D66

11 november 1999

D66 over het belastingplan 21e eeuw

Francine Giskes

I ALGEMEEN


1. INLEIDING

Hoewel de grote lijnen van de voorgestelde Wet inkomstenbelasting 2001 na het uitkomen van de Verkenning belastingen 21e eeuw en het Regeerakkoord voor niemand een verrassing kunnen zijn, heeft de fractie van D66 natuurlijk met buitengewoon grote belangstelling kennis genomen van de concretisering en uitwerking van die lijnen. De leden van deze fractie willen het kabinet, en vooral de ondertekenaars, complimenteren met het tijdig volbrengen van de eerste fase van het wetgevingsproces dat in het Regeerakkoord is aangekondigd: het formuleren van een wetsvoorstel. Gezien het beslag dat gedurende lange tijd voor dit project werd gelegd op het ambtelijk apparaat, waren de verwachtingen van de D66-fractie hooggespannen.

De leden van de D66-fractie kunnen zich vinden in de hoofddoelstellingen die ten grondslag liggen aan de nieuwe wet: verbreding, verschuiving/vergroening en vereenvoudiging. Ook zij zijn van mening dat de huidige Wet op de inkomstenbelasting 1964 (IB64) niet meer is toegesneden op de eisen van de jaren na nu.

De leden van de D66-fractie zijn positief over de verlaging van de tarieven van de inkomstenbelasting over de hele linie. De belangrijkste overwegingen daarvoor zijn wat hen betreft tweeërlei. In de eerste plaats zal het internationaal gezien het steeds moeilijker worden er al te zeer afwijkende tarieven op na te houden. In de tweede plaats zijn de leden van de D66-fractie van mening dat in de sfeer van de inkomstenbelasting het tarief bij voorkeur niet boven de 50% uit moet komen. Meer dan de helft van de eigen inkomsten moeten afdragen vormt naar de mening van deze leden een psychologische grens die niet overschreden zou moeten hoeven worden. Daarmee wordt de neiging de belasting te ontwijken zoniet onderdrukt, dan toch in elk geval getemperd. Voorwaarde bij welke tariefsverlaging dan ook is voor deze leden echter wel dat geen wezenlijke verandering optreedt in de inkomensverhoudingen, tenzij zo'n verandering uitdrukkelijk wordt beoogd. Een stelselherziening als de onderhavige heeft voor de leden van de D66-fractie de bedoeling om tot een beter stelsel te komen, niet tot nieuwe inkomensverhoudingen.
De leden van de D66-fractie zijn ervan doordrongen dat het kabinet ook hoopt met de tariefsverlaging een impuls te geven aan de werkgelegenheid. Deze leden delen die doelstelling en zijn tot op heden overtuigd van de nuttige bijdrage die tariefsverlaging ook daaraan kan leveren. Wel vragen zij het kabinet nog eens in te gaan op de redenering van de Federatie van Belastingadviseurs die tot de conclusie komt dat de fl.5 miljard lastenverlichting voor dat doel beter rechtstreeks aan de werkgevers zou kunnen worden gegeven.

De meest in het oog springende nieuwe elementen in de voorgestelde Wet inkomstenbelasting 2001 zijn de introductie van meer analytische elementen (de 'boxen') en de forfaitaire bepaling van de inkomsten uit sparen en beleggen (het 'vermogensrendement'). De leden van de fractie van D66 zijn het eens met iedereen die stelt dat deze beide elementen nopen tot een heldere verantwoording met betrekking tot het draagkrachtbeginsel. Zij menen dat het kabinet in de toelichting op de wet die een zo belangrijke overgang vormgeeft niet kan volstaan met een verwijzing naar een eerder verschenen "Verkenning", zoals nu gebeurt in paragraaf 1.3.1 van de Memorie van Toelichting, ook al wordt verspreid door de daaropvolgende teksten wel gerefereerd aan de achterliggende gedachten. De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet dan ook om op dit punt alsnog te voorzien in een afdoende toelichting. Het kabinet verdedigt de stelling dat met de overgang van het huidige synthetische stelsel naar een meer analytisch stelsel meer recht wordt gedaan aan het draagkrachtbeginsel (MvT blz. 6). De leden van de fractie van D66, die in het verleden reeds herhaaldelijk hebben gepleit voor een meer analytisch stelsel, kunnen het kabinet volgen in deze redenering. Ook zij zijn van mening dat, gesteld voor de keuze tussen theoretische correctheid en praktische doeltreffendheid, het tweede de doorslag mag en zelfs moet geven. Het komt hen voor dat het rechtsgevoel van de burgers meer is gediend wanneer duidelijk is dat iedereen betaalt wat hij of zij geacht wordt bij te dragen dan wanneer op papier weliswaar sprake is van een eerlijke heffing, maar daar in de praktijk niets van terecht komt. De leden van de fractie van D66 hebben dit standpunt ook al naar voren gebracht bij de behandeling van het wetsvoorstel voor het nieuwe Aanmerkelijk Belang-regime in 1996, toen voor de eerste keer een analytisch element in de inkomstenbelasting werd aangebracht. Inmiddels is gebleken dat de toenmalige voorspellingen omtrent de opbrengst van die wetswijziging in ruime mate zijn overschreden. Hoewel die opbrengst moet worden gesaldeerd met hetgeen anderszins niet meer binnenkomt, hebben de leden van de fractie van D66 de indruk dat het hier gaat om een structureel hogere belastingopbrengst. Kan het kabinet dit bevestigen en wat is het meest actuele beeld?

Een andere wezenlijke vernieuwing is de vervanging van aftrekposten door tax-credits, kortingen op de te betalen belasting: de belastingvrije som wordt omgezet in een algemene heffingskorting en een deel van het arbeidskostenforfait wordt vervangen door een arbeidskorting. Daarnaast wordt sprake van een
alleenstaande-ouderkorting, een aanvullende
alleenstaande-ouderkorting, een ouderenkorting en een aanvullende ouderenkorting. De leden van de fractie van D66 zijn het met het kabinet eens dat de kortingen goed zijn te verdedigen uit oogpunt van rechtvaardigheid en doeltreffendheid. Op de exacte vormgeving van een en ander komen zij nog terug.

Ondanks de 'positieve grondhouding' kunnen de leden van de fractie van D66 bepaald niet zonder slag of stoot akkoord gaan met het voorliggende wetsontwerp, zoals uit het navolgende zal blijken. Het moet hen bovendien van het hart dat zij de hoofdstukken 1, 2 en 3 van het Algemene deel van de Memorie van Toelichting, die samen toch de 'basis-verantwoording' zouden moeten vormen, nogal chaotisch vinden. Vrijwel alle onderwerpen komen een aantal keren terug zonder dat sprake is van een duidelijke hiërarchie qua toelichtende betekenis. De leden van de fractie van D66 geven het kabinet in overweging zich bij de afronding van het wetgevingsproces nogmaals te zetten aan een toegankelijk en overtuigend Algemeen deel van de Memorie van Toelichting en vragen een reactie op deze suggestie.


2. DOELSTELLINGEN

Eenvoud en inzichtelijkheid
Eenvoud en inzichtelijkheid van wetgeving staan bij D66 hoog in het vaandel. De IB64 blinkt daar, zeker na alle wijzigingen door de jaren heen niet (meer) in uit. Alleen al om die reden ligt een nieuwe wet voor de hand. De gewenste eenvoud en inzichtelijkheid zijn alleen te bereiken door op te schonen. Wat D66 betreft dient het denken over een nieuwe inkomstenbelasting te beginnen bij de meest eenvoudige vorm: voor iedereen een zelfde procentuele heffing op alle inkomsten, ook wel flat tax genoemd. Alleen als het nodig, uitlegbaar en uitvoerbaar is wordt daarop een uitzondering gemaakt. Iedere bestaande uitzondering, in termen van tariefverschillen, bijtellingen en aftrekposten in de IB64 dient derhalve te worden bezien op zijn reden van bestaan, rechtvaardigheid, budgettaire implicaties en mogelijkheden voor oneigenlijk gebruik. Het is de leden van de fractie van D66 opgevallen dat over nogal wat artikelen in het wetsvoorstel in de artikelsgewijze toelichting wordt vermeld: "De bepaling is ontleend aan artikel van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Met de gewijzigde formulering en opbouw is geen inhoudelijke wijziging beoogd." Het lijkt deze leden, in het licht van het streven naar eenvoud en inzichtelijkheid en mede met het oog op de wetsgeschiedenis, nuttig als daar waar relevant toch alsnog een toelichting wordt gegeven op het 'bestaansrecht' van ieder van deze 'getransplanteerde' artikelen. Zij hebben geconstateerd dat ook de Raad van State hier opmerkingen over heeft gemaakt en dat het kabinet zich in zijn reactie daarop beroept op "een afweging van praktische aard". Het kader van de herziening zou een verdergaande aanpak niet toelaten (Nader Rapport, blz. 3 en MvT blz. 5). De leden van de D66-fractie betreuren deze keuze en kunnen hem ook niet goed plaatsen tegen de achtergrond van de hoeveelheid (ambtelijke) energie die in de herziening is gestoken. Op zijn minst zouden zij zich kunnen voorstellen dat voor de ongewijzigd overgenomen regelingen uit de IB64 voor de komende tijd een evaluatieprogramma zou zijn ontworpen, inclusief een prioriteitstelling en tijdsplanning. Zij verzoeken het kabinet hierop te reageren. Pas dan achten de leden van de fractie van D66 zich in staat te beoordelen of verdergaande vereenvoudiging niet tot de mogelijkheden behoort. De behoefte daaraan bij hen is gestimuleerd door het gegeven dat een aantal nieuwe regelingen in de wet (bijvoorbeeld de meesleepregeling, de behandeling van de kapitaalverzekering eigen huis en de bepaling van het pensioentekort) niet bepaald lijken te leiden tot een vereenvoudiging.

Grondslag
Minstens even belangrijk is voor de D66-fractie dat de huidige IB64 te veel ruimte laat voor niet beoogd gedrag, waardoor niet die belastinginkomsten worden verwezenlijkt die verwacht zouden mogen worden gezien de potentiële grondslag. Niet in de laatste plaats als gevolg van de relatief hoge tarieven zijn de belastingplichtigen vrij massaal gaan trachten die tarieven te ontgaan onder meer door belastingheffing langdurig uit te stellen: zo hoog mogelijke pensioen- en lijfrenterechten tegen aftrekbare premie en zo min mogelijk dividend en zo veel mogelijk onbelaste koerswinst. De leden van de fractie van D66 zijn het ermee eens dat met de nieuwe wet wordt getracht dergelijke uitholling van de grondslag tegen te gaan. Met name de voorstellen voor de vermogensrendementsheffing en de 'oudedagsparaplu' zijn daarbij aan de orde. Op de inhoud en concrete vormgeving van een en ander komen deze leden bij de desbetreffende onderdelen echter nog nadrukkelijk terug.

Verschuiving/vergroening
De leden van de D66-fractie achten het legitiem dat met het belastingstelsel naast het genereren van inkomsten voor de overheid andere doelstellingen worden nagestreefd. Zij ondersteunen de nevendoelstellingen die worden nagestreefd met het tweesnijdend zwaard van verschuiving/vergroening: verlagen van de belastingdruk op arbeid ter wille van het functioneren van de arbeidsmarkt en verhogen van de druk op consumptie in het algemeen en milieu-onwelgevallige consumptie in het bijzonder ter wille van een bewust en duurzame leefpatroon van de Nederlandse samenleving. De vormgeving van de vergroening is voor een belangrijk deel al aan de orde (geweest) bij de belastingplannen voor de jaren 1999 en 2000. Voor zover nodig komen de leden van de D66-fractie hier in het navolgende nog op terug. Ten aanzien van de verhoging van het BTW-tarief stelt het kabinet dat dit ertoe leidt "dat een groter deel van de belastingopbrengst minder gevoelig wordt voor economische ontwikkelingen" (MvT blz. 21). De leden van de fractie van D66 leven in de veronderstelling dat dit niet de primaire reden is voor de voorgenomen verschuiving van directe naar indirecte belastingen en wagen ook te betwijfelen dat die verschuiving tot een substantieel stabielere opbrengst leidt. Nog los van de invloed van de handel via Internet, kunnen deze leden zich niet aan de indruk onttrekken dat ook de consumptie van met BTW belaste goederen onderhevig is aan schommelingen als gevolg van de (verwachte) economische ontwikkeling. Wil het kabinet hier op reageren?

Arbeidsmarkt
Aan de nevendoelstelling bevordering van de werking van de arbeidsmarkt geeft het kabinet ook invulling door de introductie van de arbeidskorting en door de omzetting van de belastingvrije som in de algemene heffingskorting. De leden van de fractie van D66 kunnen zich in principe vinden in de gedachten die aan deze maatregelen ten grondslag liggen, ook al zijn die moeilijk te destilleren uit de toelichtende teksten op blz. 10-12 van de Memorie van Toelichting. Alleen uit het budgettair overzicht (par. 10.2) en de toelichting op artikel 3.3.7. wordt duidelijk dat de arbeidskorting deels wordt gefinancierd uit versobering van het huidige arbeidskostenforfait. Bij de bespreking van het onderdeel inkomsten uit werk en woning komen deze leden daarop terug.
De leden van de D66-fractie verzoeken het kabinet alsnog inzicht te geven in de verwachte effecten van louter arbeidskorting en algemene heffingskorting op de werkgelegenheid, d.w.z. zonder de invloed van de fl. 5 mrd lastenverlichting en de effecten van
verschuiving/vergroening.
Ten aanzien van de arbeidskorting valt het de leden van de fractie van D66 op dat in de Memorie van Toelichting zeer expliciet wordt aangegeven dat deze korting de bedoeling heeft de overgang van niet-werken naar werken aantrekkelijker te maken. De korting wordt echter aan alle werkenden toegekend. Op zichzelf doet een dergelijke generieke maatregel geen afbreuk aan de doelstelling, maar het is in de ogen van de leden van de D66-fractie wel een dure oplossing met mogelijk een suboptimaal resultaat. D66 heeft er ten tijde van de formatie geen geheim van gemaakt veel te zien in de EITC-gedachte (Earned Income Tax Credit): een fiscale tegemoetkoming aan werkenden die hoger is naarmate het verdiende inkomen lager is. De D66-fractie heeft met instemming geconstateerd dat het aangrijpingspunt van de arbeidskorting dankzij de motie Schimmel c.s. is verlaagd van 70 naar 50% van het minimumloon, waarbij het maximumeffect wordt bereikt bij 100% WML. De leden van deze fractie kunnen zich voorstellen dat er reden is dit aangrijpingspunt nog verder te verlagen, teneinde de drempel tot het aanvaarden van werk voor iedereen, dus ook degenen die in deeltijd moeten/willen werken, zo klein mogelijk te maken. Hun definitieve standpunt daaromtrent laten zij afhangen van de antwoorden op de vragen die zij in hoofdstuk 10 met het oog hierop stellen.

Economische zelfstandigheid
Het is de leden van de fractie van D66 opgevallen dat het kabinet pas na het advies van de SER expliciet als nevendoelstelling voor het nieuwe stelsel is gaan noemen: emancipatie en economische zelfstandigheid van alle burgers. Het kan nauwelijks verbazen dat de fractie van D66 zeer nadrukkelijk hecht aan deze (neven)doelstelling. De leden van deze fractie vinden de aandacht voor dit onderwerp tamelijk beperkt en versnipperd. De fractie van D66 is van mening dat het fiscaal stelsel zo neutraal mogelijk moet zijn ten opzichte van de relatie- en huishoudenssituatie, zij het dat zij onderkent dat de overheid natuurlijk niet ontkomt - en ook niet moet willen ontkomen - aan het op zijn minst impliciet stellen van een norm. Die norm moet dan wel de goede kant op wijzen.. Beslissingen over (wijzigingen in) de inrichting van het leven dienen in de ogen van de leden van deze fractie niet te worden geïndiceerd door fiscale voor- en nadelen van de ene leefvorm ten opzichte van de andere. En andersom dient het fiscale stelsel, al dan niet bewust, niet de ene leefvorm te bevoordelen boven de andere. Het fiscale stelsel dient er wel blijk van te geven dat de samenleving zich rekenschap geeft van de (mogelijke) invloed van bepaalde leefomstandigheden op de draagkracht van belastingplichtigen. Het valt de leden van de fractie van D66 op dat dit bijvoorbeeld wel, en terecht, het geval is als het gaat om jonggehandicapt of chronisch ziek zijn, maar niet expliciet als het hebben van de zorg voor kinderen in het geding is. Bij een integrale herziening van de inkomstenbelasting verdienen deze aspecten naar de mening van de leden van de fractie van D66 nadrukkelijk aandacht. Deze leden vinden dat deze aandacht onvoldoende uit het voorliggende wetsvoorstel spreekt, zowel qua wettekst als qua inhoud van de Memorie van Toelichting. Naar hun mening is hier niet alleen sprake van een gemiste kans, maar zelfs van een ernstige omissie. Het gaat volgens de leden van de D66-fractie niet aan om bij een zo belangrijke ingreep als het herijken van het fiscale stelsel niet nadrukkelijk te beginnen bij de kenmerken van de maatschappij waarvoor dat stelsel bedoeld is. Deze leden verwachten dan ook in de Nota naar aanleiding van het verslag alsnog een uitvoerige beschouwing over de afwegingen en keuzes die zijn gemaakt ten aanzien van relatie- en huishoudensvormen en de manier waarop recht wordt gedaan aan de invloed van de zorg voor kinderen op de draagkracht van belastingplichtigen, mannen en vrouwen. Zij vragen het kabinet daartoe in elk geval te reageren op alle elementen in de Emancipatie Effect Rapportage Verkenning belastingstelsel van de 21e eeuw (EER) die in opdracht van het Ministerie van Financiën werd opgesteld door het Economisch Instituut van de Universiteit van Utrecht. In dit verband verwijzen de leden van de fractie van D66 ook graag naar de volgende passage op blz. 8 van de Memorie van Toelichting: "Met de belastingherziening worden ook niet-fiscale doelstellingen nagestreefd. Hiermee komt duidelijk tot uitdrukking dat het fiscale beleid niet op zichzelf staat, maar een geïntegreerd onderdeel vormt van het algehele - vooral financiële en sociaal-economische - overheidsbeleid."
Als voorschot op de discussie die vervolgens wellicht nog gevoerd moet worden, brengen de leden van de D66-fractie enkele punten onder de aandacht.
Met de zgn. 1990-maatregel is ingespeeld op de relatie- en huishoudensvormen die naar verwachting in de 21e eeuw de boventoon zullen voeren. De 1990-maatregel houdt in dat iedere burger die na dat jaar 18 jaar wordt, geacht en in staat gesteld moet worden in eigen onderhoud te kunnen voorzien. Wie op of na 1 januari 1990 18 jaar wordt, krijgt geen toeslag op grond van de Toeslagenwet, tenzij er kinderen onder de 12 jaar zijn.
Het aantal eenpersoonshuishoudens is groot en neemt nog steeds toe. De statistieken leren dat in het merendeel van de meerpersoonshuishoudens met twee volwassenen sprake is van een twee-verdienersituatie, d.w.z. dat beide partners in meer of mindere mate (ook) buiten de deur werken. Het kostwinnersmodel, d.w.z. de huishoudensvorm waarin een van beide partners wel en de andere helemaal niet werkt, is duidelijk op de terugtocht.
Hoewel inmiddels zo'n 2,2 miljoen Nederlanders een eenpersoonshuishouden vormen en verwacht moet worden dat het overgrote deel van de bevolking in zijn leven gedurende kortere of langere tijd alleen zal wonen, lijkt het kabinet zich daar met het ingediende wetsvoorstel onvoldoende rekenschap van te geven. Om te beginnen vindt de D66-fractie het heel verwarrend dat gesproken wordt over 'alleenverdieners' als het gaat om samenwonenden met een niet-werkende partner. De leden van deze fractie vinden het meer voor de hand liggen om in/rond een nieuwe Wet inkomstenbelasting bijvoorbeeld te spreken van 'alleenverdieners' voor wie alleen woont en 'samenverdieners' voor wie niet alleen woont, uiteraard voor zover het überhaupt nog nodig is om de huishoudenssituatie van belastingplichtigen in de beschouwingen te betrekken.
Het is de leden van de D66-fractie opgevallen dat afgezien blijft worden van een alleenstaandentoeslag, terwijl bij de afschaffing daarvan in 1990 alom is erkend dat het nodig is op het onderwerp terug te komen. Zij vragen een reactie van het kabinet op de stelling van het CISA (Centrum voor Individu en Samenleving) dat achterwege laten van deze discussie alleen verdedigbaar is als tegelijkertijd wordt afgestapt van een algemene tegemoetkoming aan kostwinners en van een extra aanvullende tegemoetkoming aan alleenstaande ouders.

Ook op andere fronten is naar de mening van de D66-fractie sprake van inconsequenties en inconsistenties uit de huidige wetgeving die door worden gezet in de nieuwe. Het meest in het oog springend is de AOW-franchise die voor alle belastingplichtigen wordt gehanteerd bij het bepalen van het pensioentekort dat fiscaal gefacilieerd mag worden gedempt wordt in hoofdstuk 7 op teruggekomen.
Onevenwichtigheid constateren de leden van de fractie van D66 ook als het gaat om de toerekening van bijtellingen, aftrekposten en belastingvrije voeten aan de partners in een
'samenverdieners'-verband. De leden van de D66-fractie zijn van mening dat het gewenst is ook die toerekening vorm te geven vanuit het principe van economische zelfstandigheid. Op de nu gekozen vormgeving van een en ander komen zij in hoofdstuk 3 terug.

Ondanks de ontwikkelingen in relatie- en huishoudenssituaties handhaaft het kabinet in de voorgestelde nieuwe IB01 het zgn. kostwinnersvoordeel: wanneer van twee partners de één inkomen verdient en de ander niet, heeft de niet-verdienende partner recht op een financiële tegemoetkoming ter grootte van de algemene heffingskorting. Deze regeling verschilt in zoverre van de IB64, waarin sprake is van een tussen de partners overdraagbare belastingvrije som, dat de waarde van die tegemoetkoming niet langer wordt beïnvloed door de hoogte van het inkomen van de verdienende partner (via de werking van de progressieve tarieven op de belastingvrije som, waarvoor de heffingskorting in de plaats is gekomen) en dat de tegemoetkoming daadwerkelijk aan de niet-verdienende partner zelf wordt uitgekeerd. Bovendien verdwijnt de mogelijkheid dat een huishouden drie maal de basisaftrek gebruikt (nl. wanneer de minstverdienende partner de basisaftrek overdraagt en zelf gebruik maakt van de invorderingsvrijstelling - zie blz. 65 MvT). Op zichzelf zijn dit verbeteringen: arbeidsdeelname van niet-verdienende partners wordt niet langer ontmoedigd in die gevallen waarin de dan niet meer overgedragen belastingvrije som minder oplevert en wordt ook niet langer afhankelijk gemaakt van een aan de partner gebonden fiscale regeling (alfahulpen), en het is altijd goed als degene voor wie een tegemoetkoming is bestemd deze ook daadwerkelijk zelf ontvangt (vgl. de verzelfstandigde AOW voor gehuwden). Het ontgaat de leden van de D66-fractie echter waarom het kostwinnersdenken op deze manier wordt doorgezet in een nieuw belastingstelsel dat de pretentie heeft de 21e eeuw aan te kunnen, terwijl een goede incorporatie van het inmiddels overheersende denken in termen van de combinatie van arbeid & zorg achterwege blijft.
De leden van de fractie van D66 zijn van mening dat het volstrekt legitiem is als mensen ervan afzien om zelf inkomen te verwerven. De vraag is echter of de samenleving daar ongeclausuleerd geld 'op toe moet leggen'. Leven zonder eigen bron van inkomen kan alleen als iemand anders betrokkene kan en wil onderhouden. Het systeem van sociale zekerheid in Nederland maakt dat niemand onvrijwillig op een dergelijke situatie is aangewezen. Daar waar mensen een beroep doen op de vangnetten van de sociale zekerheid, wordt het echter wel normaal gevonden dat zij beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt teneinde de situatie van financiële steun van de samenleving zo snel mogelijk te beëindigen. Niet voor niets is de discussie in welke mate dat ook moet gelden voor bijstandsgerechtigden met de zorg voor jonge kinderen, net weer in alle hevigheid opgekomen!
De leden van de fractie van D66 achten het een maatschappelijk belang dat ouders goed, al dan niet (gedeeltelijk) zelf, voor hun kinderen kunnen zorgen. Zelf zorgen betekent niet zelf inkomen kunnen verwerven, oftewel vermindering van de verdiencapaciteit en dus van de draagkracht. Uitbesteden van de zorg betekent extra kosten maken, oftewel vermindering van de verdiencapaciteit en dus van de draagkracht. De zorg voor kinderen is derhalve naar de mening van de leden van de D66-fractie een belastingrelevant gegeven. (Wellicht ten overvloede: de kosten van de zorg is iets anders dan de kosten van levensonderhoud van de kinderen zelf, waar de kinderbijslag een tegemoetkoming in biedt.).
De financiële consequenties van de zorg voor kinderen dienen derhalve te worden verwerkt in de regels volgens welke burgers worden aangeslagen voor de belasting. Daarbij zou het er niet toe moeten doen hoe de ouders de zorgtaak invullen. Alle varianten, van de ene ouder 100% thuis, de ander zo veel mogelijk uit werken, via beide ouders een deel thuis en een deel buiten de deur aan het werk, tot beide ouders 100% buiten de deur aan het werk, moeten mogelijk zijn en de keuze eruit moet niet van de fiscus afhangen. De fractie van D66 pleit er met het oog hierop voor om alleen die niet-verdienende partners die de zorg voor (jonge) kinderen hebben in aanmerking te laten komen voor de algemene heffingskorting. Ook als de zorg na scheiding volledig is komen te rusten op een van beide ouders moet de fiscaliteit (deeltijd)deelname van die ouder aan het arbeidsproces mogelijk maken. Bij de behandeling van het Belastingplan 1996 introduceerde de fractie van D66 de gedachte van een zorgkostenforfait: een tegemoetkoming in de specifieke arbeidskosten van werkenden met (jonge) kinderen. Zowel in de Verkenning als in het nu voorliggende voorstel voor de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt de gedachte van een zorgkostenforfait of iets wat daarop lijkt met een minimum aan toelichting terzijde geschoven. Dit ondanks het feit dat ook in de EER nadrukkelijk wordt aangegeven dat een, op de zorgkostenforfait-gedachte geënte, "combinatietoeslag of -korting" met het oog op de maatschappelijke ontwikkeling aanbeveling verdient. De leden van de fractie verzoeken het kabinet alsnog beargumenteerd in te gaan op dit onderdeel van de EER (blz.129/130). Eventueel kan dit in het kader van de bij de Financiële Beschouwingen op verzoek van D66 toegezegde notitie inzake het opnemen van de aanwezigheid van kinderen als belastingrelevant gegeven.

Samenvattend: de fractie van D66 ziet graag dat het kabinet alsnog invulling geeft aan de passage in het Regeerakkoord in de bijlage inzake het Belastingplan: "Dat vereist dat de nieuwe structuur het ook mogelijk maakt generieke faciliteiten voor mensen die geen betaalde arbeid verrichten met een verdienende partner om te zetten in specifieke faciliteiten voor mensen die de zorg voor kinderen dragen" (blz. 92)

Kinderopvang
De fractie van D66 betreurt het dat niet al in dit nieuwe stelsel een nieuw fiscaal model voor de totale kinderopvangsector wordt ingevoerd door middel van fiscale tegemoetkomingen aan de ouders, opdat deze zonder tussenkomst van werkgevers en/of subsidiërende instanties de zorg voor hun kinderen regelen zoals zij dat willen.

Inkomensbeleid
Een tweede nevendoelstellig die onvoldoende aan bod lijkt te komen is het bieden van betere mogelijkheden tot het voeren van gericht inkomensbeleid. De leden van de fractie van D66 verwijzen naar de passage in het Regeerakkoord (blz. 93) die verwoordt hoe de extra schijf aan de onderkant de behoefte aan specifieke inkomensondersteunende maatregelen, gericht op de onderkant, doet afnemen.. Als instrumenten voor inkomensbeleid worden in de Memorie van Toelichting (blz. 21) aangemerkt: de algemene heffingskorting, de ouderenaftrek, de arbeidskorting en de knip in de eerste schijf. Alleen de knip in de eerste schijf is echt nieuw, de overige instrumenten zijn varianten op reeds bestaande instrumenten. De leden van de fractie van D66 realiseren zich dat de knip in de eerste schijf reeds per 1 januari is ingevoerd. Bij de introductie ervan is aangegeven dat hiermee vooruit werd gelopen op het nieuwe belastingstelsel. Aangezien het invoeren van een nieuwe schijf op zichzelf niet als vereenvoudiging is aan te merken, lijkt het deze leden nuttig als bij de behandeling van de integrale vernieuwing van de inkomstenbelasting nog eens goed wordt toegelicht hoe doeltreffend de splitsing van de oude eerste schijf is, bijv. aan de hand van een rekenvoorbeeld (welk budget is in de oude en de nieuwe situatie nodig om een bepaalde inkomensverbetering voor bijv. de sociale minima te realiseren). Wil het kabinet hierin voorzien?


3. VORMGEVING


3.1. Tarieven en heffingskortingen
Aangezien de hoogte van de tarieven in box I en de verschillen daarin ten opzichte van het regeerakkoord worden toegelicht in hoofdstuk 10, gaan de leden van de D66-fractie er daar nader op in. Op de tarieven in de boxen II en III komen zij terug in resp. hoofdstuk 5 en 6.

Het valt de leden van de D66-fractie op dat het principe van bijzondere tarieven wel erg makkelijk wordt verlaten, ook al hebben zij gevoel voor het argument van vereenvoudiging. Deze leden verzoeken het kabinet in te gaan op de argumenten van de werkgroep Belastingen bedrijfsleven 21e eeuw en de Raad van State om wel enigerlei vorm van bijzondere tarieven te handhaven voor situaties van bedrijfsbeeindiging (staking en/of overlijden).

Het valt de fractie van D66 op dat de gekozen hoogte van de arbeidskorting nergens expliciet wordt toegelicht. Zij verzoeken dit alsnog te doen. De leden van de fractie van D66 zien ook graag een toelichting waarom het niet-actievenforfait, omgedoopt in 'bijzondere aftrek', moet worden gehandhaafd en hoe de gekozen hoogte ervan is gekozen.


3.2. Aftrekposten
Het is de leden van de fractie van D66 niet geheel duidelijk waarom binnen de boxen-systematiek uitgaven voor inkomensvoorzieningen en uitgaven voor kinderopvang uitsluitend in box I als aftrekpost in aanmerking worden genomen (MvT blz. 23). De leden van de fractie van D66 vragen zich af of daarmee geen problemen ontstaan voor belastingplichtigen (ondernemers bijvoorbeeld) wier inkomen geheel of grotendeels valt buiten box I.


3.3. Inwonerschap
De fractie van D66 gaat ervan uit dat uitkomst van de behandeling van de Nota grensarbeid zal worden meegenomen in de vormgeving va IB01. Kan het Kabinet dit bevestigen?


3.4. Individualisering
Uit hetgeen is gesteld in hoofdstuk 2 zal duidelijk zijn dat de D66-fractie de stap die met de IB01 wordt gezet op de weg naar verdere individualisering van het belastingstelsel wat minder groot vindt dan het kabinet. De leden van deze fractie zijn er nog niet van overtuigd dat bij de vormgeving van de individualiseringsgedachte voor de nog niet geïndividualiseerde inkomensbestanddelen de gekozen 'praktische benadering', d.w.z. zelf kiezen bij wie van de partners iets wordt belast, de meest voor de hand liggende is. Dat geldt zowel voor inkomen uit werk en woning (box I) als voor inkomen uit sparen en beleggen (box III). Deze leden krijgen graag toegelicht waarom een voorgeschreven toerekening zou leiden tot "een juridisch complexe problematiek" (MvT blz. 25).


3.5. Partnerbegrip
De D66-fractie meent begrepen te hebben dat er inmiddels algemeen geldende wetgeving is inzake de gelijkschakeling tussen ongehuwd samenwonenden en gehuwden. Zij vernemen graag of er desondanks noodzaak is over dit onderwerp specifieke zaken vast de leggen in de Wet inkomstenbelasting. De leden van de D66-fractie willen weten of artikel 2.4.4, zesde lid, waarin geen sprake is van de zesmaandentermijn als minimum eis van partnerschap, geen aanleiding geeft tot misbruik en hoe dit wordt voorkomen. Tenslotte vragen de leden van de D66-fractie het kabinet toe te lichten hoe moet worden omgegaan met de eis van inschrijving op hetzelfde woonadres, tegen de achtergrond van de recentelijk gebleken mogelijkheid dat die eis voor gehuwden gaat worden verlaten.


3.6. Gecombineerde belasting- en premieheffing Een aspect dat niet expliciet aan de orde komt als het gaat om de overgang naar een meer analytisch systeem is de plaats van de premieheffing. Het voorstel houdt in: wel premieheffing in box I, niet in de boxen II en III. Degenen wier inkomen alleen valt in box II of III dragen derhalve geen premie af, maar zijn wel gerechtigd tot uitkeringen ingevolge de volksverzekeringen. In het huidige systeem betaalt de belastingplichtige met inkomsten uit vermogen ook premies volksverzekering. Hoe schat het kabinet het risico van ongeoorloofde discriminatie in? Is dit geen aanleiding de premies volksverzekering te fiscaliseren?


4. INKOMEN UIT WERK EN WONING (BOX I)


4.1. Inkomsten uit onderneming
De leden van de fractie van D66 lezen in de Memorie van Toelichting op het punt van het ondernemerschap het belangrijkste element is de aanscherping van het ondernemersbegrip. Dat blijkt in te houden dat personen die weliswaar gerechtigd zijn tot het vermogen van een onderneming, maar geen ondernemerswerkzaamheden verrichten in principe niet meer in aanmerking komen voor het winstregime inclusief de ondernemersfaciliteiten, maar in box III gaan vallen. De leden van de D66-fractie steunen deze gedachtenlijn en komen op specifieke punten terug bij de artikelsgewijze behandeling. In de Verkenning werd echter aangekondigd dat er ook een voorstel zou volgen om het huidige ondernemersbegrip om te zetten in een gesubjectiveerd ondernemersbegrip, d.w.z. dat het geheel van activiteiten van een ondernemer uitgangspunt wordt in plaats van de onderneming. In het voorliggende wetsvoorstel is daarvan echter toch geen sprake. De leden van de D66-fractie vernemen graag waarom dat niet het geval is en of alsnog een wetswijziging in die richting valt te verwachten. Nu blijkbaar vooralsnog (?) ervoor wordt gekozen het huidige ondernemersbegrip te handhaven, willen deze leden graag weten waarom er niet tegelijkertijd voor is gekozen de vervangingsreserve om te zetten in een herinvesteringsreserve, zoals ook de Raad van State heeft gesuggereerd. De leden van de fractie van D66 behoeven meer toelichting op het punt van het afschaffen van de stakingsvrijstelling. Deze leden wijzen erop dat de werkgroep Belastingen bedrijfsleven 21e eeuw heeft voorgesteld de stakingsvrijstelling één keer per leven te verlenen, mede gezien de functie van verzachting van de belastingheffing bij beëindiging van de onderneming. De leden van de D66-fractie vragen het kabinet in te gaan op deze suggestie, alsook op het alternatief om bij afschaffing in elk geval een bijzonder tarief (lager dan de huidige 45%?) te handhaven voor stakingswinst (zie ook par. 3.1).

De D66-fractie heeft een naam te verliezen als het gaat om het bestrijden van leeftijdsdiscriminatie. Het valt de leden van deze fractie op dat voor faciliteiten in de ondernemerssfeer ook in dit wetsvoorstel 65 jaar de grens is om ervoor in aanmerking te komen (zelfstandigheidsaftrek en fiscale oudedagsreserve). Dit in weerwil van het streven van het kabinet om leeftijdsdiscriminatie tegen te gaan, zoals ook spreekt uit het recent ingediende wetsvoorstel dienaangaande. Wil het kabinet hierop ingaan?


4.2. Inkomsten uit arbeid

4.2.1. Arbeidskosten
Het doet de fractie van D66 deugd dat de term "arbeidskostenforfait" in de nieuwe wet niet meer voorkomt. Zij hopen wel dat "algemene aftrek" niet teveel verwarring zal oproepen met de "algemene heffingskorting" en zouden zich kunnen voorstellen er "algemene loonaftrek" van te maken. Is het kabinet het daarmee eens? D66 vindt het terecht dat de forse verhogingen van het arbeidskostenforfait sinds 1990, bedoeld om het aanvaarden van werk aantrekkelijker te maken, terug worden gedraaid (naar 4 % van de inkomsten uit tegenwoordige arbeid met een minimum van f. 258 en een maximum van f.1262). Die verhogingen leidden tot vertroebeling van de heffingsstructuur en de vormgeving ervan bleken bovendien juridisch aanvechtbaar, getuige de recente uitspraak van de Hoge Raad, waar in het Belastingplan 2000 rekening mee wordt gehouden. De leden van de fractie van D66 zijn wat verbaasd over de opmerking op blz. 29 van de Memorie van Toelichting dat door de introductie van de arbeidskorting (hier opeens 'arbeidstoeslag' genoemd) de band met de werkelijk gemaakte kosten wordt doorgesneden. Het komt deze leden voor dat deze doorsnijding louter het gevolg is van de bewuste keuze het huidige arbeidskostenforfait niet alleen te verlagen maar tegelijkertijd de mogelijkheid van aftrek van werkelijk gemaakte kosten af te schaffen. Dat o.a. uit de opbrengst van deze operatie een arbeidskorting wordt gefinancierd staat daar in hun ogen in principe los van.

De leden van de fractie van D66 hebben wel begrip voor de overwegingen die ten grondslag liggen aan het voorstel werkelijk gemaakte kosten die boven de algemene aftrek uitgaan niet langer aftrekbaar te laten zijn, maar houden daar toch nog vragen bij. De werkelijke kostenaftrek is conflictgevoelig en leidt tot uitvoeringsproblemen en procedures, zo valt te lezen in de Verkenning (blz. 39). Dat is op zichzelf reden om er vanaf te stappen. Echter, de D66-fractie is er nog niet van overtuigd dat bij afschaffing er niet een groep belastingplichtigen zal ontstaan die tussen wal en schip valt. Vooral mensen die deels in loondienst en deels zelfstandig werken zouden huns inziens tekort gedaan kunnen worden ten opzichte van degenen die 100% in loondienst zijn. Het kabinet gaat er bovendien voetstoots van uit dat de werkgever wel zal voorzien in de kosten die in betekenende mate boven het maximum van de algemene aftrek uitgaan. Waarop is dit optimisme gebaseerd? Met het voorliggende voorstel wordt de symmetriegedachte (kosten aftrekbaar, dan vergoeding onbelast) losgelaten, aldus de Memorie van Toelichting (blz. 29). In de Verkenning heeft het kabinet zelf aangegeven dat beargumenteerd zal moeten worden dat sprake is van een voldoende basis voor een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor inbreuken op een opvatting die voortvloeit uit een fiscaal-theoretische zienswijze als deze symmetriegedachte. Naar de mening van de leden van de D66-fractie gebeurt dat hier onvoldoende. Wil het kabinet daar alsnog in voorzien, en daarin meenemen het gegeven dat ook de SER pleit voor behoud van de mogelijkheid van aftrek werkelijke kosten?


4.2.2. Resultaat uit overige werkzaamheden
De leden van de D66-fractie constateren dat voor degenen die (een deel van) hun inkomen ontlenen aan 'overige werkzaamheden' hun werkelijke kosten wel in aftrek kunnen brengen, maar dat daar tegenover staat dat vergoedingen en verstrekkingen worden belast. Dit komt deze leden niet onlogisch voor, maar er is wel aan gekoppeld dat het vorderingenstelsel moet worden aangehouden. Gegeven de administratieve romplomp die dit voor betrokkenen zal opleveren, vragen de leden van de D66-fractie of hier niet met het kasstelsel gewerkt zou kunnen worden. Ook vernemen deze leden graag waarom de scholingsaftrek en de ondernemersaftrek voor deze groep belastingplichtigen niet van toepassing kunnen zijn. D66 stelt deze vragen vanuit de gedachte dat huns inziens met het oog op de economische zelfstandigheid het ondernemerschap zoveel mogelijk moet worden aangemoedigd.


4.3. Inkomsten uit eigen woning
De leden van de D66-fractie onderschrijven dat in weerwil van de wijze van behandeling van vermogen in de vermogensrendementsheffing (box III) uitsluitend voor de 'eerste eigen woning' nog een bijzondere regeling wordt aangehouden, inhoudende dat de eraan verbonden 'inkomsten' en kosten tegen het progressieve tarief van box I worden belast. Het lijkt deze leden nuttig als voor de verdere toekomst wordt onderzocht in hoeverre de behandeling van de eigen woning qua systematiek meer in lijn kan worden gebracht met het voorgestelde boxenstelsel, teneinde de inzichtelijkheid en eenvoud van het stelsel te bevorderen en niet uit te nodigen tot arbitrage. De D66-fractie heeft bij het begrotingsonderzoek in september 1998 gevraagd om een breder verhaal over de hypotheekrenteaftrek, met daarin cijfermatige voorbeelden van de vergelijking tussen huren en kopen bij verschillende inkomensnivo's. Bij de beantwoording verwees de staatssecretaris van Financiën naar het onderhavige wetsvoorstel. Ook werd in het vooruitzicht gesteld dat contact zou worden opgenomen met de collega van VROM teneinde de gegevens van die zijde uit 1996 te actualiseren. De leden van deze fractie hebben tevergeefs gezocht naar de gevraagde informatie. Kan daarin alsnog worden voorzien?

De leden van de D66-fractie vermoeden dat de principes van de voorgestelde eigen-woningregeling ondermijnd kunnen worden door de recente voorstellen om gehuwden niet langer te verplichten op hetzelfde adres te wonen: ontstaan er dan twee hoofdverblijven? Wil het kabinet daarop ingaan? Op meer specifieke vragen rond de behandeling van de eigen woning gaan deze leden in bij de artikelsgewijze behandeling.
Een belangrijke bron van discussie rond het wetsvoorstel is de behandeling van bestaande kapitaalverzekeringen, wel en niet gekoppeld aan de eigen woning. Voor wat betreft de eerste soort (bij spaarhypotheken) zijn de leden van de D66-fractie nog niet overtuigd dat een aanvaardbare regeling wordt voorgesteld. Het antwoord op hun vragen in de artikelsgewijze behandeling zal eerst meer duidelijkheid moeten verschaffen. Op de behandeling van andersoortige kapitaalverzekeringen gaan deze leden in bij Hoofdstuk 6.

De D66-fractie krijgt signalen dat met name in de sfeer van de commanditaire vennootschappen het wetsvoorstel in combinatie met het overgangsrecht van de voorgestelde Invoeringswet nog de nodige aanlokkelijke constructies mogelijk zijn. Wil het kabinet daarop reageren?


5. INKOMEN UIT AANMERKELIJK BELANG (BOX II)

Terecht wordt in de Memorie van Toelichting opgemerkt dat reeds per 1-1-1997 de analytische benadering voor inkomen uit aanmerkelijk belang (ab) is geïntroduceerd. De leden van de fractie van D66 zijn het ermee eens dat bij de onderhavige algehele overgang op een meer analytische benadering in principe past dat verliesverrekening uitsluitend binnen de desbetreffende box kan plaatsvinden, dat zowel vervreemdingsvoordelen als alle overige voordelen worden belast volgens het ab-regime en dat alle vermogensbestanddelen die door de ab-houder aan de vennootschap ter beschikking worden gesteld net zo worden behandeld als dat al voor schuldvorderingen het geval is. Toch is de subjectivering die in 1997 is ingezet niet over de hele linie doorgevoerd, bijvoorbeeld bij de terugbetaling op aandelen kapitaal. Verdient het geen aanbeveling dat nu wel te doen, zo vraagt de D66-fractie? Voor zover deze leden bij de concrete uitwerking nog vragen hebben, komen zij daar bij de artikelsgewijze behandeling op terug.

Alleen een beoordeling van het totaal van deze wijzigingen maakt het naar de mening van de D66-fractie mogelijk te beoordelen welk heffingspercentage het meest geëigend is voor box II. Van vele zijden is inmiddels aandacht gevraagd voor het gegeven dat bij het huidige tarief van de vennootschapsbelasting (VPB) van 35 % het voorgestelde tarief van 30% voor inkomen uit aanmerkelijk belang leidt tot een totale heffing van 54,5 % op de winst van de bedrijven waar de aandelen betrekking op hebben. Het komt ook de leden van de fractie van D66 niet logisch voor om in box II een hoger tarief toe te passen dan het hoogste tarief (52%) dat gaat gelden voor inkomen uit arbeid. Het lijkt hen meer voor de hand te liggen voor box II steeds een zodanig tarief te kiezen dat het in combinatie met het dan geldende tarief van de VPB (inclusief opstap) leidt tot een zelfde heffing als het hoogste tarief voor inkomen in box I. De leden van de fractie van D66 vernemen graag het standpunt van het kabinet op dit punt. Het kabinet geeft in de Memorie van Toelichting zelf al aan dat de aanmerkelijkbelanghouder zowel kan lijken op een belastingplichtige die voor eigen rekening een onderneming drijft als op een particuliere belegger (MvT blz. 33). De leden van de fractie van D66 vragen het kabinet daarom in te gaan op de suggestie box II te doen vervallen en op te splitsen over de boxen I en III, al naar gelang de belastingplichtige een ondernemer is of niet.


6. INKOMEN UIT SPAREN EN BELEGGEN (BOX III)

De fractie van D66 heeft met de steun aan het regeerakkoord al te kennen gegeven in principe in te stemmen met het idee van een vermogensrendementsheffing ter vervanging van de progressieve belasting op spaarrente en dividend en de vermogensbelasting. Ook de leden van deze fractie zijn van mening dat het gewenst is uitholling van de grondslag in deze sfeer tegen te gaan en recht te doen aan het principe dat het voor de belastbaarheid zo min mogelijk moet uitmaken waar de draagkracht aan is ontleend, alsmede de wetgeving en uitvoering op dit front te vereenvoudigen. Hoewel er verschillende manieren denkbaar zijn om aan deze wens tegemoet te komen, geeft bij hen vooralsnog de doorslag het feit dat de voorgestelde vermogensrendementsheffing een relatief simpel systeem is dat toch voldoende 'rechtvaardig' lijkt te kunnen uitwerken. Voor de definitieve meningsvorming heeft de D66-fractie behoefte aan antwoord op een aantal vragen. De meer algemene vragen leggen zij hier voor, de overige volgen bij de artikelsgewijze behandeling.

De leden van de D66-fractie zijn van mening dat het gekozen percentage forfaitair rendement (4%) duidelijk moet worden toegelicht in het kader van het onderhavige wetsvoorstel. Dat is nu nergens in de Memorie van Toelichting het geval. Ook dient naar de mening van de D66-fractie inzichtelijk te zijn hoe 'op globale wijze' met de kosten is rekening gehouden bij de bepaling van het rendementspercentage (MvT
6.3.4. en 6.3.6.). De leden van de D66-fractie denken dat het onontkoombaar is om met zekere regelmaat het rendementspercentage aan de feitelijke situatie te toetsen. Hoewel ieder percentage jaarlijks valt te wijzigen, vragen deze leden het kabinet in te gaan op de suggestie wettelijk vast te leggen met welke frequentie en hoe het rendementspercentage wordt herijkt. Wat zijn de voor- en nadelen daarvan, welke methodieken zijn denkbaar en waar zou het kabinet de voorkeur aan geven?
Gegeven de breedte van de grondslag (incl. de relatief lage heffingsvrije voet), zou een tarief dat overeenkomt met het laagste tarief op inkomen uit werk en woning de fractie van D66 redelijk voorkomen. Nu dat tarief op bijna 33% uitkomt, zou het denkbaar zijn geweest dat ook aan te houden voor de vermogensrendementseffing. De leden van de D66-fractie vernemen graag of dat door het kabinet is overwogen en waarom voor 30% is gekozen.

De leden van de fractie van D66 zien ook graag toegelicht van welke heffingsgrondslag is uitgegaan bij de doorrekeningen en hoe die is bepaald.

De D66-fractie constateert dat de algemene vrijstelling aan de voet in de vermogensrendementsheffing is afgestemd op de huidige rente- en dividendvrijstelling, maar dat kennelijk geen rekening is gehouden met de huidige vrijstellingen in de vermogensbelasting. Deze leden kunnen zich voorstellen dat dit verband houdt met de wijze van behandelen van het eigen huis, maar het lijkt hen goed deze keuze nader toe te lichten.
De leden van de D66-fractie betreuren het dat de eenvoud van het voorgestelde systeem toch weer een uitzondering behoeft in de vorm van een inkomens- en vermogensafhankelijke ouderentoeslag. Zij vragen zich af of dit niet geïntegreerd zou kunnen worden in de sfeer van de (aanvullende) ouderenkorting in box I en horen daar graag de mening van het kabinet over. Voorts willen deze leden zien toegelicht waarom de totale rendementsgrondslag voor deze ouderentoeslag ook nog een rol speelt, gegeven de afgrendeling die er toch al in zit.

De D66-fractie is van mening dat de gedachte van een vermogensrendementsheffing dermate nieuw is, dat evaluatie van de werking ervan na 2 a 3 jaar gewenst is. Kan het kabinet aangeven of het daarmee eens is en hoe die evaluatie vormgegeven kan worden?


7. OUDEDAGSVOORZIENINGEN


7.1. Inleiding
De leden van de fractie van D66 hanteren bij de beoordeling over de wijze en de mate waarin oudedagsvoorzieningen fiscaal worden gefacilieerd het uitgangspunt dat er voldoende mogelijkheden om zelf zorg te dragen voor een adequate oudedagsvoorziening aan de burger ter beschikking moeten staan. Reële verwachtingen omtrent de hoogte van de oudedagsvoorziening zijn hiervoor essentieel en dienen medebepalend te zijn voor de wijze waarop fiscale faciliteiten worden vormgegeven. Keuzen voor een voorziening op het terrein van verzekeren, sparen en of beleggen moeten volgens deze leden niet worden ingegeven door fiscale incentives, maar door de mate waarin een keuze voor een voorziening bijdraagt aan invulling op het terrein van persoonlijke behoeften aan oudedagsvoorzieningen. Wetgeving die bijdraagt aan een groter (pensioen)bewustzijn bij de burger juichen deze leden toe. Vanuit deze overweging ondersteunt de fractie-D66 de gedachte achter de pensioenparaplu en de voorstellen die beogen fiscale faciliteiten voor bovenmatige pensioenopbouw te beperken door een aantoonbaar pensioentekort als voorwaarde te stellen. Uitvoerbaarheid en controleerbaarheid zijn voor deze leden belangrijke toetspunten bij het voorgestelde lijfrenteregime.


7.3 Het voorgestelde lijfrenteregime
De leden van de fractie van D66 betreuren dat het budgettaire kader zo sterk heeft doorgewerkt op de wijze waarop de oudedagsparaplu in onderhavig voorstel is vormgegeven met als resultaat dat alleen lijfrenteverzekeringen in aanmerking komen voor aftrek. Zij vrezen dat hierdoor niet in voldoende mate recht is gedaan aan het uitgangspunt dat er goede mogelijkheden moeten zijn voor burgers om zelf zorg te dragen voor een adequate oudedagsvoorziening met uitvoerbaarheid en controleerbaarheid voor belastingplichtigen en overheid als voorwaarde. Deze leden constateren dat andere vormen van vermogensvorming die voor de oudedag een rol kunnen spelen, als spaar- en beleggingsrekeningen, in de redenering van het kabinet niet onder de oudedagsparaplu kunnen vallen wegens het budgettaire beslag, de aanzuigende werking , en fiscale claims in internationale verhoudingen.De SER wijst op de mogelijkheid om, als die vormen wel worden toegelaten, deze te begeleiden met flankerend beleid. Waarom is het kabinet hier niet op ingegaan en waarom geldt de aanzuigende werking niet voor lijfrenteverzekeringen? Het kabinet meent dat spaar- en beleggingsproducten een minder doelgebonden karakter hebben dan lijfrenten. De SER meent dat een en ander ondervangen kan worden door nadere voorwaarden met betrekking tot het bestemmingsgebonden karakter van bijvoorbeeld spaar- en beleggingsrekeningen. De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet hier op in te gaan en daarbij de opmerking van de SER te betrekken dat een gelijke fiscale behandeling van contractuele en vrije besparingen een positief effect kan hebben op de werking van financiële markten (minder belastingarbitrage met eenzijdige bevoordeling van verzekeringsproducten) en tegelijkertijd een marktconforme allocatie van besparingen en investeringen bevordert (blz. 39, SER-advies). Met de in de Verkenning belastingen in de 21-ste eeuw onderzochte mogelijkheden en uitgangspunten hadden de leden van de fractie van D66 de hoop en de verwachting dat het kabinet met het vormgeven van een oudedagsparaplu de burger meer mogelijkheden zou bieden. Deze leden verwijzen in dit verband naar de zinsnede in de Verkenning (blz.46), "dat een nadere bezinning op de fiscale behandeling van oudedagsvoorzieningen enerzijds gericht moet zijn op het faciliëren van maatschappelijke trends in de sfeer van keuzevrijheid en marktwerking en dat het systeem van oudedagsvoorzieningen neutraler moet zijn ten opzichte van de verschillende mogelijkheden voor sparen voor de oude dag". Deze leden zijn van mening dat het hebben van keuzemogelijkheden voor het opbouwen van een adequate oudedagsvoorziening mede bijdraagt aan een beter pensioenbewustzijn of met andere woorden tot een grotere betrokkenheid van individuen bij hun oudedagsvoorziening, doordat zij bewust maar niet fiscaal geindiceerd, keuzes moeten en kunnen maken. De leden van de fractie van D66 hadden graag een oudedagsparaplu in de zin van een oudedagsplafond ten behoeve van de fiscale begeleiding van alle mogelijke oudedagsvoorzieningen gezien. Hierbinnen zouden dan de collectieve pensioenen, lijfrenteverzekeringen, eigen spaarvoorzieningen, de FOR etc moeten vallen. Het is de leden van de fractie van D66 niet duidelijk of en in welke mate het budgettair beslag toeneemt, als bijvoorbeeld spaar- en beleggingsrekeningen ook onder de oudedagsparaplu worden gebracht. Zij verzoeken het kabinet hierop in te gaan. Voorts willen deze leden graag weten in welke mate het argument van het kabinet dat spaar- en beleggingsrekeningen een minder doelgebonden karakter hebben een rol heeft gespeeld in het voorstel om deze vormen van vermogensvorming niet onder de oudedagsparaplu te brengen en hoe dit zich verhoudt tot de suggesties in de Verkenning 21-ste eeuw. Kan het kabinet in het antwoord meenemen de ontwikkeling van een grotere diversiteit aan financiële producten, die ook onder de wet IB01 zal voortgaan, en de behoefte daaraan vanuit het perspectief van de maatschappelijke ontwikkelingen in de 21-ste eeuw?

De leden van de fractie van D66 merken op dat de normen van de Wet fiscale behandeling pensioenen ("Witteveen"), sinds 1 juni 1999 van kracht, niet in het voorliggende wetsvoorstel zijn overgenomen. Daarbij gaat het om aantal jaren opbouw, pensioenleeftijd en AOW-franchise. Dat verbaast deze leden, gezien de korte tijdspanne tussen het van kracht worden van die wet en onderhavig voorstel en gezien de herhaalde toezeggingen van de zijde van het kabinet tijdens de behandeling van deze wet dat een en ander passend zou zijn bij het vormgeven van de oudedagsparaplu. Het voorstel leidt tot een verschil in behandeling van werknemers en zelfstandigen en van werknemers onderling. De leden van de fractie van D66 menen dat voor zo'n verschil goede redenen moeten zijn en verzoeken het kabinet om een uitgebreidere verklaring dan een enkele verwijzing naar de budgettaire consequenties. Waarom heeft het kabinet deze budgettaire consequenties niet voorzien tijdens de behandeling van de Wet fiscale behandeling pensioenen begin 1999? Deze leden verzoeken het kabinet in het antwoord mee te nemen de stellingname van de SER in zijn advies over de fiscale oudedagsparaplu, dat overname van de norm zoals vastgelegd in de Wet fiscale behandeling van pensioenen een conditio sine qua non voor invoering van een oudedagsparaplu vormt, alsmede de tekst in het Regeerakkoord: "Een oudedagsparaplu () dient in overeenstemming te zijn met het wetsvoorstel "Witteveen" en het pensioenconvenant".

De leden van de fractie van D66 betreuren zeer dat in het voorgestelde lijfrenteregime een AOW-franchise is voorgesteld van f 30 473,-. Dit bedrag, gebaseerd op een ongehuwden- AOW maal 10/7, komt niet overeen met het bedrag dat belastingplichtigen doorgaans als AOW-pensioen reëel kunnen verwachten en is niet toegesneden op de maatschappelijke verhoudingen van de 21-ste eeuw. Bovendien, zo wensen deze leden op te merken, wijkt ook deze hoogte van de AOW-franchise af van hetgeen is voorgesteld in de Wet fiscale behandeling pensioenen. De leden van de fractie van D66 zijn van mening dat met de voorgestelde hoogte van de AOW-franchise niet wordt voldaan aan het uitgangspunt dat iedereen in staat moet worden gesteld een pensioentekort weg te werken tot 70% van het laatsverdiende loon. De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet aan te geven waarom niet analoog aan de Wet fiscale behandeling pensioenen is voorgesteld om een AOW-franchise van f 21.061 te nemen, afgeleid van het pensioen voor een gehuwde of samenwonende AOW-gerechtigde. Wat is het budgettair effect als dat wordt gedaan? De leden van de fractie van D66 willen graag van het kabinet toegelicht hebben waarom in het voorgestelde lijfrenteregime ervoor is gekozen om twee van elkaar verschillende regelingen, namelijk een beschikbare premieregeling en een eindloonregeling, te koppelen ter bepaling van een pensioentekort. Worden hiermee niet twee verschillende grootheden met elkaar verbonden op een manier die vraagt om moeilijkheden?

De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet een oordeel te geven over de combinatievariant van de SER. Deze leden merken op dat het kabinet slechts voor wat betreft de reserveringsregeling, zij het beperkter van opzet, aan de combinatievariant van de SER is tegemoet gekomen. Zij verzoeken het kabinet daarom nader in te gaan op de in dit model voorgestelde mogelijkheid om tot het bedrag van f 3 982 (som van de maximumbedragen van de premiespaarregeling en de spaarloonregeling voor 1999) zonder nadere toetsing aan te nemen dat er een pensioentekort is en om door middel van een integrale eindtoets te bezien of de opbouw van de oudedagsvoorziening binnen de toegestane normen is gebleven.

Zoals de leden van de fractie D66 reeds hebben gesteld vormen uitvoerbaarheid en controleerbaarheid belangrijke toetsstenen bij het voorgestelde lijfrenteregime. In dit verband verzoeken zij het kabinet aan te geven wat de voorgestelde eerste en tweede aftrek betekent voor de administratieve lasten voor consument en belastingdienst. Deze leden verzoeken het kabinet te reageren op de brief van de Consumentenbond van 21 oktober 1999 waarin wordt gesteld dat het berekenen van het pensioengat ingewikkeld is voor de consument en dat vereenvoudiging van de uitvoering gewenst is.

De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet de voorgestelde beperking van de mogelijkheid tot het deblokkeren van bedrijfsspaarregelingen ten behoeve van lijfrentes, vrijwillige pensioenpremies en kapitaalverzekeringen nader toe te lichten. Waarom moet bedrijfsspaargeld eerst vier jaar "rijpen" alvorens het kan worden ingezet ten behoeve van het opbouwen van een oudedagsvoorziening? De leden van de fractie van D66 merken nog eens op dat op 1 juni 1999 in de Wet fiscale behandeling pensioenen de mogelijkheid tot het deblokkeren voor vrijwillige pensioenstortingen is vastgelegd. Had het kabinet het voornemen tot het schrappen van deze deblokkeringsmogelijkheid niet voorzien? De leden van de fractie van D66 merken op dat dit voor sommige belastingplichtigen kan betekenen dat zij de premie op lijfrente- en kapitaalverzekeringen moeten zien te verlagen en mogelijk zelfs deze verzekering premievrij moeten maken of moeten afkopen. Dit zijn bepaald geen aantrekkelijke opties en zo'n ontwikkeling staat in de ogen van D66 haaks op het strevcn om belastingplichtigen meer mogelijkheden te bieden een adequaat pensioen op te bouwen. De leden van de fractie van D66 merken op dat belastingplichtigen plots worden geconfronteerd met een wijziging van omstandigheden waar zij niet zonder daar een prijs voor te betalen onderuit kunnen. De leden van de fractie van D66 willen graag weten of het kabinet ruimhartiger overgangsrecht heeft overwogen voor deze groep (dus: belastingplichtigen met een lijfrenteverzekering gebaseerd op een gedeblokkeerde bedrijfsspaarregeling) en, zo ja, waarom het dat niet heeft ingevoerd. Waarom is niet voor deze groep ervoor gekozen dat overeenkomsten afgesloten vóór 14 september 1999 worden gerespecteerd, bijvoorbeeld tot het het nivo van het maximum bedrag aan spaarloon? Kan het kabinet aangeven hoeveel belastingplichtigen een bedrijfsspaarregeling hebben gedeblokkeerd t.b.v. een lijfrente of levensverzekering en wat het budgettaire beslag hiervan is?


8. SPECIFIEKE ONDERWERPEN


8.1. Vervoerskosten

8.1.1 Reiskosten woning-werk
De fractie van D66 juicht het toe dat wordt getracht openbaar vervoer, bedrijfsvervoer, carpoolen, treintaxi en fiets te bevorderen. De leden van deze fractie begrijpen dat bij de onbelaste vergoedingen nu het uitgangspunt wordt gehanteerd dat alleen variabele kosten in aanmerking komen en dat hogere vergoedingen worden geacht een beloningselement te bevatten, maar dat dit voor dienstreizen niet wordt gedaan. Kan worden toegelicht waarom dit onderscheid wordt gemaakt?

De leden van de D66-fractie stemmen ermee in dat het reiskostenforfait bij gebruik van de auto vervalt en bij o.v.-gebruik navenant wordt verlaagd.


8.1.2. Autokostenfictie
De leden van de fractie van D66 kunnen geen goede reden bedenken waarom woon-werkverkeer met een auto van de zaak geen privé-verkeer zou zijn, terwijl het dat wel is voor belastingplichtigen die niet zo'n auto hebben. De voorgestelde regeling komt hen bovendien nogal gecompliceerd voor. Het lijkt deze leden logischer, en ook beter met het oog op de problematiek van de files in de ochtend- en avondspitsen, om bij de autokostenfictie een eenvoudiger systeem toe te passen: woon-werkverkeer is privé, geen bijtelling bij minder dan 7000 km privé-gebruik en 25% bijtelling bij meer dan 7000 km privé. Bij de artikelsgewijze behandeling komen zij hierop terug.


8.2. Scholing
De fractie van D66 is het ermee eens dat (permanente) scholing dermate belangrijk is dat scholingsuitgaven die voor eigen rekening komen kunnen worden afgetrokken. Op de vraag hoe met de drempel wordt omgegaan, gaan zij bij de artikelsgewijze behandeling in. Om dezelfde reden vragen zij waarom bij de afschaffing van de aftrekbaarheid van rente op consumptief krediet leningen voor studiedoeleinden niet worden uitgezonderd, zoals wel gebeurde bij de eerdere beperkingen in die sfeer.


8.3. Buitengewone lasten en giftenaftrek
Dit onderdeel van het wetsvoorstel geeft de leden van de fractie van D66 vooralsnog geen aanleiding tot algemene opmerkingen. Voor zover nodig komen zij op dit onderwerp terug bij de artikelsgewijze behandeling.


8.4. Spaarloon
De D66-fractie kan instemmen met de versobering van de spaarloon- en premiespaarregeling gezamenlijk als het gaat om de hoogte van de bedragen, maar heeft wel problemen met de gevolgen die de voorgestelde beperking van de deblokkeringsmogelijkheden heeft voor degenen die op basis van de bestaande regelingen langlopende verplichtingen in de lijfrentesfeer zijn aangegaan. Op het laatste zijn de leden van de D66-fractie in hoofdstuk 7 uitvoerig ingegaan.
Het kabinet heeft bij monde van de staatssecretaris van Financiën bij de behandeling van het wetsvoorstel Aanpassing heffing ter zake van aandelenoptierechten aangekondigd in de IB01 een faciliteit op te nemen die het bezit door werknemers van aandelen of certificaten van aandelen in het kapitaal van de inhoudingsplichtige vennootschap bevordert. Dit naar aanleiding van de motie Giskes c.s. De leden van de D66-fractie hebben in het wetsvoorstel tevergeefs naar een dergelijke regeling gezocht. Wil het kabinet dit toelichten?


8.5. Positie gezinnen met kinderen
De leden van de D66-fractie leiden uit dit deel van de Memorie van Toelichting af dat in feite niets wordt gedaan met de motie Van Zijl/Schimmel. Deze leden zijn er nog niet van overtuigd dat een zorgkostenforfait niet zou kunnen bijdragen aan de oplossing van de problematiek waar deze motie op ziet. Het is immers heel wel denkbaar zo'n zorgkostenforfait of combinatiekorting (zie hoofdstuk 2) van inkomensafhankelijke elementen te voorzien. De fractie van D66 wijst er daarbij op dat de inkomensondersteunende werking van tariefsverlaging in de nieuwe eerste schijf ook bij iedereen belandt, tenzij nadere voorwaarden worden gesteld om ervoor in aanmerking te komen. De leden van deze fractie vernemen graag hoe het kabinet hiertegen aankijkt.


9. EUROPEESRECHTELIJKE ASPECTEN

Voor zover de D66-fractie op dit punt vragen hebben, gaan zij daar bij de artikelsgewijze behandeling op in.

10. BUDGETTAIRE EN INKOMENSGEVOLGEN

10.1. Inleiding
De D66-fractie is het ermee eens dat alle budgettaire en inkomensgevolgen van de gehele belastingherziening hier moeten worden gepresenteerd. De leden van deze fractie hebben de nodige vragen die beantwoord moeten zijn alvorens zij in kunnen stemmen met het voorstel als geheel.

10.2. Budgettair overzicht
Voor wat betreft het totaaloverzicht van de budgettaire consequenties (tabel 1) hebben de leden van de D66-fractie behoefte aan toelichting op het volgende:

- waarom valt de beperking van het reiskostenforfait f.50 miljoen lager uit dan geraamd in het regeerakkoord, terwijl toen nog niet werd uitgegaan van geheel vervallen van de aftrek bij autogebruik?
- met welke grondslag voor de vermogensrendementsheffing is gerekend, hoe is die bepaald en hoe verhoudt zich dat tot de aannames ten tijde van het regeerakkoord?

- van welke opbrengst van afschaffing van de vermogensbelasting is uitgegaan?

- was de beperking (lees: afschaffing) van de aftrekbaarheid van consumptieve rente niet al eerder ingeboekt?

- kunnen de budgettaire effecten van tariefsverlaging, omzetting belastingvrije som in heffingskorting en afschaffing invorderingsvrijstelling afzonderlijk worden getoond en horen de laatste twee maatregelen niet thuis bij 'financiering' in plaats van 'aanwending'?

- kunnen de effecten van de verlaging van de grens voor de arbeidskorting van 70 naar 50% WML, de toekenning van de arbeidskorting aan zelfstandigen en de toegepaste inflatiecorrectie afzonderlijk worden getoond?
De D66-fractie zou graag zien dat een nieuw totaaloverzicht wordt geleverd, dat tegemoetkomt aan de gestelde vragen.

10.3. Tariefstructuur
In de Memorie van Toelichting wordt er nog van uitgegaan dat ten behoeve van de f. 5 miljard buffergeld/lastenverlichting gerekend kan worden met een opbrengst van f.400 miljoen uit rekeningrijden (voetnoot blz. 58). Bij de Financiële Beschouwingen heeft de minister van Financiën op een vraag van D66 geantwoord dat dat inmiddels niet meer het geval is. Kan het kabinet in de Nota n.a.v. het Verslag dit bevestigen en nog eens toelichten? Het valt de leden van de D66-fractie op dat zonder de belastingherziening de lengte van de eerste schijf f. 15.000 zou bedragen, en die met herziening f. 31.651 wordt. Wil het kabinet dit toelichten?
Gesteld wordt dat de heffingskortingen 'in beginsel' zijn afgeleid van de actuele belastingvrije sommen (inclusief het niet-overdraagbare deel), maar bijgesteld ten behoeve van het beoogde inkomensbeeld. De leden van de fractie van D66 vernemen graag hoe de afweging heeft plaatsgevonden tussen het gebruiken van de heffingskortingen en het gebruiken van andere inkomensbeeldbeïnvloedende middelen zoals schijflengtes en tarieven. Voorts zouden deze leden graag zien dat de herkomst van het niet-overdraagbare deel van de belastingvrije som wordt gememoreerd en dat wordt toegelicht waarom dit deel niet alleen moet worden meegenomen bij de verdienende, maar ook bij de niet-verdienende partner die zijn heffingskorting ontleent aan de verdienende.

10.4. Inkomenseffecten
De D66-fractie vindt het terecht dat wordt getracht de inkomenseffecten uit te splitsen naar verschillende oorzaken, maar acht de gekozen indeling niet in alle opzichten toereikend. Om te beginnen vinden de leden van deze fractie het verwarrend dat de indruk word gewekt dat alleen bij de categorie 3-maatregelen sprake zou zijn van grondslagverbreding, terwijl dat huns inziens ook geldt voor de omzetting van de belastingvrije sommen en ouderenaftrekken in heffingskortingen en de versobering van het arbeidskostenforfait uit categorie 1. Het verdient volgens deze leden wellicht de voorkeur te spreken van: standaardeffecten wijziging IB, standaardeffecten wijziging indirecte belastingen en niet-standaardeffecten wijziging IB. De D66-fractie verzoekt voorts het kabinet om meer inzage in de spreiding van de niet-standaardeffecten, m.a.w. hoe groot is de kans dat het aangegeven percentage daadwerkelijk voorkomt en met welke marges moet rekening worden gehouden?

De leden van de fractie van D66 merken op dat de vormgeving van tabel 3 de indruk wekt dat 'zelfstandigen' en 'overigen' subgroepen zijn van 'werknemers'. De groep 'overigen' komt in de rest van de overzichten niet terug. Zijn dat de belastingplichtigen met "resultaat uit overige werkzaamheden" als bron van inkomen of betreft het de kleine inkomens, zo vragen de D66-fractieleden? Ook vernemen deze leden graag of zij tabel 3 zo moeten lezen dat ter bepaling van het aantal huishoudens de laatste twee kolommen door 2 moeten worden gedeeld. De leden van de fractie van D66 vragen het kabinet ook inzicht te geven in de aantallen belastingplichtigen bij de verschillende groepen die in de tabellen 4 t/m 8 worden onderscheiden.

De D66-fractie constateert dat alleen voor de werknemers en de ouderen de inkomenseffecten worden weergegeven. Voor de zelfstandig werkenden wordt verwezen naar nog komende wetsvoorstellen in het kader van het ondernemerspakket voor de 21e eeuw. De leden van deze fractie vinden het niet logisch dat daardoor voor een groep belastingplichtigen onduidelijk blijft wat het effect van de voorgenomen belastingherziening is. Deze leden menen te hebben begrepen dat het bewuste wetgevingspakket budgettair neutraal moet en zal uitpakken. Zij vragen zich daarom in de eerste plaats af waarom dat pakket toch relevant is als het gaat om de inkomensgevolgen. In de tweede plaats zijn de leden van de D66-fractie van mening dat voor zover de nieuwe wetgeving toch een rol speelt, deze nu in het geheel moet worden betrokken. Wil het kabinet daarop reageren?
Alvorens in te gaan op de berekende inkomenseffecten verzoeken de leden van de fractie van D66 het kabinet om een beschouwing te geven over de mogelijkheden en beperkingen van het gebruik van 'inkomensplaatjes' en daarbij te betrekken het advies dat de SER daarover uitbracht.

Het is naar de mening van de D66-fractie van belang te beginnen met te constateren dat over de hele linie een inkomensverbetering wordt gerealiseerd en slechts 1 groep in de min lijkt te belanden: alleenstaande ouderen met een inkomen van AOW+40.000. De cijfers bestuderend komt het de leden van de D66-fractie voor dat dit vooral is toe te schrijven aan het relatief hoge niet-standaardeffect bij deze groep. De leden van deze fractie vinden het uiteraard niet acceptabel als een groep belastingplichtigen nadrukkelijk anders dan de rest uit deze belastingherziening zou komen. Zij vragen het kabinet dan ook dit effect indien mogelijk nader te verklaren en aan te geven welke mogelijkheden er zijn dit verschijnsel op te lossen. Voorts valt op dat de ouderen er over de hele linie wat minder vanaf lijken te komen dan de 'werknemers', vooral als het gaat om degenen met lage inkomens (t/m AOW+10.000). De D66-fractie verneemt graag van het kabinet of het niet mogelijk is een zodanige aanpassing te verzinnen dat dit 'groepseffect' wordt gemitigeerd.
Voor wat betreft de werknemers is inmiddels alom opgevallen dat de totale inkomenseffecten bepaald niet voor alle onderscheiden groepen dezelfde zijn. De minst positieve resultaten worden geboekt door 'alleenverdieners' (in de hierboven door D66 voorgestelde terminologie: de samenverdieners van wie één van beiden geen inkomen heeft) met een huishoudinkomen rond f. 70.000 en de 'tweeverdieners' (oftewel: de samenverdieners die beiden een inkomen hebben) met gelijke inkomensaanbreng in een huishoudinkomen rond f. 150.000. De leden van de D66-fractie hebben de indruk dat kennelijk steeds bij de overgang van het individuele inkomen van f.50.000 naar f.70.000 een nadrukkelijke verslechtering optreedt (die bij de 1,5-verdieners met samen f.100.000 in tabel 5 wordt gecompenseerd door het relatief gunstige effect op het inkomen van de minstverdienende). Zij vragen zich af of dit samenhangt met de overgang naar de 2e schijf bij f.53.880. Deze leden nemen aan dat ook het kabinet inmiddels op zoek is gegaan naar de verklaring van dit effect en verzoeken het resultaat van die zoektocht te melden. De D66-fractie heeft er begrip voor dat de inkomenseffecten van het voorliggende wetsvoorstel niet voor iedere groep precies hetzelfde zijn, ook los van de niet-standaardeffecten. Deze fractie acht het echter moeilijk te verdedigen als al te grote verschillen in inkomenseffecten het resultaat zouden zijn zonder dat daar een acceptabele reden voor is. De leden van de D66-fractie wijzen er wel op dat zij geneigd zijn de effecten voor samenverdieners met een inkomen die geen zorg voor (jonge) kinderen hebben anders te wegen dan die voor zulke samenverdieners mét die zorg. De fractie van D66 verneemt graag van het kabinet of en, zo ja welke oplossingen er inmiddels voor de gesignaleerde problematiek zijn gevonden, gezien het feit dat diverse leden van het kabinet zich daar inmiddels publiekelijk over hebben uitgelaten.

Ten aanzien van de belastingplichtigen met kleine inkomens waarderen de leden van de fractie van D66 de poging van het kabinet om meer inzicht te verschaffen in de samenstelling van deze omvangrijke groep. Dat inzicht achten deze leden nodig om te kunnen beoordelen in hoeverre sprake is van een aanvaardbare uitwerking van het belastingsysteem op de subgroepen. Het verschafte materiaal roept bij deze leden nog de volgende vragen op: - In Bijlage II wordt in tabel 1 het aantal thuiswonende kinderen met een laag inkomen als onbekend aangemerkt, terwijl zij in de tabellen daarna wel lijken te worden meegenomen en van een aantal voorzien. De leden van de D66-fractie zien dit graag toegelicht. Zonder ook maar enigszins te willen afdingen op het nuttige werk van de alfahulpen, valt het de D66-fractie op dat de fiscale regeling rondom deze werkenden iedere systeemverandering bemoeilijkt. De leden van deze fractie zijn dan ook blij met de mededeling dat de budgettaire opbrengst van het vervallen van de invorderingsvrijstelling voor alfahulpen wordt aangewend voor een verhoging van de bruto uurvergoeding (blz. 64 MvT). Hoe verhoudt deze mededeling op zich tot de constatering verderop op die bladzijde dat de inkomensgevolgen voor de meesten in deze groep positief zullen zijn? De leden van de D66-fractie lijkt het nuttig als het kabinet nog eens kort uiteen zet hoe verleden, heden en toekomst van de alfahulpen moeten worden gezien.

- Hebben de leden van de D66-fractie goed begrepen dat het niet benutte deel van de heffingskorting door de belastingdienst niet onbeperkt aan de minstverdiener wordt uitbetaald, zoals de Memorie van Toelichting hier suggereert, maar dat toetsing plaatsvindt aan de belastingafdracht van de meestverdiener zodat het huishouden als geheel nooit geld terug zal krijgen (zie artikel 8.1.8, tweede lid)? Zo ja, is het kabinet het met deze leden eens dat het woord "individueel" hier wat misleidend is?


- Kan worden toegelicht op welke categorieën kleine inkomens het overzicht in tabel 7, waar wordt gesproken van 'werknemers', betrekking heeft? De D66-fractie vraagt voorts de inkomenseffecten per categorie weer te gegeven. Ook hebben de leden van deze fractie behoefte aan inzicht in de effecten voor belastingplichtigen met een klein inkomen in de tariefgroepen 4 en 5.

- De D66-fractie is nog niet overtuigd dat het niet nodig is voor bepaalde categorieën belastingplichtigen met een laag inkomen wel te laten zien wat het inkomenseffect is van de belastingherziening inclusief verschuiving en vergroening. De leden van deze fractie denken dan aan de in Bijlage II onderscheiden categorieën f (voor zover niet zijnde studenten) t/m k. Kan het kabinet aangeven waarom dat wel of niet nodig is en de desbetreffende informatie alsnog leveren?

11. UITVOERINGSASPECTEN

De leden van de D66-fractie juichen het toe dat de mogelijkheden van renseignering van inkomens- en andere gegevens met het SoFi-nummer als verplicht identificerend gegeven, nadrukkelijk worden onderzocht. Ook zij achten dit mede in het belang van de belastingplichtigen. De uitvoeringskant van de 'individualiseringsvoorstellen' illustreert hetgeen de D66-fractie naar voren brengt in hoofdstuk 2 en 3 ten aanzien van de doelstellingen van de belastingherziening voor wat betreft het onderwerp economische zelfstandigheid en de behandeling van partners: de keuzemogelijkheden in de toerekening van aftrekposten is niet bevorderlijk voor de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik. Bij de uitvoering van de nieuwe regelgeving inzake de oudedagsparaplu is de fractie van D66 al ingegaan in hoofdstuk 7.

II OPBOUW VAN HET WETSVOORSTEL

De leden van de fractie van D66 begrijpen dat bij de bekendmaking van wet de nummering van de artikelen per hoofdstuk doorlopend zal worden. Waarom dat nodig is en komt dat de inzichtelijkheid ten goede, zo willen deze leden weten?
De D66-fractie heeft waardering voor de nieuwe stijl van formuleren. De leden van deze fractie zijn het met het kabinet eens dat nadrukkelijk de mogelijkheid moeten worden onderzocht om te zijner tijd de winstartikelen te verplaatsen naar de Wet op de vennootschapsbelasting.
Op de overgangsaspecten gaan de leden van de D66-fractie in bij de behandeling van de Invoeringswet.

III ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

HOOFDSTUK 2

Afdeling 2 Heffingsgrondslagen

Artikel 2.2.3.
De leden van de fractie van D66 staan positief tegenover een keuzerecht voor inwoners van andere lidstaten van de Europese Unie en voor inwoners van landen waarmee Nederland een regeling ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten om te kiezen om op dezelfde wijze te worden behandeld als inwoners van Nederland. De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet nader toe te lichten waarom de WAZ-premie voor belastingplichtigen die niet opteren voor binnenlandse belastingplicht niet langer aftrekbaar lijkt te zijn? De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet toe te lichten waarom alleen binnenlands belastingplichtigen in aanmerking komen voor een heffingskorting?

Artikel 2.3.3
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet in te gaan op de vraag of de buitenlandse belastingplichtige die geopteerd heeft voor binnenlandse belastingplicht geen recht heeft op de toepassing van bilaterale verdragen die Nederland heeft gesloten met derde landen.

Afdeling 4 Toerekeningsregels

Artikel 2.4.1
De leden van de fractie van D66 hebben begrip voor maatregelen die beogen misbruik tegen te gaan. Deze leden verzoeken het kabinet toe te lichten waarom in lid 3 onderdeel b ervoor is gekozen om vermogensbestanddelen, of delen daarvan, die niet langer dan drie aaneengesloten maanden inkomen genereren in box I of box II, tevens te rekenen tot de grondslag voor het forfaitair rendement. Geldt de periode van 3 aaneengesloten maanden ook een periode welke over de grens van het kalenderjaar heen dient te worden bepaald? Kan het kabinet enkele voorbeelden geven van zakelijke overwegingen die van doorslaggevende betekenis zijn?
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet in verband met hetgeen is gesteld over de rangorderegeling in te gaan op de driejaarsperiode in de wettelijke regeling inzake aandelenoptierechten. Vallen aandelenoptierechten die in het kader van een dienstbetrekking zijn verstrekt wel of niet in box III zolang de driejaarsperiode nog niet is verstreken?

Artikel 2.4.4
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet toe te lichten waarom in lid 2 en lid 3 respectievelijk wordt gesproken over onderlinge verhouding en onderlinge verhoudingen. Onduidelijk is of 1 verhouding dient te worden vastgesteld of dat afzonderlijke verhoudingen voor ieder gezamenlijk inkomensbestanddeel en ieder bestanddeel van de gezamenlijke rendementsgrondslag mogen worden vastgesteld.

De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet te reageren op de reactie van 28 oktober 1999 van de NOB waarin met betrekking tot lid 5 wordt voorgesteld het gemeenschappelijk inkomensbestanddeel aan te merken als het inkomen uit aanmerkelijk belang voor toepassing van de persoonsgebonden aftrek in plaats van het belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang.

HOOFDSTUK 3 HEFFINGSGRONDSLAG BIJ WERK EN WONING

Afdeling 2 Belastbare winst uit onderneming

Artikel 3.2.1.1a en 3.2.2.1a
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet het nut van het onderscheid tussen de ondernemer en de medegerechtigden nader toe te lichten en daarbij de reactie van 28 oktober van de NOB terzake te betrekken.

Artikel 3.2.1.2
De leden van de fractie van D66 verwijzen naar hun reactie in het algemene deel van dit verslag.

Artikel 3.2.1.3 en 3.2.1.4
De leden van de fractie van D66 zijn van mening dat het zelfstandig werkzaam zijn zo aantrekkelijk mogelijk wordt gemaakt ter bevordering van de zelfredzaamheid van mensen. Deze leden zijn van mening dat de beperking om voor ondernemersfaciliteiten in aanmerking te komen als gevolg van de hoogte van het urencriterium niet bijdraagt aan het inrichten van het belastingstelsel op maatschappelijke ontwikkelingen in de 21-ste eeuw. De toename van flexibele arbeidsrelaties leidt ertoe dat vaker deels in loondienst en deels als zelfstandige inkomsten worden verworven. Deze leden zijn van mening dat deze ontwikkeling fiscaal niet moet worden ontmoedigd. In dit verband merken de leden van de fractie van D66 op dat de commissie Oort-II aanbevelingen heeft gedaan om de zelfstandigenaftrek aan te passen in de zin dat de urennorm kan vervallen, mits op een andere wijze rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van ander inkomen dan winst. Kan het kabinet aangeven waarom het toch de oude systematiek om in aanmerking te komen voor ondernemersfaciliteiten handhaaft?

De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet toe te lichten waarom in lid 2, onderdeel a is gekozen voor het gebruikelijkheidscriterium.

Artikel 3.2.2.1
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet terzake van het winstbegrip in te gaan op het commenaar van de NOB in de brief van 28 oktober jl.

Artikel 3.2.2.1 a
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet het fiscaal in aanmerking te nemen verlies van een medegerechtigde nader toe te lichten. Het enige verschil in behandeling lijkt in de maximering van het verlies te schuilen. Het is de leden van de fractie niet geheel duidelijk wanneer een medegerechtigde meer verlies kan lijden dan volgens onderhavige regeling aftrekbaar is. In dit verband verzoeken deze leden het kabinet enkele voorbeelden te geven. De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet voorts in te gaan op het in de brief van 21 oktober van de Raad voor het Zelfstandig Ondernemerschap gestelde dat de verliesmaximalisatieregeling uitvoeringstechnisch ingewikkeld is.

Artikel 3.2.2.1b
De leden van de fractie van D66 juichen een regeling toe voor de kosten die ondernemers treffen in de fase voor het moment dat sprake is van een bron van inkomen.

Artikel 3.2.2.4
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet de voorstellen tot het vervallen van de stakingswinst nader toe te lichten. De opgegeven reden dat de doelstelling om geschillen over kleinigheden te voorkomen aan betekenis heeft ingeboet doordat het niet benutte deel van de stakingsvrijstelling mag worden aangewend voor een afname van de oudedagsreserve, vinden zij tegen de achtergrond van het verdeelde advies over het vervallen van de stakingsvrijstelling van de werkgroep Oort-II mager. De leden van de fractie van D66 vragen het kabinet in dit verband in te gaan op de sociale achtergrond van de stakingsvrijstelling namelijk het verzachten van de belastingheffing bij het beëindigen van de ondernemingsactiviteiten. Deze leden verzoeken het kabinet in het antwoord mee te nemen het feit dat bij het staken van de onderneming de winst in één keer wordt gerealiseerd en belast tegen het progressieve tarief van box I. Wat zou het budgettair effect zijn van instandhouden van de stakingsvrijstelling?

Artikel 3.2.2.10 (en 3.10.2)
Onderhavige regeling, aldus de leden van de fractie van D66 wekt de schijn van fijnmazigheid, maar bewerkstelligt praktisch een uitgangspunt van een forfait van 25 % . De leden van de fractie van D66 achten het niet ondenkbaar dat een nihiltarief indien minder dan 500 kilometers voor privé doeleinden wordt gereden in de praktijk loos zal blijken omdat nauwelijks belastingplichtigen voor de vrijstelling in aanmerking zullen komen. Per saldo gaat van de wijziging van onderhavige regeling, naar de mening van de leden van de fractie van D66, onvoldoende stimulans uit voor gebruik van openbaar vervoer en/of minder privé-gebruik en komt onderhavige regeling te weinig aan het vereenvoudigingsstreven tegemoet.

De leden van de fractie van D66 achten een aanpassing van onderhavige regeling voor de bijtelling van de auto van de zaak op zijn plaats in de zin dat woon-werkverkeer ook tot privé-kilometers dient te worden gerekend. Zij zouden zich kunnen voorstellen dat dan wordt gekozen voor één vrijstellingsgrens (bijvoorbeeld 7000 km) voor privé-gebruik en één bijtellingspercentage. De D66-fractie verneemt graag de reactie van het kabinet op deze suggestie.

De leden van de fractie van D66 willen graag toegelicht hebben waarom in lid 6, onderdeel c is voorgesteld om de waarde van auto's ouder dan 15 jaar vast te stellen op de waarde in het economisch verkeer.

Artikel 3.2.2.14
De leden van de fractie van D66 zullen bij de behandeling van het wetsvoorstel Continuering regime inzake voorzieningen hier nader op ingaan. (Zie ook 3.2.2.43.)

Artikel 3.2.2.18
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet toe te lichten waarom in de wet een rekenrente van 4% wordt neergelegd? Waarom is verwijzing naar de algemeen aanvaarde actuariële grondslagen niet voldoende?

Artikel 3.2.2.20, 3.2.2.26, 3.2.2.30, 3.2.2.34
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet in te gaan op het commentaar terzake van de NOB in de reactie van 28 oktober.

Artikel 3.2.2.36
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet aan te geven op welke wijze de desinvesteringsbijtelling in lid 2 wordt toegerekend aan verschillende investeringen bij overdracht van een onderneming waarbij voor enkele bedrijfsmiddelen een prijs wordt overeengekomen.

Artikel 3.2.2.43
De leden van de fractie van D66 wensen op te merken dat naar aanleiding van het zogenaamde bakstenenarrest van de Hoge Raad van 26 augustus 1998 reparatiewetgeving (wetsvoorstel nummer: 26 821) in de Kamer in behandeling is. Deze leden verzoeken het kabinet in te gaan op de wenselijkheid om ook voor de behandeling van fiscale reserves de ondernemingsgrenzen los te laten door het subjectieve ondernemingsbegrip in te voeren. De leden van de fractie van D66 hechten eraan in dit verband op te merken een verruiming van de mogelijkheden tot vorming van fiscale reserves op grond van bedrijfseconomische inzichten niet onwenselijk te achten. Bij de behandeling van het wetsvoorstel Continuering regime inzake voorzieningen zullen zij hier nader op ingaan.

Artikel 3.2.2.44
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet in te gaan op de wenselijkheid om de vervangingsreserve over ondernemingsgrenzen heen te tillen door de mogelijkheid te scheppen de reserve te laten overnemen door de opvolgende onderneming?

Artikel 3.2.2.47
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet in te gaan op de reactie van VNO/NCW van 21 oktober waarin met betrekking tot lid 7 wordt gepleit voor het opnemen in van de gemeenschapsrechterlijke term "belastingontwijking" in plaats van de termen " het ontgaan of uitstellen van belastingheffing".

Artikel 3.2.3.1
De leden van de fractie van D66 zien niet in waarom toevoegingen oudedagsreserve beperkt moeten zijn tot 65-jaar terwijl in de Wet fiscale behandeling pensioenen opbouw tot het 70-ste levensjaar tot de mogelijkheden behoort. Is het kabinet van mening dat eerst moet worden aangetoond dat opbouw van pensioen na het 65-ste jaar in weerwil van beperkende wetgeving terzake maatschappelijk gangbaar is alvorens de beperking van toevoegingen aan de oudedagsreserve tot het 65-ste jaar kan vervallen? Geven de overwegingen die ten grondslag lagen aan de Wet fiscale behandeling pensioenen niet voldoende reden om ook de leeftijdsgrens van 65 jaar in de FOR te heroverwegen? De leden van de fractie van D66 willen voorts graag van het kabinet weten waarom het voorstel van onder meer Prof. Dietvorst om de FOR af te schaffen niet is overgenomen.

Artikel 3.2.3.4
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet nader toe te lichten waarom nu in lid 1, onderdeel b, onder 2 wordt voorgesteld de oudedagsreserve te laten afnemen indien de belastingplichtige met betrekking tot dat kalenderjaar niet voldoet aan de vereisten om aan de oudedagsreserve te kunnen toevoegen. De leden van de fractie van D66 verwijzen naar de toelichting op wetsvoorstel 25 690 (aanpassing oudedagsreserve en zelfstandigenaftrek alsmede vervallen van vermogensaftrek) waarin wordt gesteld dat verplichte afname van de reserve indien deze uitkomt boven het ondernemingsvermogen door ondernemers als een knelpunt wordt ervaren. Met het wegnemen van de vermogenstoets voor het instandhouden van de reserve is gepoogd dit knelpunt weg te nemen. Heeft de afgelopen twee jaar geleid tot andere inzichten dan het geval was bij de behandeling van dat wetsvoorstel?

Artikel 3.2.4.3
De leden van de fractie van D66 merken op dat de zelfstandigenaftrek in verband met het recht op een arbeidskorting wordt verlaagd. Kan het kabinet aangeven hoe de verlaging zich verhoudt tot het recht op arbeidskorting en een overzicht verschaffen van de budgettaire effecten voor de winstklassen in relatie tot de gehanteerde zelfstandigenaftrek? Waarom heeft het kabinet besloten om ook hier de leeftijdsgrens van 65 jaar te handhaven (zie ook artikel 3.2.3.1)? Acht het kabinet het niet in de rede liggen, aangezien onder meer voor werknemers fiscale faciliëring van oudedagsvoorzieningen tot 70 jaar mogelijk is en ook de Commissie Oort-II zich heeft uitgesproken voor het laten vervallen van de leeftijdsgrens, om de leeftijdsgrens van 65 jaar voor de zelfstandigenaftrek te schrappen.

De leden van de fractie van D66 merken met betrekking tot lid 3 op dat de Commissie Oort-II heeft geadviseerd om de startersaftrek voor een periode van vijf jaar toe te staan. Dit advies is niet overgenomen. Kan het kabinet toelichten waarom de huidige regeling wordt gehandhaafd en het advies van de commissie dus niet is overgenomen?

Artikel 3.2.4.5
De leden van de fractie van D66 merken op dat de meewerkaftrek nagenoeg ongewijzigd in de ondernemersaftrek is ondergebracht. De Raad van State adviseert om de meewerkaftrek te schrappen en over te gaan tot een systeem van reële beloning. Het kabinet erkent dat het systeem van de reële beloning voorkeur verdient. De leden van de fractie van D66 willen daarom graag een uitgebreidere toelichting op het handhaven van de meewerkaftrek. Een enkele verwijzing naar het rapport "een duwtje in de rug" van de werkgroep Evaluatie en herziening fiscale tegemoetkoningen en faciliteiten ondernemers, achten deze leden niet voldoende als het systeem van reële beloning beter aansluit bij een robuust belastingstelsel waarin vereenvoudiging en individualisering voorop staan.

Afdeling 3 Belastbaar loon

Artikel 3.3.7
De leden van de fractie van D66 verwijzen hier primair naar het algemene deel van hun inbreng. Kan het kabinet toelichten waarom niet is voorgesteld om limitatief een aantal specifieke aftrekposten te introduceren zoals bijvoorbeeld vakliteratuur. De leden van de fractie van D66 willen voorts graag van het kabinet weten of het kabinet het vervallen van de zogenaamde Nedeco-aftrekregeling wenst te compenseren nu hier door het afschaffen van de werkelijke kostenaftrek geen gebruik meer van kan worden gemaakt.
De leden van de fractie van D66 willen graag vernemen of discussies over toerekening van kosten in gevallen waarin werknemers naast hun dienstbetrekking nog overige werkzaamheden verrichten kunnen worden uitgesloten. Deze leden verzoeken het kabinet nader toe te lichten aan welke voorwaarden arbeidskosten moeten voldoen willen zij aftrekbaar zijn voor belastingplichtigen die geen werkgever hebben. In hoeverre speelt de noodzakelijkheidseis hierin een rol?

Afdeling 4 Belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden

Artikel 3.4.1.2
De leden van de fractie van D66 staan positief tegenover het keuzerecht van de ondernemer ten aanzien van het in aanmerking te nemen vermogen zoals omschreven in lid 1, onderdeel b. Toch roept een en ander vragen op. Zo verzoeken deze leden het kabinet aan te geven waarom de partner van de ondernemer dit keuzerecht niet heeft. Voorts verzoeken de leden van de fractie van D66 het kabinet toe te lichten hoe wordt omgegaan met een situatie dat een ondernemer zelf een privé vermogensbestanddeel aan zijn onderneming ter beschikking stelt. Ook wensen deze leden te vernemen hoe wordt omgegaan met de situatie dat een partner vermogen ter beschikking stelt aan de ondernemer-partner en deze laatste zijn onderneming in een BV inbrengt. Ook verzoeken deze leden het kabinet aan te geven of Tante-Agaathregelingen tussen personen die tot een huishouden behoren in afwijking tot andere Tante-Agaathregelingen in 1 vallen. Kan het kabinet reageren op de reactie van de NOB van 28 oktober inzake resultaat uit overige werkzaamheden en op de reactie van 20 oktober van Benning Joore Hachmang waarin wordt gesteld dat er sprake is van discrepantie tussen de bepalingen in lid 1, onderdeel b en c en de formulering van de meesleepregeling in artikel 4.3.4, onderdeel b en c.

Artikel 3.4.2.2
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet aan te geven waarom is gekozen voor een dergelijke lastenverzwaring bij het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden voor onder meer free-lancers door het vereiste van een afzonderlijke berekening van het resultaat en het opstellen van een balans, met andere woorden een zogenaamde boekhoudverplichting. Voorts verzoeken deze leden of onderhavige regeling betekent dat free-lancers geconfronteerd worden met afrekenplicht bij emigratie.

Afdeling 6 Belastbare inkomsten uit eigen woning

Artikel 3.6.2
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet toe te lichten waarom in lid 1, onderdeel b vruchtgebruik, recht van bewoning of een recht van gebruik slechts is te kwalificeren als eigen woning indien een dergelijk recht krachtens erfrecht is verkregen en de belastingplichtige de voordelen geniet en de kosten en lasten op hem drukken.

De leden van de fractie verzoeken het kabinet toe te lichten waarom in lid 4 voor een periode van twee jaar is gekozen om een woning als eigen woning aan te merken indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de woning leeg staat of in aanbouw is. Bij tijdelijke uitzendingen naar het buitenland betreft het vaak langere perioden. Deze leden verzoeken het kabinet te reageren op de reactie van de NOB van 28 oktober .

Artikel 3.6.7
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet nader toe te lichten waarom is voorgesteld om het regime van de kapitaalverzekeringen alleen nog maar toegankelijk te laten zijn voor huiseigenaren. Hoe staat het kabinet tegenover kritiek uit de samenleving dat de burger die, aangemoedigd door de overheid, voor een langere periode gelden afzondert in een kapitaalverzekering erop mag rekenen dat de overheid de spelregels niet verandert? Kan het kabinet aangeven wat het budgettair effect zou zijn van handhaven van het huidige regime kapitaalverzekeringen alsmede het budgettair effect van het inbouwen van de huidige faciliteit voor studievoorzieningen in de regeling kapitaalverzekeringen eigen woning.
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet te reageren op de stelling van de NOB in de brief van 28 oktober dat er een ongelijkheid ontstaat bij die ondernemers die wel een bijtelling privé-gebruik eigen woning tot hun belastbare winst dienen te rekenen ingevolge artikel 3.2.2.9, maar niet in de gelegenheid zijn gebruik te maken van de kapitaalvrijstelling.

Artikel 3.6.9
De leden van de fractie van D66 willen graag weten hoe wordt omgegaan met kapitaalverzekeringen eigen woning die voor de brede herwaardering zijn afgesloten en een looptijd hebben van minder dan 20 jaar?

Artikel 3.6.9
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet toe te lichten of eerbiedigende werking is overwogen (ook na 1-1-2003) voor kapitaalverzekeringen met een looptijd van 25 of 20 jaar die niet zijn gekoppeld aan een eigen woning (lid 5).

Artikel 3.6.13
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet te reageren op de reactie van de NOB waarin wordt voorgesteld deze regeling te laten vervallen

Afdeling 7 Uitgaven voor inkomensvoorzieningen

Artikel 3.7.5
De D66 fractie constateert dat de voorgestelde regeling op twee gedachten lijkt te hinken: opbouw volgens een beschikbare premie systeem, te toetsten aan criteria op grond van een eindloon-systeem. De leden van deze fractie vragen of dit niet te vermijden is.

De leden van de fractie van D66 vragen het kabinet toe te lichten waar het bedrag van f. 12 149,- in lid 3 vandaan komt. De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet toe te lichten waarom is voorgesteld om het maximum bedrag van f. 12 149,- voor aanvullende premie aftrek als sprake is van een niet te verwaarlozen pensioentekort (de algemene inhaalruimte) te verminderen met het bedrag dat reeds op grond van onderdeel a in aanmerking wordt genomen. Waarom is er niet voor gekozen om deze bedragen bij elkaar op te tellen? De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet voorts toe te lichten waarom niet is gekozen voor een vorm van inhaalmogelijkheid voor niet benutte algemene inhaalruimte conform hetgeen is geregeld in artikel 3.7.5., lid 2 sub a voor niet benutte jaarruimte.

Met betrekking tot lid 4 verwijzen de leden van de fractie van D66 allereerst naar hoofdstuk 7 van het algemene deel van hun verslag. De regels voor het "aannemelijk maken" van een pensioentekort zullen na invoering van de wet voor meer belastingplichtigen gaan gelden dan thans het geval is voor de belastingplichtigen die gebruik maken van de aftrekmogelijkheid op grond van artikel 45a, lid 3 van de wet IB 64. De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet derhalve inzicht te geven in de nadere regels te stellen bij AMvB voor het aannemelijk maken van een niet te verwaarlozen pensioentekort en de uitvoeringsaspekten daarin mee te nemen. De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet voorts aan te geven op welke wijze bij de bepaling van het pensioentekort zal worden omgegaan met zogenaamde pre-pensioenregelingen, waarbij niet vast hoeft te staan op welke leeftijd de belastingplichtige met pensioen gaat. De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet aan te geven of het overweegt nadere regels te stellen voor de wijze waarop en op welk moment pensioenuitvoerders informatie verstrekken, bijvoorbeeld via de PSW, over de pensioenopbouw zodat een belastingplichtige tijdig kan weten of gebruik kan worden gemaakt van een fiscaal gefacilieerde lijfrenteaftrek.
Op welke wijze denkt het kabinet de toegankelijkheid voor het gebruik van de regelgeving rond de oudedagsparaplu door een belastingplichtige ter bepaling van een pensioentekort te garanderen? Houdt het kabinet bij het opstellen van nadere regels hier rekening mee, zo vragen de leden van de D66-fractie?

De leden van de fractie van D66 zetten vraagtekens bij de in lid 5 gekozen hoogte van de vermindering van f. 30 473,- op het persoonlijk inkomen ter bepaling van de premiegrondslag. Dit bedrag, gelijk aan een AOW-uitkering voor een ongehuwde maal 10/7, wijkt af van de Wet fiscale behandeling pensioen die uitgaat van een franchise gebaseerd op een AOW-uitkering voor een gehuwde persoon zonder toeslag. De leden van de fractie van D66 hadden graag gezien dat ook hier was gekozen voor een bedrag f. 21.061,- zijnde 10/7 x het pensioen voor een gehuwde of samenwonende AOW-gerechtigde, waardoor meer recht zou zijn gedaan aan het uitgangspunt van economische zelfstandigheid van alle burgers. Pas dan kan de voorgestelde regeling een volwaardig onderdeel vormen van een stelsel dat is toegespitst op de maatschappelijke verhoudingen in de 21-ste eeuw. Wil het kabinet deze keuze toelichten en aangeven welke budgettaire consequenties het voorstel van D66 heeft?

Met het oog op lid 6 verzoeken de leden van de fractie van D66 het kabinet aan te geven op welke wijze wordt omgegaan met het berekenen van de pensioentoename bij het beschikbare premiesysteem. Is het kabinet van plan om met betrekking tot de toeneming van de pensioenaanspraak bij de beschikbare premieregeling (actuariële) rekenregels vast te stellen?

Afdeling 8 Negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen

Artikel 3.8.5
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet in te gaan op situaties van tijdelijke aard, bijvoorbeeld uitzending in concernverband, waarbij het risico van verlies van een belastingclaim niet aan de orde is. Kan het kabinet ingaan op de mogelijkheden om een uitzonderingsregeling in te voeren voor risicoloze gevallen en daarbij de mogelijkheid van het overleggen van een kopie van het door de pensioenverzekeraar verstrekte overzicht te betrekken?

HOOFDSTUK 4 HEFFINGSGRONDSLAG AANMERKELIJK BELANG

Artikel 4.1.1
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet onder verwijzing naar artikel 2.4.4. waar "belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang" tot het gemeenschappelijk inkomen wordt gerekend aan te geven welke verliezen er worden bedoeld. Betreft het hier het verlies van één van de partners of die van beide partners? Welke rechtvaardiging bestaat er voor het toerekenen van verliezen van een partner tot de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen?

Artikel 4.2.1, 4.3.1
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet te reageren op het commentaar van de NOB in de reactie van 28 oktober.

Artikel 4.3.4
De leden van de fractie van D66 hebben begrip voor maatregelen die misbruik en oneigenlijk gebruik pogen tegen te gaan. Het komt deze leden voor dat onderhavige regeling meer vragen dan antwoorden oplevert. In dit verband verzoeken zij het kabinet de vraag te beantwoorden of een vermogensbestanddeel dat deels aan een vennootschap, waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft, ter beschikking wordt gesteld, slechts voor dat deel of in zijn geheel onder de bepaling van dit artikel valt. Zij verzoeken het kabinet een en ander toe te lichten en in haar antwoorden het commentaar van de NOB in de reactie van 28 oktober mee te nemen.

Artikel 4.3.5.
De leden van de fractie van D66 merken op dat op grond van de meetrekregeling de ouder een aanmerkelijk belang heeft indien bij bedrijfsopvolging de ouder de aandelen verkoopt aan het kind en het kind de koopsom schuldig blijft. Indien de ouder een pand verhuurt aan de BV van zijn kind waarop hij de vordering heeft, behoort het pand dan wel tot het aanmerkelijk belang?

Artikel 4.3.6
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet toe te lichten of een pand bij een sfeerovergang naar box I tot een fictief aanmerkelijk belang behoort indien een AB-houder een pand verhuurt aan zijn eigen BV en vervolgens alle aandelen verkoopt maar het pand blijft verhuren aan de nieuwe eigenaar van de BV.

Artikel 4.6.1.
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet toe te lichten waarom geen vervangingsreserve kan worden gevormd voor de vervreemdingswinst die wordt behaald indien een pand dat valt in box II wordt verkocht. De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet voorts te reageren op de voorgelegde casus in de reactie van de NOB van 28 oktober jl.

Artikel 4.11.2
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet met het oog op lid 1 in te gaan op de situatie dat een aanmerkelijk belanghouder verliezen uit aanmerkelijk belang heeft geleden en vervolgens in loondienst treedt waardoor geen verliesverrekening mogelijk is en hierbij het voorstel terzake van Prof. Dr. L.G.M. Stevens in Weekblad Fiscaal Recht nummer 6356 te betrekken.

HOOFDSTUK 5 HEFFINGSGRONDSLAG SPAREN EN BELEGGEN

De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet in te gaan op de reactie van 28 oktober van de NOB waarin de internationale inpasbaarheid van de vermogensrendementsheffing aan de orde wordt gesteld.

Artikel 5.1.3
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet toe te lichten op welke wijze kan worden gecontroleerd c.q. vastgesteld dat roerende zaken die voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt hoofdzakelijk ter belegging worden aangehouden, zoals opgenomen in lid 2, onderdeel c. Gaat het om roerende zaken die hoofdzakelijk of om roerende goederen die "ook en met name ter belegging" (MvT blz. 233) worden aangehouden?

Artikel 5.1.3
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet aan te geven in welke situaties het denkbaar zou kunnen zijn dat de waarde van een bezitting of schuld niet kan worden bepaald zoals bedoeld in lid 4.

Artikel 5.1.3 a en 5.2.3
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet te reageren op het gestelde terzake in de reactie van de NOB van 28 oktober.

Artikel 5.1.3 b
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet aan te geven of het heffingvrije vermogen jaarlijks wordt geïndexeerd.

Artikel 5.1.4
De leden van de fractie van D66 willen graag toegelicht hebben hoe de grensbedragen van f 35 259,- en f 49 584 om voor een ouderentoeslag in aanmerking te komen tot stand zijn gekomen. Kan het kabinet in het antwoord de brief van het CSO van 19 oktober 1999 betrekken waarin wordt gesteld dat de ouderentoeslag onvoldoende compensatie biedt voor de nadelige effecten van de invoering van de
vermogensrendementsheffing?

Artikel 5.2.1
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet aan te geven hoe het denkt om te gaan met de waarderingsgrondslag voor landbouwgrond. De D66-fractie wil dit weten in verband met de explosieve grondprijsstijging van de laatste paar jaar. Daarnaast is de fractie van D66 geïnteresseerd in de samenhang met de door de staatssecretaris ingestelde commissie pachtbeleid.
De leden van de fractie van D66 vragen het kabinet te reageren op de brief van de Federatie Particulier Grondbezit van 20 oktober 1999, waarin onder meer wordt voorgesteld om de vrijstelling voor de vermogensrendementsheffing, zoals voorgesteld in lid c, van toepassing te laten zijn op alle onder de Natuurschoonwet gerangschikte zaken.

Artikel 5.2.2.
De leden van de fractie van D66 ondersteunen het voorstel dat voorwerpen van kunst en wetenschap die niet hoofdzakelijk als belegging dienen, zijn vrijgesteld van de fictieve vermogensrendementsheffing. Kan het kabinet aangeven hoe in de praktijk kan worden vastgesteld of voorwerpen van kunst en wetenschap ter belegging worden aangehouden? Wat is het budgettaire effect als alle voorwerpen van kunst en wetenschap buiten de heffing zouden worden gehouden? Is het kabinet van mening dat de ingewikkeldheid van deze regeling opweegt tegen de opbrengst? De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet toe te lichten waarom is voorgesteld dat de bewijslast dat voorwerpen en kunst niet hoofdzakelijk als belegging dienen bij de belastingplichtige ligt. Waarom is in dit verband gekozen om in artikel 5.1.3. de bewijslast neer te leggen bij de inspecteur?

Artikel 5.2.4 a
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet te reageren op de stelling van Prof. Dr. G.J.B. Dietvorst in zijn brief van 14 oktober jl,, dat uit de wettekst afgeleid kan worden dat alle kinderen een levensverzekering op een belastingplichtige kunnen afsluiten, waarbij voor ieder van hen een bedrag van f 12.200,- is vrijgesteld.

HOOFDSTUK 6 PERSOONSGEBONDEN AFTREKPOSTEN

Artikel 6.1.1.
De leden van de fractie van D66 merken op dat onder de wet IB64 renten van studiefinanciering, renten van schulden voor scholing en ziektekosten, zijn uitgezonderd voor de beperking van de consumptieve renteaftrek. De leden van de fractie van D66 willen graag weten waarom dergelijke renten onder de wet IB01 niet langer aftrekbaar zijn, terwijl scholingskosten en ziektekosten als persoonsgebonden aftrek wel aftrekbaar zijn. Wat is het budgettaire effect van deze maatregel?

Artikel 6.1.2
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet nader toe te lichten waarom is gekozen voor een expliciete volgorde waarin de persoonsgebonden aftrek achtereenvolgens de inkomens uit de verschillende boxen vermindert en niet, gezien de tariefsverschillen tussen de boxen, voor de mogelijkheid van uitstel van een (deel van een) aftrekpost om deze later tegen het progressief tarief van box I alsnog geldend te maken of voor een doorschuifsysteem waarbij gebruik wordt gemaakt van een vorm van tax-credit. Wil het kabinet in haar antwoord beide alternatieven uitgebreid becommentariëren?

Artikel 6.5.4
De leden van de fractie van D66 willen graag toegelicht hebben waarom een leeftijdsgrens van 27 jaar voor kinderen die verblijven in het buitenland is opgenomen als een belastingplichtige zijn reis- en verblijfkosten ter zake van het laatste afscheid/ziekte in aanmerking wil nemen.

Artikel 6.5.9
De leden van de fractie van D66 willen van het kabinet weten op welke grond aannemelijk is dat bij het voeren van een gemeenschappelijke huishouding er ook een zorgverplichting is? Deze leden zijn van mening dat het voeren van een gemeenschappelijke huishouding nog niet per definitie hoeft te betekenen dat er ook een zorgverplichting is. In dit verband willen zij weten of het kabinet heeft overwogen om het samenvoegen van de uitgaven van beide partners en het samenvoegen van de verzamelinkomens buiten beschouwing te laten. Welke bezwaren kleven aan het individueel bepalen van de buitengewone uitgaven waarbij de eigen inkomensafhankelijke drempel moet worden toegepast?

Artikel 6.7.3
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet naar aanleiding van lid 2 in te gaan op de situatie waarbij een thuiswonende student zonder aanvullende beurs waarbij de geforfaiteerde studiekosten hoger zijn dan de ontvangen prestatiebeurs, en aan te geven of in een dergelijke situatie voor het verschil wel of niet in aanmerking wordt gekomen voor een scholingsaftrek.

Artikel 6.7.4
De leden van de fractie van D66 willen van het kabinet toegelicht hebben hoe de verhoging van de drempel om in aanmerking te komen voor scholingsuitgaven past in het beleid gericht op employability in samenhang met de vergrijzing van de beroepsbevolking en het streven naar een kenniseconomie.
De leden van de fractie van D66 vragen zich af waarom de redenering dat voor de scholingsregeling aanpassing van het drempelbedrag nodig is omdat sinds 1964 geen aanpassing heeft plaatsgevonden niet ook geldt voor andere regelingen waaronder de verhuiskostenvergoeding en het heffingvrij vermogen (artikel 5.1.3b). Kan het kabinet dit verklaren?

Artikel 6.8.1
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet aan te geven of een monument altijd een bron van inkomen vormt voor de belastingplichtige, zodat de uitgaven van een dergelijk pand op grond van onderhavig artikel in aftrek kunnen worden gebracht?

Artikel 6.9.8
De leden van de fractie van D66 vernemen graag van het kabinet waarom is voorgesteld om bij andere giften, in geval dat er sprake is van een huishouden in aanmerking te nemen het gezamenlijk bedrag van de verzamelinkomens van de belastingplichtige en zijn partner. Waarom is dit niet geindividualiseerd?

HOOFDSTUK 7 BELASTINGHEFFING VAN BUITENLANDSE BELASTINGPLICHTIGEN

De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet te reageren op de reactie van de NOB van 28 oktober.

HOOFDSTUK 8 HEFFINGSKORTING

Algemeen
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet aan te geven of belastingplichtigen met winst uit onderneming, loon of resultaat uit werkzaamheden voor de berekening van de af te dragen belasting eerst de arbeidskorting moeten toepassen of eerst de heffingskorting.

Artikel 8.1.7
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet toe te lichten hoe met betrekking tot lid 2 wordt omgegaan met situaties dat inkomen over dat jaar op een later tijdstip door achterwaartse verliesrekening alsnog op nihil worden gesteld. Dient de heffingskorting te worden terugbetaald? Voorts willen deze leden graag van het kabinet weten op welke wijze de vermindering van de standaardheffingskorting voor een 65-plusser tot het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen wordt toegerekend aan de algemene heffingskorting en de (aanvullende) ouderenkorting. Dient het resterende bedrag aan standaardheffingskorting ingevolge artikel
8.1.2. t/m 8.1.6 te worden verdeeld over de heffingskorting voor de IB, de AOW, de Anw en de AWBZ? Kan het kabinet in dit verband voorts reageren op de door de NOB in de reactie van 28 oktober gestelde vraag of het juist is dat hierbij een deel van de (verlaagde) standaardheffingskorting dient te worden toegerekend aan de heffingskorting voor de AOW, welke de belastingplichtige niet kan effectueren, hoe laag zijn inkomen ook is, waardoor een 65-plusser altijd een bedrag ter grootte van de heffingskorting voor de AOW dient te betalen? Kan het kabinet voorts reageren op de door de NOB gesuggereerde oplossingen?

Artikel 8.1.8
De leden van de fractie van D66 verzoeken het kabinet toe te lichten waarom in lid 2 is gekozen voor een vorm van overdraagbaarheid van de heffingskorting en niet voor een negatief belastingbedrag.

Artikel 8.2.2
De leden van de fractie van D66 verwijzen naar het algemene deel van hun inbreng.

Artikel 8.2.5
De leden van de fractie van D66 willen graag van het kabinet toegelicht zien hoe de verhouding tussen het grensinkomen van f 58 004,- en de hoge en lage ouderen- en aanvullende ouderenkorting zich verhoudt tot de inkomensgrenzen en de hoogte van de ouderenaftrek en aanvullende ouderenaftrek die onder de Wet IB64 golden.

HOOFDSTUK 10 AANVULLENDE REGELINGEN

Artikel 10.1.3
De leden van de fractie van D66 veronderstellen dat in lid 3 in plaats van "woninghuren" moet worden gelezen "woningwaarden"?

Artikel 10.2.1
De leden van de fractie van D66 begrijpen dat voor een goede uitvoering van de wet nadere regels nodig kunnen zijn. Zij zien evenwel geen goede reden om deze nadere regels met parlementaire goedkeuring achteraf vast te stellen. Bij een dergelijk ingrijpend wetsvoorstel dient rechtszekerheid en rechtsvertrouwen voorop te staan. Zij verzoeken het kabinet dan ook in te gaan op het stellen van nadere regels met parlementaire goedkeuring vooraf.

Francine Giskes
Woordvoerder Financiën
E-mail:F.Giskes@tk.parlement.nl

Deel: ' D66 over het belastingplan 21e eeuw '




Lees ook