Persbericht Algemene Rekenkamer


Criteria programmahulp voor ontwikkelingslanden afgelopen jaren niet consequent toegepast

25 maart 1999

Een aanzienlijk deel van de uitgaven voor programmahulp in de jaren
1994 tot en met 1997 is verstrekt aan ontwikkelingslanden die niet aan alle criteria voor deze vorm van hulp voldeden. Hierdoor bestaat het risico dat de hulp niet effectief is. In 1996 ging 26% van de totale uitgaven voor programmahulp naar landen die aan alle criteria van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking voldeden. In 1997 was dit 42%. Volgens de Rekenkamer is het van belang dat de criteria voor programmahulp nauwgezet worden toegepast, omdat een goede toetsing vooraf de belangrijkste voorwaarde is voor een doelmatige besteding van de gelden. Dit staat in het rapport Programmahulp, dat de Rekenkamer vandaag publiceert.

De Rekenkamer deed in 1997 een vervolgonderzoek naar programmahulp in de periode 1994-1997. Programmahulp is algemene financiële ondersteuning van ontwikkelingslanden die niet via projecten loopt. Aan een land wordt geld verstrekt (macrosteun) of een deel van de schulden wordt kwijtgescholden (schuldverlichting) als het land aan een aantal criteria voldoet, zoals het voeren van een goed financieel en sociaal-economisch beleid en het voeren van ‘goed bestuur’. Aspecten van goed bestuur zijn bijvoorbeeld de mate waarin de overheid rekenschap aflegt aan de bevolking en de participatie van burgers in het bestuur. Een derde vorm van programmahulp is sectorale programmahulp, de financiële ondersteuning van specifieke sectoren zoals onderwijs of gezondheidszorg. De uitgaven voor programmahulp bedroegen in de periode 1994 - 1997 gemiddeld ruim f 560 miljoen per jaar.

Met de opstelling van de (concept)handleiding programmahulp in 1994 kwam de minister voor Ontwikkelingssamenwerking destijds zijn toezegging uit 1993 na om te voorzien in een beoordelingskader voor de verstrekking van programmahulp. Dat dit beoordelingskader vervolgens niet steeds consequent werd toegepast, werd veroorzaakt door interpretatieverschillen binnen het ministerie, terwijl bovendien de hulp soms niet werd verstrekt op basis van het gevoerde beleid in het ontvangende land maar op basis van aangekondigd beleid. Ook week de minister zelf soms af van de uitkomsten van het beoordelingskader.

De sectorale programmahulp wordt uitgevoerd door de Nederlandse ambassades. De Rekenkamer stelt vast dat deze vorm van hulp een dalende tendens vertoonde, mede omdat de toepassingsmogelijkheden daarvoor nog onvoldoende systematisch werden onderzocht.

De Rekenkamer concludeert dat de uitgaven voor programmahulp in de periode 1994-1997 zijn gedaald van f 517 miljoen naar f 306 miljoen op jaarbasis - afgezien van een tussenliggend piekjaar in 1995 (f
813,5 miljoen) - onder andere ten gevolge van de herijkingsoperatie en de wijziging van de begrotingsopzet. De minister meende dat de uitgaven voor programmahulp niet in die mate waren gedaald als de Rekenkamer concludeerde. Zij vond dat f 407 miljoen extra had moeten worden meegenomen in de omvang voor 1994-1997. De Rekenkamer is van mening dat deze uitgaven niet onder de definitie van programmahulp vallen. De Rekenkamer vraagt zich bovendien af of de hulp had kunnen worden verstrekt als het ministerie de beoordelingscriteria op de ontvangende landen had toegepast.

De minister voor Ontwikkelingssamenwerking onderschrijft dat het beoordelingskader consistenter moet worden toegepast. Zij zegde bovendien toe de handleiding te zullen actualiseren. Hierin zal zij de inzichten verwerken uit landen- en themaevaluaties. De minister wil bovendien terughoudender zijn met de toekenning van hulp op basis van aangekondigd in plaats van gevoerd beleid. De sectorale programmahulp maakt zij tot kern van beleid.

Deel: ' Criteria programmahulp ontwikkelingslanden slecht toegepast '




Lees ook