Nieuws van de Socialistische Partij




Debat over aftreden Peper: bijdrage van Jan Marijnissen


14-03-2000 Mevrouw de voorzitter,

Dit debat komt een week te vroeg. Volgende week om deze tijd kennen we de conclusies van het rapport dat nu door de gemeenteraad van Rotterdam wordt opgesteld. Volgende week dinsdag hadden wij met de afgetreden minister van Binnenlandse Zaken willen spreken over die conclusies. Helaas het heeft niet zo mogen zijn. De minister heeft besloten vlak voor de publicatie van het rapport de eer aan zichzelf te houden en nu al op te stappen. En dat is opmerkelijk.

Ten eerste omdat net als in de zaak Apotheker de volksvertegenwoordiging weer het nakijken heeft, terwijl de Kamer graag met de heer Peper had gesproken over het Rotterdamse rapport en alle opmerkingen die hij als minister over het onderzoek heeft gemaakt.

Op de tweede plaats is zijn voortijdige vertrek opmerkelijk omdat de houding van de heer Peper tegenover het onderzoek steeds het midden heeft gehouden tussen lacherige en badinerende opmerkingen richting de Rotterdamse raadscommissie (en ook de pers trouwens) en de keiharde tegenaanval in de vorm van het dreigen met gerechtelijke stappen, waar het tot nu toe nog niet van gekomen is. Omdat de minister zichzelf graag ziet als een vechtjas is het jammer dat hij die paar dagen niet heeft willen afwachten.

Maar er is nog een reden waarom het merkwaardig is dat hij nu opstapt en dat is zijn motivatie. Tijdens zijn toelichting op zijn vertrek zei hij de passages in het rapport die op hem betrekking hebben niet te kennen, maar af te treden omdat hij de aantijgingen te belastend vond voor het openbaar bestuur. Maar, zo zou je zeggen, dat is toch al vijf maanden gaande. `Waarom dan nu pas opstappen?' is de vraag die ik de minister-president stel. Op 29 oktober jl. zei de minister-president al: `Peper is beschadigd hierdoor, ernstig geschadigd. En dat vind ik heel ernstig.' Waarom was er toen geen aanleiding aan te dringen op een terugtreden van Peper en kon de minister-president hem nu wel laten gaan? Want op diezelfde dag zei de minister-president ook: `Terugvechten is over het algemeen wel de beste methode.' Waarom geldt dat nu niet meer, zo zou ik graag van de minister-president willen weten.

Hoe je ook tegen de zaak aankijkt: het heeft er alle schijn van dat de heer Peper - in tegenstelling tot zijn eigen uitspraken hierover - wel inzage heeft gehad in waar de Rotterdamse raadscommissie mee gaat komen. Berichten van de kant van de commissie, maar ook uitspraken van de heer Melkert wijzen in die richting, net als de uitspraak van de heer Peper zelf waar hij de verwachting uitspreekt dat deze zaak `nog lang de aandacht zal blijven trekken'. Mijn vraag aan de minister-president is: Heeft hij (direct of indirect) kennis genomen van passages of samenvattingen of weergaven daarvan gehoord of gelezen? Zo ja, heeft dat een rol gespeeld tijdens de `urenlange gesprekken' die de minister-president met de heer Peper de afgelopen tijd gehad heeft?

`Potsierlijk', `lariekoek', `beschamend', `kneuterig', `spruitjeslucht' (over de te dure dienstauto), `allemaal flauwekul', `allemaal verzonnen', `de feiten bestaan niet', `ik ben onkreukbaar': het zijn allemaal grote woorden van de heer Peper uit de afgelopen maanden. Waar een verweer van `wie vrij is van alle zonde, werpe de eerste steen' misschien meer op zijn plaats was geweest, heeft de heer Peper gekozen voor de frontale tegenaanval. Vrijdag zullen we definitief weten of die `robuuste' tegenaanval terecht was of niet. Het is spijtig dat we hem niet meer kunnen bevragen over zijn vlucht naar voren in het algemeen en zijn harde woorden in het bijzonder. Er is de afgelopen maanden vele malen aanleiding geweest de minister te ondervragen over zijn uitspraken en zijn gedrag, maar aan de ene kant gêne en aan de andere kant de overtuiging dat niemand schuldig is voordat zijn schuld onomstotelijk is komen vast te staan, heeft gemaakt dat de Kamer zich steeds terughoudend heeft opgesteld. In de vaste overtuiging dat er nog een moment zou komen waarop we samen met de minister nog eens op de zaak zouden kunnen terugkijken en conclusies trekken. Dat dat nu niet meer kan is onbevredigend, vooral voor de openbare discussie en controle van de macht en daarmee voor de democratie. De vechtjas is als het hierom gaat een stofjas gebleken. Hij is niet blijven zitten en heeft geen `sorry' gezegd: de term sorry-democratie is op hem dus niet van toepassing. Maar weggaan zonder een woord te wisselen met de kamer terwijl er toch zoveel is gebeurd en misschien nog wel zal gebeuren is op z'n zachtst gezegd niet fraai.

Graag wil ik de minister-president nog iets voorleggen: Aangenomen dat de heer Peper - zoals door hemzelf gezegd - totaal onschuldig is, is het dan geen raar en vervelend precedent dat een bewindspersoon aftreedt op basis van alleen geruchten? De minister-president zei daarover, ook op 29 oktober: `En het is niet zo dat als er schadelijke publiciteit is over je verleden, dat je daardoor als minister niet kunt functioneren' en `Het zou toch wel vreselijk zijn als grotendeels anonieme kritiek via een krant geuit ertoe zou leiden dat de minister zijn werk niet meer kan doen.' Als je er zo naar kijkt, is het dan niet zo dat de heer Peper de zaak van het openbaar bestuur een slechte dienst heeft bewezen door voortijdig en - naar eigen zeggen `onnodig'
- af te treden?

Mevrouw de voorzitter,

De tijd lijkt meer dan rijp voor meer duidelijke regels voor waar openbare bestuurders zich aan te houden hebben, en over hoe een transparante controle mogelijk kan worden en ook gewoon wordt. Er moeten normen worden gesteld en ook worden gecontroleerd. Mijn fractie pleit niet voor stemmingmakerij, laat staan fatsoensrakkerij, maar wel voor duidelijke richtlijnen en een afdoende controle op de naleving daarvan. Het openbaar bestuur zou daar een grote dienst mee bewezen worden. Want laten wij ook één ander ding niet vergeten: we hebben het over bestuurders die over het algemeen goed worden betaald, een ruime onkostenvergoeding krijgen, en ook nog declaraties mogen indienen. Waar iemand die een uitkering heeft van de Bijstand elk cent moet verantwoorden om in aanmerking te kunnen komen voor Bijzondere Bijstand, mag dat van bewindspersonen - die óók leven van belastinggeld - ook worden verwacht.

Deel: ' Debat over aftreden Peper bijdrage Jan Marijnissen (SP) '




Lees ook