Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de

Algemene Commissie voor Europese Zaken van de

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

DEN HAAG

Directie Integratie Europa

Secretaris BNC/Impl.-/Art 169-overleg

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 1 juni 1999
Kenmerk DIE-355/99
Blad /1
Bijlage(n) 2
Betreft Informatievoorziening aan de Tweede Kamer inzake nieuwe Commissievoorstellen
C.c.

Overeenkomstig de bestaande afspraken heb ik de eer u hierbij twee fiches aan te bieden die werden opgesteld door de Werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC):


1. Voorstel voor een richtlijn van de raad tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG wat de mogelijkheid betreft, bij wijze van experiment, op zeer arbeidsintensieve diensten een verlaagd BTW-tarief toe te passen.


2. Ontwerp van een gemeenschappelijk optreden inzake strafrechtelijke bescherming tegen fraude en andere vormen van concurrentievervalsing bij de gunning van overheidsopdrachten op de interne markt.

De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken


1. Voorstel voor een richtlijn van de raad tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG wat de mogelijkheid betreft, bij wijze van experiment, op zeer arbeidsintensieve diensten een verlaagd BTW-tarief toe te passen.

Nummer van het Commissiedocument: COM(99) 62 def.

Eerstverantwoordelijke Ministerie: FIN i.o.m. EZ, SZW, VWS

Behandelingstraject:

Warschijnlijk op 3 mei 1999 in de Groep Financiële Vraagstukken (GFV) van de Raad van de Europese Unie. Vergt unanimiteit in Ecofinraad.

Korte inhoud en doelstelling van het voorstel:

Met het voorstel wordt gevolg gegeven aan de conclusies van de Europese Raad van 11 en 12 december 1998, teneinde de lidstaten die dat willen in de gelegenheid te stellen te experimenteren met verlaagde BTW-tarieven voor arbeidsintensieve diensten die niet blootstaan aan grensoverschrijdende concurrentie. Het richtlijnvoorstel betreft een tijdelijke (3 jaar), facultatieve mogelijkheid voor de lidstaten om een verlaagd BTW-tarief toe te passen op een aantal categorieën arbeidsintensieve diensten ter zake waarvan toepassing van dat tarief waarschijnlijk de beste kansen biedt op het scheppen van werkgelegenheid; het gaat om een experiment waarvan de doeltreffendheid en de efficiëntie in termen van werkelijk scheppen van werkgelegenheid op de voet moet worden gevolgd en na afloop moet worden geëvalueerd; voorts zal de Commissie dan moeten beoordelen of een dergelijke maatregel vervolgens al dan niet in het geharmoniseerde BTW-stelsel dient te worden opgenomen.

Subsidiariteitstoets, deregulering:

Positief, slechts via een Europeesrechtelijke aanpak is een nationale (facultatieve, experimentele) afwijking van de dwingend voorgeschreven Zesde BTW-richtlijn (77/388/EEG) mogelijk.

Nederlandse belangen:

Mede door de Nederlandse inzet op dit terrein is op de Europese top te Wenen in december 1998 besloten de Commissie aan te sporen om het de lidstaten mogelijk te maken te experimenteren met een verlaagd BTW-tarief op bepaalde arbeidsintensieve diensten.

Consequenties voor EG-begroting in Euro (per jaar):

Geen

Consequenties voor nationale regelgeving en beleid en/of voor decentrale overheden:

Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 is noodzakelijk (zie ook 12.).

Rol EP in de besluitvormingsprocedure:

Adviesrecht.



2 Ontwerp van een gemeenschappelijk optreden inzake strafrechtelijke bescherming tegen fraude en andere vormen van concurrentievervalsing bij de gunning van overheidsopdrachten op de interne markt.

Nummer van het Commissiedocument: n.v.t., het betreft een voorstel van het voorzitterschap.

Eerstverantwoordelijke Ministerie: JUST i.o.m. EZ en BZ

Behandelingstraject:

Werkgroep straf- en gemeenschapsrecht (na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam: werkgroep materieel strafrecht), JBZ-Raad.

Korte inhoud en doelstelling van het voorstel:


1. Het ontwerp-gemeenschappelijk optreden

Doel van het Duitse ontwerp-gemeenschappelijk optreden (na inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam: kaderbesluit) is het bieden van strafrechtelijke bescherming tegen bedrieglijke en oneerlijke mededinging bij openbare aanbestedingen op de interne markt en de bescherming van de financiële belangen van de opdrachtgever bij de openbare aanbesteding. Het gaat om openbare aanbestedingen boven een bepaalde drempelwaarde, zoals vastgelegd in diverse aanbestedingsrichtlijnen. Het GO ziet op opdrachten van de overheid (inclusief openbare nutsbedrijven voor water, energie, verkeer en telecommunicatie) voor leveringen, de bouw en diensten.

De in artikel 2 GO voorgestelde tekst waarin de strafbare gedraging wordt omschreven luidt (in het Nederlands vertaald en omgezet naar een mogelijke tekst in het wetboek van strafrecht) als volgt:

"Hij die, opzettelijk, in het kader van een Europese openbare aanbesteding, voor een onderneming een aanbod doet, dat berust op een wederrechtelijke overeenkomst tussen ondernemingen, met het doel de opdrachtgever tot het aannemen van het aanbod te brengen:

a) door het onmiddellijk of middellijk beloven, aanbieden of verzekeren van een voordeel aan een voor de aanbesteding verantwoordelijke persoon voor hemzelf of voor een derde als tegenprestatie voor het in strijd met zijn plichten geven van de opdracht, of

b) door het op andere wijze heimelijk samenwerken met de voor de aanbesteding verantwoordelijke persoon, of

c) onder het verzwijgen van genoemde overeenkomst,

wordt, als schuldig aan bedrieglijke mededinging, gestraft met (..)."

Artikel 1 geeft definities van openbare aanbesteding, onderneming en rechtspersoon. Artikel 3 gaat over deelneming en sancties. De artikelen 4 en 5 gaan over het daderschap van rechtspersonen en voor rechtspersonen gepaste sancties. Artikel 6 bepaalt dat de artikelen 4 en 5 niet gelden voor zover EG-regels al in sancties tegen rechtspersonen voorzien in verband met de strafbare gedraging. Artikel
7 betreft de rechtsmacht. De artikelen 8, 9 en 10 gaan over de implementatie, de publicatie van het GO en de inwerkingtreding ervan.

Grondslag voor het GO wordt gezocht in de artikelen K.1 sub 5 (bestrijden van fraude van internationale omvang) en 7 (justitiële samenwerking in strafzaken) en K.3, tweede lid, onder b (gemeenschappelijk optreden) van het EU-Verdrag.


2. Andere regelingen in de context van het ontwerp-gemeenschappelijk optreden

De in het GO bedoelde strafbare gedragingen bevinden zich in de eerste plaats in de context van de mededinging, terwijl ook elementen van omkoping aan de orde kunnen zijn.

blad 2 fiche "Strafrechtelijke bescherming tegen fraude"

Eerst de strafrechtelijke regelingen. Het Nederlandse wetboek van strafrecht kent in artikel 328bis een oneerlijke mededingingsbepaling. Strafbaar is degene die, om het handels- of bedrijfsdebiet van zichzelf of van een ander te vestigen, te behouden of uit te breiden, enige bedrieglijke handeling pleegt tot misleiding van het publiek of van een bepaald persoon, indien daaruit enig nadeel voor concurrenten van hem of van die ander kan ontstaan. In artikel 328ter wordt strafbaar gesteld de passieve en actieve private omkoping bij schending van de vertrouwensrelatie die verband houdt met dienstbetrekking of lastgeving. Omdat het om openbare aanbesteding gaat kunnen ook de bepalingen met betrekking tot de publieke omkoping (artikelen 177, 362 en 363) van belang zijn, welke in verband met diverse internationale overeenkomsten momenteel worden gewijzigd en aangevuld. De omkopingsbepalingen kunnen van belang zijn, omdat het daar opgenomen doen van belofte of gift in het GO terugkeert (het gaat dan met name om de actieve omkoping). De oplichtingsbepaling, artikel
326, staat te ver af van hetgeen beoogd wordt te regelen. De Duitse oplichtingsbepaling (par. 263 StGB, Betrug) lijkt het terrein wel in belangrijke mate te bestrijken, evenals de mededingingsbepalingen par.
298 en 299 StGB.

De Nederlandse Mededingingswet wordt bestuursrechtelijk gehandhaafd. Naar het voorbeeld van artikel 85 van het EG-Verdrag is in artikel 6, eerste lid, van de nieuwe Mededingingswet bepaald, dat verboden zijn overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen, die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Bij overtreding van dit verbod kan aan een natuurlijke persoon (waaronder niet is begrepen de bestuurder van een rechtspersoon) of rechtspersoon een bestuurlijke boete of een dwangsom worden opgelegd (artikel 56 Mededingingswet). Doel is het bevorderen van een werkzame mededinging door concurrentievervalsing tegen te gaan. In de oude Wet op de economische mededinging werden verboden en (informatie)plichten in verband met de mededinging strafrechtelijk gehandhaafd (artikel 1, onder 2de, van de Wet op de economische delicten). Met invoering van de nieuwe wet (1 januari
1998) is met de strafrechtelijke handhaving gebroken.

Subsidiariteitstoets, deregulering :

Als rechtsgrondslag voor de regeling zijn de reeds genoemde artikelen K.1 en K.3 EU-Verdrag opgegeven. Na inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam is in artikel 29 jo 31 EU-Verdrag (nieuw) zowel voor het onderwerp, namelijk corruptie en fraude, als voor de wens tot aanpassing van strafbepalingen enig houvast te vinden.

Harmonisering is wel gewenst, aangezien de algemene oplichtingsbepalingen in de lidstaten slechts beperkt in de problematiek voorzien.

Opmerking verdient verder dat de financiële belangen van de EG in het geding zijn, omdat ook gemeenschapsorganen volgens genoemde richtlijnen aanbesteden. Het aanknopen bij de aanbestedingsrichtlijnen lijkt wat gezocht. Deze richtlijnen zijn immers uitgevaardigd om begunstiging door opdrachtgevers van opdrachtnemers van de eigen nationaliteit tegen te gaan. Dat doel wordt met het voorgestelde GO niet gediend.

Nederlandse belangen:

Door de impuls die van de interne markt uitgaat zullen de bedoelde aanbestedingen meer dan voorheen opdrachtnemers van over de Nederlandse grens aantrekken, zoals omgekeerd ook Nederlandse opdrachtnemers meer en

blad 3 fiche "Strafrechtelijke bescherming tegen fraude"

meer naar opdrachtgevers in andere lidstaten op zoek zullen gaan. Bij deze aanbestedingen kan het om bedragen gaan die manipulatie van de mededinging aantrekkelijk maken. Weliswaar is door de vergrote markt het aantal aanbieders dikwijls groter, maar dat hoeft (bij specialistische aanbieders) niet steeds het geval te zijn. De concentratie van ondernemingen doet het aantal aanbieders eveneens afnemen. Vanuit dit oogpunt zou van Nederlandse zijde geen bezwaar behoeven te bestaan dit onderwerp in EU-verband te regelen.

Dat de mededinging recent opnieuw geregeld is in de Mededingingswet, waarbij de strafrechtelijke handhaving ingeruild is tegen de administratiefrechtelijke, behoeft op het eerste gezicht geen bezwaar te zijn om het GO in bespreking te nemen. In de eerste plaats is de regeling van de nieuwe Mededingingswet uitdrukkelijk beperkt tot Nederland, terwijl het bij het GO (mede) gaat om een bovennationale regeling. Het doel van beide regelingen is (deels) een andere. Artikel
6 van Mededingingswet (dat voortvloeit uit artikel 85 van het EG-Verdrag) heeft ten doel de werking van de markt te bevorderen door het tegengaan van op de markt betrekking hebbende factoren die die werking verstoren (zie de bij artikel 85 met name genoemde ongunstige factoren). Het doel van het GO is naast bevordering van eerlijke mededinging ook de bescherming van de financiële belangen van de opdrachtgever. Bij de besprekingen zou dit belang nog sterker op de voorgrond gebracht kunnen worden. Bovendien zijn er in artikel 6 van het GO (verder uit te bouwen) aanknopingspunten beide regelingen uit elkaar te houden. Opmerking verdient dat aan de strafrechtelijke handhaving het voordeel verbonden is, dat door het kunnen verlenen van strafrechtelijke wederzijdse rechtshulp samenwerking tussen de lidstaten beter gewaarborgd is.

Opgehelderd dient te worden of het voorstel met zich meebrengt dat bepaalde gedragingen of afspraken die binnen de reikwijdte van de administratiefrechtelijk gehandhaafde Mededingingswet vallen, ook strafrechtelijk gehandhaafd dienen te worden. Nederland is in beginsel geen voorstander van een dergelijke samenloop.

Consequenties voor EG-begroting in Euro (per jaar):

Geen

Consequenties voor nationale regelgeving/beleid c.q. decentrale overheden:

De Nederlandse strafrechtelijke regelingen voorzien nog niet specifiek in hetgeen het GO wil regelen. Een aanpassing van het wetboek van strafrecht zal het gevolg zijn, welke in de lijn van bovengegeven (onder korte inhoud en doelstelling van het voorstel) Nederlandse tekst van artikel 2 van het GO zou kunnen liggen.

Indien het GO een samenloop van strafrechtelijke en bestuursrechtelijke handhaving met zich mee zal brengen, ontstaat het risico dat onduidelijkheid zal ontstaan wat de verhouding tot de Mededingingswet betreft, hetgeen uit een oogpunt van rechtszekerheid en duidelijkheid onwenselijk is.

Rol EP in de besluitvormingsprocedure:

Het ontwerp-GO zal ter raadpleging aan het EP worden toegezonden.

Deel: ' Commissievoorstellen BNC '




Lees ook