Europa van Morgen


CONCLUSIES VAN HET VOORZITTERSCHAP
EUROPESE RAAD KEULEN
3 EN 4 JUNI 1999

I. INLEIDING

1. De Europese Raad is op 3 en 4 juni 1999 te Keulen bijeengekomen ten einde na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam belangrijke vraagstukken in verband met de toekomst te bespreken.

2. De Europese Raad heeft de aangewezen voorzitter van de Europese Commissie, de heer Romano Prodi, bij zijn besprekingen betrokken om met hem overleg te plegen over de kernpunten van het beleid van de Europese Unie voor de komende jaren. De Raad heeft met voldoening kennis genomen van de uiteenzetting van de heer Prodi over het werk- en hervormingsprogramma van de toekomstige Commissie. De Europese Raad bevestigt in dit verband zijn standpunt dat de benoemingsprocedure voor de nieuwe Commissie na de verkiezingen voor het Europees Parlement snel moet worden voortgezet en zo spoedig mogelijk moet worden afgerond.

3. Voorts heeft bij de aanvang van de besprekingen een gedachtewisseling over de voornaamste discussiepunten plaatsgevonden met de voorzitter van het Europees Parlement, de heer José María Gil-Robles.

II. BENOEMINGEN

4. De Europese Raad heeft belangrijke benoemingen gedaan. Ingevolge het Verdrag van Amsterdam heeft de Raad de heer Javier Solana Madariaga benoemd in het nieuwe ambt van secretaris-generaal van de Raad en Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. De Raad heeft de heer Pierre de Boissieu benoemd tot plaatsvervangend secretaris-generaal.

III. WERKGELEGENHEID, GROEI, CONCURRENTIEVERMOGEN EN DUURZAME ONTWIKKELING

5. Met de invoering van de euro op 1 januari 1999 heeft de Europese Unie haar tot dusver hoogste niveau van economische integratie bereikt. Terzelfdertijd is naast de VS de grootste economische en monetaire ruimte in de wereld ontstaan. Door de invoering van de euro wordt Europa in staat gesteld in de wereldeconomie een rol te spelen die in overeenstemming is met zijn economische gewicht. Een stabiele euro zal het vermogen van Europa tot bevordering van groei en werkgelegenheid versterken.

6. De Europese Raad is zich bewust van de wereldwijde verantwoordelijkheid die Europa met de invoering van de euro op zich genomen heeft. De Europese Raad benadrukt andermaal dat de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact strikt moeten worden toegepast. Daartoe behoort ook het verwezenlijken van realistische en geloofwaardige budgettaire doelstellingen in elk begrotingsjaar, die alleen door ambitieuze
consolideringsinspanningen in de nationale begrotingen op betrouwbare wijze bereikt kunnen worden. Het macro-economisch beleid inzake stabiliteit en groei vereist bovendien een op de groei gerichte belastingpolitiek, met name de verlaging van de belastingen en de bijdragen met betrekking tot arbeid, en een op werkgelegenheid gericht loonbeleid van de sociale partners.

Europees werkgelegenheidspact

7. Meer werkgelegenheid blijft Europa's hoogste prioriteit. De Europese Raad neemt derhalve het initiatief voor een Europees werkgelegenheidspact gericht op de duurzame vermindering van de werkloosheid. In het Europees werkgelegenheidspact worden alle werkgelegenheidsbeleidsmaatregelen van de Unie in een alomvattende algemene aanpak samengebracht. De Europese Raad steunt de drie pijlers van het Europees werkgelegenheidspact en onderscheidt daarin de volgende processen voor de langere termijn die op elkaar moeten worden afgestemd:

? Coördinatie van het economische beleid en verbetering van het synergisme van de loonontwikkeling en het monetair, budgettair en financieel beleid door een macro-economische dialoog, teneinde een duurzame niet-inflationaire groeidynamiek te doen ontstaan (proces van Keulen).

? Verdere ontwikkeling en betere uitvoering van de gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie ter verbetering van de efficiëntie van de arbeidsmarkten door de verbetering van de inzetbaarheid, het ondernemerschap, het aanpassingsvermogen van de ondernemingen en hun werknemers en de gelijkwaardige deelneming van vrouwen aan de arbeidsmarkt (proces van Luxemburg).
? Alomvattende structurele hervorming en modernisering ter verbetering van het innovatievermogen en de doeltreffendheid van de markten voor goederen, diensten en kapitaal (proces van Cardiff).

8. Volgens de Europese Raad kan de macro-economische dialoog met vertegenwoordigers van de Raad, de Commissie, de Europese Centrale Bank en de sociale partners een doelmatige aanzet vormen voor de verwezenlijking van het op groei en stabiliteit gericht macro-economisch beleid dat in de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Gemeenschap is bepaald. Volgens de Europese Raad is dit de basis voor een doeltreffende samenwerking tussen alle betrokkenen. De Europese Raad hecht zijn goedkeuring aan het Europees werkgelegenheidspact en aan het memorandum "Jongeren in Europa: onze toekomst". Hij bekrachtigt zijn resolutie over het Europees werkgelegenheidspact en neemt in dit verband met voldoening kennis van de verklaring van de sociale partners.

9. In het kader van de concrete uitvoering van de processen van Luxemburg en Cardiff verzoekt de Europese Raad de Commissie ? op grond van de tot op heden verrichte vergelijkingen van de beste praktijken concrete aanbevelingen voor maatregelen van de lidstaten in verband met de werkgelegenheid te doen en daarover verslag uit te brengen aan de Europese Raad van Helsinki; ? haar voorstel voor een gezamenlijk verslag over de werkgelegenheid en de nieuwe richtsnoeren inzake het werkgelegenheidsbeleid voor het jaar 2000 in september 1999 in te dienen.

10. Verder geeft de Raad bijzondere prioriteit aan de volgende maatregelen:

? ten volle gebruik maken van de structurele overgang naar een dienstenmaatschappij, in het bijzonder door het in kaart brengen en het exploiteren van sectoren die veel werkgelegenheid scheppen, en belemmeringen wegwerken op het gebied van werkgelegenheidsintensieve dienstverrichting;

? werkgelegenheidsbevorderende en sociaal doelmatige innovaties op de arbeidsmarkten.
De Europese Raad verzoekt de Commissie en de lidstaten na te gaan of en hoe

* ervoor kan worden gezorgd dat het scheppen van banen in het arbeidsintensieve deel van de dienstensector de werkgelegenheid sterker bevordert;

* het proces van Luxemburg door extra controleerbare doelstellingen nog doelmatiger kan worden gemaakt;
* in het kader van het proces van Luxemburg de grootst mogelijke doorzichtigheid over de maatregelen en werkwijzen van de nationale actieplannen voor werkgelegenheid kan worden bereikt;
* wijzigingen van de arbeidsorganisatie en veranderde arbeidstijdregelingen kunnen bijdragen tot het scheppen van nieuwe banen.

11. De Europese Raad is ingenomen met het besluit om in het voorjaar van 2000 onder het Portugese voorzitterschap een eerste bijzondere bijeenkomst van de Europese Raad te beleggen over "werkgelegenheid, economische hervorming en sociale samenhang - naar een Europa van de innovatie en de kennis", om te beoordelen welke vorderingen er in het proces van Keulen, Cardiff en Luxemburg gemaakt zijn. Een forum van vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, de Commissie, het Europees Parlement, de sociale partners en de Europese Centrale Bank zal deze resultaten beoordelen.

12. De Europese Raad spreekt zijn waardering uit voor het verslag van de Commissie betreffende de werkgelegenheidsindicatoren en verzoekt de Commissie en de lidstaten hun werkzaamheden ter zake voort te zetten.

13. Europa heeft behoefte aan een investeringsinitiatief. De Europese Raad besluit tot extra impulsen voor meer werkgelegenheid en investeringen. Tot dit maatregelenpakket behoren de uitbreiding van de activiteiten van de Europese Investeringsbank, de mobilisering van de communautaire beleidsmaatregelen op basis van de besluiten van de Europese Raad van
Berlijn voor de werkgelegenheidsdoelstelling, en het versnellen van innovaties.

14. De Europese Raad roept de Europese Investeringsbank op tot de onderstaande acties in alle lidstaten van de Unie:

? Vrijmaken van 500 miljoen euro extra uit het huidige kader voor risicokapitaalfinancieringen, waardoor de middelen voor de Europese technologiefaciliteit kunnen worden verdubbeld. Door een vlotte omzetting zijn extra werkgelegenheidsimpulsen mogelijk; ? Uittrekken van 1 miljard euro extra voor
risicokapitaalfinancieringen van investeringen in spitstechnologie van kleine en middelgrote ondernemingen voor de periode 2000-2003, mede in samenwerking met het Europees Investeringsfonds. Op die manier wordt een waardevolle bijdrage geleverd aan het verbeteren van het eigen vermogen van kleine en middelgrote ondernemingen met een sterk groeipotentieel en aan het scheppen van werkgelegenheid;

? Voortzetten en uitbreiden van de kredietverlening in de sectoren stadsvernieuwing, onderwijs en volksgezondheid alsmede milieubescherming, waaronder bevordering van duurzame energie; ? Ondersteunen en aanvullen van de communautaire structurele en regionale steun, met name in gebieden die in de toekomst niet meer voor steun in aanmerking zullen komen. De hervorming van de structurele steun opent extra mogelijkheden om het ontwikkelingspotentieel van de regio's te ontsluiten via financiering uit leningen;
? ontwikkeling in deze staten heeft ook positieve effecten op de werkgelegenheid in de Europese Unie.
15. De besluiten van de Europese Raad van Berlijn bieden goede kansen voor het versterken van groei en werkgelegenheid door een efficiënte omzetting van de communautaire beleidsmaatregelen:

? Structurele steun: In de jaren 2000-2006 staat 213 miljard euro uit het Europees Structuurfonds en het Europees Cohesiefonds ter beschikking. De lidstaten en de Commissie worden opgeroepen de nieuwe steunprogramma's zo spoedig mogelijk aan te nemen, opdat de steun vanaf 2000 ononderbroken kan worden voortgezet. Het is de bedoeling dat de steun een zo groot mogelijk effect heeft op de werkgelegenheid.

De activiteiten van het Sociaal Fonds moeten de Europese werkgelegenheidsstrategie en de nationale actieplannen ondersteunen. De steun uit het Fonds voor regionale ontwikkeling en het Cohesiefonds draagt bij tot de uitbreiding van de infrastructuur en de verbetering van het concurrentievermogen van de economie. De maatregelen inzake plattelandsontwikkeling scheppen werkgelegenheid buiten de agrarische sector.

? Voor de uitbreiding van de trans-Europese netwerken is tot 2006 in een verhoging van de middelen met 4,6 miljard euro voorzien. De Europese Raad verzoekt de Commissie en de lidstaten
* een uitgebreide lijst van de prioritaire projecten in te dienen;


* de goedkeuring van projecten te bespoedigen;
* in samenwerking met de Europese Investeringsbank na te gaan in hoeverre meer gebruik kan worden gemaakt van partnerschapfinancieringen tussen overheid en private sector;
* te onderzoeken in hoeverre investeringen door institutionele beleggers kunnen worden vergemakkelijkt;

* meer aandacht te besteden aan de openbare infrastructuurinvesteringen in het kader van hun stabiliteits- of convergentieprogramma's.

? De Raad en het Europees Parlement wordt verzocht snel te beslissen over de aan te nemen programma's (Socrates, Jeugd), om met name hun effect op de werkgelegenheid te bespoedigen.

16. Innovaties en de informatiemaatschappij scheppen de arbeidsplaatsen van morgen.

• Het vijfde kaderprogramma voor onderzoek van de Gemeenschap met een financieel kader van 15 miljard euro moet het innovatieproces bespoedigen en het groei- en werkgelegenheidspotentieel van de Gemeenschap ten volle benutten. Hoe meer Europa kan concurreren op het gebied van de spitstechnologie, des te hoogwaardiger zullen de mogelijkheden inzake werkgelegenheid zijn.
• De ontwikkeling van een Europees satellietnavigatiesysteem (Galileo) moet, gezien zijn
strategisch belang, grondig worden getest. De Raad wordt verzocht zijn beraadslagingen over de Commissiemededeling betreffende dit systeem snel voort te zetten, met het oog op een in hoge mate private financiering.
• Europa moet in de informatiemaatschappij een leidende rol spelen:

* alle scholen moeten zo snel mogelijk toegang krijgen tot het Internet.

* om de plaats aan de top die Europa in het elektronische zakenverkeer inneemt, te versterken, moet de coördinatie van het beleid worden verbeterd met het oog op de ontwikkeling van een gunstige omgeving en moet spoedig een richtlijn worden aangenomen die door het bedrijfsleven mede wordt gedragen.

17. De Europese Raad geeft de Commissie en de lidstaten opdracht om, met medewerking van vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, de hindernissen voor een snelle ontwikkeling en aanwending van de informatietechniek te identificeren en voorstellen voor oplossingen uit te werken. Daarbij moet rekening worden gehouden met de noodzaak van standaardisering en deregulering.

Richtsnoeren voor het economisch beleid

18. De Europese Raad is ingenomen met de richtsnoeren voor het economisch beleid in de lidstaten en de Gemeenschap en beveelt de Raad aan deze aan te nemen. Daarbij zijn de aanbevelingen per land voor het opvoeren van de eigen inspanningen met betrekking tot het economisch beleid van alle lidstaten van bijzonder belang.

19. Volgens de Europese Raad bevindt de sleutel voor aanhoudende, niet-inflatoire groei en groeiende werkgelegenheid zich in het samengaan van een op groei en stabiliteit gericht macro-economisch beleid en grondige structurele hervormingen op het niveau van de Gemeenschap en van de lidstaten. De Europese Raad is van mening dat het blijvende succes van de Economische en Monetaire Unie een diepgaande en adequate coördinatie van het beleid alsook een dialoog met de sociale partners en de Europese Centrale Bank vergt. Het Europees werkgelegenheidspact zal daartoe een wezenlijke bijdrage leveren.

20. Op het gebied van de euro zal de versterking van de dialoog in de Euro-11 Groep bijdragen tot de realisatie van een evenwichtiger beleidsmix. De Europese Raad verzoekt de regeringen en de sociale partners het monetaire beleid bij hun prioritaire opdracht inzake het stabiliteitsbeleid te ondersteunen. Daarbij is een aanhoudende inzet voor het bereiken op middellange termijn van nagenoeg in evenwicht zijnde begrotingen of van begrotingsoverschotten, een passende loonontwikkeling en grondige structurele hervormingen van bijzonder belang.

Belastingbeleid

21. De Europese Raad neemt kennis van het tweede tussentijds verslag van de Groep Gedragscode en stelt met tevredenheid vast dat de beraadslagingen over de richtlijnvoorstellen betreffende het belasten van kapitaalopbrengsten goed gevorderd zijn. Hij is verheugd over het constructieve overleg met Europese derde landen over een doeltreffender belasting op rente van spaargelden.

22. De Europese Raad benadrukt dat de belastingstelsels in Europa zo moeten worden opgebouwd dat zij de werkgelegenheid bevorderen en dat schadelijke belastingconcurrentie moet worden bestreden. Ter bekrachtiging van de conclusies van de Europese Raad van Wenen verzoekt de Europese Raad derhalve:

• de Raad de werkzaamheden met betrekking tot de voorstellen voor een richtlijn betreffende de belasting op kapitaalopbrengsten en een richtlijn over interesten en royalty's voort te zetten, zodat vóór de Europese Raad van Helsinki overeenstemming wordt bereikt;

• de Raad aan de hand van het verslag van de Raad (ECOFIN) de werkzaamheden met betrekking tot een kader voor energiebelasting voort te zetten en daarbij ook rekening te houden met de betrokken gevolgen voor het milieu;

• de besprekingen van de Groep Gedragscode uiterlijk voor de Europese Raad van Helsinki te beëindigen.

23. De Europese Raad is ingenomen met het tweede verslag van de Raad over de stand van zaken met betrekking tot de versterkte samenwerking op het gebied van het belastingbeleid en verzoekt om een derde verslag voor de Europese Raad van Helsinki.

24. De Europese Raad verzoekt de Raad om het door de Commissie ingediende voorstel voor een richtlijn die het de lidstaten desgewenst mogelijk moet maken verlaagde BTW-tarieven voor arbeidsintensieve, niet-grensoverschrijdende diensten bij wijze van proef in te voeren, te bespreken teneinde tot een regeling te komen.

Interne financiële markt

25. De Europese Raad is verheugd over het verslag van de Raad en de mededeling van de Europese Commissie over het actieplan voor de totstandbrenging van een interne financiële markt. Gezien de toenemende uitdagingen in de concurrentie tussen de financiële markten en met het oog op hun betekenis voor de nationale economie wat economische groei en werkgelegenheid betreft, acht hij een snelle vooruitgang op dit gebied absoluut noodzakelijk. De Europese Raad steunt in principe de voorstellen en prioriteiten van het actieplan die in de bevoegde groepen in detail moeten worden bestudeerd.

26. De Europese Raad verzoekt de Europese Commissie haar werkzaamheden voort te zetten aan de hand van de besprekingen in de Groep financiële diensten, die verder advies zal geven in strategiekwesties, sectoroverschrijdende ontwikkelingen zal bespreken en toezicht zal houden op de vooruitgang in het kader van het actieplan.

Verbetering van het functioneren van het internationale financiële stelsel

27. De Europese Raad is opgetogen over het verslag van de Raad betreffende verbeteringen in het functioneren van het internationale financiële stelsel en verzoekt de lidstaten nauw samen te werken bij de uitvoering van de voorstellen. Bijzonder belang wordt door de Europese Raad gehecht aan een sterkere betrokkenheid van de private sector bij het vermijden en oplossen van financiële crises. In dit verband wijst hij erop dat er intensiever gewerkt moet worden aan het vastleggen van doelmatiger regels om de private sector mee de kosten van turbulenties op de financiële markten te laten betalen. Voorts steunt de Europese Raad de inspanningen met het oog op een doelmatiger wijze van toezicht op de financiële markten, met name in de opkomende markteconomieën, dat ook moet worden uitgebreid tot instellingen met een hoge verhouding risico/eigen kapitaal en offshore financiële centra. De oprichting van een forum voor toezicht op de financiële markten wordt door de Raad als een belangrijke stap in die richting beschouwd. De Europese Raad benadrukt dat alle nagestreefde verbeteringen van
het functioneren van het internationale financiële stelsel tot stand zullen worden gebracht in het kader van de bestaande Bretton-Woods-instellingen en dat het Internationaal Monetair Fonds hierin de centrale rol speelt.

Schuldenlast van de armste landen

28. Er moet een duurzame oplossing worden gevonden voor het schuldenprobleem van de armste landen. De Europese Raad is tevreden over de gemeenschappelijke Europese houding betreffende de verbetering van het schuldeninitiatief voor arme landen met zware schuldenlast en pleit voor een bespoediging van de verlichting van de schuldenlast voor de armste landen en voor ambitieuze doelstellingen met betrekking tot de omvang van de schuldverlichting. Hij beklemtoont de noodzaak van een nauwere verbinding tussen schuldverlichtingen en een strategie inzake armoedebestrijding. De lidstaten zijn bereid een verhoging van de kwijtscheldingsquote op commerciële kredieten in de Club van Parijs tot 90% en meer te steunen, en zetten zich in voor verdere verlichtingen van schulden uit de officiële ontwikkelingshulp. In dit kader is Europa, mits de lasten passend worden verdeeld, bereid zijn fair aandeel in de financiering van een verbeterd schuldeninitiatief te dragen.

Beleid inzake klimaatverandering, milieu en duurzame ontwikkeling

29. De Europese Raad onderstreept de wil van de Europese Unie te voldoen aan de in Kyoto aangegane verplichtingen betreffende het verminderen van de emissies van broeikasgassen en nadrukkelijk toe te werken naar het scheppen van de voorwaarden voor een spoedige ratificatie van het Kyoto-Protocol in het kader van het in Buenos Aires goedgekeurde actieplan. De in de conclusies van de Raad van 17 mei 1999 geformuleerde onderhandelingspositie van de Europese Unie wordt bekrachtigd. De Europese Raad beschouwt de ratificatie en de uitvoering van het Kyoto-Protocol als een belangrijke mijlpaal, maar beklemtoont ook de dringende noodzaak van verdere maatregelen, met name in de industrielanden.

30. De Europese Raad benadrukt het belang van de ontwikkeling van gezamenlijke en gecoördineerde beleidsmaatregelen en acties op communautair niveau als aanvulling op de inspanningen van de lidstaten. Alle relevante sectoren wordt verzocht een bijdrage te leveren in het kader van een alomvattende strategie ter bescherming van het klimaat. Het beleid inzake klimaatverandering is het belangrijkste voorbeeld van de in het Verdrag van Amsterdam vastgelegde verplichting van de Raad om de aspecten van het milieu en de duurzame ontwikkeling op andere communautaire beleidsterreinen te betrekken.

31. De Europese Raad verzoekt de Raad in zijn verschillende samenstellingen, bij de uitwerking van zijn integratiestrategieën voor de bijeenkomst in Helsinki, bijzondere aandacht te schenken aan het probleem van de klimaatsverandering. Met name moet er volgens de Europese Raad werk worden gemaakt van het opstellen van de kadervoorwaarden voor minder emissie-intensieve en milieuvriendelijker verkeerssystemen en van een toenemend, ongehinderd gebruik en de verdere ontwikkeling van duurzame energiebronnen. Tevens acht de Europese Raad een adequaat kader voor de energiebelasting noodzakelijk en verzoekt hij de Raad (ECOFIN) bij zijn beraad spoedig tot een besluit te komen. De Europese Raad neemt akte van het initiatief van het komende voorzitterschap om de activiteiten van de Gemeenschap op klimaatgebied krachtiger te ontwikkelen.
32. De Europese Raad neemt akte van het verslag van de Europese Commissie "Integratie van milieuaspecten in alle relevante beleidsterreinen" en van de vooruitgang die de Raad sedert de Europese Raad van Wenen heeft geboekt. Hij bevestigt zijn voornemen om in december 1999 tijdens zijn bijeenkomst in Helsinki alle geboekte vooruitgang te bezien en herinnert aan de gevraagde verslagen. Hij verzoekt de Raad (Algemene Zaken, ECOFIN alsmede Visserij) in het jaar 2000 verslag uit te brengen over de integratie van de milieuaspecten en van de duurzame ontwikkeling in de desbetreffende beleidsterreinen.

Europees Bureau voor fraudeonderzoek

33. De Europese Raad is ingenomen met de besluiten van het Europees Parlement van 6 mei 1999 en van de Raad (ECOFIN) van 25 mei 1999 inzake de oprichting van het nieuwe Europese Bureau voor fraudeonderzoek. Met name heeft hij lof voor de voorbeeldige, nauwe en constructieve samenwerking tussen Europees Parlement, Raad en Commissie, die het mogelijk gemaakt heeft dat in korte tijd de rechtsgrondslagen werden gelegd waarop het Bureau zoals gepland zijn werkzaamheden op 1 juni 1999 kon aanvatten. Tevens werd daarmee tijdig het politieke signaal gegeven dat de Unie ook in haar strijd tegen fraude, corruptie en wanbeheer slagvaardig is.

34. Het bureau moet toegerust worden met de nodige personele en financiële middelen, om een effectieve bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap ten behoeve van de Europese belastingbetaler te kunnen waarborgen. Alleen zo kan de strijd tegen misbruik van subsidies en onregelmatigheden in de lidstaten en binnen de instanties en organen van de Europese Unie doeltreffend worden gevoerd en kan het vertrouwen van de burgers in de betrokken nationale en Europese overheden worden hersteld. 35. De Europese Raad stelt met voldoening vast, dat behalve de genoemde organen ook de meeste andere instanties, bureaus en agentschappen, die op de grondslag van de gemeenschapsverdragen zijn ontstaan, terstond hun bereidheid te kennen hebben gegeven zich te onderwerpen aan een eventueel intern onderzoek door het Bureau voor fraudeonderzoek. Hij acht het principieel wenselijk dat alle communautaire instellingen deze interinstitutionele regeling onderschrijven en verzoekt daarom het Hof van Justitie, de Rekenkamer, de Europese Centrale Bank en de Europese Investeringsbank, zo spoedig mogelijk na te gaan onder welke voorwaarden ook zij zich aan een intern onderzoek door het Bureau kunnen onderwerpen en hoe overigens de samenwerking met het bureau gestalte kan krijgen.

Millenniumprobleem

36. De Europese Raad heeft tijdens de bijeenkomsten van Cardiff en Wenen gewezen op de mogelijke informaticaproblemen in verband met de millenniumwissel, en de lidstaten dringend verzocht maatregelen te treffen om eventuele storingen tot een minimum te beperken. Er is terzake reeds belangrijk werk verricht. In het licht van de naderende datumwissel dringt de Europese Raad er bij de Commissie op aan haar inspanningen op te voeren en een groep op hoog niveau bijeen te roepen, die de strategische beslissingen kan voorstellen die binnen de Europese Unie nodig kunnen zijn om te garanderen dat, wanneer in verband met de millenniumwissel informaticaproblemen optreden, vitale infrastructuursectoren probleemloos kunnen blijven functioneren. Voorts verzoekt de Europese Raad de Commissie gegevens over de wereldwijd getroffen preventiemaatregelen te verzamelen en deze ter informatie aan het publiek bekend te maken.

Verkeersveiligheid

37. Gezien de tragische gebeurtenissen in tunnels in Europa verzoekt de Europese Raad de Raad (Vervoer) het thema veiligheid in tunnels, met inbegrip van het vervoer van gevaarlijke goederen, te behandelen, om zo snel mogelijk aanbevelingen te kunnen doen voor de verbetering van de veiligheid en voor de verdere ontwikkeling in geheel Europa van uniforme hoge veiligheidsnormen.

Ultraperifere gebieden

38. De Europese Raad verzoekt de Commissie voor eind 1999 bij de Raad een verslag in te dienen waarin een pakket maatregelen is opgenomen ter uitvoering van artikel 299, lid 2, van het EG-Verdrag met betrekking tot de ultraperifere gebieden. IV. VERDERE ONTWIKKELING VAN DE EUROPESE UNIE 39. De afgelopen maanden is er substantiële voortgang gemaakt op de weg naar de Europese Unie van de 21e eeuw: met het akkoord over Agenda 2000 is over in het kader van de uitbreiding nodige hervormingen besloten en is het financieel kader van de Unie voor de volgende zeven jaar vastgelegd.

40. De Europese Raad neemt met voldoening kennis van de sedert de Europese Raad van Berlijn geboekte vorderingen bij de uitvoering van Agenda 2000, met name bij de aanneming van de desbetreffende wetgevingsbesluiten, alsmede van de sluiting van het interinstitutioneel akkoord over de begrotingsdiscipline. Hij verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk een ontwerp voor een nieuw eigenmiddelenbesluit in te dienen, zodat dit overeenkomstig de conclusies van Berlijn begin 2002 in werking kan treden.

41. Tot de Europese eenwording behoort voorts het besef van culturele saamhorigheid. Daarom worden culturele samenwerking en culturele uitwisselingen door de Europese Unie aangemoedigd. Het is zaak de verscheidenheid en rijkdom van de Europese culturen te behouden en te bevorderen. De Europese Raad verwelkomt daarom het akkoord over de centrale acties inzake Europese cultuurbevordering voor de komende jaren: de "Europese culturele hoofdstad" en het nieuwe kaderprogramma "Cultuur - 2000". De Europese Raad steunt de bevordering van cultuurprojecten in het kader van de structuurfondsen, voor zover zij bijdragen tot de schepping van duurzame arbeidsplaatsen.

42. De Europese Raad is ingenomen met het feit dat in het kaderprogramma voor cultuur met name de verbetering van de kennis van de culturen en de geschiedenis van de Europese volkeren wordt bevorderd en dat het boek als cultuurgoed daarbij een belangrijke rol speelt, hetgeen de Raad heeft bevestigd in een resolutie van 8 februari 1999.
Ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid

43. De Europese Raad herinnert aan het actieplan voor de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, dat hij in Wenen heeft goedgekeurd; hij roept de instellingen op om grote spoed te zetten achter de uitvoering ervan. Hij juicht het toe dat het Europees Parlement een resolutie over het actieplan van Wenen heeft aangenomen en naar aanleiding van een conferentie op 22 en 23 maart 1999 met parlementsleden uit de lidstaten, passende aandacht aan dit thema heeft geschonken. Rekening houdend met de resultaten van deze conferentie zal de Europese Raad tijdens de speciale bijeenkomst op 15 en 16 oktober in Tampere de toekomstige politieke koers van het Europese beleid in justitiële en binnenlandse aangelegenheden bepalen.

Een handvest van de grondrechten van de Europese Unie

44. Naar de opvatting van de Europese Raad heeft de Europese Unie thans een punt in haar ontwikkeling bereikt waarop de in Unieverband geldende grondrechten in een handvest gebundeld en aldus zichtbaarder gemaakt moeten worden.

45. Daartoe heeft hij het in bijlage IV vervatte besluit opgesteld. Het toekomstige voorzitterschap wordt verzocht vóór de speciale bijeenkomst van de Europese Raad op 15 en 16 oktober 1999 in Tampere de voorwaarden voor de uitvoering van dit besluit te scheppen.

Mensenrechten

46. De Europese Raad neemt kennis van het tussentijds verslag van het voorzitterschap over de mensenrechten. Hij roept op na te gaan of het dienstig is een bureau van de Unie voor mensenrechten en democratie op te richten.
Werking van de Instellingen

47. De Europese Raad benadrukt hoeveel belang hij hecht aan de interne hervorming en modernisering van de Commissie en de Europese openbare dienst in het algemeen. Hij heeft waardering voor de maatregelen die de zittende Commissie nog heeft getroffen. Hij verheugt zich over het voornemen van de aangewezen voorzitter van de Commissie om ingrijpende hervormingen te realiseren die nodig zijn opdat de Commissie haar taken efficiënt kan vervullen in een op overeenstemming en samenwerking toegesneden structuur.

48. De Europese Raad zal nauw samenwerken met de toekomstige voorzitter van de Commissie en hem steunen bij de totstandbrenging van een Commissie die zich onderscheidt door een beter financieel en personeelsbeleid, maximale eisen inzake integriteit en transparantie en een afgeslankt bestuur met duidelijke verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Structuur van en taakverdeling binnen de nieuwe Commissie moeten daarbij recht doen aan de nieuwe verplichtingen en aan het vereiste van een echte hervorming. De Europese Raad juicht het voornemen van de aangewezen voorzitter van de Commissie toe om begin 2000 concrete voorstellen voor hervormingen in te dienen.

49. De Europese Raad herinnert eraan dat de methode voor de aanpassing van de bezoldigingen en pensioenen op 30 juni 2001 verstrijkt. Hij verwelkomt het voornemen van de Commissie hierover tijdig hervormingsvoorstellen voor te leggen en tegelijk haar opvattingen over de hervorming van het personeelsbeleid toe te lichten.

50. De Europese Raad verheugt zich erover dat de secretaris-generaal van de Raad het verslag over het functioneren van de Raad in het vooruitzicht van een grotere Unie voorgelegd heeft. Hij verzoekt de Raad (Algemene Zaken) om, met inachtneming van dat verslag, tegen de bijeenkomst van de Europese Raad in Helsinki met concrete voorstellen te komen ter verbetering van het functioneren van de Raad in het vooruitzicht van de uitbreiding.

51. De Europese Raad verzoekt het Europees Parlement het probleem van het statuut van de Europese Parlementsleden spoedig te regelen.
Regeringsconferentie over de institutionele vraagstukken

52. Om te garanderen dat de Instellingen van de Europese Unie ook na de uitbreiding efficiënt kunnen werken, heeft de Europese Raad zijn voornemen bevestigd, begin 2000 een conferentie van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten bijeen te roepen, waarop een regeling moet worden getroffen voor alle institutionele vraagstukken die in Amsterdam niet werden opgelost, en nog voor de uitbreiding tot een oplossing moeten worden gebracht. Eind 2000 moet de conferentie worden afgesloten en moeten de nodige verdragswijzigingen worden overeengekomen.

53. Overeenkomstig het aan het Verdrag van Amsterdam gehechte “Protocol betreffende de instellingen in het vooruitzicht van uitbreiding van de Europese Unie” alsmede de hierover afgelegde verklaringen, behelst de opdracht van de regeringsconferentie de volgende thema’s:
- omvang en samenstelling van de Europese Commissie
- stemmenweging in de Raad (nieuwe weging, invoering van een dubbele meerderheid; drempel voor besluiten met gekwalificeerde meerderheid)

- de kwestie van de mogelijke uitbreiding van het besluiten bij gekwalificeerde meerderheid in de Raad.
Op de conferentie kunnen voorts andere verdragwijzigingen behandeld worden die nodig mochten blijken ten aanzien van de Europese Instellingen in verband met de bovenvermelde vraagstukken, alsmede in het kader van de uitvoering van het Verdrag van Amsterdam.

54. De Europese Raad verzoekt het toekomstige voorzitterschap ten behoeve van de Europese Raad in Helsinki op eigen verantwoordelijkheid een uitvoerig verslag op te stellen, waarin de verschillende mogelijkheden tot oplossing van de gestelde problemen worden opgesomd en verduidelijkt. Het voorzitterschap houdt daarbij rekening met de voorstellen van de lidstaten, de Europese Commissie en het Europees Parlement. Daarnaast kan het voorzitterschap onderzoeken of verder beraad geboden is. De Raad wordt verzocht nader te bepalen hoe het Europees Parlement bij een en ander zal worden betrokken. Met de kandidaat-lidstaten moet binnen de bestaande gremia een passende gedachtewisseling plaatsvinden.
Gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid

55. De Europese Raad heeft zijn beraadslagingen over een gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid voortgezet en de aangehechte verklaring betreffende de verdere ontwikkeling van het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid afgelegd. Hij heeft lof voor het werk van het Duitse voorzitterschap en erkent het in bijlage III vervatte verslag van het voorzitterschap als basis voor de komende werkzaamheden. De Europese Raad verzoekt het toekomstige voorzitterschap de activiteiten voort te zetten, met het oog op verdere rapportage voor de volgende bijeenkomst van de Europese Raad in Helsinki.

56. De Europese Raad verzoekt de Raad (Algemene Zaken) zich grondig te beraden over alle veiligheidsaspecten, om het instrumentarium van de Unie en de lidstaten om te reageren bij niet-militaire crises, uit te bouwen en beter te coördineren. Bij het beraad kan onder meer ter aanvulling van andere maatregelen van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid de mogelijkheid worden besproken van een stand-by-capaciteit om de civiele middelen en vakkennis van de afzonderlijke landen te bundelen.

Uitbreidingsproces

57. De Europese Raad stelt met voldoening vast dat de toetredingsonderhandelingen verder aan dynamiek hebben gewonnen en op een goed spoor zitten. Hij verwelkomt de positieve resultaten van de tweede substantiële onderhandelingsronde, in de eerste helft van 1999, met Estland, Polen, Slovenië, Tsjechië, Hongarije en Cyprus, over een aantal belangrijke en complexe hoofdstukken. De Europese Raad onderstreept dat hij vastbesloten is de onderhandelingsdynamiek verder te handhaven. Hiertoe zal de Europese Unie zo vroeg mogelijk in het komende jaar over alle hoofdstukken onderhandelingen aanknopen.

58. De Europese Raad verheugt zich erover dat het analytisch onderzoek van het acquis met Bulgarije, Letland, Litouwen, Roemenië en Slowakije nu van de multilaterale in de beslissende bilaterale fase is overgegaan, wat deze landen in staat zal stellen zich sneller op de toetreding voor te bereiden. De Europese Raad van Helsinki zal de vooruitgang van de kandidaat-lidstaten nagaan en de nodige conclusies trekken. 59. Hij beklemtoont nogmaals de conclusie van de Europese Raad van Luxemburg dat alleen op basis van de door de Europese Raad van Kopenhagen vastgestelde criteria kan worden besloten tot het aanknopen van verdere onderhandelingen. Tevens wijst hij op het belang dat aan het vooruitzicht op toetreding ook verbonden is voor aspirant-lidstaten waarmee nog niet onderhandeld wordt. Derhalve verzoekt hij de Commissie in het kader van haar eerstvolgende voortgangsverslag na te gaan welke maatregelen ertoe kunnen bijdragen dat dit perspectief voor alle aspirant-lidstaten gestalte krijgt. De Europese Raad is verheugd over de gestage vooruitgang in de kandidaat-lidstaten en moedigt deze aan hun hervormingen en aanpassingsinspanningen voort te zetten.

60. De Europese Raad beklemtoont het belang van hoge nucleaire veiligheidsnormen in Midden- en Oost-Europa. Hij benadrukt het belang hiervan in de context van de uitbreiding van de Unie en roept de Commissie op een en ander zorgvuldig te bestuderen in haar volgende Periodiek Voortgangsverslag dat in het najaar van 1999 verwacht wordt.

61. De Europese Raad juicht het toe dat op grond van het bijgewerkte advies van de Commissie over het toetredingsverzoek van Malta, met dit land kon worden overgegaan tot de analytische doorlichting van het acquis van de Unie. Voor de bijeenkomst van de Europese Raad in Helsinki zal de Commissie bijtijds ook een verslag over de vorderingen van Malta met het oog op de toetreding indienen, dat samen met de overeenkomstige verslagen betreffende de andere aspirant-lidstaten als basis zal dienen voor eventuele besluiten van de Europese Raad in Helsinki.

V. BUITENLANDSE BETREKKINGEN

Kosovo

62. De Europese Raad heeft de verklaring over Kosovo in bijlage dezes aangenomen.

Westelijke Balkan

63. Tijdens de crisis heeft de Europese Unie steeds een vooraanstaande plaats ingenomen bij de leniging van de nood van de vluchtelingen en ontheemden. De Europese Raad bevestigt dat de Europese Unie en de lidstaten bereid zijn alles in het werk te blijven stellen om de landen in de regio en de humanitaire hulporganisaties te steunen bij de vervulling van hun belangrijke humanitaire opdracht. In dit verband spreekt de Europese Raad zijn waardering uit voor de buitengewone inspanningen die de landen in de regio, inzonderheid Albanië en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië hebben geleverd om de ontheemden tijdelijk bescherming en een onderkomen te bieden, ondanks de zware economische en sociale lasten.

64. De Europese Raad onderstreept dat de Unie streeft naar regionale stabiliteit en zich ertoe verbonden heeft de landen in de regio bij te staan en hen te helpen de last van de Kosovo-crisis te dragen. De Europese Raad herinnert aan de financiële bijstand ten belope van 100 miljoen euro die aan de landen in de regio zijn beloofd.

65. De Europese Raad bevestigt de verbintenis van de Europese Unie dat zij een leidende rol op zich zal nemen bij de inzet voor herstel in Kosovo, en dringt er bij de andere donoren op aan genereus deel te nemen aan de inspanningen voor de wederopbouw. Daartoe zal een duidelijk en doelmatig overgangsbestuur van de provincie tot stand moeten worden gebracht in het kader van de politieke oplossing. Dat bestuur, dat onder leiding van de Europese Unie zou kunnen staan, moet het gezag en het vermogen hebben op te treden als pendant van de internationale gemeenschap en een effectief proces van wederopbouw en rehabilitatie mogelijk maken.
66 De Europese Raad verzoekt de Commissie prioriteit te geven aan de opstelling van voorstellen voor de organisatie van de beoogde steun voor de wederopbouw, in het bijzonder wat betreft de geschikte middelen en mechanismen die gecreëerd moeten worden en de nodige personele en financiële middelen om uitvoering te geven aan het proces.

67. In het besef dat er na beëindiging van de crisis uitzonderlijke inspanningen zullen moeten worden geleverd voor de wederopbouw van de regio en dat er met spoed passende maatregelen moeten worden getroffen, verzoekt de Europese Raad de Commissie om vóór eind juni voorstellen uit te werken tot oprichting van een agentschap dat met de uitvoering van de communautaire wederopbouwprogramma's zal worden belast. Er wordt van de Raad, het Europees Parlement en de Rekenkamer gevraagd dat zij het uiterste doen om het agentschap in staat te stellen zijn taken voor het einde van de zomer aan te vangen.

68. Gelet op de voorzienbare behoeften verzoekt de Europese Raad de Commissie zo spoedig mogelijk met voorstellen te komen voor bijkomende mankracht en financiële middelen voor bijstand aan en terugkeer van de vluchtelingen. Een en ander kan, zo nodig, mede behelzen dat de bestaande reserve van 196 miljoen euro op de lopende begroting van de Europese Gemeenschappen wordt aangesproken, dat middelen uit andere begrotingslijnen worden overgeschreven, of dat een ontwerp van aanvullende begroting 1999 wordt ingediend. Voor de daaropvolgende jaren zullen passende oplossingen nodig zijn.

69. De Europese Raad ziet uit naar de vaststelling van een gemeenschappelijke strategie voor de westelijke Balkan, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Wenen, en verzoekt de Raad het tempo van de vereiste voorbereidingen aan te houden.

70. De Europese Raad bevestigt het standpunt van de Europese Unie met betrekking tot sportmanifestaties met de Federale Republiek Joegoslavië. De Raad zal deze kwestie opnieuw bezien na de aanneming van een resolutie van de VN-Veiligheidsraad. Stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa

71. De Europese Raad toont zich zeer ingenomen met de vooruitgang die is geboekt bij het uitwerken van het stabiliteitspact voor Zuidoost-Europa, en ziet uit naar een spoedig akkoord tijdens de geplande ministeriële vergadering op 10 juni in Keulen. Het stabiliteitspact zal bijdragen tot het bevorderen van vrede, stabiliteit en welvaart in de regio en tot een betere samenwerking tussen de landen van de regio. De deelname van de Federale Republiek Joegoslavië aan dit proces zal te gelegener tijd worden bezien, zodra dit land voldoet aan de voorwaarden van de internationale gemeenschap inzake Kosovo. Voorwaarde is dat eerst een regeling tot stand komt voor de crisis in Kosovo. Voorts wijst de Europese Raad erop dat er vooruitgang moet worden geboekt op het gebied van de democratische vrijheden en de eerbiediging van de rechten van minderheden.

72. De Europese Raad bevestigt opnieuw dat de Europese Unie bereid is het vooruitzicht op volledige integratie in haar structuren voor de landen van de regio naderbij te brengen. Dit zal geschieden via een nieuw soort contractuele betrekking waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van ieder land, met inbegrip van vooruitgang bij regionale samenwerking, en met het vooruitzicht op lidmaatschap van de Europese Gemeenschap op basis van het Verdrag van Amsterdam en met naleving van de tijdens de Europese Raad in Kopenhagen van juni 1993 vastgestelde criteria.

73. De Europese Unie zal alles in het werk stellen om de Republiek Montenegro onder haar democratische regering te ondersteunen, en van meet af aan de voordelen van het stabiliteitspact te laten genieten.

74. De Europese Raad benadrukt de vaste wil te hebben dat de Europese Unie de leiding neemt bij de uitvoering van het stabiliteitspact. Hij verzoekt de Raad en de Commissie voorrang te geven aan de nodige uitvoeringsmaatregelen. De Unie zal de landen van de regio actief bijstaan in hun streven de doelstellingen van het stabiliteitspact te bereiken. In overeenstemming met haar leidende rol zal de Europese Unie, na overleg met de fungerend voorzitter van de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa en andere deelnemers, de speciale coördinator voor het stabiliteitspact aanwijzen.
75. De Europese Raad neemt nota van de inspanningen die de Commissie en de Wereldbank leveren om een coherente internationale bijstandsstrategie te ontplooien en met spoed voorbereidingen te treffen voor een donorconferentieprocedure voor Zuidoost-Europa, uitgaande van een gezamenlijke realistische raming van de financiële middelen voor de economische wederopbouw van de regio op middellange en lange termijn.

76. De Europese Raad bevestigt zijn bereidheid een substantiële bijdrage te leveren aan de inspanningen in verband met de wederopbouw en roept andere donoren op die inspanningen genereus bij te treden.

77. De Europese Raad wijst eens te meer op het belang van effectieve coördinatie tussen Commissie, internationale financiële instellingen en bilaterale donoren. In dat verband is een belangrijke rol weggelegd voor de speciaal coördinator van het stabiliteitspact.

Gemeenschappelijke strategie voor Rusland

78. De Europese Raad heeft een gemeenschappelijke strategie van de Europese Unie voor Rusland bepaald. Doel van deze eerste gemeenschappelijke strategie is de versterking van het strategisch partnerschap tussen Rusland en de Europese Unie, dat van doorslaggevend belang is om de vrede en veiligheid in Europa en in de wereld te handhaven en de gemeenschappelijke uitdagingen in Europa het hoofd te bieden. Te dien einde ziet de Europese Unie vol verwachting uit naar de samenwerking met een Rusland dat in toenemende mate gekenmerkt wordt door openheid, pluralisme, democratie en stabiliteit en dat een rechtsstaat tot stand brengt als fundament voor een welvarende markteconomie. Deze samenwerking versterkt het partnerschap tussen de Europese Unie en Rusland en plaatst het in een perspectief dat tot ver in de volgende eeuw reikt.

79. Met de aanneming van deze gemeenschappelijke strategie wordt dit belangrijke bij het Verdrag van Amsterdam in het leven geroepen instrument voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid enkele weken na de inwerkingtreding van het Verdrag voor het eerst gehanteerd. Op basis van deze strategie worden meerderheidsbesluiten mogelijk, waardoor de coherentie en de efficiëntie van het optreden van de Unie, de Commissie en de lidstaten worden versterkt.
Andere gemeenschappelijke strategieën

80. De Europese Raad wijst er nogmaals op dat hij tijdens zijn bijeenkomst in Wenen de Raad heeft verzocht ook gemeenschappelijke strategieën voor te bereiden ten aanzien van Oekraïne, het Middellandse-Zeegebied, in het bijzonder rekening houdend met het proces van Barcelona en het vredesproces in het Midden-Oosten en de Westelijke Balkan. In de zes maanden die sedert de bijeenkomst van Wenen zijn verstreken, is op verschillende manieren opnieuw duidelijk gebleken welke betekenis de genoemde regio’s voor de Europese Unie toekomt, niet alleen als partners in de externe betrekkingen van de Unie, maar ook voor de stabiliteit en de veiligheid op ons continent en in de direct aangrenzende gebieden. De Europese Unie draagt niet alleen een bijzondere verantwoordelijkheid, maar bevindt zich ook in een bijzondere positie om met al haar buurlanden in nauw partnerschap samen te werken bij de verwezenlijking van die doelstellingen, in aanvulling op de gemeenschappelijke strategie ten aanzien van Rusland. De Europese Raad is ingenomen met de tot dusver verrichte voorbereidingen en verzoekt de Raad met spoed verder te werken aan de andere drie in Wenen overeengekomen gemeenschappelijke strategieën zodat elk ervan zo spoedig mogelijk kan worden afgerond. Bij de bepaling van andere gebieden voor gemeenschappelijke strategieën zou ook nader moeten worden ingegaan op thema's zoals mensenrechten en democratie.

Oekraïne

81. De Europese Raad is ingenomen met de steeds intensievere samenwerking met Oekraïne in het kader van de sedert maart 1998 van kracht zijnde partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst, die de betrekkingen op een hoger plan heeft getild. Getracht moet worden het grote potentieel van die overeenkomst ten volle te benutten en Oekraïne zodoende nader tot de Europese Unie te brengen. Hij moedigt Oekraïne aan zijn hervormingsbeleid consequent voort te zetten, en zegt het daarvoor zijn aanhoudende steun toe.

82. De Europese Raad brengt de overeenstemming (Memorandum of Understanding)
G7-Oekraïne over de sluiting van de kerncentrale van Tsjernobyl in herinnering. Hij beklemtoont dat het noodzakelijk is alles in het werk te stellen om de centrale zoals overeengekomen in het jaar 2000 stil te leggen, en roept de internationale gemeenschap op te onderzoeken met welke maatregelen de gevolgen van sluiting van de kerncentrale van Tsjernobyl voor Oekraïne draaglijk kunnen worden gemaakt.
83. In dat verband onderstreept de Europese Raad het cruciale belang dat hij aan de gemeenschappelijke strategie van de Europese Unie hecht voor de verdere verdieping van de reeds nauwe betrekkingen tussen de Europese Unie en Oekraïne.

Transatlantische betrekkingen

84. De Europese Raad is ingenomen met de nauwe transatlantische samenwerking ten aanzien van belangrijke internationale thema’s als de Kosovo-crisis. De topontmoetingen tussen de Europese Unie en Canada op 17 juni en tussen de Europese Unie en de VS op 21 juni bieden de gelegenheid de transatlantische betrekkingen, die voor de internationale stabiliteit van doorslaggevende betekenis zijn, verder te verdiepen en te waarborgen dat problemen in de wederzijdse betrekkingen op een voor beide partijen bevredigende wijze worden opgelost. In dat opzicht is de Europese Raad ervan overtuigd dat er van weerskanten nog verdere inspanningen moeten worden geleverd om onder andere door de instelling van een doeltreffend systeem voor vroegtijdige waarschuwing te voorkomen dat de talrijke en diepgaande handelsgeschillen het algemene klimaat van de bilaterale betrekkingen schaden. Het zal daarbij van steeds groter belang zijn de mensen op wie en de organisaties waarop de politieke beslissingen betrekking hebben, in de transatlantische dialoog te betrekken. Hij onderstreept het belang van het transatlantisch actieplan en in dat verband het Transatlantisch Economisch Partnerschap.

Betrekkingen Europese Unie-Japan

85. De Europese Raad is ingenomen met de nauwe samenwerking tussen de Europese Unie en Japan met name in het kader van de politieke dialoog en inzake vraagstukken op het gebied van de bilaterale en multilaterale economische betrekkingen. De topontmoeting tussen de Europese Unie en Japan op 20 juni zal die nauwe samenwerking verder verdiepen. Japan is voor de Europese Unie een bijzonder belangrijke politieke en economische partner in Azië. De Europese Raad onderstreept derhalve het gemeenschappelijk belang van de Europese Unie en Japan bij vrede, stabiliteit en welvaart in Azië, in Europa en in de hele wereld.
Midden-Oosten

86. De Europese Raad bevestigt na de verkiezingen in Israël zijn verklaring van Berlijn (van 25 maart 1999) en onderstreept het belang van een oplossing door onderhandelingen in het Midden-Oosten. Hij roept Israël en de Palestijnen op volledig en onverwijld uitvoering te geven aan het Wye-Rivermemorandum, en zo spoedig mogelijk onderhandelingen over de definitieve status te heropenen teneinde in de regio een algemene, rechtvaardige en duurzame vrede tot stand te brengen.

87. De Europese Raad betuigt voorts zijn instemming met het voornemen van de nieuw verkozen premier van Israël om de onderhandelingen met de Palestijnen en met Syrië te heropenen, en, in dat verband, met zijn plannen om een snelle oplossing te zoeken voor de terugtrekking van Israëlische troepen uit Libanon. De Europese Raad ondersteunt voorts de multilaterale dimensie van het vredesproces en moedigt de werkgroepen aan hun werkzaamheden op de ontwikkeling van regionale samenwerking en integratie toe te spitsen. De Europese Raad bevestigt nogmaals dat de Europese Unie vastbesloten is haar rol in het vredesproces ten volle op zich te nemen en heeft waardering voor het werk van de speciale gezant van de Europese Unie, de heer Moratinos.

Europees-Mediterraan partnerschap

88. De Europese Raad is ingenomen met de resultaten van de op 15/16 april 1999 in Stuttgart gehouden derde Europees-Mediterrane Conferentie. De Europese Raad uit zijn waardering voor het feit dat het op een voor de regio politiek gezien bijzonder moeilijk tijdstip is gelukt het onvoorwaardelijk engagement van alle deelnemers voor de in de Verklaring van Barcelona vastgelegde doelstellingen en beginselen te bevestigen, en het partnerschap krachtige impulsen te geven voor het verder ontwikkelen van alle drie gebieden. Hij roept de Raad en de Commissie ertoe op de in Stuttgart genomen besluiten, met name ter verbetering van de intraregionale samenwerking op alle gebieden van het partnerschap en voor een intensievere deelname van actoren buiten de centrale overheden, met nadruk in praktijk te brengen. Latijns-Amerika en Caribisch gebied

89. De Europese Raad verheugt zich nadrukkelijk over het feit dat op 28 en 29 juni 1999 in Rio de Janeiro de eerste topontmoeting tussen de staatshoofden en regeringsleiders van de Europese Unie, Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied plaatsvindt. Met deze historische gebeurtenis, die de uitstekende, nauwe betrekkingen tussen de beide regio’s illustreert, zal er een nieuw strategisch partnerschap worden gegrondvest waardoor het wederzijdse begrip tussen onze regio’s op politiek, economisch en cultureel gebied moet worden verdiept.

90. De Europese Raad neemt met voldoening akte van het lopende onderhandelingsproces met Mexico en hoopt dat zo spoedig mogelijk, in ieder geval nog dit jaar, een akkoord kan worden bereikt.

91. De Europese Raad neemt met voldoening kennis van het besluit van de Raad dat 250 miljoen euro wordt uitgetrokken voor de financiering van een wederopbouw- en rehabilitatieplan in Centraal-Amerika en draagt de Commissie op dit plan zo spoedig mogelijk ten uitvoer te brengen.

Noordelijke dimensie

92. De Europese Raad acht de door de Raad aangenomen richtsnoeren voor een "noordelijke dimensie" van het beleid van de Europese Unie een goed uitgangspunt om het profiel van de Europese Unie in de regio te versterken. Hij staat positief tegenover het voornemen van het komende voorzitterschap om op 11/12 november 1999 een ministersconferentie over de "noordelijke dimensie" te organiseren. Met het concept voor de "noordelijke dimensie" wordt het doel nagestreefd gezamenlijk met de landen van de regio de welvaart te verhogen, de veiligheid te consolideren, en resoluut gevaren als milieuvervuiling, nucleaire risico’s en grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit te lijf te gaan. De Europese Raad is van mening dat om die doelstellingen te verwezenlijken, na de conferentie in november de mogelijkheid moet worden onderzocht een actieplan op te stellen. Met de aanneming van de richtsnoeren is thans het moment aangebroken om de betrokken kandidaat-lidstaten, de Russische Federatie, Noorwegen en IJsland bij de verdere uitwerking te betrekken. Trans-Kaukasië-top

93. De Europese Raad onderstreept het belang van Trans-Kaukasië voor de stabiliteit in het grensgebied tussen Europa en Azië, en heeft waardering voor het bereikte niveau van de betrekkingen. De Europese Raad verwacht dat de ontmoeting van de Europese Unie met de drie trans-Kaukasische presidenten op 22 juni in Luxemburg naar aanleiding van de inwerkingtreding van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten de betrekkingen van de Europese Unie met Armenië, Azerbeidzjan en Georgië impulsen geeft die bepalend zijn voor de toekomst. De Europese Raad is ervan overtuigd dat daardoor tevens de regionale samenwerking en zodoende het vinden van duurzame oplossingen voor nog aanhoudende conflicten in de regio wordt vergemakkelijkt.

Oost-Timor

94. De Europese Raad spreekt zijn grote voldoening uit over de ondertekening van de akkoorden van New York over Oost-Timor, die de weg openen voor een rechtvaardige regeling van een reeds jaren aanslepend internationaal conflict door raadplegingen waarin gepeild wordt naar de eigen wil van de bevolking van Oost-Timor. Hij spreekt zijn waardering uit voor de succesvolle inspanningen van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en van de partijen om dit historisch resultaat te bereiken.

95. De Europese Raad deelt de grote bezorgdheid die de secretaris-generaal van de Verenigde Naties uit in zijn verslag aan de Veiligheidsraad over de gespannen en onstabiele situatie die in Oost-Timor blijft bestaan.

96. De Europese Raad bevestigt opnieuw zijn steun aan de voorstellen van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties voor de instelling van een VN-missie in Oost-Timor (UNAMET) om de raadplegingen te organiseren. Hij verzoekt de Raad om na te gaan of overeenkomstig de bepalingen van het akkoord betreffende de nadere regelingen voor het raadplegingsproces een Europees waarnemersteam naar Oost-Timor kan worden gezonden. Macao

97. De Europese Raad verwacht dat het transitieproces in Macao verder wordt afgerond, in dezelfde positieve geest die het gehele proces heeft gekenmerkt. De Europese Raad rekent er stellig op dat de volledige uitvoering van de gemeenschappelijke verklaring van 1987 tussen China en Portugal borg zal staan voor een probleemloze overdracht van het bestuur op 20 december 1999, en is van oordeel dat een hoge mate van autonomie van de toekomstige Speciale Autonome Regio alsmede de continuïteit van de maatschappelijke, economische, juridische en culturele specificiteit van Macao de basis voor de stabiliteit en welvaart van de Regio zullen vormen.

98. De Europese Raad is vol vertrouwen dat de bestaande betrekkingen en de huidige samenwerking tussen de Unie en Macao zullen worden verbeterd en aldus positief zullen bijdragen tot de verdere ontwikkeling van het gebied.

Wereldhandelsorganisatie (WTO)

99. De Europese Raad hecht grote betekenis aan het multilateraal handelsstelsel, en benadrukt dat een verdere multilaterale liberalisering van het handelsverkeer de beste manier is om de uitdagingen aan te gaan die uit snelle en vergaande economische veranderingen alsook uit de toenemende mondialisering voortvloeien.

100. De Europese Raad maakt er zich sterk voor dat op de derde WTO-ministersconferentie in Seattle, eind 1999, een nieuwe, algemene onderhandelingsronde in het kader van de WTO wordt ingeluid die in het jaar 2000 begint en zo mogelijk binnen drie jaar moet worden afgesloten. Onderhandelingen die een breed scala van thema’s omvatten, waaronder arbeidsnormen, milieu, ontwikkeling en transparantie, vormen het meest geschikte uitgangspunt om wezenlijke en evenwichtige resultaten ten profijte van alle WTO-leden te boeken.

101. De Europese Raad acht het met het oog op de groeimogelijkheden die in het handelsverkeer besloten liggen, absoluut noodzakelijk dat de ontwikkelingslanden in grotere mate in de wereldhandel worden betrokken, en hij is derhalve ertoe bereid die landen een betere markttoegang te bieden.

102. De Europese Raad juicht de toetreding van nieuwe staten tot de WTO toe. Hij uit nadrukkelijk zijn waardering voor de inspanningen van China en Rusland om tot de WTO toe te treden, en roept de Raad en de Commissie ertoe op een snelle toetreding van China op basis van een redelijk belangenevenwicht te steunen, en de Russische inspanningen tot aanpassing aan de eisen inzake toetreding tot de WTO te bevorderen.

_________________

BIJLAGEN BIJ DE
CONCLUSIES VAN HET VOORZITTERSCHAP

EUROPESE RAAD KEULEN
3 EN 4 JUNI 1999

Bladzijde

BIJLAGE I Resolutie van de Europese Raad en verslag over het Europees werkgelegenheidspact 3

BIJLAGE II Gemeenschappelijke strategie van de Europese Unie ten aanzien van Rusland 14

BIJLAGE III Verklaring van de Europese Raad en verslag van het voorzitterschap over de versterking van het gemeenschappelijk Europees beleid inzake veiligheid en defensie 33

BIJLAGE IV Besluit van de Europese Raad over de opstelling van een Handvest
voor de grondrechten van de Europese Unie 43

BIJLAGE V Verklaring van de Europese Raad over Kosovo 44

BIJLAGE VI Aan de Europese Raad in Keulen voorgelegde documenten 45
BIJLAGE I

ONTWERP VAN EEN
RESOLUTIE VAN DE EUROPESE RAAD OVER HET
EUROPEES WERKGELEGENHEIDSPACT

Nauwere samenwerking voor meer werkgelegenheid en economische hervormingen in Europa

DE EUROPESE RAAD, te Keulen bijeen op 3 en 4 juni 1999,

verwijzend naar:

de conclusies van de Europese Raad van Wenen, inzonderheid die betreffende de opstelling van een Europees Werkgelegenheidspact,

de resolutie van de Europese Raad van Luxemburg betreffende de coördinatie van het economisch beleid in de derde fase van de EMU,

de resolutie van de Europese Raad van Amsterdam betreffende het stabiliteits- en groeipact en die over groei en werkgelegenheid,

de conclusies van de buitengewone bijeenkomst van de Europese Raad van Luxemburg over werkgelegenheid,

de conclusies van de Europese Raad van Cardiff betreffende economische hervormingen en gezonde overheidsfinanciën als basis voor groei, welvaart en werkgelegenheid,

instemmende met het verslag van het voorzitterschap over het Europees werkgelegenheidspact: nauwere samenwerking voor meer werkgelegenheid en economische hervormingen in Europa, van 31 mei 1999, met daarin het supplement "Jongeren en Europa: onze toekomst",

HEEFT DE VOLGENDE RESOLUTIE AANGENOMEN:
I. Meer werkgelegenheid als hoogste prioriteit

1. De Europese Raad beschouwt een hoog werkgelegenheidsniveau als sleutel tot meer economisch welzijn, maatschappelijke rechtvaardigheid en samenhang. De strijd tegen de veel te hoge werkloosheid is daarom de belangrijkste doelstelling van ons economisch en sociaal beleid. Het bereiken van meer werkgelegenheid op de interne markt is afhankelijk van een verbetering van de onderliggende macro-economische voorwaarden, van de inzetbaarheid en kwalificaties van de arbeidskrachten, van goed functionerende arbeidsmarkten en van doeltreffende, concurrerende markten voor goederen, diensten en kapitaal op het niveau van de lidstaten en de Gemeenschap. De invoering van de euro heeft geleid tot een aanzienlijke verbetering van de voorwaarden voor meer groei en werkgelegenheid. Om dit potentieel volledig te kunnen benutten en een dynamischer groei en hogere werkgelegenheid te bereiken, met handhaving van de prijsstabiliteit, moet de strategie ter bevordering van investeringen en innovatie worden versterkt. Met het oog daarop verbindt de Europese Raad zich ertoe de inspanningen in de lidstaten te intensiveren en nauwer samen te werken binnen de Europese Unie. Dit zijn de doelstellingen van het Europese werkgelegenheidspact, dat volgens de Europese Raad de grondslag en het kader vormt van een volgehouden proces van meer groei en werkgelegenheid en dat strookt met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid, het voornaamste instrument voor de coördinatie van het economisch beleid in de Gemeenschap. Met deze beleidsaanpak levert de Unie tevens een positieve bijdrage aan de oplossing van de problemen van de wereldeconomie.

2. Bij de gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie en de economische hervormingen wordt de macro-economische dialoog toegevoegd als de derde pijler van het Europese werkgelegenheidspact. Dit nieuwe element is bedoeld voor de verbetering van de voorwaarden voor een op samenwerking gebaseerde macro-economische beleidsmix gericht op groei en werkgelegenheid, met handhaving van de prijsstabiliteit. Met deze drie pijlers van het Europese werkgelegenheidspact, die elkaar onderling steunen en versterken, verankert de Unie haar beleid voor meer werkgelegenheid in een alomvattende strategie voor de versterking van een dynamische ontwikkeling van onze economieën.

3. In de globale richtsnoeren voor het economisch beleid worden de lidstaten en de Gemeenschap het jaarlijks eens over de hoofdlijnen van hun economisch beleid; in de werkgelegenheidsrichtsnoeren worden de lidstaten en de Gemeenschap het jaarlijks eens over de hoofdlijnen van de gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie; in de verslagen van Cardiff over economische hervorming verwijzen de lidstaten en de Gemeenschap naar de economische hervormingen waarmee is begonnen en geven zij de richting van de toekomstige hervormingsinspanningen aan. Deze ingeburgerde procedures bieden de juiste context waarin aan het Europese werkgelegenheidspact meer inhoud kan worden gegeven, die afgestemd is op voortdurend veranderende eisen.

II. Gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie en economische hervormingen goed op gang

4. De Europese Raad bevestigt zijn gehechtheid aan de gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie (proces van Luxemburg) en aan de economische hervormingen (proces van Cardiff). De verbetering van de inzetbaarheid, vooral voor diegenen die op de arbeidsmarkt een achterstand hebben, en de hulp aan werklozen om de kennis en vaardigheden op te doen die zij nodig hebben, de ontwikkeling van het ondernemerschap, de stimulering van het aanpassingsvermogen van het bedrijfsleven en zijn werknemers en de verbetering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen vormen de kern van deze strategie. Structurele hervormingen van de arbeids-, de goederen- en de kapitaalmarkt acht de Europese Raad van essentieel belang om zeker te stellen dat het Europese bedrijfsleven met succes op de wereldmarkten kan concurreren en dat het groeipotentieel van de Europese economieën ten volle kan worden benut. In dit verband wijst de Europese Raad eveneens op het belang van een aanhoudende dialoog tussen Raad, Commissie en sociale partners over de gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie in het Permanent Comité voor arbeidsmarktvraagstukken.

III. Macro-economische dialoog voor de bevordering van groei en werkgelegenheid

5. Om een sterke groei van de werkgelegenheid te bewerkstelligen, met handhaving van de prijsstabiliteit, moeten het belastingbeleid, het monetair beleid en de loonontwikkelingen positief op elkaar inwerken. De Europese Raad doet een beroep op al diegenen die beslissen over of invloed hebben op het economische en het werkgelegenheidsbeleid om bij te dragen tot meer werkgelegenheid op basis van sterke, niet-inflatoire groei, tegelijkertijd met inachtneming van hun onafhankelijkheid en autonomie op hun eigen verantwoordelijkheidsgebieden. In een macro-economische dialoog op basis van wederzijds vertrouwen, moeten op passende wijze gegevens en opvattingen worden uitgewisseld over de vraag hoe het macro-economisch beleid moet worden geconstrueerd ten einde het groei- en werkgelegenheidspotentieel te verhogen en ten volle te benutten.

6. De Europese Raad acht het noodzakelijk om naast het proces van Luxemburg en dat van Cardiff een geregelde macro-economische dialoog op te zetten in het kader van de Raad ECOFIN, in samenwerking met de Raad Arbeid en Sociale Zaken, en met deelneming van vertegenwoordigers van beide Raadsformaties, de Commissie, de Europese Centrale Bank en de sociale partners. Deze dialoog zou moeten plaatsvinden en op technisch niveau worden voorbereid zoals beschreven in het verslag van het voorzitterschap over het Europees Werkgelegenheidspact.

7. De Europese Raad is ingenomen met de verklaring van de Europese sociale partners over het Europese werkgelegenheidspact en evenzeer met de bereidheid van de sociale partners en van de monetaire autoriteiten om aan de macro-economische dialoog deel te nemen.

VERSLAG AAN DE EUROPESE RAAD OVER HET EUROPEES WERKGELEGENHEIDSPACT

Nauwere samenwerking voor meer werkgelegenheid en economische hervormingen in Europa

I. Inleiding

Meer werkgelegenheid is Europa's hoogste prioriteit. Zonder een hoog werkgelegenheidsniveau is er uiteindelijk geen sociale rechtvaardigheid of samenhang. Om de werkgelegenheidssituatie in de Gemeenschap duurzaam te verbeteren moeten wij de voorwaarden scheppen voor een sterke, aanhoudende en niet-inflatoire groei. Als de groeibelemmeringen worden weggenomen, verdwijnen ook de belemmeringen voor de werkgelegenheid. De invoering van de euro biedt nieuwe kansen voor meer welvaart en groei. Die kansen moeten worden aangegrepen.

Met het proces van Luxemburg heeft de Europese Unie de bestrijding van de werkloosheid tot een gemeenschappelijke zaak gemaakt. Onze hernieuwde inspanningen beginnen vrucht af te werpen. De arbeidsmarktsituatie in de Europese Gemeenschap is sterk verbeterd dankzij een snellere groei in 1998 en de werkloosheid is teruggelopen. Het jaargemiddelde van de werkloosheid was echter nog steeds 10% van de beroepsbevolking. We mogen onze gezamenlijke inspanningen daarom niet laten verslappen; integendeel, wij moeten ze nog verhogen door een alomvattende aanpak die een sterke interne groei bevordert. Het doel van het Europees werkgelegenheidspact is de weg te effenen voor minder werkloosheid en een duurzame, banenscheppende groei door groeipercentages te realiseren die aanzienlijk hoger liggen dan de stijgingen van de productiviteit en het aanbod van arbeid.

Zoals de Europese Raad van Wenen heeft vastgesteld moet een beleid voor meer werkgelegenheid worden ingebed in een alomvattende aanpak, die naast een op groei en stabiliteit gericht macro-economisch beleid, ook de verdere ontwikkeling en toepassing van de werkgelegenheidsrichtsnoeren en van beslissende structurele hervormingen voor meer efficiëntie en een beter concurrentievermogen omvat. De Europese Raad van Keulen zou overeenstemming moeten bereiken over een strategie die aan deze doelstellingen beantwoordt en al degenen die bij het economisch beleid betrokken zijn tot deelneming aan het Europees werkgelegenheidspact moeten overtuigen.
II. Aanpak

Het Europees werkgelegenheidspact zou moeten bijdragen tot een hoog niveau van werkgelegenheid in heel Europa, met behoud van de prijsstabiliteit. Dit houdt een toetsing in van zowel de concepten als de afzonderlijke beleidsmaatregelen, om na te gaan of ze het scheppen van nieuwe banen bevorderen dan wel het concurrentievermogen van bestaande banen instandhouden. Bovendien moeten het nationale en het Europese werkgelegenheidsbeleid efficiënt op elkaar inspelen. Het scheppen van de voorwaarden voor meer werkgelegenheid en groei, dat in de eerste plaats een zaak van de lidstaten is, moet zijn gebaseerd op een Europese strategie voor structurele hervormingen en een evenwichtige macro-economische beleidscombinatie. Op die manier wordt optimaal gebruik gemaakt van het kader voor een krachtiger economische groei, dat met de Europese Economische en Monetaire Unie is geschapen. Dit moet in aanmerking worden genomen bij de vaststelling en toepassing van beleidsinitiatieven en maatregelen van de Gemeenschap. In het bijzonder moet de steun via de structuurfondsen en het cohesiefonds, welke in het kader van Agenda 2000 hervormd zijn, op het scheppen van werkgelegenheid worden gericht. De mededeling van de Commissie uit hoofde van artikel 127 van het EG-Verdrag, als gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, bevat in dit opzicht gewichtige elementen. Het verslag van de Commissie "Europa als een economische entiteit", zou als belangrijk werkdocument eveneens kunnen bijdragen tot het Europees werkgelegenheidspact.

Het Europees werkgelegenheidspact moet rekening houden met drie doelstellingen om een sterke, niet inflatoire en banenscheppende groei te bevorderen:


- een zo groot mogelijk synergisme tussen loonontwikkelingen, begrotingsbeleid en monetair beleid;


- de verdere ontwikkeling en nog betere uitvoering van de gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie in het kader van het proces van Luxemburg;


- de versterking van de structurele hervormingen, teneinde het concurrentievermogen en de werking van de markten voor goederen, diensten en kapitaal te verbeteren in overeenstemming met het proces van Cardiff.

Elk van deze drie beleidsgebieden is van belang voor een samenhangende, duurzame en succesvolle werkgelegenheidsstrategie, waarbij wij moeten samenwerken met de sociale partners. De activiteitsterreinen vervolledigen en versterken elkaar, maar elk van de drie is even belangrijk:

Ten eerste moet een optimaal gebruik worden gemaakt van de bestaande productie- en werkgelegenheidsmogelijkheden. Tevens dient een hoog investeringsniveau te worden bereikt om via de uitbreiding van productiecapaciteiten duurzaam hogere groeipercentages en meer banen mogelijk te maken. Daartoe moet ten volle gebruik worden gemaakt van de werkgelegenheidsmogelijkheden die worden geboden door een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen, door een betere inschakeling van laaggeschoolde werknemers en door een macro- en micro-economisch klimaat waarin extra investeringen in kapitaalgoederen en in menselijk kapitaal rendabel zijn.

Ten tweede moeten we samenwerken ter uitvoering van een adequaat arbeidsmarktbeleid en opleidingsbeleid, zodat het aanbod van arbeidskrachten zo nauw mogelijk aansluit op de vraag.

Ten derde dragen een hoog niveau van innovatie, onderzoek, opleiding en voortgezette opleiding, een moderne infrastructuur, structurele hervormingen en een gunstige economische omgeving voor innoverende bedrijven alle bij tot het bereiken van een hoog werkgelegenheidsniveau met een hoge toegevoegde waarde.

Het is derhalve nodig duurzaam de voorwaarden te scheppen voor een macro-economische beleidscombinatie die gericht is op groei en werkgelegenheid, met behoud van de prijsstabiliteit en, tegelijkertijd, innovatie en productiviteit te bevorderen door structurele hervormingen op de markten voor goederen, diensten en arbeid door te voeren.

In het bijzonder door de invoering van één munt en een uniform monetair beleid zijn er nieuwe vormen van wisselwerking tussen het nationale niveau en het EU-niveau ontstaan. Het Europees werkgelegenheidspact heeft ten doel om te bereiken dat op die niveaus consequent wordt samengewerkt, voor méér werkgelegenheid en met behoud van de stabiliteit, alsmede om de coöperatieve macro-economische beleidscombinatie met inbegrip van een macro-economische dialoog (proces van Keulen), de gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie en de economische hervormingen (processen van Luxemburg en Cardiff) aan elkaar te koppelen. Tegelijkertijd heeft Europa door de invoering van een gemeenschappelijke munt meer gewicht en verantwoordelijkheid gekregen in de wereldeconomie. Europa moet blijven streven naar een open handels- en financieel systeem en moet competitief blijven op internationaal niveau.

Voor de uitvoering van het Europees werkgelegenheidspact moeten de benodigde instrumenten en procedures op grote schaal worden toegepast. Op die manier kan ervoor worden gezorgd dat de inspanningen op nationaal en Europees niveau nauw verweven zijn en ook harmonisch aansluiten op de behandeling van overeenkomstige vraagstukken in een breder, internationaal verband. Met de processen van Luxemburg en van Cardiff zijn al waardevolle ervaringen opgedaan. Deze processen moeten worden voortgezet en versterkt om de structurele belemmeringen voor groei en werkgelegenheid in de gehele Gemeenschap uit de weg te ruimen.

Het is echter even belangrijk dat de voorwaarden voor een soepele wisselwerking van de macro-economische instrumenten verbeterd worden door meer uitwisseling van informatie en opvattingen tussen degenen die bij het economisch beleid betrokken zijn. In dit verband moet er, in het belang van meer groei en werkgelegenheid in Europa, een intensievere samenwerking tot stand worden gebracht

zonder de onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank of van de Nationale Banken in gevaar te brengen

zonder de autonome rol van de sociale partners bij collectieve arbeidsonderhandelingen in het geding te brengen,

rekening houdende met de verschillende loonvormingsstelsels, waarvoor de verantwoordelijkheid op verschillende niveaus ligt,

onder naleving van het stabiliteits- en groeipact,

en met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel. III. Afzonderlijke beleidsgebieden

1. Coöperatieve macro-economische beleidscombinatie - het proces van Keulen

Om met behoud van de prijsstabiliteit een sterke groei van de werkgelegenheid te bereiken, is een soepele wisselwerking van de macro-economische instrumenten van essentieel belang. Zo'n beleidscombinatie is een belangrijk fundament voor banenscheppende investeringen. De macro-economische beleidsgebieden staan qua besluitvorming los van elkaar, maar zij beïnvloeden elkaar wel.

Voor een doeltreffende en evenwichtige beleidscombinatie is het van belang dat de verschillende gebieden als volgt georganiseerd worden:

Het begrotingsbeleid moet de doelstellingen van het stabiliteits- en groeipact in acht nemen, hetgeen inhoudt dat de begrotingen op middellange termijn een duurzaam evenwicht of overschot moeten vertonen. Daarnaast moeten de overheidsbegrotingen geherstructureerd worden ten gunste van investeringen en om in te spelen op komende uitdagingen, zoals de vergrijzing van de bevolking. Tegelijkertijd mag niet voorbijgegaan worden aan de macro-economische ontwikkelingen.

De lonen moeten een stabiele koers volgen, met loonontwikkelingen die de doelstellingen inzake prijsstabiliteit en het scheppen van werkgelegenheid in acht nemen.

De voornaamste prioriteit van het monetair beleid is de instandhouding van de prijsstabiliteit. Met het oog daarop is het van wezenlijk belang dat het monetaire beleid ondersteund wordt door begrotingsbeleid en loonvormingsbeleid van het bovenbeschreven type. Onverminderd het doel van prijsstabiliteit moet het monetair beleid het algemene economische beleid in de Gemeenschap ondersteunen teneinde bij te dragen tot een duurzame, niet-inflatoire groei en een hoog niveau van werkgelegenheid.

De globale richtsnoeren voor het economisch beleid vormen het centrale instrument voor de coördinatie van het economisch beleid in de EU. De richtsnoeren kunnen een goed kader bieden om aan te geven hoe de wisselwerking tussen de macro-economische beleidsmakers in Europa verbeterd kan worden om bij te dragen tot groei en werkgelegenheid. In de euro-zone draagt de dialoog in de Euro-11- Groep eveneens bij tot het ontstaan van een evenwichtige beleidscombinatie. In een ruimer internationaal kader kunnen vraagstukken op het gebied van een consequente werkgelegenheidsstrategie en de wereldwijde economische samenhang daarvan onder meer in de Groep van zeven (G 7) en op de economische topontmoetingen worden besproken.

Een succesvolle uitvoering van een consequente beleidscombinatie kan bevorderd worden door een vruchtbare macro-economische dialoog tussen de sociale partners, de beleidsmakers op begrotings- en werkgelegenheidsgebied en die op monetair gebied, zulks binnen de bestaande instellingen. Tijdens die dialoog zouden de uitgangspositie en de vooruitzichten voor de toekomst kunnen worden besproken aan de hand van statistische gegevens en analyses, en ideeën kunnen worden uitgewisseld over de manier waarop volgens de betrokkenen, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan hun respectieve verantwoordelijkheden en hun onafhankelijkheid, een beleidscombinatie tot stand kan komen die, met behoud van de prijsstabiliteit, bevorderlijk is voor groei en werkgelegenheid. Centraal in het Europese werkgelegenheidspact staat de wens om een dergelijke macro-economische dialoog op een stevige leest te schoeien en doeltreffend te maken. In die zin moet het Europees werkgelegenheidspact worden opgevat als een voortdurend proces. Voor de uitvoering van de macro-economische dialoog, zie punt IV.

2. Gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie van het proces van Luxemburg

De coördinatie van het werkgelegenheidsbeleid in het kader van de werkgelegenheidsrichtsnoeren en de nationale actieprogramma's, met inbegrip van ondersteunende en aanvullende maatregelen op het gebied van beroepsopleiding, vormt een belangrijke bijdrage tot meer werkgelegenheid. Verbetering van de inzetbaarheid, ontwikkeling van het ondernemerschap, stimulering van het aanpassingsvermogen van het bedrijfsleven en zijn werknemers en verbetering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen vormen samen de vier pijlers van deze strategie.

Preventieve strategieën, in tegenstelling tot louter passieve maatregelen, verbeteren de werking van de arbeidsmarkten en de inzetbaarheid van de beroepsbevolking. Als onderdeel van het Europese werkgelegenheidspact zou het daarom nodig zijn het levenslange leerproces uit te breiden door middel van de voortdurende ontwikkeling van kwalificaties en bekwaamheden in het beroepsleven, de investeringen in de kwalificaties van arbeidskrachten te bevorderen, onder andere met behulp van het Europees Sociaal Fonds, en een bijdrage te leveren aan de preventie en vermindering van de jeugdwerkloosheid. De snelle ontwikkeling van de informatiemaatschappij en de aanhoudende groei van de dienstensector noodzaken tot bijzondere inspanningen om de beroepskwalificaties van arbeidskrachten te verbeteren. Aan de opleiding van laaggeschoolde groepen moet bijzondere aandacht worden geschonken.

Bij de toepassing van de werkgelegenheidsrichtsnoeren, de indiening van de nationale actieprogramma's en de toetsing daarvan in het gezamenlijke werkgelegenheidsrapport, zal aan het bepalen en uitwisselen van beste praktijken nog meer gewicht worden toegekend. Waar nodig kunnen aanvullende controleerbare kwantitatieve doelstellingen op nationaal niveau worden opgenomen in de nationale actieprogramma's. Voor een zinvolle beoordeling moeten tevens geschikte indicatoren worden vastgesteld. Elke mogelijke bron van nieuwe werkgelegenheid door vooruitgang op het gebied van arbeidsorganisatie of kortere werktijden moet in het kader van de gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie worden bestudeerd.

Van speciaal belang voor een coherente werkgelegenheidsstrategie is de toetsing van het belastingstelsel en van het socialezekerheidsstelsel, teneinde de lasten op arbeid te verlichten. Enerzijds is het daarbij van belang na te gaan hoe de lasten op met name laaggeschoolde en slecht betaalde arbeid beperkt kunnen worden. Anderzijds dient de pensioenvoorziening, wegens de toenemende vergrijzing van de bevolking, te stoelen op een basis die gekenmerkt wordt door verantwoordelijkheid jegens de toekomstige generaties.

De werkloosheid onder de jeugd is met ca. 20% tweemaal zo hoog als de algemene werkloosheid. Extra inspanningen om de jeugdwerkloosheid terug te dringen zijn noodzakelijk. Derhalve heeft het Duitse voorzitterschap het memorandum "Jeugd in Europa - Onze toekomst" voorgesteld om de werkgelegenheidskansen van jongeren in Europa te verbeteren. Dit memorandum moet bijdragen tot het identificeren van beproefde methoden en het verbeteren van het aanbod van grensoverschrijdende opleidingsprogramma's, praktische beroepsopleiding en de vooropleiding daarvoor, en de grensoverschrijdende maatregelen voor arbeids- en opleidingsbemiddeling intensiveren. De jongeren zouden zich beter moeten kunnen voorbereiden op de in toenemende mate geïntegreerde Europese arbeidsmarkt. Er moet ook worden onderzocht hoe de ontwikkeling van nieuwe diensten en nieuwe banen, speciaal voor jongeren, kan worden bevorderd.
In het kader van het Europees werkgelegenheidspact moet het accent voorts komen te liggen op maatregelen waarmee langdurige werkloosheid wordt tegengegaan en soepeler regelingen worden ingesteld voor de arbeidsparticipatie van oudere werknemers. Dat betekent ook dat de informatie- en arbeidsbemiddelingsactiviteiten van alle arbeidsbureaus moeten worden verbeterd.

De actieve en preventieve bevordering van werkgelegenheid geldt ook voor gehandicapten. De Raad heeft in een resolutie geconstateerd dat de Commissie voornemens is om in het kader van een samenhangend, alomvattend beleid een voorstel voor een rechtsinstrument in te dienen met betrekking tot gelijke werkgelegenheidskansen voor gehandicapten.

Voor een verbetering van de werkgelegenheidstendensen in Europa is het van belang te komen tot een evenwichtig samengaan van het concurrentievermogen, de flexibiliteit op de arbeidsmarkt en de sociale bescherming van de werknemers. Daartoe is het wenselijk een basispakket sociale minimumnormen verder te ontwikkelen, overeenkomstig de bepalingen van het EG-Verdrag met betrekking tot de verbetering van de leef- en arbeidsomstandigheden.

De sociale partners hebben met hun akkoorden over ouderschapsverlof, deeltijdwerk en, tenslotte, arbeidsovereenkomsten voor een bepaalde duur bijdragen geleverd die door de Raad via richtlijnen reeds in de praktijk zijn gebracht of zullen worden gebracht. De sociale partners zouden op die weg moeten voortgaan en daarbij ten volle rekening houden met het effect van de nieuwe verordeningen inzake het scheppen van arbeidsplaatsen en werkgelegenheid.

De sociale partners op Europees en nationaal niveau spelen een belangrijke rol bij het voortdurend ontwikkelen en toepassen van de werkgelegenheidsrichtsnoeren. Het omgevormde Permanent Comité Arbeidsmarktvraagstukken is een geschikt forum voor samenwerking tussen de Raad, de Commissie en de sociale partners. Evenals de Raad Arbeid en Sociale Zaken dient ook het Comité voor de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt nauw samen te werken met de sociale partners.

3. Economische hervormingen - het proces van Cardiff

Voor een blijvende toename van de werkgelegenheid is een proces van duurzame groei vereist. Om het groeipotentieel ten volle te benutten moeten de verbeterde macro-economische dialoog en de in het kader van het Luxemburgproces ingezette gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie aangevuld worden met economische hervormingen van het type dat in het Cardiffproces is gelanceerd. Deze hervormingen zijn gericht op een verbetering van het concurrentievermogen en de werking van de markten voor goederen, diensten en kapitaal. Ze zijn neergelegd in de nationale structuurhervormingsrapporten en zijn het onderwerp van de Commissierapporten Cardiff I en Cardiff II, die gebaseerd zijn op bijdragen van de lidstaten alsmede op uitvoerige besprekingen in het Comité voor economische politiek en in de horizontale groep interne markt. Het gaat om de verdere ontwikkeling en verdieping van de geïntegreerde Europese markt en de wijze waarop structurele hervormingen de werkgelegenheid en de groei zoveel mogelijk kunnen bevorderen.
De Raad (Interne Markt) heeft in zijn conclusies van 25 februari 1999 opgemerkt dat concrete maatregelen vereist zijn om het concurrentieklimaat in Europa verder te verbeteren, resterende handelsbelemmeringen tussen de lidstaten te elimineren, de prestaties van de dienstensector, met inbegrip van het toerisme, te verbeteren en de economische omgeving voor het midden- en kleinbedrijf meer toe te spitsen op groei en werkgelegenheid. Van bijzonder belang daarvoor zijn
efficiënte markten voor goederen en diensten, goed functionerende kapitaalmarkten en een voldoende aanvoer van risicokapitaal, een efficiënt mededingingsbeleid en een verdere vermindering van overheidssteun die leidt tot ongewenste concurrentieverstoring.

Er moet een intensief gebruik worden gemaakt van de structuurhervormingsrapporten in het proces van Cardiff om beproefde methoden te identificeren en toe te passen wanneer dat mogelijk is en kans op succes biedt. Voorts moet op nationaal en Europees niveau met krachtige hand in overbodige regelgeving worden gesnoeid om de last op arbeidsintensieve kleine ondernemingen te verlichten en het opstarten van bedrijven te vergemakkelijken.

In Europa moet de opkomst van de informatiemaatschappij actief worden bevorderd. Dit vergt bijvoorbeeld een groter gebruik van computers op scholen en een snellere verspreiding van informatietechnologieën bij kleine ondernemingen. Onverminderd het subsidiariteitsbeginsel dient een Europees initiatief voor de informatiemaatschappij te bewerkstelligen dat de op dat gebied bestaande werkgelegenheidsmogelijkheden zo volledig mogelijk worden benut. De ontwikkeling van de elektronische handel mag niet worden gehinderd door onnodige bureaucratische voorschriften. Nationale inspanningen om de mogelijkheden van de informatie- en de communicatietechnologie te benutten, moeten worden opgevoerd, in het bijzonder door een verbetering van de opleidingsmogelijkheden, vanaf basiskennis tot levenslang leren.

De Europese infrastructuur moet verder verbeterd worden door de transeuropese netwerken - in het bijzonder de prioritaire vervoersprojecten en de ontwikkeling van projecten in de telecommunicatie- en informatietechnologie, teneinde innovatie en mededinging te
verbeteren - en via de steun van de Europese Investeringsbank. Voorts moet het innovatiepotentieel voor een verbetering van het vermogen om te reageren op industriële transformatieprocessen worden versterkt door het onderzoek te intensiveren.

IV. Concretisering van de macro-economische dialoog - het proces van Keulen

Het Europese werkgelegenheidspact voegt de macro-economische beleidsmix, de gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie van het proces van Luxemburg en de economische hervormingen van het proces van Cardiff samen tot een economisch beleidsdrieluik.

Zowel het proces van Luxemburg als dat van Cardiff vinden net als de opstelling van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid plaats in het kader van gevestigde instellingen en op basis van gevestigde procedures. In dat kader kunnen ook nieuwe prioriteiten worden gesteld voor het Europese werkgelegenheidspact.

Daarentegen is voor een betere wisselwerking tussen loonontwikkelingen, fiscaal beleid en monetair beleid in het belang van groei en werkgelegenheid een macro-economische dialoog vereist om onze inspanningen binnen het gevestigde institutionele kader op te voeren. Twee taken springen in het oog: Ten eerste moeten wij de macro-economische ontwikkelingen en perspectieven grondig analyseren, zodat de dialoog op basis van alomvattende informatie zo efficiënt mogelijk kan verlopen.

Ten tweede moeten wij een geschikt forum vinden waarin de sociale partners, vertegenwoordigers van de Raad en monetaire beleidsmakers, met de deelneming van de Commissie en zonder aantasting van hun respectieve verantwoordelijkheden en hun onafhankelijkheid, ideeën kunnen uitwisselen over de wijze waarop naar hun mening een beleidsmix kan worden bereikt die, met behoud van de prijsstabiliteit, bevorderlijk is voor groei en werkgelegenheid.

Een benadering in twee fasen wordt voor de macro-economische dialoog gehanteerd, waarbij het aantal deelnemers zodanig moet worden vastgesteld dat de verschillende fora efficiënt kunnen functioneren:

De huidige ontwikkelingen en de uitgangsvoorwaarden voor een soepel functionerende beleidscombinatie zullen eerst op technisch niveau worden besproken. Daartoe zal in het kader van het van het Comité economisch beleid, in samenwerking met het Comité voor de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt, een werkgroep worden opgericht, waaraan wordt deelgenomen door vertegenwoordigers van beide Comités (ook van de Europese Centrale Bank), van de Commissie en van de macro-economische groep van de sociale dialoog. Teneinde de vergaderingen op politiek niveau naar behoren voor te bereiden, dient de eerste vergadering plaats te vinden vóórdat de Commissie haar aanbeveling over de globale richtsnoeren voor het economisch beleid aanneemt en de tweede nadat de Commissie haar najaarsvooruitzichten en haar economisch jaarverslag heeft gepresenteerd.

Op basis hiervan zal een vertrouwenwekkende en een vertrouwelijke uitwisseling van ideeën tussen beleidsmakers op politiek niveau kunnen plaatsvinden. Daartoe zullen tweemaal per jaar vergaderingen plaatsvinden in het kader van de Raad Ecofin, in samenwerking met de Raad Arbeid en Sociale Zaken, waaraan wordt deelgenomen door vertegenwoordigers van de Raad in beide samenstellingen, van de Commissie, de Europese Centrale Bank en de sociale partners. De eerste vergadering dient plaats te vinden vóór de opstelling door de Raad Ecofin van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid, en de tweede vóór de aanneming door de Europese Raad van de conclusies over de
werkgelegenheidsrichtsnoeren, bijvoorbeeld ter gelegenheid van de Jumboraad.

______________
BIJLAGE II

GEMEENSCHAPPELIJKE STRATEGIE VAN DE EUROPESE UNIE TEN AANZIEN VAN RUSLAND
van 4 juni 1999

DE EUROPESE RAAD,

gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, met name op artikel 13,

overwegende dat op 1 december 1997 een Overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking (OPS) tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds, en de Russische Federatie anderzijds, in werking is getreden;

HEEFT DE VOLGENDE GEMEENSCHAPPELIJKE STRATEGIE AANGENOMEN:

DEEL I

VISIE VAN DE EU OP HAAR PARTNERSCHAP MET RUSLAND

Een stabiel, democratisch en welvarend Rusland, dat stevig is verankerd in een verenigd Europa zonder nieuwe scheidingslijnen, is van wezenlijk belang voor een duurzame vrede op het continent. De problemen waar het gehele continent mee te kampen heeft, kunnen alleen worden opgelost door een steeds nauwere samenwerking tussen Rusland en de Europese Unie. De Europese Unie verheugt zich erover dat Rusland weer zijn rechtmatige plaats in de Europese familie inneemt, in een geest van vriendschap, samenwerking en billijke afweging van belangen, en op de grondslag van de gedeelde waarden die besloten liggen in het gemeenschappelijk erfgoed van de Europese beschaving.

De Europese Unie heeft duidelijke strategische doeleinden:


- een stabiele, open en pluralistische democratie in Rusland, die wordt beheerst door de beginselen van de rechtsstaat en de basis vormt voor een welvarende markteconomie die gelijkelijk ten goede komt aan alle burgers van Rusland en de Europese Unie;


- behoud van de stabiliteit in Europa, bevordering van de veiligheid in de wereld en aanpak van de gemeenschappelijke uitdagingen van het continent door een intensievere samenwerking met Rusland.

De Unie blijft vastbesloten met Rusland samen te werken op federaal, regionaal en lokaal niveau, om de politieke en economische veranderingen in Rusland met succes te ondersteunen. De Unie en haar lidstaten bieden aan om de verschillende ervaringen die zij hebben opgedaan met de opbouw van moderne politieke, economische, sociale en administratieve structuren, met Rusland te delen, zonder uit het oog te verliezen dat Rusland zelf de voornaamste verantwoordelijkheid voor zijn toekomst draagt. Derhalve neemt de Europese Raad deze gemeenschappelijke strategie aan, om bij het aanbreken van de nieuwe eeuw het strategische partnerschap tussen Rusland en de Unie versterken. De Europese Raad erkent dat de toekomst van Rusland een essentiële factor in de toekomst van het continent vormt, en voor de Europese Unie van strategisch belang is. De aangeboden nauwere betrekkingen, gebaseerd op gemeenschappelijke democratische waarden, zullen Rusland helpen zijn Europese identiteit te bevestigen en alle volkeren op het continent nieuwe kansen geven. De uitbreiding van de Unie zal deze voordelen en kansen verder doen toenemen.

In deze gemeenschappelijke strategie worden de doelstellingen uiteengezet alsmede de middelen die de Unie zal gebruiken om dit partnerschap te ontwikkelen. De hoeksteen van de betrekkingen tussen de Unie en Rusland blijft de Overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking (OPS), waarmee wordt beoogd Rusland in een groter samenwerkingsverband in Europa in te passen en de nodige voorwaarden te creëren voor de toekomstige instelling van een vrijhandelszone tussen de Europese Gemeenschap en Rusland. De Unie en haar lidstaten zullen hunnerzijds de coördinatie, samenhang en complementariteit van alle aspecten van hun beleid ten aanzien van Rusland verder ontwikkelen. De Europese Unie, de Gemeenschap en haar lidstaten zullen ook met en in regionale en andere organisaties alsmede met gelijkgestemde partners samenwerken om de doelstellingen van de gemeenschappelijke strategie te verwezenlijken. De standpunten die de lidstaten in alle relevante fora innemen, zullen met deze gemeenschappelijke strategie in overeenstemming zijn. De Europese Raad verzoekt Rusland om op basis van deze gemeenschappelijke strategie met de Unie samen te werken, hetgeen beide partijen tot voordeel zal strekken.

HOOFDDOELSTELLINGEN

De Europese Raad heeft de volgende hoofddoelstellingen geïdentificeerd:

1. Consolidering van de democratie, de rechtsstaat en de openbare instellingen in Rusland

De vorming van efficiënte, transparante overheidsinstellingen is een eerste vereiste voor vertrouwen en voor een breder draagvlak voor democratische beleidslijnen en de werking van de rechtsstaat. Zij vormt de noodzakelijke basis voor economische en sociale ontwikkeling. De situatie in Rusland houdt in dat er passende mechanismen en middelen moeten worden gebruikt om de efficiëntie en verantwoordelijkheid van genoemde instellingen te versterken.

De Unie wil Rusland steunen in zijn streven om zijn overheidsinstellingen, met name zijn instanties van de uitvoerende, de wetgevende en de rechterlijke macht en zijn politie, overeenkomstig de democratische beginselen te consolideren. Instellingen die van wezenlijk belang zijn voor de werking van de economie vormen het tweede aspect van deze doelstelling. De Europese Unie zal, voorzover dat in haar vermogen ligt, in het bijzonder belang hechten aan de regionale en lokale overheidsdiensten. De betrekkingen tussen centrale, regionale en lokale autoriteiten zijn een essentiële factor voor de toekomst van de Federatie.
Voor de consolidering van de democratie in Rusland is het onontbeerlijk dat er op alle gebieden een civiele samenleving ontstaat. De Europese Unie wil dat proces steunen, met name door rechtstreekse uitwisselingen tussen de actoren van de civiele samenleving van Rusland en de Unie te ontwikkelen.

2. Integratie van Rusland in een gemeenschappelijke Europese economische en sociale ruimte

De Unie en Rusland hebben er beide belang bij Rusland in staat te stellen zich in een gemeenschappelijke economische en sociale ruimte in Europa te integreren. De Unie is reeds de voornaamste handelspartner van Rusland, en Rusland voorziet zijnerzijds voor een aanzienlijk deel in de energievoorziening van de Unie. Europese ondernemingen hebben voorts grote investeringen in Rusland gedaan.

In de eerste plaats moet er een operationele markteconomie worden ingevoerd. De recente crisis heeft aangetoond hoe noodzakelijk het is dat die doelstelling krachtdadig nagestreefd wordt. De voornaamste inspanningen moeten uiteraard van Rusland komen, in het kader van een door het IMF goedgekeurd alomvattend en duurzaam economisch programma. Dit programma moet onder meer betrekking hebben op bedrijfsherstructurering, overheidsfinanciën, het bankwezen en het bestuur van ondernemingen. De Unie is bereid in dat kader steun te verlenen.

De Unie beschouwt de rechtsstaat als een voorwaarde voor de ontwikkeling van een markteconomie die alle burgers van Rusland kansen en voordelen biedt. De ontwikkeling en de toekomstige welvaart van Rusland zijn eerst en vooral afhankelijk van een gezond binnenlands beleid en economisch beheer. Hiervoor is de invoering van een billijk en transparant wetgevings- en regelgevingskader en de oprichting van de nodige instellingen van essentieel belang. Het aantrekken van binnen- en buitenlandse investeringen, dat aanzienlijk gestimuleerd zal worden indien Rusland toegang krijgt tot de internationale financiële markten, vormt een doorslaggevende factor voor zijn ontwikkeling. De Unie zal Rusland derhalve steunen bij het uitwerken en uitvoeren van economische beleidsmaatregelen ter versterking van het vertrouwen dat nodig is om de binnenlandse en buitenlandse investeringen te doen toenemen en om aan de eisen van de internationale geldschieters te voldoen.

De Unie zet zich in voor de integratie van Rusland in de Europese economie en de wereldeconomie. In dit kader zal de Unie Rusland steunen in zijn streven aan de eisen van het WTO-lidmaatschap te voldoen. Zij zal ook bestuderen hoe, behalve door toetreding tot de WTO, de nodige voorwaarden kunnen worden geschapen om in de toekomst een vrijhandelszone EU-Rusland tot stand te brengen. De geleidelijke onderlinge aanpassing van de wetgeving en de normen tussen Rusland en de Europese Unie, in overeenstemming met de OPS, zal de totstandbrenging van gemeenschappelijke economische ruimten vergemakkelijken.

Tenslotte moet bij de totstandbrenging van een markteconomie rekening worden gehouden met de sociale aspecten van de overgang en met de behoeften van de bevolking, vooral de armsten. De Unie is bereid deskundigheid te leveren en uitwisselingen op dit gebied op te voeren.
3. Samenwerking ter versterking van de stabiliteit en veiligheid in Europa en daarbuiten

Rusland en de Unie hebben strategische belangen bij en bijzondere verantwoordelijkheden voor de handhaving van de stabiliteit en de veiligheid in Europa en in andere delen van de wereld.

De Unie beschouwt Rusland als een partner van essentieel belang om die doelstelling te verwezenlijken, en is vastbesloten samen te werken. Zij stelt voor dat het strategische partnerschap tot ontwikkeling komt in het kader van een permanente beleids- en veiligheidsdialoog met het oogmerk de belangen met elkaar te verenigen en gezamenlijk te reageren op sommige van de uitdagingen die zich op het gebied van de veiligheid op het Europese continent voordoen. Die dialoog zal een betere onderlinge afstemming mogelijk maken in alle relevante fora waartoe zowel Rusland als de lidstaten behoren, met name de VN en de OVSE.

4. Gemeenschappelijke uitdagingen op het Europese continent

De geografische nabijheid, alsmede de intensivering van de betrekkingen en de toename van de uitwisselingen tussen de Unie en Rusland, leiden tot een steeds sterkere interdependentie op een groot aantal gebieden. Alleen door gemeenschappelijk te reageren zullen er oplossingen kunnen worden gevonden voor de uitdagingen waarvoor beide partijen zich steeds vaker gemeenschappelijk gesteld zien.

De Unie en Rusland hebben een gemeenschappelijk belang bij een zodanige ontwikkeling van hun energiebeleid dat de exploitatie en het beheer van de hulpbronnen en de continuïteit van de voorziening in Rusland en in Europa gewaarborgd worden.

De nucleaire veiligheid is een onderwerp van essentieel belang. De Unie is bereid deskundigheid en steun op dat gebied te blijven verstrekken.

Het milieu is het gemeenschappelijk goed van de bevolking van Rusland en de Europese Unie. Een duurzaam gebruik van de natuurlijke hulpbronnen, het beheer van nucleair afval, en de bestrijding van vooral de grensoverschrijdende water- en luchtvervuiling, zijn in dit verband prioriteiten.

Rusland en de Unie hebben een gemeenschappelijk belang bij de intensivering van hun samenwerking in de strijd tegen gemeenschappelijke bedreigingen, zoals de georganiseerde criminaliteit, het witwassen van geld, mensenhandel en drugssmokkel. De strijd tegen illegale immigratie is ook een belangrijk punt van zorg. De Unie stelt voor om op deze gebieden een intensievere samenwerking tot stand te brengen door de nodige instrumenten en vormen van samenwerking tussen de bevoegde instanties te scheppen en door de uitwisseling van deskundigen te ontwikkelen. Zij is ook bereid haar deskundigheid aan te bieden, in het bijzonder voor de ontwikkeling van wetgeving en competente instellingen.
De regionale samenwerking, vooral in het kader van de bestaande regionale organisaties, is een nuttig kader voor het aangaan van een praktische samenwerking die een lokale reactie op deze uitdagingen mogelijk maakt.

INSTRUMENTEN EN MIDDELEN

1. Algemene bepalingen

Deze gemeenschappelijke strategie wordt uitgevoerd volgens de toepasselijke procedures van de Verdragen. De Europese Raad verzoekt de Raad en de Commissie overeenkomstig de in de artikelen 3 en 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie omschreven verantwoordelijkheden toe te zien op de eenheid, de samenhang en de doeltreffendheid van het optreden van de Unie ter uitvoering van deze gemeenschappelijke strategie.

De Europese Unie draagt bij tot de verwezenlijking van de genoemde doelstellingen van deze gemeenschappelijke strategie door gebruik te maken van alle ter zake dienende instrumenten en middelen waarover de Unie, de Gemeenschap en de lidstaten beschikken.

De secretaris-generaal van de Raad, de hoge vertegenwoordiger voor het GBVB, staat de Raad bij de uitvoering van deze gemeenschappelijke strategie bij in het kader van zijn verplichtingen uit hoofde van de Verdragen. De Commissie zal volledig bij de werkzaamheden worden betrokken overeenkomstig de artikelen 18 en 27 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.

2. De Raad, de Commissie en de lidstaten

De Europese Raad verzoekt de Raad, de Commissie en de lidstaten


- overeenkomstig hun bevoegdheden en vermogens de bestaande acties, programma's, instrumenten en beleidsmaatregelen te evalueren, teneinde ervoor te zorgen dat ze stroken met de onderhavige strategie en, waar inconsequenties bestaan, bij de eerste gelegenheid tot herziening de nodige aanpassingen aan te brengen;


- volledig en passend gebruik te maken van de bestaande instrumenten en middelen, met name de OPS, en alle ter zake dienende instrumenten van de EU en de lidstaten en programma's van de lidstaten, en daartoe een indicatieve inventaris op te maken en bij te houden van de middelen van de Unie, de Gemeenschap en de lidstaten, met behulp waarvan deze gemeenschappelijke strategie zal worden uitgevoerd.
3. Coördinatie

De lidstaten leveren extra inspanningen om hun acties ten aanzien van Rusland te coördineren, onder meer bij regionale en internationale organisaties zoals de Raad van Europa, de VN, de OVSE en de internationale financiEB‰le instellingen; tevens wordt gezorgd voor coördinatie met de Gemeenschap waar deze bevoegd is.

De coördinatie tussen de lidstaten en de Commissie moet ook worden geconsolideerd, onder meer via geregeld overleg tussen hun respectieve vertegenwoordigers in Rusland.

De Raad, de Commissie en de lidstaten streven naar een effectievere samenwerking met regionale en internationale organisaties, en zullen met andere gelijkgestemde landen trachten de doelstellingen van de strategie te verwezenlijken.

De Europese Unie zal de kandidaat-lidstaten verzoeken zich bij de in het kader van deze gemeenschappelijke strategie genomen maatregelen aan te sluiten.

4. Uitvoering en herziening

De Europese Raad verzoekt de Raad om:


- ervoor te zorgen dat elk aantredend voorzitterschap in het kader van zijn algemene programma aan de Raad een werkplan voorlegt voor de uitvoering van deze gemeenschappelijke strategie, dat is gebaseerd op de actiegebieden van deel II en naar behoren rekening houdt met de specifieke initiatieven van deel III;


- het optreden van de Unie uit hoofde van deze strategie te bezien en te evalueren, en minstens eenmaal per jaar verslag uit te brengen aan de Europese Raad over de vorderingen met de verwezenlijking van de doelstellingen;


- de situatie in Rusland en de stand van de samenwerking van Rusland bij de uitvoering van deze strategie in het oog te houden, onder meer door middel van periodieke rapporten van de missiehoofden, en in zijn verslag aan de Europese Raad een oordeel daarover te geven;


- indien nodig aanbevelingen aan de Europese Raad te doen voor wijzigingen in de delen II en III van deze strategie.

De Commissie zal, binnen het kader van haar bevoegdheden, een bijdrage leveren tot bovengenoemde werkzaamheden.

5. Samenwerking met Rusland

De Europese Unie en haar lidstaten zullen nauw met Rusland samenwerken om deze gemeenschappelijke strategie uit te voeren, met name via de OPS en de instellingen daarvan. 6. Specifieke initiatieven

De Unie zal de specifieke initiatieven, vermeld in deel III van deze gemeenschappelijke strategie, die gebaseerd zijn op de in deel II omschreven actiegebieden, blijven nastreven. Deze initiatieven worden zo nodig aangepast en sluiten niet uit dat er mogelijkerwijs gedurende de looptijd van deze gemeenschappelijke strategie nieuwe initiatieven worden genomen. De Raad, de Commissie en de lidstaten zullen, overeenkomstig hun bevoegdheden en vermogens, de verwezenlijking van deze specifieke initiatieven steunen en nastreven.
DEEL II

ACTIEGEBIEDEN

De Europese Unie zal zich bij de uitvoering van deze gemeenschappelijke strategie concentreren op onderstaande actiegebieden:

1. Consolidering van de democratie, de rechtsstaat en de openbare instellingen in Rusland

Ter versterking van de democratie, de oprichting van instellingen en de rechtsstaat in Rusland, hetgeen een vereiste is voor de totstandkoming van een markteconomie, zal de Europese Unie zich beijveren om:

a) de rechtsstaat en overheidsinstellingen te versterken


- door de noodzakelijke institutionele hervormingen in Rusland te steunen en te bevorderen met het oog op een modern en doeltreffend bestuur in de uitvoerende, de wetgevende en de rechterlijke macht op federaal, regionaal en plaatselijk niveau, in het bijzonder door verhoging van de capaciteit van een onafhankelijke rechterlijke macht, de overheid en verantwoording verschuldigde wetshandhavingsstructuren door bevordering van contacten tussen de justitiële autoriteiten en wetshandhavingsinstanties van de lidstaten van de Europese Unie en die van Rusland;


- door opleidingsprogramma's voor jonge politici en ambtenaren te organiseren;


- door, in antwoord op een verzoek van Rusland, na te gaan wat de reikwijdte kan zijn voor EU-acties, in samenwerking met internationale organisaties zoals de OVSE, ter ondersteuning van een doelmatige organisatie van vrije presidentsverkiezingen en verkiezingen voor de Doema in 1999 en 2000;


- door steun te verlenen aan het streven van Rusland om zijn internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten, waaronder die ten aanzien van de Raad van Europa, de Verenigde Naties en de OVSE, na te komen, door gezamenlijke activiteiten van de Europese Unie en de Raad van Europa ten aanzien van Rusland op het gebied van de rechtsstaat en de mensenrechten te bevorderen, door bijstand te verlenen bij de bescherming van de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van vrouwen, kinderen en minderheden, en door steun te verlenen aan programma's die afschaffing van de doodstraf bevorderen;
b) de burgermaatschappij te versterken


- door de contacten tussen politici van de Europese Unie en Rusland te intensiveren, op federaal, regionaal en lokaal niveau, met ontmoetingen op alle niveaus;


- door meer uitwisseling tussen Rusland en de Europese Unie op het gebied van cultuur en onderwijs te bevorderen en intensievere contacten tussen de samenlevingen te leggen, voortbouwend op Ruslands aloude traditionele bijdrage aan de opbouw van de Europese beschaving, waarbij in het bijzonder de beurzen en contactprogramma's voor studenten herzien en zo nodig uitgebreid moeten worden;


- door onafhankelijke NGO's te steunen;


- door met Rusland samen te werken om de hulpverlening aan vluchtelingen en ontheemden in Rusland op te voeren;


- door bij te dragen tot de vrijheid van de media;


- door gelijke kansen voor mannen en vrouwen te bevorderen.

2. Integratie van Rusland in een gemeenschappelijke economische en sociale ruimte

De Europese Unie zal:

a) het economisch hervormingsproces in Rusland consolideren


- door het effect van economische beleidsadviezen te vergroten, onder meer via een dialoog op hoog niveau, om de ontwikkeling van een markteconomie te bevorderen, ten volle rekening houdend met de overgangsproblemen die structurele veranderingen met zich meebrengen;


- door in de bevoegde instanties meer pogingen in het werk te stellen om het beleid van de Europese Unie in het kader van internationale financiële instellingen te coördineren;


- door bijstand te verlenen bij de totstandbrenging en uitvoering van een transparant en stabiel wetgevings- en regelgevingskader in Rusland dat bestemd is om de economische bedrijvigheid alsmede binnenlandse en buitenlandse investeringen te bevorderen;
- door te bevorderen dat het wetgevende en institutionele kader wordt geschapen dat noodzakelijk is voor een duurzaam fiscaal beleid (onder meer op het gebied van belastingheffing, boekhouding en uitgavenbeheersing);


- door geloofwaardige hervormingen in de banksector met billijke voorwaarden voor buitenlandse banken en een efficiënte donorcoördinatie met de volledige deelneming van de Europese Unie te bevorderen;


- door aanvullende structurele, economische en administratieve hervormingen aan te moedigen, waaronder een verdere privatisering, de herstructurering van het bedrijfsleven en de uitbouw van het Russische MKB;


- door te helpen de Russische industrie, landbouw en energiesector concurrerender te maken;


- door te helpen de grondslag te leggen voor een effectieve landhervorming in Rusland, waardoor particuliere eigendom mogelijk wordt, en daartoe technische bijstand te verlenen (onder meer door middel van een goed functionerend kadaster);

b) de integratie van Rusland in een bredere ruimte van economische samenwerking in Europa steunen


- door de geleidelijke onderlinge aanpassing van de wetgeving te bevorderen, in het bijzonder op het gebied van douane, normen, certificering, mededingingsbeleid en milieu;


- door de verdere integratie van Rusland in het multilaterale handelsstelsel aan te moedigen, en de inspanningen van Rusland om aan de voorwaarden voor toetreding tot de WTO te voldoen, inclusief hervormingen op wetgevend en institutioneel vlak, te steunen;


- door na te gaan hoe de andere noodzakelijke voorwaarden, naast Ruslands toetreding tot de WTO, kunnen worden geschapen voor een toekomstige totstandbrenging van een vrijhandelszone EU-Rusland;


- door Rusland aan te moedigen de belemmeringen voor handel en investeringen uit de weg te ruimen, in het bijzonder door verbetering te brengen in de grensformaliteiten en -voorzieningen, en de Russische verlangens inzake toegang tot de communautaire markt te bestuderen overeenkomstig de regelgeving en procedures van de Europese Unie;


- door concreter te onderzoeken waar kan worden samengewerkt in sectoren waarin de Russen over een bewezen deskundigheid beschikken (b.v. wetenschap, lucht- en ruimtevaart, energie);
- door partnerschappen te bevorderen, teneinde de ontwikkeling van de Russische cultuurindustrie ook op het gebied van het kunstbeheer te verbeteren;


- door de bestaande Europese programma's voor de opleiding van Russische managers en ondernemers beter te coördineren en, waar nodig, uit te breiden;

c) de basis leggen voor een sociale markteconomie


- door de sociale dialoog te stimuleren via het verlenen van steun bij de totstandkoming van moderne vakbonden en werkgeversorganisaties;


- door aan te moedigen dat op grotere schaal de belangrijkste arbeidsnormen van de IAO worden toegepast;


- door te streven naar de sociale bescherming van alle Russische burgers, in het bijzonder kwetsbare groepen, door de administratieve hervormingen van de Russische stelsels van sociale zekerheid en gezondheidszorg technisch te ondersteunen.

3. Samenwerking ter versterking van stabiliteit en veiligheid in Europa en daarbuiten

De Europese Unie wenst de samenwerking met Rusland te verdiepen en uit te breiden, en een gemeenschappelijk antwoord op de veiligheidsproblemen in Europa en daarbuiten te formuleren, door:

a) de politieke dialoog te versterken


- door na te gaan hoe meer continuïteit kan worden gebracht in de bestaande politieke dialoog en hoe die dialoog meer slagkracht kan krijgen, onder meer door de belangrijke rol die de secretaris-generaal van de Raad als hoge vertegenwoordiger voor het GBVB zal spelen;


- door met Rusland samen te werken teneinde gemeenschappelijke initiatieven te ontwikkelen op het gebied van het buitenlands beleid ter ondersteuning van gemeenschappelijke doelstellingen op dat gebied;

b) de plaats van Rusland in de Europese veiligheidsarchitectuur


- door de samenwerking met Rusland in de nieuwe Europese veiligheidsarchitectuur verder te ontwikkelen in het kader van de OVSE, en in het bijzonder, in de aanloop naar de top van Istanboel;


- door de samenwerking met Rusland bij het uitstippelen van de aspecten van het Europees Veiligheidshandvest voort te zetten;
- door te overwegen om deelneming van Rusland gemakkelijker te maken in het geval dat de EU gebruik maakt van de WEU voor missies die binnen het bestek van de Petersberg-taken vallen;

c) Preventieve diplomatie


- door de samenwerking EU-Rusland te versterken om bij te dragen tot conflictpreventie, crisisbeheer en conflictoplossing, ook binnen de OVSE en de VN;


- door wapenbeheersing en ontwapening alsmede toepassing van bestaande overeenkomsten te bevorderen, exportcontroles te versterken, de proliferatie van MVW terug te dringen, en nucleaire ontwapening en CW-vernietiging te steunen.

4. Gemeenschappelijke uitdagingen op het Europese vasteland

De Europese Unie zal in het bijzonder op de volgende gebieden met Rusland samenwerken:

a) energie en nucleaire veiligheid


- door ervoor te zorgen dat Rusland zich meer inzet voor een hervorming van de energiesector, met inbegrip van nucleaire veiligheid en milieubescherming, bijvoorbeeld door samen met Rusland te werken aan de verbetering van energie-efficiëntie en technische bijstand te verlenen op het gebied van energiebesparing in Rusland, door verbetering van de veiligheid van Russische kerncentrales, alsmede door samen te werken inzake aangelegenheden van nucleair afval en gebruikte splijtstof in Noordwest-Rusland;


- door Rusland aan te moedigen zich in te zetten voor nucleaire veiligheid in het kader van het Verdrag inzake nucleaire veiligheid, via de Overeenkomst inzake de rekening "nucleaire veiligheid" en in het kader van internationale initiatieven, alsmede door de regelgevende autoriteit voor nucleaire veiligheid in Rusland (GAN) te helpen versterken;


- door de te stimuleren dat Rusland het Verdrag inzake het Energiehandvest ratificeert, en door verder te onderhandelen over een multilateraal transitokader dat de samenwerking tussen Rusland en zijn buurlanden inzake de toegang tot het Russische pijpleidingstelsel zal stimuleren.

b) milieu en gezondheid


- door de veilige opslag van nucleair en chemisch afval en het veilige beheer van gebruikte splijtstof, met name in Noordwest-Rusland, aan te moedigen en te steunen;


- door de integratie van milieu-overwegingen in de economische hervormingen te steunen en door bijstand te verlenen bij de totstandbrenging van werkzame systemen voor de bewaking en naleving van multilaterale milieuovereenkomsten, en Rusland te helpen de handhaving van de nationale milieuwetgeving te versterken;

- door met name in gebieden die aan de zich uitbreidende Unie grenzen, met Rusland te werken aan de terugdringing van water- en luchtverontreiniging, de verbetering van de milieubescherming en de bevordering van een duurzaam gebruik van natuurlijke rijkdommen, in het bijzonder in de diverse fora voor regionale samenwerking;


- door met Rusland samen te werken voor een betere preventie van infectieziekten, onder meer door het verlenen van bijstand bij inentingsprogramma's;


- door tevens samen te werken voor betere fytosanitaire controles.

c) Bestrijding van georganiseerde criminaliteit, witwassen van geld, mensensmokkel en drugshandel; justitiële samenwerking


- door de rechtsstaat te bevorderen en bijstand te verlenen bij de uitbouw van de rechtsorde, onder meer door Rusland aan te moedigen een aantal belangrijke verdragen, met name op het gebied van justitiële samenwerking in burgerlijke en strafzaken, te ondertekenen, te ratificeren en uit te voeren;


- door, op basis van bestaande gemeenschappelijke standpunten, te streven naar een passende dialoog met Rusland in het kader van de in Wenen gevoerde onderhandelingen over de Overeenkomst van de Verenigde Naties ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit;


- door de samenwerking en de uitwisseling van deskundigen tussen de lidstaten en Rusland in het kader van de bestrijding van georganiseerde criminaliteit te intensiveren, onder meer op het gebied van de behandeling en de sociale reïntegratie van drugsverslaafden, en op het gebied van drugspreventie. Dit zal geschieden in samenwerking met het Europees Waarnemingscentrum voor Drugs en Drugsverslaving;


- door studiebijeenkomsten te beleggen over de wijzen waarop en de methoden waarmee geld wordt witgewassen;


- door de samenwerking tussen Europol en de bevoegde Russische autoriteiten verder te ontwikkelen, zoals bepaald in de Europol-overeenkomst, om beter de strijd te kunnen aanbinden tegen mensensmokkel, drugshandel en illegale immigratie;


- door de samenwerking tussen de verbindingsfunctionarissen van de lidstaten in Moskou te intensiveren, binnen de grenzen van hun respectieve nationale wetgevingen;


- door samenwerkingsmechanismen uit te werken voor de bestrijding van transnationale drugsdelicten, en door Rusland te betrekken bij het overleg van de Groep van Dublin;

- door in samenwerking met Russische instanties voorlichtingscampagnes ter voorkoming van mensensmokkel te voeren;


- door de samenwerking te verbeteren inzake de overname van eigen onderdanen, staatlozen en onderdanen van derde landen, en door eventueel een overnameovereenkomst te sluiten; door illegale migratie te bestrijden, mede door basis- en voortgezette opleidingscursussen te blijven geven aan het personeel van grenscontrole- en migratiediensten;


- door intensivering van de dialoog met Rusland over de aanpassing van het Russische visumbeleid aan dat van de Europese Unie, via de vaststelling van visumvoorschriften die aan de regelgeving van de Gemeenschap beantwoorden en het gebruik van moeilijk te vervalsen reisdocumenten;


- door samenwerking met Rusland, teneinde dit land ertoe te bewegen om sancties in te stellen tegen vervoerders die passagiers over de grens brengen welke niet over de vereiste documenten beschikken en om strafrechtelijke bepalingen ter bestrijding van illegale immigratie vast te stellen.

d) regionale en grensoverschrijdende samenwerking en infrastructuur


- door effectiever met Rusland samen te werken in de verschillende fora voor regionale samenwerking (Raad van de Oostzeestaten, Economische samenwerking Zwarte Zee, Raad voor het Europees-Arctische Barentszeegebied), en door de grensoverschrijdende samenwerking met aan Rusland grenzende gebieden (inclusief Kaliningrad) te bevorderen, met name in het vooruitzicht van de uitbreiding van de Europese Unie en in het kader van de noordelijke dimensie;


- door de samenwerking en de technische bijstand op het gebied van grensbeheer en douane te versterken;


- door te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor een verbinding van de Russische vervoerssystemen (weg en spoor) met de trans-Europese corridors, en door te streven naar een wederzijds bevredigende oplossing van vervoersproblemen. DEEL III

SPECIFIEKE INITIATIEVEN

De volgende specifieke initiatieven zullen worden ontplooid, waarbij de mogelijkheid van nieuwe initiatieven niet wordt uitgesloten:

Dialoog over politieke en veiligheidsaangelegenheden

De Unie zal nagaan hoe er meer continuïteit, flexibiliteit en inhoud aan de door de OPS ingestelde politieke dialoog kan worden gegeven, en hoe de dialoog meer slagkracht en effectiviteit kan krijgen.


- de Raad zal bestuderen of er een permanent mechanisme EU/Rusland kan worden ingesteld voor een dialoog over politieke en veiligheidsaangelegenheden, rekening houdend met de belangrijke rol die de secretaris-generaal van de Raad als hoge vertegenwoordiger voor het GBVB zal spelen. Een van de doelstellingen zou erin bestaan met Rusland te werken aan gezamenlijke initiatieven op het gebied van het buitenlands beleid ten aanzien van bepaalde derde landen en regio's, conflictpreventie en crisisbeheersing, vooral in aan Rusland grenzende gebieden, de Balkan en het Midden-Oosten;


- de Raad zal overwegen, naast de bestaande trojkabesprekingen met Rusland op het niveau van deskundigen een raadplegingsmechanisme te ontwikkelen, met mogelijke deelneming van derde landen, over aangelegenheden in verband met non-proliferatie, en zal daarnaast, mede door nauwere coördinatie dan wel gezamenlijke activiteiten met derde landen, de inspanningen opvoeren om Rusland te steunen bij de vernietiging van chemische wapens;


- daarnaast zal de Raad onderzoeken of er ruimte is voor gemeenschappelijke optredens en gemeenschappelijke standpunten inzake het veilig beheer van biologische en chemische stoffen, alsmede splijtstoffen in Rusland die onder IAEA-controle staan en zijn aangemerkt als niet langer nodig voor militaire doeleinden, zulks met name op grond van internationale verdragen. Bijzondere aandacht zal uitgaan naar het Internationaal Centrum voor wetenschap en technologie in Moskou.

De werkzaamheden met het oog op deze maatregelen zullen eind 1999 beginnen.

Dialoog over economische vraagstukken

De macro-economische situatie in Rusland, de ervaringen met het smeden van Europese eenheid, de invoering van de euro en het uitbreidingsproces vergroten het belang van bijzonder overleg tussen de Unie en Rusland over economische aangelegenheden. De Unie zal overwegen een specifieke dialoog EU/Rusland op hoog niveau in te stellen, teneinde de Russische regering te helpen in haar streven naar een duurzaam economisch herstel op basis van een door het IMF goedgekeurd alomvattend economisch programma dat tot een goed functionerende markteconomie leidt. Daarnaast zal de Unie overwegen om de Russische regering, via de inschakeling van vooraanstaande deskundigen van de Europese Unie, economisch beleidsadvies op hoog niveau te verstrekken.

De lidstaten zullen, waar nodig, hun coördinatie in de relevante internationale organisaties en fora versterken.

De bevoegde instanties dienen in verband met deze voorstellen voor eind 1999 een gemeenschappelijk verslag van voorzitterschap en Commissie op te stellen.

Handel en investeringen

In het licht van de opening van een nieuwe
WTO-onderhandelingsronde en het feit dat de Gemeenschap voorstellen heeft gedaan voor de aanpak die Rusland zou kunnen volgen met het oog op de voortzetting van de onderhandelingen over zijn toetreding tot die organisatie, bevestigt de Gemeenschap opnieuw haar bereidheid om haar huidige steun aan het streven van Rusland om zo spoedig mogelijk aan de voorwaarden inzake toetreding tot de WTO te voldoen, te handhaven en zo nodig op te voeren.

Daarnaast zal de Commissie manieren onderzoeken om in het kader van de OPS de investeringsdialoog met Rusland te versterken teneinde het handels- en investeringsklimaat in Rusland te verbeteren, en de handel en investeringen over en weer te vergemakkelijken; vóór eind 1999 zal de Commissie verslag uitbrengen aan de Raad.

Bestrijding van georganiseerde criminaliteit

De Europese Unie en Rusland hebben er groot belang bij tot duurzame, doeltreffende samenwerking te komen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken al was het maar als middel ter bevordering van eerbied voor mensenrechten en de rechtsstaat. In verband daarmee vormt de bestrijding van georganiseerde criminaliteit een voor de hand liggende prioriteit.

Daarom stelt de Europese Unie voor om met Rusland een gemeenschappelijk actieplan ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit op te stellen dat onder meer zou bestaan uit acties tegen corruptie, het witwassen van geld, drugshandel, mensensmokkel en illegale immigratie. De Unie stelt voor dat genoemd plan onder andere de volgende gebieden bestrijkt:


- bijstand bij de opleiding voor personeelsleden van de justitiële en wetshandhavingsautoriteiten, vooral wat betreft onderzoeks- en interventietechnieken;


- uitwerken van het nodige wettelijke, institutionele en juridische kader voor de doeltreffende vervolging van georganiseerde misdaad, in het bijzonder op het gebied van witwassen van geld, illegale economische activiteit en mensensmokkel;


- opzetten van doeltreffende samenwerkingsmechanismen ter bestrijding van grensoverschrijdende drugsmisdrijven; en


- ontwikkeling van samenwerking tussen Europol en de bevoegde Russische instanties zoals bepaald in de Europol-Overeenkomst. Door overleg met Rusland in het OPS kader en door een continue dialoog tussen de bevoegde Russische instanties en de in Moskou gestationeerde verbindingsfunctionarissen van de lidstaten zal het mogelijk zijn een nauwkeurige analyse te maken van wat Rusland op dit gebied nodig heeft. In dat verband zal de in december 1999 geplande EU-Ruslandconferentie over georganiseerde criminaliteit van bijzonder belang zijn. In de eerste helft van 2000 zal er een verslag aan de Raad worden voorgelegd.

Jumelageprogramma's

Het tweeledige doel van consolidatie van de Russische overheidsinstellingen en toenadering tussen de civiele samenleving in Rusland en die in de EU, houdt in dat op alle niveaus uitwisselingen tussen Rusland en de lidstaten worden ontwikkeld.

Daartoe wenst de Unie jumelageprogramma's met Rusland te ontwikkelen:


- teneinde de instellingen te versterken: in regionale en lokale overheden;


- teneinde de civiele samenleving in Rusland en de EU dichter bij elkaar te brengen: tussen beroepsorganisaties en vakverenigingen, universiteiten, NGO's en de media. De Commissie zal nagaan of daarvoor communautaire programma's (TACIS, TEMPUS en DEMOCRATIE) kunnen worden aangesproken. Ook de bilaterale instrumenten van de lidstaten zullen worden gebruikt. De lidstaten en de Commissie zullen hun programma's coördineren; in dat verband kunnen zij een beroep doen op het door de Unie opgezette opleidingsprogramma voor Russische leidinggevenden.


- Aan de hand van een inventaris van de bestaande instrumenten (die moet worden opgemaakt door de Commissie samen met het secretariaat-generaal van de Raad) en een onderzoeksmissie in Rusland zal de Commissie de Raad vóór eind 1999 verslag uitbrengen, en vervolgens besluiten wat de mogelijkheden zijn en voorstellen voor eventuele actie.

Uitwisselingsprogramma's voor studenten en jonge wetenschappers

De Unie zal nagaan of het mogelijk is uitwisselingsprogramma's van de Europese Unie voor studenten (die een integrerend deel van hun studie uitmaken) en voor jonge wetenschappers die werkzaam zijn onder contracten van het Internationaal Centrum voor wetenschap en technologie, te ontwikkelen. Daartoe:


- zal de Commissie worden verzocht een overzicht van de bestaande programma's van de EG en de lidstaten op te stellen;


- zal de Commissie voorts worden verzocht in de eerste helft van 2000 verslag uit te brengen over de middelen om de complementariteit tussen de bestaande Europese programma's op dit gebied te verbeteren en over de mogelijkheden voor een verbeterd communautair uitwisselingsprogramma en de vormen die dit kan aannemen.
Instelling van een levensvatbaar stelsel voor gezondheids- en welzijnszorg

De lidstaten en de Commissie zullen de programma's toetsen die zij hebben opgezet ter aanmoediging van de Russische inspanningen om een levensvatbaar systeem van welzijnszorg en sociale bescherming op te zetten in het algemeen, en in het bijzonder ter ondersteuning van de hervorming van de stelsels van openbare gezondheidszorg in Rusland, en de coördinatie, de efficiëntie en de complementariteit van dergelijke programma's verbeteren; daartoe zal de Commissie uiterlijk in juni 2000 verslag uitbrengen.

Grensoverschrijdende en regionale samenwerking

De Unie zal steun verlenen aan de versterking van grensoverschrijdende en regionale samenwerking, en zal een inventaris opmaken van alle relevante instrumenten en acties van de EG en de lidstaten die erop zijn gericht de programma's van de Europese Unie meer af te stemmen op Russische regio's die van bijzonder belang zijn voor de Europese Unie. In dat verband zullen de Raad en de Commissie de voorbereidingen opvoeren voor de conferentie van Helsinki in november 1999 over de noordelijke dimensie van de Europese Unie.

DEEL IV

GELDIGHEIDSDUUR

Deze gemeenschappelijke strategie is van toepassing vanaf de datum van bekendmaking en geldt voor een eerste periode van vier jaar. Zij kan worden verlengd, getoetst en, voorzover nodig, aangepast door de Europese Raad op aanbeveling van de Raad.

BEKENDMAKING

Deze gemeenschappelijke strategie wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad.

Gedaan te Keulen,
voor de Raad
de Voorzitter

________________________

Verklaring van de Europese Raad
betreffende de gemeenschappelijke strategie ten aanzien van Rusland

De Raad besluit met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen, wanneer hij op basis van de gemeenschappelijke strategie gemeenschappelijke optredens, gemeenschappelijke standpunten of andere besluiten vaststelt die binnen de werkingssfeer van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie vallen.

Voor de aanneming van buiten de werkingssfeer van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie vallende besluiten blijven de passende besluitvormingsprocedures van toepassing waarin door de relevante Verdragsbepalingen, inclusief het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt voorzien.

____________________

BIJLAGE III

VERKLARING VAN DE EUROPESE RAAD
OVER DE VERSTERKING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK EUROPEES BELEID INZAKE VEILIGHEID EN DEFENSIE

1. Wij, leden van de Europese Raad, zijn vastbesloten de Europese Unie ten volle haar rol op het internationale toneel te laten spelen. Daartoe zijn wij voornemens de Europese Unie toe te rusten met de nodige middelen en capaciteiten om haar verantwoordelijkheden voor een gemeenschappelijk Europees beleid op het gebied van defensie en veiligheid op zich te nemen. De werkzaamheden die op initiatief van het Duitse voorzitterschap zijn ondernomen en de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam maken het ons vandaag mogelijk een beslissende stap vooruit te zetten.

Bij het nastreven van de doelstellingen van ons gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid en de ontwikkeling van een gemeenschappelijk defensiebeleid menen wij dat de Raad besluiten moet kunnen nemen over het hele gamma van taken op het gebied van conflictpreventie en crisisbeheersing als omschreven in het Verdrag betreffende de Europese Unie, de zogeheten "Petersbergtaken". Hiertoe moet de Unie in staat zijn met steun van geloofwaardige strijdkrachten zelfstandig op te treden, en moet zij de middelen hebben om te besluiten die strijdkrachten in te zetten en bereid zijn zulks te doen als reactie op internationale crisissen, onverminderd NAVO-acties. De EU zal daardoor beter kunnen bijdragen tot internationale vrede en veiligheid overeenkomstig de beginselen van het Handvest der Verenigde Naties.

2. Wij zijn ervan overtuigd dat de Europese Unie over de passende capaciteiten en instrumenten moet beschikken om haar taken op het gebied van conflictpreventie en crisisbeheersing volledig op zich te kunnen nemen. Wij verbinden ons er dan ook toe voort te gaan met de ontwikkeling van doeltreffender Europese militaire capaciteit op basis van de bestaande nationale, binationale en multinationale capaciteit, en onze eigen capaciteit voor dat doel te
versterken. Hiertoe moet een continue defensie-inspanning worden geleverd, moeten de noodzakelijke aanpassingen worden uitgevoerd en moeten inzonderheid onze capaciteit inzake inlichtingendiensten, strategisch vervoer, bevelvoering en controle worden versterkt. Dit vergt tevens inspanningen om nationale en multinationale Europese strijdkrachten aan te passen, te oefenen en samen te brengen.

Wij erkennen voorts de noodzaak van voortdurende inspanningen met het oog op de versterking van de industriële en technologische defensiebasis, die wij competitief en dynamisch wensen. Wij zijn vastbesloten de herstructurering van de Europese defensie-industrie tussen de betrokken staten te bevorderen. Daarom zullen wij met de industrie werken aan een hechtere en doeltreffender samenwerking van de defensie-industrie. Wij zullen streven naar verdere vooruitgang in de harmonisatie van de militaire behoeften en de planning en aankoop van wapen, voorzover de lidstaten dat wenselijk achten.

3. Wij zijn ingenomen met de resultaten van de NAVO-top in Washington in die zin dat de NAVO haar steun heeft betuigd aan het door de EU in gang gezette proces en heeft bevestigd dat een effectievere rol voor de Europese Unie op het gebied van conflictpreventie en crisisbeheersing zal bijdragen tot de vitaliteit van een vernieuwd bondgenootschap. Bij de uitvoering van dit door de EU op gang gezette proces zullen wij zorgen voor de ontwikkeling van daadwerkelijke onderlinge raadpleging, samenwerking en transparantie tussen de Europese Unie en de NAVO.

Wij willen een effectief, door de EU geleid crisisbeheer ontwikkelen waarbij NAVO-leden zowel als neutrale en niet-gebonden leden van de EU volledig en op gelijke voet aan de operaties van de EU kunnen deelnemen.

Wij zullen regelingen treffen waardoor niet tot de EU behorende Europese bondgenoten en partners zo volledig mogelijk aan dit initiatief kunnen deelnemen.

4. Wij gaan dan ook over tot goedkeuring en aanneming van het verslag van het Duitse voorzitterschap, waarin de consensus tussen de lidstaten wordt weergegeven.

5. Wij zijn thans vastbesloten een nieuwe stap in de opbouw van de Europese Unie te zetten. Daarom dragen wij de Raad Algemene Zaken op te zorgen voor de voorwaarden en maatregelen die nodig zijn om deze doelstellingen te verwezenlijken, waaronder het bepalen van de wijze van integratie van de functies van de WEU die voor de Unie noodzakelijk zullen zijn om zich van haar nieuwe verantwoordelijkheden in het kader van de Petersbergtaken te kwijten. Het is in dat verband onze bedoeling voor het eind van het jaar 2000 de nodige besluiten aan te nemen. In dat geval zou de WEU als organisatie haar doel hebben bereikt. De verschillende status van de lidstaten met betrekking tot de collectieve defensiewaarborgen zal niet worden aangetast. Het Bondgenootschap blijft het fundament van de collectieve defensie van zijn lidstaten.

Wij verzoeken het Finse voorzitterschap dan ook het werk in de Raad Algemene Zaken voort te zetten op basis van deze verklaring en van het verslag van het voorzitterschap aan de Europese Raad van Keulen. Wij verwachten op de Europese Raad van Helsinki een voortgangsverslag van het Finse voorzitterschap.

________________
Verslag van het voorzitterschap over de versterking van het gemeenschappelijk Europees beleid
inzake veiligheid en defensie

1. Inleiding

Het Verdrag van Amsterdam, dat op 1 mei in werking is getreden, voorziet in de versterking van het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid (GBVB) met inbegrip van de ontwikkeling van een gemeenschappelijk Europees defensiebeleid (GEDB), zoals bepaald in artikel 17 van het VEU. Het Verdrag voorziet tevens in de mogelijkheid de WEU in de EU te integreren, indien de Europese Raad daartoe besluit.

De Europese Raad van Wenen was verheugd over de nieuwe impuls die aan de discussie over een gemeenschappelijk Europees beleid inzake veiligheid en defensie is gegeven. Hij was van oordeel dat het GBVB met een geloofwaardig operationeel potentieel moet worden ondersteund, wil de Europese Unie in staat zijn om haar rol op het internationale toneel ten volle te spelen. Voorts verheugde hij zich over de Frans-Britse verklaring die op 4 december 1998 in Saint Malo is afgelegd. De Europese Raad verzocht het Duitse voorzitterschap om dit debat voort te zetten en kwam overeen het vraagstuk tijdens de Europese Raad van Keulen opnieuw te bespreken. Ter voorbereiding daarvan hebben de ministers van Buitenlandse Zaken zich over deze kwestie gebogen tijdens hun informele bijeenkomst in Reinhartshausen van 13 en 14 maart en in de Raad Algemene Zaken van 17 mei.

De NAVO-top in Washington was verheugd over de nieuwe impuls die door het Verdrag van Amsterdam aan de versterking van een gemeenschappelijk Europees beleid inzake veiligheid en defensie is gegeven, en bevestigde dat een krachtiger Europese rol mede zal bijdragen tot de vitaliteit van het Bondgenootschap in de 21e eeuw. Voorts onderstreepte de NAVO-top dat
de ontwikkeling van een GBVB, zoals gevraagd in het Verdrag van Amsterdam, verenigbaar is met het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid dat in het kader van het Verdrag van Washington is ingesteld. Dit proces zal tot meer complementariteit, samenwerking en synergie leiden.

Ook in de ministerraad van de WEU op 10 en 11 mei is dit vraagstuk besproken op basis van het informele overleg dat tijdens de ministerraad te Rome op gang werd gebracht. De lidstaten zullen inspanningen leveren die in overeenstemming zijn met de conclusies van de lopende WEU-doorlichting van het Europese defensiepotentieel.

2. Grondbeginselen

Doel is het GBVB te versterken met de ontwikkeling van een gemeenschappelijk Europees beleid inzake veiligheid en defensie. Dit vereist een autonome operationele capaciteit die wordt ondersteund door geloofwaardige militaire middelen en passende besluitvormingsinstanties. Besluiten om op te treden zouden binnen het kader van het GBVB worden genomen volgens passende procedures, om recht te doen aan het specifieke karakter van besluiten op dit gebied. De Raad van de Europese Unie zou aldus besluiten kunnen nemen over het gehele scala van tot zijn beschikking staande politieke, economische en militaire instrumenten wanneer hij op crisissituaties reageert. De Europese Unie is gehouden tot handhaving van de vrede en versterking van de internationale veiligheid overeenkomstig de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, alsmede de beginselen van de Slotakte van Helsinki en de doelstellingen van het Handvest van Parijs, zoals bepaald is in artikel 11 van het VEU.

Bij het Verdrag van Amsterdam worden de Petersbergtaken ("humanitaire en reddingsopdrachten, vredeshandhavingsopdrachten en opdrachten van strijdkrachten op het gebied van crisisbeheersing, met inbegrip van het tot stand brengen van vrede") in het Verdrag opgenomen.

Wij zouden ons er derhalve vooral voor moeten inzetten dat de Europese Unie over de nodige middelen (met inbegrip van militaire middelen) en passende structuren voor een efficiënte besluitvorming van de EU inzake crisisbeheersing in het kader van de Petersbergtaken, beschikt. Dit is het gebied waarop een bijzonder dringende behoefte bestaat aan Europese operationele capaciteit. De ontwikkeling van een militaire crisisbeheersingscapaciteit van de EU zal worden aangemerkt als een activiteit in het kader van het GBVB (titel V van het VEU) en als een onderdeel van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid in overeenstemming met artikel 17 van het VEU.

Het Atlantisch Bondgenootschap blijft het fundament van de collectieve defensie van zijn leden. De verbintenissen krachtens artikel 5 van het Verdrag van Washington en artikel V van het Verdrag van Brussel zullen in elk geval voor alle lidstaten die partij zijn bij die Verdragen worden behouden. Het beleid van de Unie laat het specifieke karakter van het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten onverlet.

3. Besluitvorming

Wat de EU-besluitvorming op het gebied van veiligheids- en defensiebeleid betreft, moeten de nodige regelingen worden getroffen met het oog op de politieke controle en de strategische leiding van de door de EU geleide Petersbergoperaties, zodat de EU daadwerkelijk tot dergelijke operaties kan besluiten en ze kan uitvoeren.

Voorts zal de EU behoefte hebben aan potentieel voor de analyse van situaties, bronnen van informatie en middelen voor de desbetreffende strategische planning.

Hiervoor kan met name het volgende vereist zijn:


- regelmatige (of ad hoc) vergaderingen van de Raad Algemene Zaken, indien nodig met inbegrip van de ministers van Defensie;


- een permanent orgaan in Brussel (Comité voor politieke en veiligheidsvraagstukken) dat bestaat uit permanente vertegenwoordigers met politiek/militaire expertise;


- een militair comité van de EU dat bestaat uit militaire vertegenwoordigers en dat aanbevelingen richt tot het Comité voor politieke en veiligheidsvraagstukken;


- een militaire staf van de EU, met inbegrip van een Situatiecentrum;


- andere hulpmiddelen, zoals een Satellietcentrum en een Instituut voor Veiligheidsstudies.

Mogelijk moeten er verdere institutionele vraagstukken worden bestudeerd.

Besluiten betreffende crisisbeheersingstaken, in het bijzonder besluiten met militaire defensiegevolgen zullen in overeenstemming met artikel 23 van het Verdrag betreffende de Europese Unie met eenparigheid van stemmen worden genomen. De lidstaten behouden in alle omstandigheden het recht te besluiten of en wanneer hun nationale strijdkrachten worden ingezet.
4. Uitvoering

Wat de militaire middelen betreft, dienen de lidstaten verdere militaire eenheden (waaronder een hoofdkwartier) te ontwikkelen, die ook geschikt zijn voor operaties in het kader van crisisbeheersing, en dat zonder onnodige doublures. Tot de belangrijkste kenmerken behoren: inzetbaarheid, duurzaamheid, interoperabiliteit, flexibiliteit en mobiliteit.

Voor de doeltreffende uitvoering van door de EU geleide operaties moet de Europese Unie naar gelang van de vereisten per geval beslissen of zij overgaat tot de uitvoering van:


- een door de EU geleide operatie met gebruikmaking van NAVO-hulpbronnen en -middelen, of


- een door de EU geleide operatie zonder gebruikmaking van NAVO-hulpbronnen en -middelen.

Voor door de EU geleide operaties zonder gebruikmaking van NAVO-hulpbronnen en -middelen zou de EU nationale of multinationale Europese middelen die door de lidstaten van tevoren zijn aangewezen, kunnen aanwenden. Daartoe zal gebruik moeten worden gemaakt van hetzij nationale commandostructuren met een multinationale vertegenwoordiging in het hoofdkwartier, hetzij bestaande commandostructuren in multinationale strijdkrachten. Verdere regelingen tot vergroting van de capaciteit van Europese multinationale en nationale strijdkrachten om op crisissituaties te reageren, zullen noodzakelijk zijn.

Bij door de EU geleide operaties met gebruikmaking van NAVO-hulpbronnen en -middelen, met inbegrip van Europese commandoregelingen, dient de nadruk vooral te liggen op de volgende aspecten:


- de regelingen moeten worden uitgevoerd op basis van de besluiten van Berlijn van 1996 en de besluiten van de NAVO-top van Washington van april 1999;

- de verdere regelingen, zoals bepaald tijdens de NAVO-top van Washington, dienen met name te omvatten:

= gewaarborgde toegang tot NAVO-planningmiddelen die kunnen bijdragen tot de militaire planning van door de EU geleide operaties;

= veronderstelling dat de EU kan beschikken over van tevoren als zodanig aangewezen NAVO-middelen en gemeenschappelijke hulpbronnen voor gebruik in door de EU geleide operaties.

5. Wijze van deelneming en samenwerking

Voor de geslaagde totstandbrenging van een Europees beleid inzake veiligheid en defensie is met name het volgende vereist:


- de mogelijkheid voor alle EU-lidstaten, inclusief de niet-leden van de NAVO, om volwaardig en op voet van gelijkheid deel te nemen aan operaties van de EU;


- bevredigende regelingen voor Europese NAVO-leden die geen lidstaten van de EU zijn om hen zoveel mogelijk te betrekken bij door de EU geleide operaties, op basis van de regelingen voor raadpleging binnen de WEU;


- regelingen om ervoor te zorgen dat alle deelnemers aan een door de EU geleide operatie gelijke rechten hebben wat het voeren van die operatie betreft, onverminderd de autonomie van de EU qua besluitvorming, met name het recht van de Raad om principe- en beleidskwesties te bespreken en daarover een besluit te nemen;
- de noodzaak om doeltreffende wederzijdse raadpleging, samenwerking en transparantie tussen NAVO en EU te ontwikkelen;


- de bestudering van de manieren waarop de geassocieerde partners van de WEU de mogelijkheid kan worden geboden om daarbij betrokken te worden.

________________________
BIJLAGE IV

BESLUIT VAN DE EUROPESE RAAD OVER DE OPSTELLING VAN EEN HANDVEST VOOR DE GRONDRECHTEN VAN DE EUROPESE UNIE

Het waarborgen van de grondrechten is een van de beginselen waarop de Europese Unie is gebaseerd, en een absolute voorwaarde voor haar legitimiteit. De verplichting voor de Unie om de fundamentele rechten te eerbiedigen, is een beginsel dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie bevestigd en nader uitgewerkt heeft. In de huidige ontwikkelingsfase van de Unie is het nodig een handvest van die rechten op te stellen, zodat de uitzonderlijke betekenis van de grondrechten en hun belang voor de burgers van de Unie zichtbaar gestalte krijgen. Het handvest moet de Unie tot leidraad dienen bij de uitvoering van haar taken en het de burgers gemakkelijker maken hun grondrechten voor de rechter af te dwingen.

Naar de mening van de Europese Raad moet dit handvest in het bijzonder de vrijheids- en gelijkheidsrechten alsmede het grondrecht van de eerlijke rechtsgang omvatten, zoals die worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en zoals zij in de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten tot algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht zijn gesanctioneerd. Voorts moet dit handvest de grondrechten bevatten waar alleen de burgers van de Unie zich op kunnen beroepen. Bij de uitwerking van het handvest moet voorts rekening worden gehouden met de economische en sociale rechten, zoals neergelegd in het Europese sociale handvest en in het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werknemers (artikel 136 VEG), voorzover die niet alleen de basis vormen van doelstellingen voor het handelen van de Unie.

De Europese Raad is van mening dat het ontwerp van een dergelijk handvest voor de grondrechten van de Europese Unie en eventueel van de nodige aanvullende bepalingen voor het afdwingen van grondrechten moet worden opgesteld door een vergadering bestaande uit leden van het Europees Parlement en de wetgevende organen van de lidstaten, gevolmachtigden van de regeringen en vertegenwoordigers van de Europese Commissie. Vertegenwoordigers van het Europees Hof van Justitie, het Comité van de Regio's en het Economisch en Sociaal Comité dienen als adviseur deel te nemen. Vertegenwoordigers van maatschappelijke groepen en deskundigen dienen te worden gehoord. Het secretariaat wordt gevoerd door het secretariaat-generaal van de Raad.

Dit forum moet tijdig vóór de Europese Raad in december in 2000 een ontwerp voorleggen. De Europese Raad zal het Europees Parlement en de Commissie voorstellen, samen met de Raad een op dit ontwerp gebaseerd handvest van de grondrechten van de Europese Unie plechtig af te kondigen. Daarna moet worden nagegaan of en in voorkomend geval hoe het handvest in de verdragen kan worden opgenomen. De Europese Raad draagt de Raad Algemene Zaken op, vóór de Europese Raad in Tampere de nodige stappen te ondernemen.

________________________

BIJLAGE V

VERKLARING VAN DE EUROPESE RAAD OVER KOSOVO

President Ahtisaari, die een mandaat had gekregen van de Europese Unie, heeft de staatshoofden en regeringsleiders die te Keulen bijeen zijn verslag uitgebracht over de missie die hij in Belgrado met de heer Tsjernomyrdin, speciaal gezant van de President van de Russische Federatie, heeft volbracht.

De staatshoofden en regeringsleiders hebben de twee gezanten hun hoge waardering betuigd voor het welslagen van hun demarche. Zij hebben er akte van genomen dat de Joegoslavische autoriteiten het vredesplan waarin de eisen van de internationale gemeenschap opgenomen en verduidelijkt zijn, onvoorwaardelijk hebben aanvaard.

De staatshoofden en regeringsleiders erkennen dat thans de voorwaarden vervuld zijn om tot een definitieve politieke oplossing te komen, waarvan de eerste fase bestaat in het begin van de controleerbare terugtrekking van alle Servische strijdkrachten uit Kosovo en de stopzetting van de luchtaanvallen. Zij wensen dat dit proces onverwijld van start gaat.

Daarom onderstrepen zij dat dringend een resolutie van de VN-veiligheidsraad moet worden aangenomen die voorziet in de vorming van een internationale veiligheidsmacht en de instelling van het voorlopig internationaal civiel bestuur.

Zij hebben besloten dat onverwijld een ontwerp-resolutie zal worden opgesteld zodat die onmiddellijk kan worden toegezonden aan de landen die lid zijn van de Veiligheidsraad.

____________
BIJLAGE VI

AAN DE EUROPESE RAAD IN KEULEN VOORGELEGDE DOCUMENTEN

· Verslag over het Europees werkgelegenheidspact (8705/99)

· Bijdrage aan het verslag van het voorzitterschap over het Europees werkgelegenheidspact

- Ontwerp-memorandum van het voorzitterschap “Jongeren en Europa: onze toekomst“
(8288/99 + COR 1 (d))

· Voorstel voor een resolutie van de Raad betreffende gelijke kansen op werk voor mensen met een handicap (8296/99)

· Mededeling van de Commissie over het communautair beleid ter ondersteuning van de werkgelegenheid
(7827/99)

· Europees Werkgelegenheidspact

- Bijdragen van de lidstaten
(8906/99)

· Verslag van de Commissie "Europa als economische entiteit" - verslag 1999
(8746/99)

· Verslag van de Commissie over de vooruitgang die is geboekt in de uitvoering van het proces van Luxemburg: gemeenschappelijke indicatoren en levenslang leren
(8745/1/99 REV 1)

· Ontwerp-verslag van de Raad (ECOFIN) voor de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Gemeenschap
(8586/99)

· Mededeling van de Commissie: Uitvoering van het kader voor financiële markten: actieplan
(8329/99)

· Conclusies van de Raad inzake het verslag van de Commissie inzake de uitvoering van het actieplan voor financiële diensten (8616/99)

· Voortgangsverslag van de Raad (ECOFIN) aan de Europese Raad: versterkte samenwerking inzake het belastingbeleid (8484/1/99 REV 1)

· Rapport aan de Europese Raad over verbeteringen in de werking van het internationale financiële stelsel
(8460/1/99 REV 1)
· Verslag van de Commissie over investeringen in infrastructuur in de Europese Unie
(8453/99)

· Voortgangsverslag van de Commissie over de integratie van het milieubeschermingsbeleid in de andere communautaire beleidsterreinen
(8850/99)

· Mededeling van de Commissie over de uitvoering van het Kyoto-Protocol
(8830/99)

· Nota van het voorzitterschap over de mensenrechten (8727/99)

· Verslag van het voorzitterschap over het Europees beleid inzake veiligheid en defensie
(8239/1/99)

· Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over het stabilisatie- en associatieproces voor de landen van Zuidoost-Europa
(8858/99)

· Mededeling van de Commissie over de bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en antisemitisme in de aspirant-lidstaten (8831/99)

· Verslag van de Commissie: Het milleniumprobleem: Stand van de voorbereiding van de belangrijkste infrastructuren van de EU met het oog op het millenniumprobleem
(8996/99)

___________________

Deel: ' Conclusies van het voorzitterschap Europese Raad Keulen '




Lees ook