pakt, tenzij op het niet-melden een draconische straf komt te staan, zoals ontzetting uit het beroep via de tuchtrechter. Wat is over deze suggustie het oordeel van de regering, zo vragen deze leden. Uit de berichten en ingezonden commentaren in de media, het grote aantal brieven over en commentaren op het voorliggende wetsvoorstel en de indringendheid van de bijdragen aan de in de Kamer gehouden hoorzitting kunnen de leden van de CDA-fractie geen andere conclusie trekken dan dat de maatschappelijk discussie over de gehele problematiek rond levensbeeindigend handelen nog onvoldoende tot rust is gekomen. Deelt de regering deze opvatting, zo vragen deze leden, en zo neen op grond van welke overwegingen komt zij tot een ander oordeel? Zien deze leden het goed, dat vormde het toen nog aanhangige initiatiefwetsvoorstel van D66 strekkende tot legalisering onder bepaalde voorwaarden van levensbeeindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding mede oorzaak van het feit dat de maatschappelijke discussie () nog onvoldoende tot rust is gekomen. De inhoud van het nu voorliggende wetsvoorstel heeft een identieke strekking en ligt zo mede ten grondslag aan het meer dan gemiddeld aantal ontvangen reacties daarop bij de Kamer, zo stellen deze leden vast. Wat is, gelet op het bovenstaande, de hoofdoverweging(en) die de regering ertoe gebracht heeft/hebben het onderhavige wetsvoorstel bij de Kamer aanhangig te maken?

Het onder voorwaarden legaliseren van euthanasie/hulp bij zelfdoding. Het hart van het wetsvoorstel wordt in de visie van de leden van de CDA-fractie gevormd door de opname in het Wetboek van Strafrecht van een bijzondere strafuitsluitingsgrond en de zorgvuldigheidseisen in een afzonderlijke wet. De leden van de CDA-fractie hebben met verbazing kennis genomen van de voorgestelde constructie. Los van het feit dat zij, zoals bekend mag worden veronderstelt, van opvatting zijn dat het toepassen van euthanasie en hulp bij zelfdoding niet voorwaardelijk moeten worden gelegaliseerd en zij derhalve de voorgestelde constructie afwijzen, vragen zij de regering om een nadere toelichting. In de visie van deze leden heeft de regering bij het opstellen van het voorliggende wetsvoorstel op een tweetal gedachten gehinkt en twee elementen met elkaar willen verbinden die naar hun aard niet te verzoenen zijn. Zien deze leden het goed dan heeft zij enerzijds de artsen wettelijk de mogelijkheid willen bieden straffeloos euthanasie toe te passen en anderzijds tegelijkertijd de desbetreffende bepalingen in het Wetboek van Strafrecht willen handhaven. Hierdoor is de situatie ontstaan dat de desbetreffende strafbepalingen blijven gelden, maar dat tegelijkertijd in de wet wordt aangegeven hoe het mogelijk is straffeloos een strafbaar feit te plegen. Kortom, de veroorlovende norm wordt feitelijk in de wet zelf geintroduceerd. Indien de regering van opvatting is, getuige ook de tekst van de memorie van toelichting, dat euthanasie, mits zorgvuldig en conform de daarvoor geldende criteria uitgevoerd, een medische handeling is, had het toch meer voor de hand gelegen een duidelijke keuze te maken en de desbetreffende bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht te schrappen? Iets, dat moge duidelijk zijn, waar de leden van de CDA-fractie zich op principiële gronden nimmer mee zouden kunnen verenigen. Waarom is, gelet op de visie van de regering, mede vanuit een oogpunt van wetssystematiek en -toepassing, daarvoor uiteindelijk door haar niet gekozen? Het zal overigens duidelijk zijn dat deze leden overtuigd voorstander zijn en blijven van het onverkort en onvoorwaardelijk handhaven van de artikelen 293 en 294 Sr. Is het juist, zo vragen de leden van de CDA-fractie, dat de regering nadrukkelijk heeft gekozen voor een rechtvaardigings- en niet voor een schulduitsluitingsgrond? Waarom is die keuze zo gemaakt? Deze leden zien het toch goed dat wanneer een dader zich op een schulduitsluitingsgrond kan beroepen, die schulduitsluitingsgrond hem persoonlijk betreft, terwijl het feit als zodanig strafbaar blijft. Anders gezegd, de schulduitsluitingsgrond laat de dader onder bepaalde omstandigheden straffeloos. Kan worden bevestigd dat er ook een verschil in ethische lading bestaat tussen een schulduitsluitings- en een rechtvaardigingsgrond in die zin dat daarmee tevens een oordeel over de mate van toelaatbaarheid wordt gegeven? Vanuit de opzet om euthanasie (formeel) toch een strafbaar feit te doen laten zijn, had een keuze voor de strafuitsluitingsgrond in de zin van schulduitsluiting toch meer voor de hand liggend geweest? Hierna zullen deze leden in dit verband ook nog aandacht vragen voor de mogelijke strijd van deze constructie met artikel 2 van het EVRM en volstaan hier kortheidshalve met een verwijzing daarnaar. De leden van de CDA-fractie stellen vast dat de vraag of een beroep op een strafuitsluitingsgrond rechtens is gedaan vanuit de systematiek van de wet ter beoordeling is aan de officier van Justitie en eventueel in laatste instantie de rechter. Dat wordt nu ook doorbroken; het zijn, uitgaande van het voorstel van de regering, straks de regionale toetsingscommissies die het beroep op de bijzondere strafuitsluitingsgrond zullen toetsen. Zien deze leden dat juist, zo vragen zij de regering, en hoe verhoudt dit zich tot de systematiek van de wet? Over de toetsingscommissies en hun nieuwe rol komen zij in het vervolg van hun bijdrage nog nader te spreken. De leden van de CDA-fractie stellen vast dat de regering van opvatting is, en deze leden onderschrijven dat, dat artsen bij levensbeeindigend handelen in de regel met grote zorgvuldigheid optreden. Vermindering van lijden en goede palliatie moet ook daarom zowel voor de patiënt als voor de arts in de wetgeving voorop blijven staan, dient uitgangspunt te zijn, en niet het onder voorwaarden straffeloos toepassen van euthanasie. Levensbeeindigend handelen dient alleen zonodig als ultimum remedium gehanteerd te worden; als een uitweg uit een onoplosbare noodsituatie. Overmacht, in de zin van artikel 40 Sr., is onbepaald en leent zich niet voor inhoudelijke invulling. Zou dat wel gebeuren dan zou het overmachtsartikel zijn centrale betekenis verliezen als trait dunion tussen wat is de wet staat en in het concrete en individuele geval recht behoort te zijn. Wanneer een arts in een concrete individuele situatie zich in een conflict van plichten bevindt, kan hij een beroep op noodtoestand doen en zal er geen rechter zijn die hem uiteindelijk veroordeelt, zo het al ooit tot een vervolging komt. Een huidige praktijk van nee-tenzij een noodsituatie, doet toch voldoende recht aan de moeilijke positie waar artsen zich aan het ziekbed in kunnen bevinden? Waarom dan nu de voorgestelde, gekunstelde en dubbelzinnige constructie? Als bovendien ook het beleid van de regering er kennelijk op gericht is om de mogelijkheden van pijnbestrijding, goed stervensbegeleiding, kortom van palliatieve zorg, zo optimaal mogelijk te ontwikkelen, ligt de keuze voor een ander uitgangspunt in wetgeving toch ook niet voor de hand? Wat is, gelet op het middels het wetsvoorstel scheppen van een bijzondere strafuitsluitingsgrond in de strafwet, nu nog de rol van artikel 40 Sr. in relatie tot de artikelen 294 en 294 Sr. of geldt artikel 40 Sr. niet meer ten aanzien van die artikelen? Op overmacht, in de zin van artikel 40 Sr., kan toch door een ieder die een strafdelict, zoals opgenomen in het Wetboek van Strafrecht, heeft begaan een beroep worden gedaan en is het uiteindelijk toch de rechter die beoordeelt of dat beroep terecht is gedaan? Anders gezegd, ook indien de toetsingscommissie tot het oordeel komt, dat een arts in een voorkomend geval niet conform de zorgvuldigheidscriteria heeft gehandeld, ligt voor hem in beginsel nog steeds de weg open van het doen van een beroep op overmacht ten overstaan van in laatste instantie de rechter?

Vervolgingsbeleid.
De leden van de CDA-fractie herinneren de regering er aan dat in het kader van de voorbereiding van de behandeling van het voorliggende wetsvoorstel door de vaste Kamercommissies van Justitie en VWS een hoorzitting was georganiseerd. In dat kader was door deze commissies ook het openbaar ministerie (OM) uitgenodigd. Zij is tenslotte deskundig bij uitstek waar het gaat om het vervolgingsbeleid. Graag hadden deze leden met leden van het OM van gedachten willen wisselen over het vervolgingsbeleid in relatie tot het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden moesten echter tot hun verbazing vaststellen dat op de uitnodiging een reactie van de eerste ondertekenaar volgde dat hij het OM verboden had in de hoorzitting van de genoemde commissies te verschijnen. Dit in tegenstelling tot zijn voorganger die geen enkel probleem had tegen het horen van het OM op 7 mei 1997 na de beslissing van de regering om regionale toetsingscommissies te introduceren.
Welke reden ligt aan deze weigering ten grondslag, zo vragen deze leden. Wat is er op tegen indien het OM de Kamer desgevraagd informeert over het feitelijk vervolgingsbeleid? Met het aantreden van de paarse regering in 1994, zo hadden deze leden begrepen, zouden openheid en openbaarheid toch hoog in het paarse vaandel staan? De leden van de CDA-fractie vragen nu de regering wat het oordeel van het OM is over de inhoud van het voorliggende wetsvoorstel in het algemeen en in relatie tot het vervolgingsbeleid in het bijzonder. Kan het bericht (De Volkskrant, 11 augustus 1999) worden bevestigd dat het college van procureurs-generaal zich fel verzet tegen de voorgestelde wet? Waarop is de kritiek van het OM ten aanzien van de inhoud van het wetsvoorstel gebaseerd? Heeft het college van procureurs-generaal de eerste ondertekenaar schriftelijk geadviseerd over de inhoud van het wetsvoorstel en de memorie van toelichting? Is de regering, in het kader van openheid en openbaarheid, bereid de Kamer dit advies te overleggen? Kan de regering inhoudelijk en gemotiveerd ingaan op de kritiek van het meergenoemde college van procureurs-generaal? De leden van de CDA-fractie stellen vast dat er een fundamenteel verschil van mening bestaat tussen de regering en de Raad van State omtrent het vervolgingsmonopolie van het OM. Dit verbaast de hier aan het woord zijnde leden niet. Immers, in het voorgaande hebben zij al geconstateerd dat het wetsvoorstel op twee gedachten hinkt en dubbelzinnig is; zowel de kool als de geit moeten kennelijk gespaard blijven. Deze leden hebben er met de Raad van State kennis van genomen dat dit wetsvoorstel geen wijziging van artikel 9 van het Wetboek van Strafvordering, waarin het vervolgingsmonopolie van het OM is neergelegd, bevat. Op grond van de tekst van het wetsvoorstel behoudt het OM in alle gevallen de bevoegdheid om tot strafvervolging over te gaan. Deelt de regering die zienswijze van deze leden in vervolg op die van de Raad van State? Kortom, om met de Raad van State te spreken, alle oordelen van de regionale toetsingscommissies, zowel de positieve als de negatieve, kunnen uiteindelijk aan het oordeel van de rechter worden onderworpen en door hem worden getoetst. Erkent de regering dat ook een positief oordeel van de toetsingscommissie de wettelijke bevoegdheid van het OM onverlet laat om tot een vervolging(sonderzoek) over te gaan? De tekst van de memorie van toelichting bij het voorliggende wetsvoorstel is op dat punt verre van eenduidig. De zinsnede: Desalniettemin blijft bij het oordeel van de toetsingscommissie dat de arts zorgvuldig heeft gehandeld, een nader oordeel van het openbaar ministerie achterwege, is in dat licht gezien veelzeggend. Moet daaruit gelezen worden dat de iure het OM de vrijheid heeft om desgewenst tot vervolging over te gaan, maar de facto het de toetsingscommissies zijn die in eerste en laatste instantie toetsen in geval van uiteindelijk een positief oordeel van de commissie? Wat voor inhoud heeft feitelijk het vervolgingsmonopolie dan nog met betrekking tot het levensbeeindigend handelen van artsen? Onder de vigeur van de huidige regeling is het zo dat de toetsingscommissies een advies uitbrengen aan het OM en is het uiteindelijk het OM die al dan niet beslist tot vervolging(sonderzoek). Blijft die situatie onder de nieuw voorgestelde regeling intact? Het is nu van tweeën één, òf het OM behoudt haar vervolgingsmonopolie, de iure en de facto, hetgeen betekent dat hij ook in alle gevallen moet kunnen beschikken over het oordeel van de toetsingscommissie, ook over het positieve oordeel, òf het is uiteindelijk in eerste en laatste instantie de toetsingscommissie die een oordeel velt over de vraag of de arts terecht een beroep kan doen op de bijzondere strafuitsluitingsgrond? De leden van de CDA-fractie nodigen de regering uit tot een nadere toelichting en een duidelijke, niet voor tweerlei uitleg vatbare stellingname.
De leden van de CDA-fractie kunnen het niet anders zien dan dat nu wordt voorgesteld dat een (toetsingscommissie) van drie personen in een besloten vergadering, op basis van het verslag van de arts, zoals de memorie van toelichting het uitdrukt, dus de dader zelf, oordelen over de aanvaardbaarheid van het beeindigen van het leven van een mens. Zien deze leden het goed, zo vragen zij de regering, dat hier feitelijk sprake is van de introductie van een vorm van lekenrechtspraak, die zich aan de openbaarheid en controle onttrekt? De leden van de CDA-fractie stellen vast dat het uiteindelijk nu de toetsingscommissie is die beoordeelt of de desbetreffende arts terecht een beroep op de voortgestelde bijzondere strafuitsluitingsgrond kan doen; een oordeel dat tot nu toe, waar het ging om de overmachtssituatie ex artikel 40 Sr., in eerste instantie aan de officier van Jusititie en in laatste instantie aan de rechter was voorbehouden. Hoe verhoudt zulks zich tot de systematiek en de toepassing van de wet, zo vragen deze leden.
Welke rechtsmiddelen staan er voor een derde (bijvoorbeeld directe familieleden van de overledene) open wanneer zij zich niet kunnen vinden in een positief oordeel van de toetsingscommissie? Bestaan er mogelijkheden voor een hoger beroep en zo ja, bij welke beroepsinstantie? Bestaat er sowieso niet een recht van betrokkenen op een rechterlijk oordeel en de mogelijkheid van een hoger beroep? Deze leden zouden ook graag willen weten of de gegeven termijn van zes weken waarbinnen de commissies een beslissing moeten nemen, die eenmaal met zes weken verlengd kan worden, gezien moet worden als een fatale termijn en zo ja, wat daarvan dan de consequenties zijn?

Verpleegkundigen in de regionale toetsingscommissie. De leden van de CDA-fractie willen nogmaals, in vervolg op eerdere pleidooien daartoe, pleiten voor het opnemen van een vertegenwoordiging van verpleegkundigen in de regionale toetsingscommissies. In de regel zijn zij het die in de eerste plaats met een verzoek om euthanasie worden geconfronteerd en hebben zij door hun continue aanwezigheid en relatie met de patiënt een goed beeld van de betrokkene. Zij kunnen een goede inschatting maken van wat er in deze mensen omgaat. Nu zij geen partij zijn bij het beslissen over of het uitvoeren van euthanasie, kunnen zij als derdepartij op afstand een positie innemen. Participatie van hen in de regionale toetsingscommissies heeft een toegevoegde waarde in het tot een afgewogen en genuanceerd oordeel komen door de commissies. Met vreugde en instemming hebben deze leden vastgesteld dat nu ook één van de coalitiepartners, als dragende zuil van dit kabinet, thans tot dit oordeel is gekomen (Telegraaf, 9 februari 1998). Tot welk oordeel op haar beurt brengt dit de regering thans, zo vragen deze leden.

Positie van de gemeentelijke lijkschouwer.
Het bevreemdt de leden van de CDA-fractie dat het de gemeentelijke lijkschouwer is die nog wel de officier van Justitie moet vragen of het lichaam mag worden vrijgegeven voor begraven of crematie. Zulks dient in beginsel binnen een termijn van vijf dagen haar beslag te krijgen. Ruim voor dat de toetsingscommissie een oordeel heeft kunnen vellen over een haar voorgelegd geval, beslist de officier van Justitie al of sprake is van een zorgvuldig uitgevoerde euthanasie in plaats van de toetsingscommissie, zoals voorgesteld in het voorliggende wetsvoorstel. Zien deze leden dat goed, zo vragen zij de regering. Wat is nu de situatie in geval de toetsingscommissie tot een voor de arts negatief oordeel komt, de officier van Justitie wordt ingelicht en het stoffelijk overschot van betrokkene reeds is begraven of gecremeerd? In hoeverre kan hierdoor het strafrechtelijk (voor)onderzoek worden gefrustreerd?
Graag willen de leden van de regering nog nadere informatie over de rol en positie van de gemeentelijke lijkschouwer. Het is hen bekend dat het streven er op gericht is om de taken van de gemeentelijke lijkschouwer te incorporeren in de taken van de forensische geneeskundige. Wat is thans de laatste stand van zaken rondom de professionalisering van de functie van de lijkschouwer? Deze leden stellen vast dat huisartsen, deelnemend aan dezelfde onderlinge waarneemregeling, ondanks eerdere toezeggingen van de zijde van de regering nog steeds vaak optreden als gemeentelijk lijkschouwer. Ook de regering heeft erkend dat zulks een ongelukkige situatie is. Uit een onderzoek van november 1998 (Ad Valvas, 12 november 1998) blijkt dat de desbetreffende lijkschouwer de collega-arts die zij beoordeelden vaak goed kenden en dat dit in een derde van de gevallen hun conclusie beinvloedde. Wanneer zal nu daadwerkelijk deze situatie tot het verleden behoren? Zien deze leden het goed dat de rol van de gemeentelijke lijkschouwer in de voorgestelde regeling wordt gemarginaliseerd en zo ja, wat is dan nog de diepere zin van de genoemde professionalisering? Is het zo dat de lijkschouwer geen nadere vragen dient te stellen, geen oordeel te vellen, kortom de zaak niet dient te toetsen? Indien de commissie van de mogelijkheid gebruik wil maken om bij onduidelijkheid de lijkschouwer om nadere informatie te vragen, hoe kan hij ooit tot een zinnige beantwoording komen van eventuele vragen vanuit de commissie, als hij zich niet in de zaak mag verdiepen en slechts doet wat hem wordt opgedragen: schouwen, berichten aan de officier van Justitie en de stukken doorsturen? Voorts vernemen de leden van de CDA-fractie graag, wie in de voorgestelde constellatie moet bepalen of één van de vier uitzonderingsgevallen, waarover de regionale toetsingscommissie niet mag oordelen, zich heeft voorgedaan? Is dat de arts zelf?

Strijdigheid wetsvoorstel met internationaal recht. De leden van de CDA-fractie vragen de regering nadrukkelijk in het kader van het voorliggende wetsvoorstel aandacht te willen besteden aan het geldend internationaal recht en de internationaal aanvaarde medische ethiek. Een uiteenzetting hierover in de memorie van toelichting hebben deze leden node gemist. De vraag of, en zo ja, in hoeverre het voorwaardelijk opheffen van de strafbaarheid van actieve directe levensbeeindiging, zoals voorgesteld, nog blijft binnen de bepalingen van artikel 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), willen deze leden graag door de regering gemotiveerd beantwoord zien. Artikel 2 van bedoeld Verdrag handelt over het recht op leven en de daaruit voortvloeiende plicht van de overheid om het leven te beschermen. Hoe wordt de stelling beoordeeld dat de inhoud van het in artikel 2 EVRM beschermde belang normatief is en een limitatieve opsomming bevat en daarmee grenzen stelt aan de invoering van strafuitsluitingsgronden, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Zij voegen daaraan toe dat huns inziens de wetgever bij het invoeren van een nieuwe rechtvaardigingsgrond de plicht heeft om positief aan te tonen dat zij daarmee deze grenzen niet overschrijdt. De leden van de CDA-fractie wijzen op het grote belang van een juiste interpretatie van de inhoud en reikwijdte van de terzake in het EVRM neergelegde bepalingen. Zij vinden het dan ook logisch en verstandig vooraf advies in te winnen over de juiste uitleg van de desbetreffende bepalingen in het EVRM. Is de regering bereid een Nederlandse rapportage voor te bereiden over de toepassing van de desbetreffende bepalingen in het EVRM, welke zal worden voorgelegd aan de Europese instantie die bij uitstek bevoegd is om de inhoud en reikwijdte van de in het Verdrag neergelegde rechten te interpreteren en toeziet op een uniforme uitleg van de verdragsbepalingen, zo vragen deze leden de regering. Zij zien zich daarin nog gesterkt door de opmerkingen van de emeritus-hoogleraar strafrecht aan de VU in Amsterdam, Prof. Mr Remmelink, die zegt dat hij er niet zeker van is dat een specifieke euthanasieregeling overeind zou blijven in Straatsburg. (Trouw, 23 maart 1998) Weliswaar spreekt hij dan over het initiatief-wetsvoorstel Van Boxtel c.s., maar de regering geeft zelf aan dat de strekking van het onderhavige voorstel identiek is aan die van het initiatiefvoorstel.

Kinderen en levensbeëindiging op verzoek
De leden van de CDA-fractie vragen zich af wat de regering bewogen heeft, anders dan het volgen van het advies van de Raad van State, om aan te sluiten bij de praktijk inzake de Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst, om kinderen tussen 12 en 16 jaar zelfstandig te laten beslissen over euthanasie. Daar waar het CDA bij amendement reeds bezwaar maakte waar het de WGBO betreft tegen het buiten spel zetten van ouders bij een zeer zwaarwegende beslissing omtrent al dan niet medisch behandelen, acht de CDA fractie het volstrekt onwenselijk om in een beslissing over het opzettelijk levensbeëindigend handelen de ouders het gezag te ontnemen. De leden van de CDA-fractie wijzen tevens op het feit dat er geen logisch verband tussen de WGBO en voorliggend wetsvoorstel is, gegeven het feit, zoals hiervoor ook al aangegeven, dat euthanasie en hulp bij zelfdoding volgens deze leden niet gerekend kunnen worden tot medisch handelen maar tot het handelen van een medicus, hetgeen wezenlijk iets anders is. Het kan zeker zo zijn, zo menen de leden van de CDA-fractie, dat kinderen onder heel zware omstandigheden zoals ongeneeslijke ziekte, heel weinig kans hebben kind te zijn. Dat maakt hen echter nog niet tot volwassenen, zo deze zelf al in zulke emotioneel zwaar belaste verhoudingen tot rationele beslissingen zouden kunnen komen. Op tal van andere gebieden criminaliteit, spijbelen, financiële verplichtingen wordt door de overheid terecht gewezen op de eindverantwoordelijkheid van ouders voor het gedrag en het welzijn van hun niet meerderjarige kinderen. De leden van de CDA-fractie kunnen zich niet verenigen met het hanteren van zelfbeschikking als leidend principe, noch in de zorg, noch op andere beleidsterreinen. In dat verband willen zij ook wijzen op de (voorgenomen) voorstellen van de regering op het terrein van het gebruik van tabak en alcohol door jongeren. Kennelijk is het zelfbeschikkingsrecht voor de regering niet altijd het leidend principe, zo menen deze leden te mogen vaststellen. Zien zij dat goed? De leden van CDA fractie staan op het standpunt dat de regering onduidelijkheid schept over de verankering van de opvoedingsrelatie in de wet en betreuren dit.
De leden van de CDA fractie vragen zich af of het voorstel om kinderen over euthanasie te laten beslissen een relatie heeft met de praktijk. Zij hebben kennis genomen van het commentaar op het voorstel van de KNMG en de NVK, waaruit blijkt dat het door de regering voorgestelde niet zou aansluiten bij de praktijk: In Nederland willen we zelfs regelen wat niet bestaat (Algemeen Dagblad, 11 augustus 1999). Waaruit blijkt nu concreet dat er kennelijk sprake is van een groot maatschappelijk probleem dat in de voorliggende wetgeving tot een oplossing moet worden gebracht? Gaat het hier om hoge uitzonderingsgevallen of zijn er regelmatig gevallen waarin een kind vraagt om euthanasie of hulp bij zelfdoding terwijl de ouders het daar helemaal niet mee eens zijn? Hoe wordt daar momenteel mee omgegaan? De leden van de CDA-fractie hebben kennis genomen van de uitspraken van de minister-president tijdens de laatstgehouden algemene politieke beschouwingen dat: het onderdeel in de wetgeving is gekomen mede naar aanleiding van de advisering van de Raad van State. (Handelingen, TK 1999-2000, nr. 3, blz. 90) en ook de tweede ondertekenaar van het wetsvoorstel zegt daarover: Wij zelf waren aanvankelijk niet van plan dit voor te stellen, omdat het bijna nooit voorkomt (Reformatorisch Dagblad, 4 september 1999). Waarom geeft de regering aan dit onderdeel van het advies van de Raad van State op het voorliggende wetsvoorstel zon zwaar gewicht dat het kennelijk de hoofdreden heeft gevormd het daarin op te nemen, terwijl vanuit de praktijk wordt benadrukt dat daaraan geen behoefte bestaat? Als het advies van de Raad van State terzake kennelijk de doorslag heeft gegeven, vragen de leden van de CDA-fractie waarom het indringend advies van dezelfde Raad met betrekking tot het onderdeel vervolgingsbeleid en de rol van het OM daarin geen aanleiding heeft gegeven voor een substantiële wijziging? De regering stelt vast dat bij minderjarigen het oordeel des onderscheids aanwezig kan zijn om tot een verantwoord en weloverwogen verzoek tot euthanasie te komen. Kan de regering aan de leden van de CDA-fractie uitleggen hoe dit wordt vastgesteld? Op grond waarvan acht de regering het juist om aan verzoeken van minderjarigen dezelfde eisen te stellen als aan verzoeken van meerderjarigen? Op grond van welke feitelijke gegevens, zo vragen de leden van de CDA-fractie, is er een scheiding aangebracht tussen 12- tot en met 15-jarigen enerzijds en 16- en 17- jarigen anderzijds? Hoe staat het met de verantwoordelijkheid van de ouder(s) of voogd? Is daar ook een onderscheid aan te brengen in relatie tot genoemde leeftijdsgroepen? Wat bedoelt de regering met: ernstig nadeel in de zin: maar bij weigering van één of beide ouders, of van de voogd, kan aan het verzoek van de minderjarige niettemin worden voldaan indien de arts de overtuiging heeft dat daarmee ernstig nadeel voor de patiënt kan worden voorkomen? De leden van de CDA fractie zijn van mening dat het levensbeëindigend handelen van een arts bij een kind dat daartoe niet de toestemming van de ouders heeft, voor de ouders buitengewoon ingrijpend en kwetsend zal zijn. Een dergelijke handelwijze kan hen ernstig en structureel psychisch nadeel berokkenen, naast de traumatische ervaring dat verlies van een kind sowieso al met zich brengt. Kan de regering aan de leden van de CDA-fractie verduidelijken welke procedure een arts dient te volgen indien één of beide ouders niet wensen in te stemmen met het verzoek tot euthanasie? Is bemiddeling tussen ouder(s) en kind aan de orde? Kan de arts, zo vragen deze leden, door de ouder(s) met succes worden aangeklaagd indien deze de wens van het kind honoreert tegen de wens van de ouder(s) in? Het is de leden van de CDA-fractie niet duidelijk waarom de regering heeft gekozen voor de formulering dat één of beide ouders geen instemming zou verlenen. Hoe is de procedure inzake het op de hoogte stellen van de ouder(s) en hoe wordt, zo vragen de leden van de CDA-fractie, met de reactie van de ouders omgegaan? Ook willen deze leden graag weten hoe, volgens de regering, het ernstig nadeel voor de patiënt behoort te worden afgewogen tegen het oordeel van de ouder(s)? Al met al hebben de leden van de CDA fractie, gelet op het bovenstaande, dermate grote bedenkingen tegen dit onderdeel van het wetsvoorstel dat zij de regering verzoeken middels een nota van wijziging daaraan recht te willen doen.

Wilsverklaringen
Een wilsverklaring wordt veelal opgesteld door diegenen die zich, niet zelden nog in een situatie van gezondheid, zorgen maken over het levenseinde en is meestal conditioneel van aard waarbij de patiënt verklaart dat deze, wanneer hij in specifieke omstandigheden komt te verkeren, euthanasie wil. Deze wilsverklaring wordt gebruikt om de weloverwogenheid en de duurzaamheid van de wil van de patiënt vast te stellen. Een dergelijke wilsverklaring kan niet worden opgevat als een categorische verklaring: wanneer de omstandigheden zich echt voordoen is het nog maar de vraag of de patiënt dan nog categorisch wenst wat hij van tevoren conditioneel wilde. In hoeverre stemmen in die situatie wil en verklaring nog met elkaar overeen? Hoe is dat bovendien afdoende te toetsen? Er is bovendien altijd ruimte voor discussie omtrent de vraag of de condities in voldoende mate vervuld zijn. Het hebben van een wilsverklaring op zak, betekent volgens de leden van de CDA fractie nog niet dat er ook een doodswens bestaat, laat staan een duurzame. Wat is bovendien de positie van de wilsverklaring ten opzichte van de zorgvuldigheidscriteria, zoals de regering die in de wet wenst vast te leggen? Het is volgens de leden van deze fractie dan ook niet mogelijk dat de arts zich zou kunnen beroepen op de in te voeren uitzonderingsbepalingen in de wet. Een belangrijk onderscheid tussen euthanasie en medisch handelen wordt tot uitdrukking gebracht door het feit dat het concrete verzoek van de patiënt zelf onderwerp van toetsing moet zijn. Bij wilsonbekwame patiënten zoals comateuzen en diep-dementen, kan naar de overtuiging van deze leden geen sprake zijn van een weloverwogen en duurzaam verzoek. De leden van de CDA fractie zijn dan ook van mening dat louter op grond van de aanwezigheid van een wilsverklaring, er geen reden kan zijn om tot levensbeëindigend handelen over te gaan. Er kan nimmer voor de arts een rechtsplicht uit voortvloeien tot levensbeeindigend handelen zo menen deze leden en vragen daarop een bevestigend antwoord van de regering. Heeft de regering dit bedoeld door in de Memorie van Toelichting te zeggen dat de wilsverklaring niet anders dan een richtsnoer voor het handelen van de arts is? Betekent dit concreet dat zich nooit een situatie kan voordoen dat een arts nog louter en alleen de uitvoerder is van de ooit door de betrokkene op papier gezette wil? Indien dit zo is, zo vragen de leden van de CDA fractie, welke betekenis moet dan aan een wettelijke status van de wilsverklaring worden toegedicht? Welke meerwaarde is daarin gelegen ten opzichte van de huidige (niet-wettelijk verankerde) positie van de wilsverklaring? Wat heeft de tweede ondertekenaar in dat licht gezien bedoeld te zeggen met haar uitspraak: Maar je kunt ook echt lijden onder het vooruitzicht dat je dementeert? (Trouw, 10 september 1999). Wat betekent dat concreet in het kader van het wettelijk verankeren van de wilsverklaring voor de toekomstig patiënt en de behandelend arts? Moet in de ogen van de regering dit lijden voortvloeien uit een geestelijke of lichamelijke ziekte? Kan in haar ogen het vooruitzicht op op zichzelf al leiden tot ondragelijk lijden? Is het de regering bovendien bekend dat uit onderzoek (o.a. van de sociologe C. Koppedraijer die op verzoek van het ministerie van VWS een onderzoek deed naar de motieven van mensen die vragen om euthanasie/hulp bij zelfdoding en de uitkomsten verwerkte in het boek Sterven op verzoek) is gebleken dat gezonde mensen veel negatiever over ziekte en lijden denken dan de patiënten zelf die, geconfronteerd met de volle hevigheid van de ziekte, niet zelden ook tot hun eigen verbazing, weer een nieuwe grens stellen? De leden van de CDA-fractie lezen: gelet op het grote aantal euthanasieverklaringen dat voorhanden is. Wat bedoelt de regering hiermee? Hoe is dit vastgesteld? Bestaat er al een registratie van bedoelde wilsverklaringen? Vormt dit gegeven op zichzelf aanleiding voor het creëren van een wettelijke status? Welke beweegreden hanteert de regering hier?
De leden van de CDA fractie zijn van mening dat angst voor pijn, afhankelijkheid en ziekte kunnen leiden tot het opstellen van een wilsverklaring. Zij zijn van oordeel dat alles in het werk gesteld moet worden om deze angsten weg te nemen door een voldoende aanbod van palliatieve zorg, pijnbestrijding en zorg voor de patiënt en zijn naasten rondom het sterfbed. Zij zijn van oordeel dat het optimaliseren van de kwaliteit van de zorg het aantal wils/euthanasie-verklaringen zal doen afnemen.

Heeft de regering onderzocht welke motieven doorslaggevend zijn om een dergelijke verklaring op te stellen? Is daaruit een toename van het aantal verklaringen af te leiden? Kan de regering aan de leden van de CDA-fractie aangeven of de motieven te maken hebben met het ontbreken van een goede palliatieve zorg, angsten voor ouderdom en eenzaamheid en een (vermeend) gebrek aan voldoende medische zorg? Welke invloed zal daarbij uitgaan van de lange wachtlijsten voor o.a. verpleeghuizen en thuiszorg? Welke conclusies trekt de regering hieruit en welke maatregelen, anders dan het voorzien in een wettelijke status van een dergelijke verklaring, acht de regering geboden? Is in dat verband het wettelijk verankeren van de wilsverklaring feitelijk niet een vorm van symptoombestrijding, zonder dat de achterliggende motieven die reden vormen voor het opstellen van de wilsverklaring worden weggenomen? Is de regering met de leden van de CDA-fractie van oordeel dat het wenselijk is om maatregelen te nemen die een mogelijk negatief beeld van oud worden, ziek en afhankelijk zijn en sterven kunnen veranderen?

Wat bedoelt de regering met de opmerking dat met de wettelijke verankering van de schriftelijke wilsverklaring wordt aangesloten bij hetgeen reeds in belangrijke mate maatschappelijke realiteit is? Is
c.q. wordt hetgeen reeds in belangrijke mate maatschappelijke realiteit is voor de regering uitgangspunt van beleid en zal zij dat ook toepassen op andere beleidsterreinen, bijvoorbeeld alcohol- en tabaksgebruik? Graag ontvangen de leden van de CDA-fractie op dit punt een nadere toelichting van de regering.
Wat is thans de rechtsgeldigheid van de schriftelijke wilsverklaring? Kan de regering aan deze leden verduidelijken wat precies met: maatschappelijke realiteit wordt bedoeld en hoe die wordt vastgesteld? Is het nu al zo dat artsen op dit moment de wilsverklaring geldigheid toekennen en honoreren bij wilsonbekwame patiënten? Kan de regering aan de leden van de CDA-fractie inzicht verstrekken in welke gegevens bij de regering hierover bekend zijn? Worden in tehuizen en instellingen, waar wilsonbekwame patiënten worden verpleegd en verzorgd, protocollen opgesteld, of zijn deze reeds opgesteld, waarin de te volgen wijze van levensbeëindigend handelen ten aanzien van deze categorie van patiënten wordt omschreven en in praktijk gebracht? Hoe oordeelt de regering over een dergelijke handelwijze indien hier sprake van is?

Wilsonbekwamen
Op pagina 4 van de Memorie van toelichting lezen de leden van de CDA-fractie dat de regering van mening is dat levensbeëindiging bij zogeheten wilsonbekwame patiënten een wezenlijk andere materie betreft dan levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding bij wilsbekwamen en derhalve een regeling voor gevallen van levensbeëindiging van enkele bijzondere categorieën patiënten niet in het onderhavige wetsvoorstel dient te worden opgenomen. Is de regering niet met de leden van de CDA-fractie van oordeel dat het logischer ware geweest om de wettelijke status van wilsverklaringen eerst dan te regelen wanneer het parlementaire debat over het levensbeëindigend handelen bij wilsonbekwamen is afgerond?
De leden van de CDA fractie wijzen in dit verband op de uitspraak van de Nederlandse Vereniging voor Verpleeghuisartsen (NVVA): Het nieuwe euthanasievoorstel van de ministers Borst van Volksgezondheid en Korthals van Justitie zet de deur voor euthanasie bij dementerenden te ver open. (NVVA voorzitter Theeuwes in Kruispunt) Het is volgens de NVVA moeilijk de wil van het moment bij dementerenden te reconstrueren en is dit veel belangrijker dan wat vroeger op papier is gezet. De leden van de CDA fractie vragen de regering hoe zij de opvatting van de NVVA beoordeelt en of zij daarin reden ziet haar ingenomen standpunt te nuanceren c.q. te wijzigen.
De leden van de CDA-fractie delen de opvatting van de Raad van State dat het gewenst is dat de door de regering beoogde centrale commissie voor de beoordeling van gevallen van levensbeeindiging bij enkele bijzondere categorieën patiënten een wettelijk basis krijgt.

Hulp bij zelfdoding
De leden van de CDA-fractie herinneren de regering eraan dat zij reeds bij verschillende gelegenheden, onder andere via schriftelijke vragen (Aanhangsel van de Handelingen, TK 1998-1999, nrs. 526, 762 en 837) door o.a. hun mede-lid Buijs, aandacht hebben gevraagd voor de situatie van hulp bij zelfdoding in het bijzonder met de hulp daarbij van zogenaamde zelfmoord-adviseurs van de Stichting De Einder. Deze leden hebben vastgesteld dat ook door de regering deze gang van zaken niet alleen wordt betreurd, maar dat zij deze vorm van hulpverlening ook ongewenst vindt. Dat de regering desalniettemin geen actie ondernam, vond zijn oorzaak in het feit dat er vooralsnog geen wettelijke grondslag bestaat voor het nemen van justitiële maatregelen. Nu de regering zelf ook van oordeel is dat deze vorm van hulpverlening ongewenst is, klemt de vraag of in het verband van het voorliggende wetsvoorstel het kennelijk bestaande juridisch vacuüm kan worden opgevuld. Deze leden verzoeken de regering nadrukkelijk om een reactie en het voorbereiden, zo mogelijk via een nota van wijziging op het voorliggende wetsvoorstel, van de bedoelde en door deze leden gewenste wettelijke bepalingen. Zij voelen zich in die wens nog extra gesterkt door de verschijning van de eerste Nederlandstalige zelfmoord-site (Thisbes) op internet met uitvoerige informatie over zelfmoordmethoden. (Trouw, 1 februari 2000) Hoe beoordeelt de regering die ontwikkeling en ziet zij mogelijkheden ook hier tegen op te treden, zo vragen de leden van de CDA-fractie. In dit verband willen de leden van de CDA-fractie er ook op wijzen dat uit een recent onderzoek (VWS Bulletin, 3 september 1999) van het Nationaal Scholierenonderzoek 1996, zoals uitgevoerd door het NIBUD, blijkt dat van alle schoolgaande jongeren 22 procent eraan heeft gedacht uit het leven te stappen en dat 6 procent ooit een of meer serieuze pogingen heeft gedaan om een eind aan het leven te maken. Wat is het oordeel van de regering over deze uitkomsten, zo vragen deze leden, mede en vooral in relatie tot het voorliggende wetsvoorstel.

Artikelsgewijze behandeling

Artikel 1
Waarom ontbreekt de definitie van patiënt? Wil de regering deze term en wat daar precies onder verstaan moet worden alsnog in dit artikel opnemen?

Artikel 2
In artikel 2 wordt onder lid 1e van het Voorstel van wet gesproken over de plicht van de geraadpleegde, onafhankelijke arts om de patiënt te zien. De leden van de CDA-fractie vragen zich af wat onder dit zien moet worden verstaan. Wordt hiermee een medisch onderzoek van de patiënt bedoeld? Zo ja, hoe uitgebreid zal dit onderzoek behoren te zijn, zo vragen deze leden. Zal de toetsingscommissie de wijze waarop door de geconsulteerde arts naar de patiënt is gekeken, mee behoren te wegen in haar oordeelsvorming over het euthanasiegeval als geheel? Is de regering van zins, zo vragen de leden van de CDA-fractie, om aan het onderzoek van de geconsulteerde arts minimumeisen te stellen?

Het heeft de leden van de CDA-fractie verbaasd dat het door de regering ingediende wetsvoorstel de rechtspositie van de arts (als pleger van een op zichzelf strafbaar feit) voorop stelt en niet die van de patiënt. Op grond van welke informatie zo vragen deze leden- meent de regering te moeten veronderstellen dat de positie van artsen in de huidige rechtsgang onvoldoende is gewaarborgd? Moeten de zekerheid van de bescherming van het leven en de rechtszekerheid van de patiënt niet prioriteit hebben boven de rechtszekerheid van artsen, waar het gaat om kwesties van leven en dood? Is niet per definitie de patiënt, die volledig van de hulp van anderen/artsen afhankelijk is, getuige ook de vele patiëntenwetten die de afgelopen jaren tot stand zijn gekomen, de zwakste partij? In hoeverre is volledige autonomie van de mens mogelijk? Is een mens niet per definitie ingekaderd in zijn verhouding tot anderen op straffe van het volledig teruggeworpen zijn op zichzelf? Geldt dat niet eens temeer, wanneer iemand ziek en derhalve hulpbehoevend en daarmee (mede) afhankelijk is van anderen? Waarom is die keuze zo gemaakt, zo vragen de leden van de CDA-fractie de regering.

De regering is van opvatting dat in verband met een psychische stoornis nader onderzocht moet worden of werkelijk sprake is geweest van een vrije en weloverwogen wilsuiting. De leden van de CDA-fractie verwijzen in dat kader naar een uitspraak van het Centraal Medisch Tuchtcollege van 29 maart 1990, die nadrukkelijk bepaalde dat het voor het Centraal College moeilijk vast te stellen blijft of de wil van de (psychiatrische) patiënt niet sterk beinvloed wordt door zijn ziekte, te weten zijn depressies. De vraag of het doodsverlangen en de daarmee samenhangende diepte van het lijden van deze niet-terminale patiënt voorkomt uit, samenhangt met, of deel uitmaakt van zijn depressie is dan ook nauwelijks definitief te beantwoorden. Wat is hier nog de vrijheid van de wil, zo vragen de leden van de CDA-fractie de regering. Op welke wijze denkt de regering, gezien de overwegingen van het Centraal Medisch Tuchtcollege, ooit objectief te kunnen vaststellen of sprake is van een vrije en weloverwogen wilsuiting?

Het is de leden van de CDA-fractie niet ontgaan dat de regering, gelet op de zinsnede: essentie van de bedoelde rechtsoverweging van de Hoge Raad is naar onze mening, er behoefte aan heeft gehad de rechtsoverweging van de Hoge Raad in zijn arrest van 21 juni 1994 zelf te interpreteren. Waaruit is die behoefte voortgekomen? Deze leden hebben vastgesteld dat de op één na laatste volzin van de rechtsoverweging 6.3.3. van bedoeld arrest als volgt luidt: Bij de beoordeling of sprake is van een zo ondraaglijk en uitzichtloos lijden dat daardoor het verlenen van hulp bij zelfdoding als een in noodtoestand gerechtvaardigde keuze is aan te merken, is immers van belang dat van zodanige uitzichtloosheid in beginsel geen sprake kan zijn indien een reëel alternatief om dat lijden te verlichten door de betrokkenen in volle vrijheid is afgewezen. De vraag wat een reëel alternatief is, is met het arrest van de Hoge Raad toch al gegeven? Wat is nu de achtergrond van deze eigen interpretatie van de zijde van de regering?

Nu de regering van oordeel is dat de consulent geacht wordt zich uit te spreken () over de vraag of er nog alternatieven zijn ter verlichting van het lijden (), achten deze leden het vanzelfsprekend dat de betrokken arts een palliatief arts is. Zij zijn immers degenen die bij uitstek deskundig zijn in het verlichten van het lijden, een vaardigheid die thans bij veel reguliere artsen (nog) ontbreekt c.q. onvoldoende aanwezig is. Kan de regering de visie van deze leden onderschrijven en zal van artsen die geconsulteerd worden, gevraagd worden palliatief deskundig te zijn?

De leden van de CDA-fractie hebben kennis genomen van het feit dat indien de arts de gevraagde hulp niet in overeenstemming kan brengen met zijn geweten, hij deze niet hoeft te bieden. Deze leden willen van de regering weten in hoeverre door de inhoud van het voorliggende wetsvoorstel de desbetreffende artsen zich in een toestand van gewetensbezwaarden gedrongen zullen zien? Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van het Burgerlijk Wetboek in verband met de positie van gewetensbezwaarde werknemers (22392) is hiervoor nadrukkelijk aandacht gevraagd en met name ook voor de positie van het verplegend en verzorgend personeel. Gaf de regering toen te kennen dat haar geen signalen bekend zouden zijn dat sprake is van een probleem, bij brief van 12 november 1993, na de parlementaire behandeling van het genoemde wetsvoorstel, is de toenmalige staatssecretaris van WVC door het CFO op de hoogte gesteld van de positie van de gewetensbezwaarde werknemers. Vooral in de fase van de sollicitatie worden vragen gesteld over de medewerking van de toekomstige medewerkers bij de onderhavige handelingen. Het CFO signaleerde toen al dat het kunnen hanteren van het spanningsveld beroepsverantwoordelijkheid in relatie tot eigen levens- en mensbeschouwing met de daarbij behorende waarden en normen zelfs voor ervaren beroepsbeoefenaren een opgave is. Ook toen werd al duidelijk gemaakt dat de CAO-artikelen (.) niet toereikend zijn in die situaties waar de werknemer de status van sollicitant heeft of al lange tijd in dienst van de instelling is en met voortschrijdende medische technologie wordt geconfronteerd in zorgsituaties waar dit minder gebruikelijk was. De leden van de CDA-fractie hebben aanwijzingen dat in die situatie nog geen wezenlijke wijziging is gekomen. Nu euthanasie en hulp bij zelfdoding onder voorwaarden wettelijk zijn toegestaan zal het voor verpleegkundigen eens temeer minder eenvoudig zijn zich te beroepen op de stafbaarheid van euthanasie en het delegatieverbod voor artsen, zo voorzien de leden van de CDA-fractie. Door het voorliggende wetsvoorstel kan de emotionele en sociale druk om mee te werken op verpleegkundigen in ziekenhuizen en verpleeghuizen toenemen en kan hun arbeidsrechtelijke positie in situaties waarin toepassing van euthanasie voorwaardelijk aanvaard is, verzwakken. Zien deze leden dat goed, zo vragen zij de regering en is zij bereid garanties voor de beide beroepsgroepen te bieden en zo ja, op welke wijze?

De arts kan aan de schriftelijke wilsverklaring slechts gevolg geven, indien overigens aan alle zorgvuldigheidseisen voor levensbeeindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding is voldaan, zo lezen de leden van de CDA-fractie in de artikelsgewijze toelichting. Zo moet onder andere de doodswens weloverwogen en duurzaam zijn, er moet sprake zijn van ondraaglijk lijden en er moet een oordeel komen van een onafhankelijk consulent. Hoe deze eisen in te vullen en vooral te beoordelen waar het gaat om comateuze en demente patiënten? Hoe kan iemand lijden tot wie geen enkele ervaring meer kan doordringen? Hoe is bij een diep-demente patiënt vast te stellen of deze ondragelijk lijdt? Als er geen ervaring is, kan er dan überhaupt sprake zijn van lijden? Hoe moet een onafhankelijk consulent hiermee omgaan? Hij kan immers niet meer met betrokkene communiceren en met betrekking tot de wil van de patiënt, laat staan de duurzaamheid daarvan iets te weten komen. Hoe kan men vooraf weloverwogen iets wensen, terwijl niemand weet of kan weten hoe het is om diep-dement te zijn? Aan de angst voor het dement en welke betekenis hieraan moet worden toegekend is in het voorgaande al aandacht besteed en deze leden volstaan hier dan ook met een verwijzing daarnaar. Hoe verhoudt het in het wetsvoorstel gestelde zich op dit punt met het in de jurisprudentie ontwikkelde kader en met de gangbare medische ethiek, zo vragen deze leden.

In art 2. lid 1 sub B. wordt gesproken over de zorgvuldigheidseis die zegt dat de arts de overtuiging dient te hebben dat er sprake was van ondraaglijk en uitzichtloos lijden van de patiënt. Is de regering van mening dat eveneens het nog niet daadwerkelijk ondergaan van uitzichtloos en ondraaglijk lijden maar alleen al het vooruitzicht daarop ook hierop ziet?

Artikel 3
Kan een toelichting worden gegeven op de zinsnede dat van de deskundige op het gebied van ethische of zingevingsvraagstukken een nuttige bijdrage verwacht wordt voor wat betreft een systematische bezinning op relevante normen en waarden. Op welke relevante normen en waarden wordt hier precies en concreet gedoeld?

Nu de regering, zo merken de leden van de CDA-fractie op, zelf in de memorie van toelichting benadrukt dat euthanasie alleen verantwoord kan plaatsvinden in de context van een goede palliatieve zorg, ligt het voor de hand en is het te prefereren dat de medicus in de regionale commissies een palliatief arts is. Hoe kan anders worden beoordeeld of euthanasie verantwoord heeft plaatsgevonden in de context van een goede palliatieve zorg, zo vragen zij de regering. Is de regering bereid de eis van deskundigheid op palliatief gebied te stellen aan de medicus die deel zal gaan uitmaken van de regionale toetsingscommissie c.q. de desbetreffende deelnemer in de huidige commissies te verplichten zich daarin te scholen? Zo neen, wat is dan de relevantie van de desbetreffende passage in de memorie van toelichting?

Artikel 4
Hoe is de rechtspositie van de leden van de commissie geregeld?

Artikel 10
Wat is de positie van een derde, bijvoorbeeld de nabestaande, die aangifte doet, terwijl de commissie reeds positief heeft geoordeeld omtrent het handelen van de arts?

Artikel 21
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de uitkomsten van een explorerend onderzoek naar het basale kennisniveau van praktiserend artsen in Nederland met betrekking tot forensisch-geneeskundige definities, begrippen en aspecten, waaruit bleek dat de kennis met betrekking tot genoemde aspecten beneden de maat is. (Medisch Contact, 10 december 1999) Het mag duidelijk zijn dat in ons land de kennis van artsen met betrekking tot alledaagse zaken als de dood, de correcte beoordeling en afhandeling van overlijden onvoldoende is, zo lezen deze leden, alsmede dat de onderzochte artsen beneden de maat scoorden bij de beoordeling of er sprake is van een natuurlijke dan wel een niet-natuurlijke dood en dat over de juiste afhandeling bij euthanasie drie vragen werden gesteld, waarbij ondanks alle aandacht die aan dit onderwerp is besteed, slechts 48% het juiste antwoord geeft. Wat is het oordeel van de regering over de uitkomsten van dit onderzoek? Deze leden zijn geschrokken van deze onderzoeksresultaten en voelen zich daardoor eens temeer gesterkt in hun eerder pleidooi om deze functie nu daadwerkelijk zo snel mogelijk onder te brengen bij forensische geneeskundige van GGD-en. Wil de regering, in het licht van het bovenstaande, de tekst van de wet daarop aanpassen en gemeentelijke lijkschouwer vervangen door forensisch geneeskundige?

De leden van de CDA-fractie beperken thans hun opmerkingen en vragen in de artikelsgewijze behandeling tot het voorgaande. Zij behouden zich het recht voor daarop in het vervolg van de behandeling nader terug te komen.

Woordvoerder: Clémence Ross-van Dorp

Deel: ' CDA verontrust over wetsvoorstel toetsing levensbeëindiging '




Lees ook