Ministerie van Buitenlandse Zaken


---

Democratische Republiek Congo/ april 2002 situatie in verband met asielbeleid


1 Inleiding

---

In dit algemene ambtsbericht wordt een beschrijving van de recente situatie in de Democratische Republiek Congo (DRC) gegeven, voorzover van belang voor de beoordeling van asielverzoeken en voor de beoordeling van de vraag of terugkeer van afgewezen asielzoekers verantwoord is. De laatste beschrijving van de situatie in de DRC werd de Staatssecretaris van Justitie toegezonden op 8 november 2000. Het onderhavige rapport beslaat de periode november 2000 tot april 2002.

In hoofdstuk twee wordt een aantal recente ontwikkelingen geschetst op politiek, veiligheids- en sociaal-economisch gebied. Deze schets wordt voorafgegaan door een overzicht van de geschiedenis van de DRC. Ook is een korte passage over de geografie en de bevolking van de DRC opgenomen. Hoofdstuk drie geeft een overzicht van de mensenrechtensituatie in de DRC. In hoofdstuk vier wordt de positie van diverse groepen behandeld. In hoofdstuk vijf komt de migratieproblematiek, het beleid van andere Europese landen, alsmede activiteiten van internationale organisaties aan de orde. Een algehele samenvatting volgt in hoofdstuk zes.

De informatie in dit ambtsbericht is mede ontleend aan vertrouwelijke rapportages van de Nederlandse ambassades in Kinshasa en Kigali alsmede aan de bevindingen van een medewerker van het ministerie van Buitenlandse Zaken tijdens een dienstreis naar de DRC in oktober 2001. Daarnaast is onder meer gebruik gemaakt van informatie afkomstig van Amnesty International, UNHCR, het US State Department, alsmede vertrouwelijke informatie uit andere EU-lidstaten. Als bijlage is een literatuurlijst opgenomen.


2 Landeninformatie

---

2.1 Basisgegevens

---
De DRC is na Sudan het grootste land in Afrika ten zuiden van de Sahara. De buurlanden zijn de Republiek Congo (Brazzaville), de Centraal Afrikaanse Republiek, Sudan, Uganda, Rwanda, Burundi, Tanzania, Zambia en Angola. De kustlijn bedraagt 37 kilometer.

Het land heeft een tropisch klimaat en de gemiddelde temperaturen variëren van 26°C in het kustgebied en langs de rivieren tot 18°C in de bergachtige streken.

De bevolking, in 1999 geschat op ruim 50 miljoen inwoners, is voor de helft jonger dan 15 jaar. Slechts 3% is ouder dan 65 jaar.

In de DRC wonen meer dan 350 etnische groeperingen, waarvan de meerderheid tot de Bantu behoren.

De officiële taal is Frans. Andere belangrijke talen zijn Lingala (vooral in Kinshasa en langs de rivieren), Kikongo (ten westen van Kinshasa), Swahili (in het oosten en noordoosten)en Tshiluba (in het zuiden).

Het land is onderverdeeld in 11 provincies: Bandundu, Bas-Congo, Equateur, Kasai Occidental, Kasai Oriental, Katanga (Shaba), Maniema, Noord Kivu, Zuid Kivu, Oriental en Kinshasa.

De hoofdstad Kinshasa is onderverdeeld in 24 Communes.

De Congolese munteenheid is de FrancCongolais, die in juni 1998 in de plaats is gekomen voor de Nouveau Zaïre in de verhouding 1FC = 100.000 Nz.

Het grondgebied van de huidige DRC werd aan het eind van de 19 eeuw gekoloniseerd door de Belgische koning Leopold II. Zijn soevereiniteit over het gebied werd door de conferentie van Berlijn in 1884 erkend. De koning regeerde het land, dat bekend stond als de Congolese Vrijstaat, persoonlijk en met harde hand. In 1908 werd het land een kolonie van de Belgische regering onder de naam Belgisch Congo.

Na een rondetafelconferentie in Brussel met de belangrijkste Congolese groeperingen werd Congo op 30 juni 1960 onafhankelijk onder de naam Democratische Republiek Congo.

Joseph Kasavubu werd president en Patrice Lumumba eerste minister. Enkele dagen na de onafhankelijkheid brak muiterij uit bij het leger en de politie. Op 10 juli 1960 landden Belgische paratroepen in Katanga. Gesterkt door hun aanwezigheid verklaarde de lokale leider, Moïse Tshombe, op 11 juli 1960 Katanga onafhankelijk. Hierop volgden vijf jaar van burgeroorlog waarin naast Katanga, ook Kasai en delen van Kivu zich probeerden af te scheiden

In 1961 werd Patrice Lumumba vermoord en in 1964 werd Tshombe benoemd als zijn opvolger. Bij de verkiezingen in maart 1965 behaalde de partij van Tshombe de absolute meerderheid. Kasavubu, die bevreesd was voor de populariteit van Tshombe, ontsloeg hem als eerste minister. Toen Kasavubu niet in staat bleek een opvolger te vinden die het vertrouwen van het parlement genoot, pleegde de opperbevelhebber van het leger, Mobutu, op 24 november 1965 een staatsgreep en benoemde zichzelf voor een periode van vijf jaar tot president.

In 1966 stichtte hij de partij 'Mouvement Populaire de la Révolution' (MPR), de vanaf dat moment enige toegestane politieke partij. Drie keer, in 1970, 1977 en 1984, werd Mobutu, nu voor periodes van zeven jaar, herkozen, zonder dat er tegenkandidaten waren.

In 1971 kreeg het land de naam Zaïre, als onderdeel van een presidentiële campagne om de Afrikaanse authenticiteit te promoten.

Overgangsperiode

Op 24 april 1990 verklaarde Mobutu dat hij Zaïre om zou vormen tot een meerpartijenstaat en hief hij het verbod voor politieke partijen op. Als gevolg hiervan werden meer dan 200 politieke partijen opgericht. De gezamenlijke oppositie dwong de regering tot het houden van een grondwetgevende vergadering, die in augustus 1991 begon. In december 1992 besloot deze vergadering tot het instellen van een overgangs-wetgevende macht, de 'Haut Conseil de la République' (HCR) die de besluiten van de grondwetgevende vergadering gestalte moest geven. Zij koos Etienne Tshisekedi, leider van de belangrijkste oppositiepartij 'Union pour la Démocratie et le Progrès Social' (UDPS) tot eerste minister. In maart 1993 werd Tshisekedi echter door Mobutu ontslagen en werd Faustin Birindwa tot zijn opvolger benoemd. De HCR bleef echter op het standpunt staan dat Tshisekedi nog steeds eerste minister was. Als gevolg hiervan had Zaïre vanaf dat moment twee regeringen en twee parlementen. In oktober 1993 besloten de twee parlementen samen te gaan in een overgangsparlement, het HCR-Parlement de la Transition (HCR-PT), dat verkiezingen uitschreef voor januari 1995. In januari 1994 echter ontsloeg Mobutu zowel Birindwa als Tshisekedi. In juni 1994 werd Léon Kengo wa Dondo tot eerste minister gekozen door een 72% meerderheid van het overgangsparlement. Kengo slaagde er niet in verkiezingen te organiseren vóór juli 1995 en de overgangsperiode werd met twee jaar verlengd. De nationale verkiezingscommissie kondigde aan dat er een volkstelling zou worden gehouden in november 1996, gevolgd door een referendum in december en parlements- en presidentsverkiezingen in mei 1997. Deze voornemens werden echter teniet gedaan door nieuwe gebeurtenissen.

De machtsovername door Kabila (de zogenaamde 'eerste rebellie') Eind 1996 begon in de provincie Kivu (Noord- en Zuid-Kivu) een gewapende opstand tegen het Mobutu regime. Sinds 1994 verbleven in de Kivu zo'n twee miljoen Hutu vluchtelingen die Rwanda waren ontvlucht toen het door Tutsi geleide Rwandan Patriotic Front (RPF) in Kigali de macht overnam. Veel van de Hutu vluchtelingen behoorden tot de 'Interahamwe', de Hutu militie die mede verantwoordelijk was voor de genocide op 800.000 Rwandese Tutsi en gematigde Hutu's, of tot het voormalige Rwandese leger (ex-FAR). Mobutu gebruikte deze vluchtelingen om Rwanda en Uganda te destabiliseren, de voorgenomen verkiezingen te vertragen en de Zaïrese Tutsi bevolking van de Kivu (de Banyamulenge in Zuid-Kivu en de Banyarwanda in Noord-Kivu die hier reeds twee eeuwen wonen) te vervolgen.

In oktober 1996 begonnen de Banyamulenge, nadat ze training en wapens van het Rwandese regime hadden ontvangen, terug te vechten. Deze Tutsi milities bleken duidelijk superieur aan het Zaïrese leger en de Hutu milities en de steden Uvira, Goma en Bukavu vielen in hun handen. Verjaagd door de milities keerden ongeveer 700.000 Hutu vluchtelingen terug naar Rwanda.

Het werd al snel duidelijk dat het doel van de rebellen verder lag dan het verjagen van de Hutu uit de regio en dat hun doel was het bewind in Kinshasa omver te werpen. Andere groeperingen sloten zich bij de rebellen aan. Laurent Kabila, een Luba uit Katanga en tegenstander van het Mobutu-regime werd leider van de rebellengroepering 'Alliance des Forces Démocratiques pour la Libération du Congo-Zaïre' (AFDL). De AFDL omvatte in eerste instantie vier verschillende partijen:


- de Alliance Démocratique des Peuples (ADP), geleid door Deogratias Bugera;

- de Parti de la Révolution Populaire, geleid door Laurent Kabila;

- de Conseil National de la Résistance pour la Démocratie (CNRD) geleid door André Kisase Ngandu;


- de Mouvement Révolutionaire pour la Libération du Zaïre (MRLZ), geleid door Masasu Nindaga.

Vanaf eind 1996 trok de AFDL, gesteund door de regeringen van Rwanda, Uganda en Burundi, te voet op richting Kinshasa.

De verovering van het land door de AFDL geschiedde zonder veel gevechten, omdat in de meeste gevallen het Zaïrese leger zijn posities verliet bij de nadering van de rebellen. Uiteindelijk viel Kinshasa op 16 mei 1997 en vluchtte Mobutu naar Marokko, waar hij vier maanden later overleed. Op 17 mei presenteerde Kabila in Lubumbashi zijn verklaring tot machtsovername aan de pers. Alle staatsinstellingen van het Mobutisme werden ontbonden en de naam van het land werd veranderd in Democratische Republiek Congo. Op 23 mei 1997 vormde Kabila een regering en op 29 mei 1997 werd hij ingezworen als president.

Huidig conflict (de zogenaamde 'tweede rebellie')

De machtsbasis van de regering van Kabila werd vanaf begin 1998 steeds smaller. Een groot aantal ministers en hoge overheidsfunctionarissen met een Tutsi achtergrond werd in de loop van enkele maanden vervangen door bestuurders uit de Katangese kring van Kabila. Half juli 1998 verslechterde de politieke en veiligheidsituatie nog verder door de weer opgelaaide gevechten in Angola tussen het regeringsleger en UNITA en de daarmee gepaard gaande vluchtelingenstromen uit Angola.

Op 28 juli 1998 werden alle Rwandese (Tutsi) militairen die zich op Congolees grondgebied bevonden verordonneerd het land te verlaten, naar verluidt op grond van geruchten van een voorgenomen staatsgreep, die door Rwandese soldaten gesteund zou worden . Als gevolg hiervan braken op 2 augustus 1998 zowel in Kinshasa als in de oostelijke steden Bukavu en Goma gevechten uit tussen militairen van Tutsi afkomst (Banyamulenge en Rwandezen) en eenheden van het Congolese leger Forces Armées Congolaises (FAC). Dit werd het begin van de gewapende opstand (de 'tweede rebellie') tegen Kabila. De rebellen groepeerden zich in de Rassemblement Congolais pour la Démocratie (RCD), een Congolese rebellengroep die in juli 1998 was opgericht in Kigali en gesteund werd door de regering van Rwanda. De rebellen benoemden Ernest Wamba dia Wamba tot hoofd van de politieke afdeling van de RCD. In de loop van deze opstand nam Kabila de Rwandese Hutu militairen en rebellen die zich in de DRC bevonden (Interahamwe en ex-FAR) in zijn leger op, waar zij door hun militaire vaardigheden hun waarde bewezen.

De rebellen in het oosten van de DRC, Banyamulenge verenigd in de RCD, waren zo van medestanders van Kabila in de 'eerste rebellie' geworden tot tegenstanders van Kabila (en de ex-FAR/Interahamwe) in de 'tweede rebellie'.

Ook de tweede rebellie beoogde de macht in Kinshasa over te nemen, opnieuw gesteund door Rwandese en Ugandese militairen. Eind augustus trokken de rebellen van drie kanten naar Kinshasa op, vanuit het noordwesten (op 23 augustus 1998 werd Kisangani ingenomen), het zuidoosten (via Kindu) en het westen (Matadi). De rebellen slaagden bijna in hun opzet, die slechts verijdeld werd doordat Kabila militaire steun van buiten kreeg, namelijk van Zimbabwe, Angola en Namibië. De Angolese motieven waren vooral gelegen in het feit dat UNITA gebruik maakte van Congolees grondgebied om aanvallen in Angola uit te voeren. Door Kabila te steunen verwierf Angola het recht om UNITA op en via grondgebied van de DRC te bestrijden.

In november 1998 ontstond een tweede rebellenbeweging in het oosten van de DRC, de Mouvement pour la Libération du Congo (MLC), in de provincie Equateur, onder leiding van Jean-Pierre Bemba. Deze beweging werd gesteund door Uganda. De MLC slaagde er in grote delen van Equateur te veroveren.

Zowel Rwanda als Uganda rechtvaardigen hun optreden in de DRC door te stellen dat zij hun grenzen willen beveiligen tegen invallen van rebellengroeperingen en ongeregelde strijdgroepen zoals de Interahamwe en de ex-FAR (het voormalige Rwandese leger), die beiden betrokken waren bij de genocide in Rwanda, en de NALU (National Army for the Liberation of Uganda) rebellen uit de Ugandese Rwenzori bergen. Algemeen wordt aangenomen dat inmiddels naast veiligheidsredenen ook economische motieven een grote rol spelen in de aanwezigheid van zowel Rwanda als Uganda in de DRC. De rijkelijk aanwezige natuurlijke hulpbronnen in het oosten van het land vormen ook de achtergrond voor de aanwezigheid van Zimbabwaanse troepen in dat deel van de DRC.

Pogingen om een eind aan de conflicten in de DRC te maken, resulteerden uiteindelijk in juli 1999 in de ondertekening van het Lusaka-Akkoord door de staatshoofden van Zimbabwe, Uganda, Rwanda, Namibië en de DRC.

Voor de MLC tekende Jean-Pierre Bemba begin augustus en na lange strubbelingen binnen het RCD tekenden uiteindelijk op 31 augustus 1999 alle 51 oprichters van deze beweging.

Op dat moment waren grote delen van het oosten van de DRC feitelijk in handen van de rebellengroepen. In deze gebieden heerste een grote mate van militaire onveiligheid.

Het akkoord van Lusaka van juli 1999.

Het Lusaka-Akkoord bevat de volgende onderdelen:


- de instelling van een Joint Military Commission bestaande uit vertegenwoordigers van alle partijen in het conflict en belast met het toezicht op de uitvoering van de vredesovereenkomst tot een VN-vredesmacht is gearriveerd;


- de instelling van een VN-vredesmacht;


- de terugtrekking van alle buitenlandse troepen binnen negen maanden na de ondertekening van het akkoord;


- de ontwapening en repatriëring van alle gewapende groepen in Congo, inclusief de Interahamwe militia;


- het houden van een nationale dialoog in de DRC onder leiding van de Italiaanse Roomskatholieke gemeenschap 'Sant' Egidio';


- amnestie voor alle rebellen, uitgezonderd voor degenen die betrokken waren bij genocide.

De Joint Military Commission (JMC) bestaat uit twee vertegenwoordigers van iedere partij die bij het conflict is betrokken. De JMC moet toezicht houden op de uitvoering van het akkoord.

De eerste bijeenkomst, onder leiding van een neutrale, door de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid (OAE) aangestelde voorzitter, vond op 13 oktober 1999 te Kampala (Uganda) plaats. De JMC functioneert gebrekkig, voornamelijk door de weigering van de DRC regering om samen te werken.

Als bemiddelaar voor de nationale dialoog werd door de OAE (Organisatie voor Afrikaanse Eenheid) ex-president van Botswana, Ketumile Masire, aangezocht.

Op 30 november 1999 werd door de VN-Veiligheidsraad de VN-vredesmissie MONUC (Mission de l'Organisation des Nations Unies en République Démocratique du Congo) ingesteld die moet toezien op de staakt-het-vuren- overeenkomst en die de schendingen hiervan moet melden.

Overigens werd in het jaar volgend op het Lusaka-Akkoord weinig voortgang geboekt met de uitvoering van de diverse onderdelen.

Op 8 april 2000 tekenden de strijdende partijen tijdens een bijeenkomst van de JMC in Kampala, een nieuwe staakt-het-vuren overeenkomst waarbij bepaald werd dat alle partijen zich 40 km van de frontlijn zouden terugtrekken. 24 uur voordat de overeenkomst in werking zou treden, beschuldigden partijen elkaar van het samenbrengen van troepen langs de frontlijn; de terugtrekking werd vooralsnog niet uitgevoerd.

In mei en in juni 2000 kwam het in Kisangani opnieuw tot een gewapend treffen tussen troepen van Uganda en Rwanda, waarbij meer dan 700 burgerslachtoffers zijn gevallen. Kisangani is de grootste stad in Oost-Congo en een belangrijk handelscentrum. De internationale gemeenschap toonde zich ernstig bezorgd over deze instabiliteit, die de uitvoering van het Lusaka Akkoord bedreigde. Op 16 juni 2000 nam de Veiligheidsraad unaniem een resolutie (1304) aan waarin het optreden van Rwanda en Uganda veroordeeld wordt en hen wordt verzocht de eerste stap te zetten bij de terugkeer van alle buitenlandse soldaten uit de DRC. Volgens president Museveni van Uganda waren de gevechten te wijten aan de aanwezigheid van verscheidene legers onder verschillend commando. Dit zou verwarring veroorzaakt hebben en tot gevechten geleid hebben.

De crisis leidde tot hernieuwde pogingen het vredesproces te redden. De Southern African Development Community (SADC) nam hier, mede op aandringen van de VN, de leidende rol op zich, onder leiding van de Zambiaanse president Chiluba.

Op 14 augustus 2000 vond in Lusaka een SADC-bijeenkomst plaats onder leiding van Frederick Chiluba. Tijdens deze vergadering, die gezien werd als het laatste redmiddel om het vredesproces in de DRC veilig te stellen, weigerde president Kabila de twee belangrijkste onderdelen van het Lusaka-Akkoord uit te voeren, te weten het toelaten tot de DRC van een VN-vredesmacht en het organiseren van een nationale dialoog . Hiermee gaf de Congolese regering te kennen het Lusaka-Akkoord als begraven te beschouwen.

Het mandaat van MONUC liep tot 30 augustus 2000. Op 14 augustus 2000 heeft de secretaris-generaal van de VN Kofi Annan in een brief aan de Veiligheidsraad voorgesteld het mandaat tijdelijk met één maand te verlengen tot 30 september 2000 om hem de gelegenheid te geven de rol van MONUC te evalueren .

De VN-Veiligheidsraad besloot tot verlenging van het mandaat tot 15 oktober 2000 in resolutie 1316 van 23 augustus 2000.

President Kabila bleef zich eigenzinnig gedragen en voerde binnen zijn eigen regering een verdeel-en-heerspolitiek. Regelmatig werden bewindslieden, hoge ambtenaren of rechters vervangen of gevangen gezet (zie ook par. 3.2.6). Sommigen werden na hun detentie weer in hun oorspronkelijke functie hersteld.

In juni 2000 zette hij enkele ministers gevangen, waaronder Saolana Bemba, (minister van Economische Zaken en vader van Jean-Pierre Bemba, leider van de MLC-rebellen) en Kibassa Maliba (minister van Mijnbouw en voormalig voorzitter van de UDPS). Beiden werden weer vrijgelaten.

Op 2 september 2000 maakte Kabila, voor de tiende maal sinds zijn aantreden als president, een wijziging in de samenstelling van zijn kabinet bekend.

Twee voormalige bewindslieden onder Mobutu werden in het kabinet opgenomen. Dominique Sakombi Inongo werd minister van Communicatie en ex-generaal Norbert Likulia Bolongo (de laatste premier onder Mobutu) minister voor Ondernemingen. Minister van Transport Odette Babandoa (die in juli gearresteerd was wegens corruptie), minister voor Ambtenarenzaken Paul Kapita en vier vice-ministers werden ontslagen.

De minister van Buitenlandse zaken, Yerodia Abdoulaye Ndombasi (tegen wie inmiddels een Belgisch arrestatiebevel is uitgevaardigd op grond van aanzetten tot rassenhaat en moord) behield zijn post.

Op 1 juli 2000 benoemde president Kabila de Assemblée Constituante et Législative. In strijd met de Lusaka-Akkoorden, benoemde een door de regering ingesteld comité, na een selectieprocedure uit meer dan 12.000 kandidaten, 240 van de beoogde 300 afgevaardigden, afkomstig uit alle elf provincies. De resterende 60 leden werden door de president, en door zijn ministers uitgekozen. De Assemblee werd op 21 augustus 2000 in Lubumbashi geïnstalleerd.

De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties sprak zijn verontrusting uit over de instelling van de Assemblée Constituante, omdat de gevolgde procedure in strijd was met het Lusaka-Akkoord. In dit akkoord werd immers onder meer bepaald dat de regering een nationale dialoog zal aangaan met de oppositie (inclusief de rebellen) en leden van het maatschappelijk middenveld.

De Congolese regering liet hierop bij monde van minister Yerodia weten dat een nationale dialoog niet langer haalbaar was .

Voorafgaand aan de installatie had de Assemblee op 18 augustus 2000 reeds een verklaring uitgegeven waarin het Lusaka-Akkoord als achterhaald werd bestempeld. In deze verklaring werd het Congolese volk opgeroepen een zelfverdedingsleger te vormen om de bezettingsmachten te bestrijden en het land te bevrijden .

De latere ontwikkelingen komen aan de orde in paragraaf 2.2.

2.2 Politieke ontwikkelingen

---
Inleiding

In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op de diverse conflicten die zich op het grondgebied van de DRC afspelen en die de bron zijn van de ongunstige politieke (en militaire, zie 2.3) situatie waarin het land zich bevindt. Vervolgens worden de politieke ontwikkelingen tijdens de laatste maanden van Laurent Kabila beschreven, gevolgd door de politieke ontwikkelingen tijdens het bewind van Joseph Kabila en de stand van het vredesproces.

De verschillende conflicten

In de DRC spelen zich thans verscheidene, onderling gerelateerde, conflicten af, waarbij zowel binnenlandse (Congolese) partijen zijn betrokken als buitenlandse regeringen en groeperingen .

Zo kunnen in feite negen gewapende deelconflicten onderscheiden worden :


- de regering van de DRC tegen de Rassemblement Congolais pour la Démocratie-Goma (RCD-Goma) en de regeringen van Rwanda en Burundi;


- de regering van de DRC tegen de Mouvement de Libération du Congo (MLC), de Rassemblement Congolais pour la Démocratie- Mouvement de Libération (RCD-ML) en de regering van Uganda;


- de regering van de DRC tegen verscheidene (andere) gewapende binnenlandse oppositiegroeperingen;


- het stammenconflict tussen de Hema en de Lendu;

- de regering van Rwanda tegen ex-FAR (het voormalig Rwandese leger) en Interahamwe;


- de regering van Uganda tegen verscheidene gewapende Ugandese oppositiegroeperingen, waaronder de Allied Democratic Forces (ADF) en de National Army for the Liberation of Uganda (NALU);


- de regering van Burundi tegen de Forces pour la Défense de la Démocratie (FDD, een Burundese rebellenbeweging);


- de regering van Angola tegen de Uniao Nacional para a Independênca Total de Angola (UNITA);


- de regering van Rwanda tegen de regering van Uganda.
Bezien vanuit de betrokkenheid en verantwoordelijkheid van de Congolese regering, is het belangrijkste conflict dat tussen de regering van de DRC en de RCD-Goma.

In die rangorde is het tweede conflict voor de Congolese regering dat tussen de regering van de DRC enerzijds en de RCD-ML en MLC anderzijds.

Het derde conflict voor de Congolese regering is dan het stammenconflict tussen de Hema en de Lendu in het Ituri district .

Een alomvattende oplossing van alle deelconflicten wordt beoogd met het Lusaka-vredesakkoord. Onderdeel daarvan is de Nationale Dialoog, die is gericht op het beëindigen van de binnenlandse conflicten om de macht over de DRC door een proces van democratisering op gang te brengen met behulp van een nationale dialoog. Bij deze dialoog moeten de belangrijkste Congolese gewapende en ongewapende groeperingen en het maatschappelijk middenveld betrokken worden onder leiding van de ex-president van Botswana, sir Ketumile Masire.

Achtergronden van de belangrijkste conflicten

Bij het conflict tussen de regering van de DRC en de RCD-Goma zijn betrokken aan de zijde van de DRC: het Congolese regeringsleger en de legers van Angola en Zimbabwe, met zowel formele als informele ondersteuning van ongeregelde troepen zoals de Mai-Mai (een Congolese militie, zie bijlage I), van de ex-FAR en de Interahamwe en van de FDD; en aan RCD-Goma-zijde de RCD-Goma, de Local Defense Unit (een Congolese paramilitaire guerrillagroep), het Rwandese leger (RPA) en het Burundese leger. De achtergrond van dit conflict wordt gevormd door de strijd tussen de Rwandese regering en de ex-FAR/Interahamwe sinds 1994, waarbij Rwanda stelt dat ex-FAR/Interahamwe de veiligheid van Rwanda bedreigen. Toen Laurent Kabila zich in augustus 1998 tegen zijn voormalige medestanders, de (Rwandese en Congolese) Tutsi en de Rwandese regering, keerde (zie 2.1.2, de 'tweede rebellie'), en bovendien de ex-FAR/Interahamwe in zijn leger opnam, werd hij van medestander tegenstander in deze strijd.

Bij het conflict tussen de regering van de DRC en de MLC/RCD-ML zijn betrokken aan de zijde van de DRC het regeringsleger, de legers van Angola en Zimbabwe en de Mai-Mai milities. Aan de zijde van de MLC/RCD-ML is het Ugandese leger (Uganda People's Defence Forces, UPDF) betrokken. Ook Uganda is, in 1996, betrokken geraakt bij de conflicten in de DRC vanuit de wens Ugandese rebellengroepen die opereerden vanaf Congolees grondgebied, zoals de ADF en de NALU, hun basis te ontnemen. Ook Uganda werd, na de ommezwaai van Laurent Kabila van augustus 1998, van medestander tot tegenstander van Kabila.

Naast de veiligheidsbelangen van de deelnemende buitenlandse mogendheden, zijn economische belangen een steeds grotere rol gaan spelen .

Het conflict tussen de Congolese bevolkingsgroepen Hema en Lendu is ontstaan door de Ugandese aanwezigheid in de Ituri regio. De Hema zijn van oorsprong herders en veehouders, de Lendu zijn landbouwers. Op enkele incidenten na hadden beide groepen bijna drie eeuwen vreedzaam samengewoond. Sinds de Ugandese troepen zich in de Ituri regio bevinden, hebben zij militaire steun gegeven aan de Hema, die van Ugandese origine zijn, om zich land toe te eigenen van de Lendu. Alle functionarissen die door de Ugandese militairen werden benoemd, behoren tot de Hema stam. De huidige confrontatie dateert van augustus 2000 en heeft aan ongeveer 10.000 mensen het leven gekost en bijna 175.000 ontheemden veroorzaakt.

Het Ituri district, met hoofdplaats Bunia, is het meest dichtbevolkte gebied van de DRC. Het is buitengewoon rijk aan delfstoffen (goudmijnen) en bijzondere houtsoorten. De grensplaats met Uganda, Kasindi, is na de havenstad Matadi de tweede stad van het land voor wat betreft uitvoercijfers.

Laatste maanden Laurent Kabila

De laatste maanden van de regering van Laurent Kabila werden gekenmerkt door een toenemende instabiliteit. Eind november 2000 kondigde Kabila een wijziging in zijn kabinet aan, de tweede in twee maanden. Yerodia Abdoulaye Ndombasi, de controversiële minister van Buitenlandse Zaken, werd vervangen door Léonard She Okitundo, de gerespecteerde voormalige minister voor Mensenrechten, en Mawampanga Mwana Nanga, minister van Financiën werd vervangen door Jean Amisi Kalondaya.

Kabila ondernam pogingen de nationale dialoog, die voorzien was in het Lusaka- Akkoord en die georganiseerd zou moeten worden door een neutrale buitenstaander, te ondermijnen door het nemen van eigen initiatieven. Hij riep een bijeenkomst te Libreville (Gabon) bijeen, die op 22 december 2000 zou moeten plaatsvinden. Tweehonderd deelnemers, de meerderheid ministers, ambtenaren en Kabila-getrouwen werden naar Libreville gevlogen, waar zij een korte ontmoeting met de president hadden. De bijeenkomst werd echter abrupt beëindigd, zogenaamd wegens de vertraging die deelnemers uit Europa hadden opgelopen. De bijeenkomst werd van het begin af aan geboycot door de oppositiepartijen en de rebellen. De bijeenkomst vond uiteindelijk in januari 2001 plaats en werd door slechts 100 deelnemers bijgewoond.

Een van de laatste daden van Laurent Kabila was het vrijlaten in december 2000 en begin januari 2001 van enkele honderden gevangenen uit gevangenissen over het hele land (regeringsgebied). Hierbij waren politieke gevangenen, journalisten en mensenrechtenactivisten .

Het vredesproces bleef in het slop. Laurent Kabila volhardde in zijn weigering om Ketumile Masire te aanvaarden als bemiddelaar voor het binnenlands vredesproces, de nationale dialoog. Ondanks een toezegging in november dat de VN vrijheid van beweging en veiligheidsgaranties zou krijgen, nodig voor de ontplooiing van MONUC, bleef de regering operaties van MONUC tegenwerken en limiteerde zij de bewegingsvrijheid van de waarnemers. Kabila zegde het vertrouwen in het Lusaka-Akkoord op en verklaarde dat nieuwe onderhandelingen nodig waren, gericht op de agressie van Rwanda, Burundi en Uganda.

Op 13 oktober 2000 opende het Congolese leger, met de hulp van de Interahamwe en de Mai Mai milities, een verrassingsoffensief op posities van de Rassemblement Congolais pour la Démocratie (RCD-Goma) in het oosten van de DR Congo en nam de stad Pepa in. Dit offensief lijkt bedoeld te zijn geweest om een verbinding tot stand te brengen tussen de deelnemende Interahamwe en Mai Mai milities en hun counterparts in de Kivu provincies, waardoor de Congolese oorlog op de drempels van Rwanda en Burundi zou zijn gebracht. Het offensief verloor echter zijn kracht, en op 11 november heroverden Rwandese en RCD-Goma troepen, gesteund door Burundese legereenheden, Pepa, waarna zij begin december doorstootten naar Pweto, voorbij de bestandslijnen overeengekomen in het vredesakkoord van Lusaka en op minder dan 600 km van Lubumbashi, de hoofdstad van de provincie Katanga en een belangrijke basis van de Congolese regering (en de FDD). Zowel het eerste offensief van de Congolese regering als de tegenaanval van Rwanda en RCD-Goma werden veroordeeld door MONUC. In een resolutie verzocht de VR Veiligheidsraad opnieuw Uganda en Rwanda en alle andere buitenlandse partijen om zich conform het vredesakkoord van Lusaka terug te trekken uit de DRC.

Half oktober 2001 kwamen de staatshoofden van de landen die bij de oorlog in de DRC betrokken zijn in Maputo bijeen, in een poging het terugtrekkingsplan dat in april 2000 in Kampala was overeengekomen, nieuw leven in te blazen. Het plan voorzag ditmaal in een terugtrekking tot 15 kilometer van de frontlijn door alle troepen. Dit plan werd nog eens bevestigd in een vervolgbijeenkomst eind november in Maputo onder leiding van de Zuid Afrikaanse president Thabo Mbeki. Op 6 december 2000 tekenden de betrokken landen in Lusaka een overeenkomst waarbij zij vastlegden hun troepen 15 kilometer van de frontlijn terug te trekken.

Ondanks gevechten verlengde de VN Veiligheidsraad half november 2000 het mandaat van MONUC met zes maanden (VR-resolutie 1332).

De moord op Laurent Kabila en de opvolging door Joseph Kabila

Op 16 januari 2001 werd Laurent Kabila doodgeschoten, vermoedelijk door een van zijn eigen lijfwachten. Zijn lichaam werd naar Harare gevlogen, officieel om medische behandeling te ondergaan, maar later werd toegegeven dat hij in Kinshasa overleden was. Na enkele dagen chaos, waarin extra troepen uit Angola en Zimbabwe de orde handhaafden, werd Joseph Kabila, de 31-jarige zoon van Laurent en opperbevelhebber van het leger, benoemd tot interim-staatshoofd. Op 26 januari 2001 werd hij geïnstalleerd als president.

Na zijn installatie hield hij een rede, waarin hij behalve het vertrek te eisen van de troepen van Rwanda, Uganda en Burundi, de positieve rol benadrukte die de VN kan spelen, daarbij expliciet verwijzend naar resolutie 1332 van december 2000. Hij sprak ook over de noodzaak om MONUC-troepen op DRC grondgebied te hebben ter wille van een duurzame vrede. Op economisch gebied sprak hij over het liberaliseren van de goederen-, diensten- en valutamarkten, en het introduceren van richtlijnen inzake het verlenen van concessies in de mijn- en diamantindustrie.

De vermeende dader van de moord, een lijfwacht genaamd Rushidi Kasereka, werd kort na de aanslag gedood, waardoor zijn schuld nooit formeel is komen vast te staan. Volgens veel speculaties waren belangrijke personen op de achtergrond bij de moord betrokken. Een dag na de moord werden 11 Libanezen op verdenking van betrokkenheid gearresteerd en zonder proces geëxecuteerd. In februari werden kolonel Edy Kapend, een voormalige adjudant en vertrouweling van de president (en van de Angolese regering) en generaal Nawej Yav, de militaire commandant van Kinshasa, gearresteerd. Onduidelijk is of de arrestatie te maken had met de aanslag op de president of met de moord op de Libanezen.

Een onderzoekscommissie die door de regering werd ingesteld om de moord op de president te onderzoeken, verlengde de detentie van Kapend en Yav, omdat ook de commissie hen verdacht van betrokkenheid bij de moord op president Laurent Kabila. In april 2001 publiceerde de commissie haar bevindingen. In het rapport worden de Ugandese en Rwandese regeringen beschuldigd evenals leidende figuren van de RCD. Het rapport vermeldde geen namen van Congolezen die bij de samenzwering zouden zijn betrokken, onthulde geen bijzonderheden over de aanslag en bleef bij de officiële verklaring dat Laurent Kabila door een lijfwacht was doodgeschoten. Op aanwijzingen van de commissie werden 120 personen gedetineerd en verhoord. Voorafgaande aan de publicatie van het rapport werden twintig van deze gedetineerden vrijgelaten, terwijl de overigen gedetineerd bleven.

Eind augustus 2001 werden ongeveer tachtig personen in Likasi (Katanga) door het militaire gerechtshof berecht. Onder hen waren elf hoge officieren en één Congolese diplomaat die beschuldigd werden van betrokkenheid bij de moord op Laurent Kabila, en zeventien soldaten beschuldigd van betrokkenheid bij een couppoging in oktober 2000. De rest werd beschuldigd van het beramen van een coup tegen president Joseph Kabila in april 2001. Half september werden zeven soldaten ter dood veroordeeld, 33 anderen werden gevangenisstraffen tot 25 jaar opgelegd en 40 personen werden vrijgelaten.

Edy Kapend en generaal Nawej Yav, door velen beschouwd als de hoofdverdachten, zitten nog gevangen in Kinshasa, en zijn nog steeds niet formeel beschuldigd. Het proces tegen hen en de ruim 100 andere verdachten is voorzien op 13 april 2002.

Op 14 april 2001 kondigde president Joseph Kabila een nieuwe regering aan. Deze nieuwe regering hield een radicale breuk met het verleden in. Slechts vijf ministers behielden hun post, waaronder Léonard She Okitundo, de minister van Buitenlandse Zaken. Mwenze Kongolo, voormalig minister van Justitie werd minister voor nationale veiligheid en openbare orde. Belangrijke vertrouwelingen van Laurent Kabila, zoals Gaëtan Kakudji, Yerodia Ndombasi en Victor Mpoyi werden ontslagen. Veel van de nieuwe ministers waren afkomstig uit het buitenland, voornamelijk Zuid-Afrika, waar zich een grote Congolese diaspora bevindt.

De periode Joseph Kabila - het internationale vredesproces

Direct na zijn benoeming tot president begon Joseph Kabila een internationaal charme offensief, waarbij hij de Verenigde Staten, Frankrijk, Groot Brittannië en België bezocht. Na zijn onderhoud met Kofi Annan in New York, waarin Joseph Kabila de secretaris-generaal van de VN verzocht om spoedige ontplooiing van MONUC en hem bewegingsvrijheid en veiligheid voor al het VN-personeel garandeerde, stemde de VN-Veiligheidsraad in met de zending van in totaal 3000 militairen en 500 waarnemers. In maart arriveerden 500 Uruguayaanse troepen in Kalémie en 200 Senegalese militairen in Kananga.

Op 15 juni 2001 werd het mandaat van MONUC verlengd tot 15 juni 2002. Het mandaat sprak nog niet van een derde fase, die onder meer een uitbreiding betekend zou hebben van het aantal VN troepen. De belangrijkste zorg van de VN was dat geen belangrijke vooruitgang was geboekt bij het DDRRR (disarmament, demobilisation, reintegration, repatriation en resettlement) aspect van het vredesproces. De toegestane sterkte is thans 5537 militairen inclusief 500 militaire waarnemers. De huidige sterkte is 2398 militairen, waarvan 385 militaire waarnemers en 2013 militairen.

Op 15 februari 2001 kwamen alle partijen die betrokken zijn bij de oorlog in de DRC, opnieuw overeen hun troepen 15 kilometer terug te trekken, gerekend van de posities die zij in april 2000 innamen. Dit was het derde terugtrekkingsplan. Eerdere overeenkomsten, getekend in april 2000 (Kampala) en december 2000 (Lusaka), zijn nooit gerespecteerd. De RCD-Goma begon met de terugtrekking uit Pweto, een stad die de RCD-Goma in december 2000 had ingenomen. Het regeringsleger reageerde wat trager, maar MONUC rapporteerde dat het in april bezig was met de terugtrekking. Op het laatste moment weigerde het FLC zich terug te trekken van posities in de provincie Equateur. Hierop reisden de ambassadeurs van Frankrijk, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk naar Beni om met de leider van het FLC, Jean Pierre Bemba, te overleggen. Deze verklaarde dat zijn weigering te maken had met zijn zorgen over het welzijn van de bevolking, die nu bloot zou komen te staan aan aanvallen en mishandeling van het regeringsleger. MONUC kwam aan deze bezwaren tegemoet door waarnemers te sturen naar Basankusu, maar de MLC heeft zijn terugtrekking nog steeds niet voltooid. Volgens MONUC hebben de partijen hun terugtrekking naar de overeengekomen posities grotendeels voltooid, op enkele specifieke lokaties na (MLC heeft zich nog niet teruggetrokken uit onder meer Emate-Loa, regeringsleger nog niet uit onder meer Bakambe en Moliro).

In mei 2001 brachten 11 ambassadeurs van de VN-Veiligheidsraad een bezoek aan de regio. In Kinshasa spraken zij met Joseph Kabila, met de Zimbabwaanse president Robert Mugabe en de Namibische president Sam Nujoma. De leider van de delegatie, de Franse ambassadeur, verklaarde dat de VN tevreden was met de enorme vooruitgang die geboekt was in het vredesproces. Hij verklaarde de Congo rivier geopend, maar het verkeer op de rivier blijft nog beperkt tot VN-schepen.

In juni 2001 kwam het eerste VN-schip uit Kinshasa in Kisangani aan met voorraden voor de VN-troepen, ondanks aanvankelijke tegenwerking van de RCD-ML. De RCD-ML weigerde zich uit Kisangani terug te trekken.

De betrekkingen tussen Rwanda en Uganda zijn verder verslechterd. Beide landen hebben troepen samengebracht langs de gemeenschappelijke grens. De kloof tussen de twee landen is groter geworden sinds twee Ugandese commandanten in juli naar Rwanda zijn overgelopen en gedreigd hebben een anti-regeringscampagne op te zetten vanaf Rwandees grondgebied.

Van 1 tot 5 september 2001 bracht de secretaris-generaal van de VN, Kofi Annan, een bezoek aan de DRC en Rwanda. In Kinshasa sprak hij onder meer met president Kabila en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld. De secretaris-generaal drong bij de DRC-regering er op aan alle invloed aan te wenden om de strijd in het oosten van het land te beëindigen en een open dialoog met Rwanda aan te gaan. Hij vroeg om samenwerking met MONUC bij de voorbereiding van de demobilisatie van militairen van Rwandese origine in Kamina (Katanga) en sprak zijn grote zorg uit over de humanitaire situatie.

In Kisangani sprak hij met de leiders van de RCD-ML en drong aan op een zo spoedig mogelijke demilitarisering van de stad, overeenkomstig resolutie 1304 (2000). Hij benadrukte de noodzaak van samenwerking met het oog op verdere ontplooiing van MONUC en de heropening van de spoorwegverbinding tussen Kisangani en Ubundu, waardoor de verbinding tussen Kisangani en Kindu (dat wil zeggen tussen de spoorweg en de rivier) weer geopend kan worden. De aanwezige RCD-ML-leiders stemden hiermee in .

De VN Veiligheidsraad stemde op 9 november 2001 in met de start van de derde fase van de MONUC-inzet. De belangrijkste taken voor de partijen, waarbij MONUC zal assisteren, gedurende deze fase zijn de totale terugtrekking van alle buitenlandse troepen van het grondgebied van de DRC en de ontwapening en demobilisatie van de gewapende groepen, gevolgd door hun repatriatie, hervestiging en reïntegratie in de samenleving. De Veligheidsraad benadrukte het belang van de ontplooiing van MONUC in het oosten van de DRC, inclusief de steden Kindu en Kisangani.

Belang van de ontwapening van de forces négatives

Bij verschillende gelegenheden onderstreepten vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap dat een oplossing voor het probleem van de ex-FAR en de Interahamwe, die sinds 1994 regering en grondgebied van Rwanda vanuit de DRC bedreigen, een centrale rol speelt in het vredesproces voor de DRC

Zo is het belang van het ontwapenen van de Interahamwe zowel door Engelse als Franse ministers tijdens een bezoek aan de regio onderstreept. De Britse minister Claire Short besprak in augustus 2001 met president Kabila de ontwapening van de Interahamwe en de ex-FAR ( in het Lusaka-akkoord genoemd de forces négatives). De Franse minister van Buitenlandse Zaken Hubert Védrine drong eveneens bij president Kabila aan op de ontwapening van de forces négatives.

In september 2001 kondigde de EU aan dat zij bereid was de ontwapening te helpen financieren.

Ook andere contacten op hoog niveau hebben de laatste maanden plaats gevonden. President Kabila en president Kagame van Rwanda hebben eind september in Malawi besprekingen gehouden, waarbij besloten is een gezamenlijke commissie in te stellen om een raamwerk te scheppen voor de oplossing van de geschillen tussen de twee regeringen.

De leider van de RCD-Goma, Onusumba, had in Harare een ontmoeting met president Mugabe, waarbij gevraagd werd de zorg aan Kabila over te brengen over de voortdurende activiteiten van de forces négatives. Volgens de minister van Defensie van de RCD-Goma, Jean-Pierre Ondekane, was het bezoek een teken dat de oorlog bijna afgelopen is.

Eind december 2001 rondde MONUC de registratie van 1.981 Rwandese Hutu strijders af, waarvan de meesten verzameld waren in Kamina in Noord-Katanga. Dit was de eerste serieuze poging tot ontwapening en demobilisatie van niet-overheids-strijders die aan de zijde van de Congolese regering meevechten. Volgens MONUC werden van alle geregistreerden de militaire achtergrond en Rwandese afkomst bevestigd. De toekomst van deze ex-strijders is onzeker, en sindsdien heeft de Congolese regering geen verdere pogingen gedaan het proces van ontwapening van de forces négatives voort te zetten.

In januari 2002 kwam de Congolese regering met Burundi overeen dat Burundi zijn troepen uit de DRC zal terugtrekken en dat de Congolese regering de (Burundese rebellengroep) Forces pour la Défense de la Démocratie (FDD) zal aanmoedigen deel te nemen in het Burundese vredesproces.

De periode Joseph Kabila - de nationale dialoog

Het binnenlands vredesproces of de nationale dialoog maakt onderdeel uit van het Lusaka-akkoord. Eerder in dit hoofdstuk is beschreven dat Laurent Kabila probeerde de nationale dialoog naar zijn hand te zetten door bijeenkomsten in Gabarone en Kinshasa te organiseren waarbij geen vertegenwoordigers van de rebellengroeperingen vertegenwoordigd waren. Hij weigerde Ketumile Masire te acccepteren als bemiddelaar voor de nationale dialoog.

Nadat Joseph Kabila zijn vader had opgevolgd, veranderde de houding van de Congolese regering. Masire werd door Joseph Kabila uitgenodigd naar Kinshasa te komen, nadat hij in juni 2000 door Laurent Kabila werd geweigerd, en kon nu zijn bemiddelingspogingen voortzetten. Sir Ketumile Masire, de bemiddelaar voor de intercongolese dialoog kwam begin maart naar Kinshasa.

Op 23 april 2001 keerde Etienne Tshisekedi, de leider van de UDPS, na een verblijf van 16 maanden in het buitenland, terug naar Kinshasa. Hij verklaarde dat hij terug was gekomen om de intercongolese dialoog te helpen voorbereiden.

In mei 2001 schafte Joseph Kabila de omstreden wet (een de facto verbod op politieke partijen) van eind januari 1999 van zijn vader af en stond politieke activiteiten weer toe. Politieke partijen moeten zich wel laten registreren bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. De oppositiepartijen waren echter sceptisch en verzetten zich tegen de voorwaarden, waaronder de eis van elf oprichters, die ieder een provincie moeten vertegenwoordigen. Zij houden voor hun legale status vast aan een wet van 1990, die vrijheid van politieke activiteit waarborgt. Een persconferentie van de leiders van vijf oppositiepartijen, waaronder de UDPS, MPR, Pionniers de l'Indépendance en de Forces Novatrices pour l'Union et la Solidarité (FONUS), werd in juli verhinderd.

In juni 2001 vond in Kinshasa een mensenrechtenconferentie plaats ..

Vanaf juni 2001 begon (de staf van) Masire door het land te reizen om supervisie uit te oefenen over de selectie van afgevaardigden van politieke partijen en het maatschappelijk middenveld voor de bijeenkomst van het voorbereidend comité van de nationale dialoog. De selectie vond plaats door middel van verkiezingen in verschillende maatschappelijke groepen, waaronder religieuzen, traditionele leiders, vrouwenverenigingen, verenigingen van jongeren, corporaties en ngo's op het terrein van de mensenrechten en ontwikkeling. Het bureau van Masire bezocht hierbij 19 steden.

Grote problemen deden zich voor bij de omschrijving van de niet-gewapende oppositie. Er bestaan verscheidene honderden Congolese politieke partijen en de verwarring over hun juridische status maakte het bepalen of zij tot de niet-gewapende oppositie (en welke oppositie, tegen de regering of de rebellen?) behoorden er niet makkelijker op.

Overeenstemming werd bereikt over de deelname aan de nationale dialoog van:


- zeven oppositiepartijen tegen de regering: UDPS/Tshisekedi, FONUS/Olenghankoy, MPR/Nzuzi wa Bombo, PDSC/Bo Boliko, MNC/Lumumba, PALU/Gizenga en de Pionniers de l'indépendance;


- zeven oppositiepartijen tegen de rebellen: ROM/Patrice Aimé Sesanga, ROC/ Z'ahidi Ngoma, UNAFEC/ Honorius Kisamba Ngoy, FSD/Eugène Diomi Ndongala, CODEP/Raymond Tshibanda, MSDD/Christophe Lutundula en DCF/Venant Tshipasa;


- en één oppositieplatform tegen de regering, afkomstig uit Kivu: FRUONAR/Rwakabuba Shinga .

De oppositie in ballingschap werd van deelname uitgesloten.

Waar eerst uitgegaan was van een zestigtal deelnemers aan de eigenlijke nationale dialoog, kwam Masire, als gevolg van het proces van verkiezingen in het maatschappelijk middenveld, tot een totaal aantal van minstens 300 deelnemers.

Uiteindelijk waren er 71 deelnemers bij de voorbereidende bijeenkomst van de nationale dialoog, die op 15 augustus 2001 in Gabarone (Botswana) plaatsvond (de Mai Mai werd niet voor de besprekingen uitgenodigd ). Alle partijen ondertekenden het slotdocument, de Pacte républicaine waarin de basisprincipes van de nationale dialoog werden vastgesteld. De nationale dialoog zou op 15 oktober 2001 in Addis Abeba van start gaan. De afgevaardigden waren het unaniem eens dat alle buitenlandse mogendheden zich van het Congolese grondgebied zouden moeten terugtrekken en dat het land herenigd zou moeten worden, zonder onderscheid in rebellen- en regeringsgebied, waarbij een vrij verkeer van personen en goederen gegarandeerd zou zijn.

De RCD-Goma-leider Adolphe Onusumba zorgde voor een dissonant door te betwisten dat Joseph Kabila, die bij de besprekingen aanwezig was, tijdens de overgangsperiode als staatshoofd zou kunnen blijven fungeren. Kabila ontving steun van de RCD-ML, die stelde dat het Congolese volk moet beslissen of Kabila president blijft.

Op 15 oktober 2001 begon (eindelijk) de nationale dialoog in Addis Abeba. In verband met geldgebrek besloot Masire slechts 80 afgevaardigden, afkomstig uit de regering, het maatschappelijk middenveld, oppositiepartijen en rebellengroeperingen voor de eerste week uit te nodigen en de rest van de 330 deelnemers een week later als het budget dit toestond . Voorafgaande aan de bijeenkomst in Addis Abeba waren de rebellenleiders Adolphe Onusumba (RCD-Goma) en Wamba dia Wamba (RCD-ML) in Kinshasa zonder dat hun van regeringszijde iets in de weg werd gelegd, waar Wamba zelfs een half uur lang voor de televisie geïnterviewd werd.

De 80 afgevaardigden waren beduidend minder dan de 330 die uitgekozen waren om aan de vergadering deel te nemen. Masire weet dit aan een gebrek aan fondsen.

Op grond van het feit dat de vergadering niet het volledige deelnemersaantal had en niet de bevoegdheid had substantiële beslissingen te nemen en omdat de afwezige delegatieleden niet gebonden konden worden door beslissingen van de vergadering, stelde de regering dat dit niet het officiële begin van de nationale dialoog was, maar een technische bijeenkomst om de modaliteiten te bespreken. Masire en de andere delegaties waren het hier niet mee eens. De regeringsdelegatie presenteerde ook een aantal andere voorwaarden waaraan voldaan moest worden voordat de officiële dialoog van start kon gaan. Deze hielden onder andere in dat religieuze groeperingen, politieke partijen in ballingschap en de Mai Mai ook een plaats aan de onderhandelingstafel zouden krijgen. Na een paar dagen van onderhandelen liep de regeringsdelegatie weg.

In een slotcommuniqué, dat uitgevaardigd werd enkele dagen nadat de regeringsdelegatie vertrokken was, bevestigden de overgebleven delegaties hun steun voor het Lusaka-Akkoord. Masire werd verzocht de volgende vergadering van de nationale dialoog te organiseren in Zuid Afrika. Deelneming van de Mai Mai en de politieke oppositie in ballingschap werd geaccepteerd.

De delegaties veroordeelden het weglopen van de regeringsdelegatie en het falen van de regering om volledige vrijheid van politieke activiteiten en bewegingsvrijheid in het hele land toe te staan, zoals was afgesproken in het Pacte républicaine.

Op 23 november 2001 benoemde Kabila elf nieuwe gouverneurs voor de Congolese provincies, inclusief voor de provincies die onder controle van de rebellen staan. Deze laatsten zullen hun functie nog niet gaan vervullen, maar zullen zich reeds wel gaan voorbereiden.

De RCD-ML reageerde hierop met een waarschuwing dat de demilitarisatie van Kisangani, waar de RCD-ML reeds mee had ingestemd, vertraging op zal lopen .

Van 15 tot 17 januari 2001 organiseerde België in Brussel een informeel overleg tussen de Congolese politieke oppositie en het maatschappelijk middenveld. Het idee voor dit overleg was ontstaan tijdens een bezoek van een Belgische minister aan de DRC. Het overleg had ten doel bij te dragen aan de nationale dialoog, en had de instemming van Masire en Kabila.

De voor januari 2002 voorziene volgende bijeenkomst van de nationale dialoog ging op 25 februari 2002 van start in Sun City, Zuid-Afrika. Begin april 2002 was nog geen aanwijsbare voortgang gemaakt.

Het conflict Hema - Lendu sinds januari 2001

De ernstigste ongeregeldheden van de laatste tijd vonden plaats op 19 januari 2001. Nadat een Ugandese helikopter enkele dagen eerder bombardementen had uitgevoerd, vielen 's morgens vroeg enkele honderden Lendu, gewapend met messen en speren Ugandese posities op het vliegveld van Bunia aan met als doel de helikopter te vernietigen. De Hema besloten hierop wraak te nemen en vielen enkele wijken van Bunia aan waar veel Lendu wonen, waarop de Lendu wijken aanvielen met een Hema bevolking. Bijna 200 Lendu kwamen om het leven bij de aanval op het vliegveld. Gedurende de dag kwamen nog eens 200 burgers om het leven, Hema zowel Lendu, bij het geweld in de stad. Beide partijen gingen zeer selectief te werk bij hun moordpartijen. Als gevolg van het geweld op deze dag raakten bijna 50.000 personen ontheemd. Op 6 februari 2001 trok het FLC Bunia binnen en begon onderhandelingen met 156 traditionele leiders van de Hema en Lendu. Op 17 februari ondertekenden zij een protocol waarin besloten werd tot het onmiddellijk staken van de vijandelijkheden, ontwapening, vervanging van de militaire eenheden die in het gebied opereerden door nieuwe eenheden, ontmanteling van opleidingscentra voor milities, opening van rechtbanken, aanstelling van rechters en officieren van justitie en het weer in gebruik stellen van gemeenschappelijke weiden rond het gebied van Djugu.

Het FLC beloofde alle verantwoordelijken op te sporen en voor het gerecht te brengen. Niet bekend is of dit inderdaad gebeurd is.

Sindsdien zijn echter in het district Ituri gevechten blijven voorkomen tussen de Hema en de Lendu, met als gevolg honderden doden en ontheemden. Specifieke incidenten zijn moeilijk te verifiëren vanwege de onrust in de regio.

2.3 Staatsinrichting

---
Sinds de machtsovername door Laurent Kabila heet Zaïre weer Democratische Republiek Congo (zoals in 1960). President Laurent Kabila, werd op 16 januari 2001, vermoedelijk door één van zijn lijfwachten, doodgeschoten. Op 18 januari toen zijn dood officieel bekend werd gemaakt, besloten het leger en de ministerraad zijn zoon Joseph Kabila tot tijdelijk staatshoofd te benoemen. Deze beslissing werd door het parlement goedgekeurd. Op 26 januari 2001 werd Joseph Kabila president.

In aanvulling op de normale presidentiële bevoegdheden is hij regeringsleider en opperbevelhebber van het leger. Hij heeft het monopolie op wetgeving en regeert per decreet. Voor de benoeming van Joseph Kabila bestaat geen wettelijke basis. De decreet-wet nr. 3 waarmee Laurent Kabila zich in 1997 tot president benoemde, voorziet niet in zijn opvolging. Het is de bedoeling dat het tijdelijke staatshoofd aanblijft totdat verkiezingen kunnen worden gehouden.

Het parlement, de Assemblée constituante et législative - Parlement de Transition, werd in augustus 2000 door Laurent Kabila ingesteld en bijna alle leden werden door hem benoemd. Er hebben ook afgevaardigden uit de bezette gebieden zitting in het parlement.

Een machtenscheiding bestaat niet in de DRC. De rechterlijke macht is niet onafhankelijk; de rechters worden benoemd en ontslagen door de president. Het parlement heeft geen wetgevende bevoegdheden.

De regering moet nog een datum voor de verkiezingen vaststellen. Deze datum zal samenhangen met de nationale dialoog en de vredesbesprekingen.

2.4 Veiligheidssituatie

---
Direct na de benoeming van Joseph Kabila tot president op 26 januari 2001, verlengde de regering het staakt-het-vuren met de rebellen, en stond zij toe dat MONUC zich conform het akkoord van Lusaka van juli 1999 zou ontplooien en de terugtrekking van de troepen van de frontlinies zou volgen. Alle partijen hielden zich in grote lijnen aan het terugtrekkingsplan, en trokken zich tussen maart en juli 2001 terug. MONUC verifieerde de terugtrekking van de troepen tot de afgesproken nieuwe posities, op 15 kilometer van de frontlinies.

Regeringsgebied

In het gebied dat onder controle van de regering in Kinshasa staat ( de provincies Kinshasa, Bas Congo, Bandundu, een gedeelte van Equateur, het grootste gedeelte van West-Kasaï en het grootste gedeelte van Katanga) vinden geen gevechten plaats. Wel onderhouden militairen talrijke roadblocks waar reizigers worden gecontroleerd en waar hun in vele gevallen geld of goederen afhandig worden gemaakt.

De gewapende diensten van de regering bestaan uit een nationale politie onder het ministerie van Binnenlandse Zaken, en verder de Nationale Veiligheidsraad (Conseil National de Sécurité, CNS), de Nationale Inlichtingendienst (Agence Nationale de Renseignements, ANR), een snelle interventiemacht (PIR) en het regeringsleger (Forces Armées Congolaises, FAC), waaronder vallen de militaire politie en een bureau voor de opsporing van anti-patriottische activiteiten (DEMIAP, Détection Militaire des Activités Anti-Patrie). Ook de immigratiedienst (Direction Générale de Migration, DGM) functioneert als veiligheidsdienst. Burgerwachten (Forces d'Auto-Protection, FAP en Comités de Pouvoir Populaire, CPP) dienen ook als beveiligingsdiensten, maar waren sinds begin 2001 minder actief.

De politie behandelt eenvoudige strafrechtzaken. Ook het leger vervult enkele politietaken. De militaire politie heeft zeggenschap over het personeel van de strijdkrachten, maar heeft ook verantwoordelijkheden op het gebied van de binnenlandse veiligheid, inclusief de surveillance van stedelijke gebieden. De CNS deelt de verantwoordelijkheid voor de interne en externe veiligheid met de ANR, inclusief de beveiliging van de grenzen. Een exacte afbakening van de bevoegdheden van de verschillende diensten is niet te geven.

De gewapende diensten zijn slecht opgeleid, worden slecht betaald en zijn vaak ongedisciplineerd. Weliswaar heeft de regering hen in het algemeen redelijk onder controle, maar het komt vaak voor dat gewapende diensten onafhankelijk van de regering handelen. De gewapende diensten begingen talrijke ernstige schendingen van mensenrechten.

RCD-Goma-gebied

In het gebied dat beheerst wordt door de RCD-Goma (Noord- en Zuid-Kivu, Maniema, het noorden van Katanga en Oost-Kasaï) heerst terreur . Het geweld dat door leden van de Mai Mai, Interahamwe, ex-FAR en FDD gebruikt wordt in hun aanvallen op de RCD-Goma, het Rwandese en het Burundese leger, lokt weer wraakacties en tegengeweld uit (en vice versa). Honderden burgers worden slachtoffer van dit geweld en tegengeweld.

In de provincies Maniema, Noord- en Zuid-Kivu zijn de gevechten tussen de Mai Mai, Interahamwe en de RCD-Goma sinds augustus 2001 geïntensiveerd. Eind september 2001 veroverden Mai Mai en Interahamwe, naar verluidt met steun van het regeringsleger en de Burundese rebellenbeweging Forces pour la Défense de la Démocratie (FDD), de stad Fizi in Zuid Kivu. In oktober 2001 heroverde de RCD-Goma de stad, maar de Mai Mai en Interahamwe blijven sterk aanwezig in het gebied, waar met tussenpozen gevochten wordt. Begin september werd ook de stad Kindu door de Mai Mai aangevallen en ingenomen. Ook deze stad werd door de RCD-Goma, die deze stad sinds eind 1998 in handen had, enkele dagen later heroverd. De Mai Mai commandant zei eind september dat de RCD-Goma weliswaar de grote steden in Maniema, Noord- en Zuid-Kivu in handen heeft, maar dat de Mai Mai de rest van de provincies controleert.

Gewapende groepen van de Mai Mai en de FDD zwerven in de Kivu's rond en mengen zich met de lokale bevolking. Dit verhoogt de onveiligheid.

MLC/RCD-ML-gebied

In het gebied dat de MLC/RCD-ML beheerst (het noordelijk gedeelte van Equateur en de provincie Oriental) vinden gevechten plaats in het noord-oosten langs de grens met Uganda, tussen het Ugandese regeringsleger en de Ugandese rebellenbewegingen National Army for the Liberation of Uganda (NALU) en de Allied Democratic Forces (ADF) . Het geweld van deze rebellengroepen veroorzaakt aanzienlijke onveiligheid als gevolg van bloedige aanvallen op de burgerbevolking. Bij het bestrijden van de NALU en de ADF door het Ugandese leger vallen ook weer slachtoffers onder de burgerbevolking.

De stad Kisangani wordt nog steeds beheerst door de RCD-ML.

In juni 2001 vond in Aru, district Ituri, een massamoord plaats door de bevolking op tussen de 250 en 800 personen die beschuldigd werden van hekserij. Verschillende bronnen beschuldigen het Ugandese leger van deelname aan deze massamoord.

Ook in juni 2001 braken gewapende schermutselingen uit tussen diverse RCD-ML-facties als gevolg van persoonlijke tegenstellingen tussen de onderscheiden leiders, die resulteerden in de dood van ongeveer tachtig onschuldige burgers.

De bewegingsvrijheid van de bevolking in het noordoosten van het land wordt sterk beperkt door de aanwezigheid van rondtrekkende Mai Mai groepen.

In het district Ituri blijven gevechten voorkomen tussen de Hema en de Lendu, met als gevolg honderden doden en ontheemden. Specifieke incidenten zijn moeilijk te verifiëren vanwege de onrust in de regio.

2.5 Sociaal-economische situatie

---
De exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen in de DRC geschiedt door verscheidene overheden en niet-overheidsinstanties, waaronder rebellen en gewapende groepen. De exploitatie geschiedt achter diverse façades om de ware aard van de activiteiten te verhullen. Sommige activiteiten worden uitgevoerd onder de dekmantel van gezamenlijke ondernemingen, andere door de de facto autoriteit in het betreffende gebied. De belangrijkste grondstoffen waar het om gaat zijn coltan (colombium-tantalium), goud, koper, kobalt, diamanten en hout.

Coltan komt voor in de oostelijke regio van de DRC. Het metaal, dat een buitengewoon goede geleider is, bracht in 2000 ruim USD 300 per pond op. De prijs is thans gezakt tot USD 20 à 30.

Grote goudvoorraden bevinden zich in de noordoostelijke en oostelijke gebieden (de beide Kivu's, Maniema en de Ituri provincie) van de DRC. Industriële goudmijnbouw is door de oorlog praktisch tot stilstand gekomen, maar de handmatige winning van goud gaat op grote schaal door. In Malaka worden naar verluidt 10.000 gravers ingezet, die verantwoordelijk zijn voor een opbrengst van USD 10,000 per dag.

De grootste concentraties hoogwaardige koper en kobalt ter wereld komen voor in Katanga. Eens was Gécamines, het grootste mijnbouwbedrijf in de DRC, verantwoordelijk voor 70% van de deviezeninkomsten van het land. Door verduistering, diefstal, mismanagement en het gebrek aan investeringen is de productie nu slechts ééntiende van de capaciteit.

Diamanten komen vooral voor in de Kasaï. 90 % van de productie bestaat uit industriediamanten en tot 1999 was 4 % van de gewonnen diamanten van uitstekende (sieraad)kwaliteit. Sinds 1999 is dit percentage gedaald tot nauwelijks 1,8 %. Het verschil lijkt er op te duiden dat een groot gedeelte van de belangrijkste diamantproductie verduisterd wordt en bestemd is voor persoonlijk gewin van mijnbouw- en regeringsfunctionarissen.

In de DRC komen de beste hardhoutsoorten van de wereld voor. Tot 1998 werd het hout over de Congo rivier naar Kinshasa vervoerd voor export. Sinds die tijd worden Mombasa in Kenya en Dar es Salaam in Tanzania als exporthavens gebruikt. Het transport vindt plaats via Kampala.

De economie van de DRC is in hoge mate afhankelijk van de natuurlijke rijkdommen van het land. Als gevolg van vele jaren wanbeheer en corruptie door het Mobutu-regime en de huidige oorlog is de economie grotendeels ineengestort. De huidige situatie is desastreus. Volgens een onlangs in Kinshasa gepubliceerde macro-economische analyse is de export de afgelopen drie jaar bijna gehalveerd, van USD 1.5 miljard tot USD 790 miljoen.

In februari 2001 brachten delegaties van het IMF en de Wereldbank een bezoek aan Kinshasa voor besprekingen met de regering van Joseph Kabila om een stabilisatieprogramma voor te bereiden. Eerdere besprekingen met Laurent Kabila hadden nergens toe geleid omdat zijn regering niet in staat was maatregelen te nemen voor een macro-economische stabilisatie.

Sindsdien heeft de regering economische hervormingen doorgevoerd. Het drukken van bankbiljetten is in augustus 2001 stopgezet, waardoor de wisselkoers is gestabiliseerd. Na een plotselinge opleving in juli 2001 van de Franc Congolais (FC) tot FC 225 per USD 1 is de koers gezakt tot FC 315 per USD 1 (december 2001).

Volgens de Congolese centrale bank was de inflatie in augustus 126% op jaarbasis. De regering was met het IMF overeengekomen om te mikken op een inflatie over 2001 van 299% (tegenover 554% in 2000).

De onlangs door de regering vastgestelde begroting voor de DRC bedraagt ongeveer USD 680 miljoen.

De DRC neemt de 142 plaats in op de Human Development Index, van de 152 landen die op deze lijst van UNDP voorkomen.

De oorlog heeft een dramatisch effect op de humanitaire situatie van de Congolese bevolking. Naar schatting 4 miljoen mensen zijn ontheemd. Officieel is 5% van de bevolking (1,1 miljoen personen) geïnfecteerd met HIV. Slechts 37% van de bevolking heeft toegang tot essentiële medische diensten en dit percentage is nog lager in de gebieden die door de rebellen gecontroleerd worden. Volgens een rapport van het International Rescue Committee zijn in het oosten van het land ruim 2 miljoen mensen gestorven als gevolg van de oorlog, waarvan 200.000 bij gevechtshandelingen .

In Kinshasa heerst een 'officiële' werkloosheid van 95%. Ambtenaren en militairen worden zeer onregelmatig betaald. Door middel van corruptie en afpersingen trachten zij hun inkomen aan te vullen. Het grootste deel van de bevolking moet zien rond te komen van omgerekend USD 5 per maand.

Hoewel volgens een recent rapport van de FAO de voedselsituatie in Kinshasa niet slechter is dan in 1997, krijgt 30% van de bevolking slechts één keer per twee dagen een maaltijd, als gevolg van geldgebrek. Volgens dit rapport is 3% van de kinderen onder de vijf jaar ernstig ondervoed.

De humanitaire crisis in de bezette gebieden is buitengewoon ernstig. Veel van de ruim 2 miljoen doden zijn overleden als gevolg van ondervoeding en ziekten die voorkomen hadden kunnen worden. Dicht bij het front in de Kivu's en in noordelijk Katanga is meer dan 15% van de kinderen tot vijf jaar ernstig ondervoed. In Kiambi (Noord-Katanga) loopt dit percentage zelfs op tot boven de 25.

2.6 Samenvatting

---
De politieke ontwikkelingen in de DRC in de verslagperiode stonden grotendeels in het teken van de moord op Laurent Kabila en de opvolging door diens zoon Joseph Kabila. Na het aantreden van Joseph Kabila heeft het vredesproces een positieve impuls gekregen door de bereidheid van Joseph Kabila om MONUC toe te staan zijn mandaat te vervullen en om Masire te erkennen als bemiddelaar voor de Nationale Dialoog. Met zijn reizen naar de Verenigde Staten en Europese landen heeft Joseph Kabila in eerste instantie veel goodwill gekweekt, evenals met de nieuwe regering die hij in april benoemde en die een radicale breuk met het verleden inhield.

De nationale dialoog komt evenwel slechts moeizaam op gang. De eerste belangrijke bijeenkomst, op 15 oktober 2001 in Addis Abeba, werd wegens geldgebrek door slechts 80 afgevaardigden bijgewoond, in plaats van de beoogde 330 deelnemers, en werd een mislukking. Na een paar dagen liep de regeringsdelegatie weg. In een slotcommuniqué bevestigden de overgebleven delegaties hun steun aan het Lusaka-Akkoord en accepteerden zij dat de Mai Mai en de oppositie in ballingschap zouden deelnemen aan de volgende bijeenkomst van de dialoog. Die volgende bijeenkomst ging op 25 februari 2002 van start in Sun City, Zuid-Afrika. Begin april 2002 was nog geen aanwijsbare voortgang gemaakt.

Hoewel Kabila in mei politieke partij-activiteiten weer toestond, vormde het vereiste om zich bij het ministerie van Binnenlandse Zaken te laten registreren onder opgave van 11 oprichters, verdeeld over alle provincies, voor de oppositiepartijen nog een belemmering.

Het internationale vredesproces heeft enige vorderingen gemaakt, met de terugtrekking van de strijdende partijen op de meeste plaatsen van de frontlinie, tot 15 kilometer van deze linie, en met de ontplooiing van MONUC. Zowel elf ambassadeurs van de VN-Veiligheidsraad als de secretaris-generaal van de VN, als Franse en Engelse ministers brachten bezoeken aan de regio, waarbij vooral werd aangedrongen op het beëindigen van de strijd in het oosten van het land en de ontwapening van de ex-FAR/Interahamwe en de Mai Mai. De EU heeft zich bereid verklaard de ontwapening te helpen financieren.

De veiligheidssituatie is vooral in het gebied dat door de RCD-Goma wordt beheerst zeer slecht. Het geweld dat door leden van de Mai Mai, Interahamwe, ex-FAR en FDD gebruikt wordt in hun aanvallen op de RCD-Goma, het Rwandese leger en het Burundese leger, lokt weer wraakacties en tegengeweld uit (en vice versa), met honderden burgerslachtoffers. Gewapende groepen van de Mai Mai en de FDD zwerven in de Kivu's rond en mengen zich met de lokale bevolking. Dit verhoogt de onveiligheid.

In het gebied dat door de MLC/RCD-ML wordt beheerst vinden gevechten plaats langs de grens met Uganda tussen het Ugandese regeringsleger en Ugandese rebellenbewegingen. Ook vinden nog regelmatig gevechten plaats tussen de Hema en Lendu stammen.

In het algemeen wordt de bewegingsvrijheid van de bevolking in het noordoosten beperkt door rondtrekkende Mai Mai groepen.

In het gebied dat door de regering wordt beheerst vinden geen gevechten plaats.

In de economische situatie is in de verslagperiode geen verbetering gekomen. In Kinshasa heerst een 'officiële' werkloosheid van 95%. Het grootste deel van de bevolking moet zien rond te komen van omgerekend USD 5 per maand. 30% van de bevolking van Kinshasa krijgt slechts één keer in de twee dagen een maaltijd als gevolg van geldgebrek.

De humanitaire crisis in het oosten van het land is buitengewoon ernstig. Veel van de ruim 2 miljoen doden zijn overleden als gevolg van ondervoeding en ziekten die voorkomen hadden kunnen worden. Naar schatting 2 miljoen mensen zijn ontheemd.


3 Mensenrechten

---

3.1 Waarborgen

---
Grondwet

De DRC heeft formeel geen grondwet. Als grondwet geldt de overgangsgrondwet van maart 1998. Een nieuwe grondwet valt pas te voorzien nadat er algemene verkiezingen zijn gehouden.

Verdragen

De Democratische Republiek Congo is partij bij de belangrijkste verdragen op het terrein van de mensenrechten, waaronder de Internationale Conventie inzake Burgerlijke en Politieke Rechten, de Internationale Conventie inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten, de Conventie over Uitbanning van alle vormen van Discriminatie op grond van Ras, de Conventie inzake de Rechten van het Kind, de Conventie inzake Uitbanning van Alle Vormen van Discriminatie tegen Vrouwen, de Conventie en het bijbehorende Protocol betreffende de Status van Vluchtelingen en de vier Geneefse Verdragen van 1949.

3.2 Toezicht

---
Het in 1996 heropende kantoor van de Hoge Commissaris voor Mensenrechten van de VN in Congo (HRFOC) speelt een actieve rol bij de bevordering van de mensenrechten.

Op 18 april 2000 heeft de VN-Mensenrechtencommissie het mandaat van de Speciale Rapporteur voor de mensenrechten in de Democratische Republiek Congo, Roberto Garretón met een jaar verlengd.

Van 11 tot 21 maart en van 20 juli tot 1 augustus 2001 heeft de Speciale Rapporteur een bezoek aan dit land gebracht. Behalve aan Kinshasa heeft hij bezoeken gebracht aan Mbuji-Mayi, Goma, Bukavu, Kisangani en Gbadolite.

De Congolese autoriteiten hebben niet voldaan aan hun verplichting te rapporteren aan de desbetreffende organen van toezicht op de mensenrechtenverdragen waar de DRC partij bij is.

Diverse NGO's, kerken en beroepsorganisaties houden zich bezig met mensenrechtenvraagstukken. Tot voor kort dienden zij hierbij omzichtig te werk te gaan omdat de overheid meldingen van mensenrechtenschendingen opvatte als kritiek. Regelmatig werden leiders en andere vooraanstaande figuren van mensenrechtenorganisaties gearresteerd en geruime tijd gevangen gezet. Sinds het aantreden van Joseph Kabila als president, is meer aandacht voor de mensenrechten, hebben mensenrechtenorganisaties meer vrijheid en werken zij soms zelfs samen met de overheid. Onder Joseph Kabila werden overigens nog zeker drie mensenrechtenactivisten gearresteerd, die na enkele weken of maanden weer werden vrijgelaten.

Van de ongeveer 250 mensenrechtenorganisaties in de DRC kunnen slechts weinige serieus worden genomen. Vele zijn onder het mom van mensenrechtenbehartiging slechts uit op persoonlijk gewin.

De bekendste mensenrechtenorganisatie Association Africaine (voormalig Zaïroise) de Défense des Droits de l'Homme (ASADHO) werd in mei 1998 verboden, maar is tegen dit verbod bij het Hooggerechtshof (Cour Suprême de Justice) in beroep gegaan. Het beroep is ontvankelijk verklaard, maar tot een uitspraak is het nooit gekomen. Ondanks het nog voortdurende verbod zet deze organisatie haar werkzaamheden voort.

Een andere belangrijke mensenrechtenorganisatie is de reeds 15 jaar bestaande La Voix des Sans-Voix (VSV) onder leiding van Floribert Chibeya.

Toges Noires en Avocats sans Frontières zijn organisaties van advocaten die zich toeleggen op rechtsbescherming op het terrein van de mensenrechten.

Het Comité pour la Démocratie et les Droits de l'Homme (CDDH), dat nauwe banden heeft met de UDPS, ASADHO en Toges Noires werken sinds 1992 samen in het comité Droits de l'Homme, Maintenant.

Het vermoeden bestaat dat het Comité des Observateurs des Droits de l'Homme (CODHO) door de regering wordt ondersteund en daardoor niet meer onafhankelijk optreedt en bericht.

De mensenrechtenorganisaties Ligue Nationale pour les Elections Libres et Transparantes (LINELIT) en Ligue de Conscientisation des Electeurs (LICE) leggen zich toe op politieke vorming en verkiezingen.

De Journalistes en Danger (JED) legt zich toe op het bevorderen van de persvrijheid.

3.3 Naleving en schendingen

---
Sinds het aantreden van Joseph Kabila, na de moord op zijn vader Laurent Désiré in januari 2001, is de situatie met betrekking tot de mensenrechten in het door de regering gecontroleerde deel van de DRC enigszins verbeterd. De overheid staat meer open voor kritiek en onder de bevolking leeft meer hoop. Joseph Kabila heeft enige maatregelen aangekondigd die op zich hoopvol zijn. Enkele zijn al in werking getreden, zoals een moratorium op de doodstraf, grotere vrijheid voor politieke partijen en de toestemming voor de mensenrechtenorganisatie ASADHO (Association Africaine des Droits de l'Homme) om de werkzaamheden te hervatten.

In juni 2001 vond in Kinshasa een nationale conferentie over de mensenrechten plaats. Aan deze conferentie namen vertegenwoordigers van de overheid, het maatschappelijk middenveld, politieke partijen en opiniegroepen deel, maar belangrijke Congolese mensenrechtenorganisaties waren niet uitgenodigd. In totaal namen 385 afgevaardigden aan de conferentie deel. De deelnemers konden zich vrijelijk uiten. Bij de conferentie waren eveneens 24 internationale waarnemers aanwezig afkomstig van de UNHCHR , UNICEF, UNHCR, MONUC, en verscheidene, in Kinshasa geaccrediteerde, ambassades. De conferentie, die geopend werd door president Joseph Kabila, nam op 30 juni 2001 een 'Charter' aan, genaamd 'Chartre Congolais des Droits de l'Homme et du Peuple' en een Nationaal Actie Plan. Deze documenten bevatten positieve elementen waaronder het ongedaan maken van het ontslag van 315 magistraten dat verordonneerd was door Laurent Kabila; de instelling van een onafhankelijke commissie voor waarheid, gerechtigheid en verzoening; mensenrechtenonderwijs voor politie en militairen; afschaffing van de doodstraf; en de vaststelling dat internationaal recht boven nationaal recht uitgaat.

De beide documenten moeten nog in wetten worden omgezet.

Over de afschaffing van het militair gerechtshof (Cour d'Ordre Militaire), althans de beperking van de jurisdictie van dit hof voor misdrijven begaan door militairen, is nog geen beslissing genomen.

Ondanks de lichte verbetering in de mensenrechtensituatie worden nog schendingen van mensenrechten gepleegd, de meeste door leger, politie en veiligheidsdiensten die vaak autonoom optreden. Bewindslieden hebben in de praktijk geen zeggenschap over de onder hen ressorterende diensten. Deels zijn deze schendingen gericht tegen tegenstanders van de regering, mensenrechtenactivisten en journalisten, deels treffen zij willekeurige burgers. Wel is sinds het aantreden van Joseph Kabila het aantal mensenrechtenschendingen door deze diensten afgenomen.

De heersende situatie van terreur, verdachtmakingen en onveiligheid in het gebied dat door de RCD-Goma en Rwanda wordt beheerst, is op zichzelf een voortdurende schending van mensenrechten. De RCD-Goma heeft het monopolie op de exploitatie van coltan en heft een maandelijkse oorlogsbelasting van de concessiehouders, waardoor het Congolese volk met zijn eigen rijkdommen betaalt voor de agressie tegen hun land .

Bij de hieronder volgende beschrijving van de naleving en schendingen van mensenrechten in de DRC zal, voor zover mogelijk, onderscheid gemaakt worden tussen de gebieden die onder regeringscontrole staan en de gebieden die onder controle van de RCD-Goma respectievelijk de MLC/RCD-ML staan (zie 2 voor de beschrijving van de respectieve gebieden).

In het gebied dat door de regering wordt gecontroleerd verschijnen verscheidene onafhankelijke kranten en periodieken. Sinds het aantreden van Joseph Kabila kunnen zij vrij kritisch publiceren over het regeringsbeleid, maar bij kritiek op personen loopt de betreffende journalist nog steeds het risico lastig gevallen, mishandeld of gearresteerd te worden. In 1999 werden 80 journalisten gearresteerd en gedetineerd, in 2000 waren het er 37 en in 2001 25. Er is geen formele censuur van overheidswege, maar de meeste journalisten hanteren een vorm van zelfcensuur. Een bedreiging voor de persvrijheid vormt de grote armoede waardoor steeds minder mensen in staat zijn een krant te kopen.

Tot begin 2001 controleerden de CPP's (Comités du Pouvoir Populaire) de uitlatingen en toespraken van personen in de woongebieden, op het werk en in de scholen. Kritische uitlatingen over de regering werden aan de veiligheidsdiensten gemeld. Na de dood van Laurent Kabila hebben de CPP's veel van hun invloed verloren en spelen ze niet meer zo'n grote rol in het dagelijks leven.

RCD-Goma

In het gebied dat beheerst wordt door de RCD-Goma heerst geen vrijheid van meningsuiting. Er zijn geen onafhankelijke kranten. Radio Amani van de katholieke kerk in Kisangani, wordt met sluiting bedreigd omdat het station zich uitliet over demilitarisatie en mensenrechten. Radio Maendeleo in Bukavu blijft gesloten.

MLC/RCD-ML

Alleen in Beni verschijnen onafhankelijke maandelijkse publicaties. In Gbadolite en Gemena verschijnen alleen MLC-informatiebulletins.

De DRC kent geen wettelijke bescherming van de vrijheid van vergadering, en dit recht is in de praktijk ernstig beperkt. Openbare bijeenkomsten werden in het algemeen door gewapende overheidsdiensten uiteengedreven, soms met inzet van buitensporig geweld.

Op 21 mei 2001 werd een nieuwe wet op politieke partijen gepubliceerd. In tegenstelling tot de decreet-wet 194/1999, waarbij politieke partijen onder uiterst stringente voorwaarden werden toegestaan, erkent deze wet de politieke partijen die tijdens de periode Mobutu zijn opgericht. Het vereiste om zich bij het ministerie van Binnenlandse Zaken te laten registreren onder opgave van 11 oprichters, verdeeld over alle provincies, vormde echter voor sommige oppositiepartijen nog een belemmering. Enkele traditionele politieke partijen zoals de Union pour la Démocratie et le Progrès Social (UDPS), Forces Novatrices pour l'Union et la Solidarité (FONUS), Mouvement Populaire pour la Révolution (MPR)-Fait privé en Forces Politiques Nouvelles (FPN) weigerden zich (in hun ogen opnieuw) te laten registreren. Zij dreigen zich hierdoor overigens van de bevolking te vervreemden. 581 politieke partijen hebben registratie aangevraagd. Inmiddels zijn meer dan 150 partijen geregistreerd, waaronder de Mouvement Populaire de la Révolution (MPR, de partij van de Mobutisten).

Politieke partijen konden in de aanloop naar de nationale dialoog iets vrijer opereren. Weliswaar werden openbare bijeenkomsten en persconferenties gewoonlijk verboden, maar bijeenkomsten in de particuliere sfeer werden veelal toegelaten.

In mei 2001 werd het kantoor van de mensenrechtenorganisatie ASADHO op last van president Joseph Kabila heropend. Dit gebeurde vlak voor een missie van de Veiligheidsraad een bezoek aan Kinshasa bracht.

NGO's worden niet langer als vijanden van de staat beschouwd. Er is regelmatig overleg tussen de belangrijkste mensenrechten NGO's en de minister voor Mensenrechtenzaken.

RCD-Goma

In het gebied dat onder controle van de RCD-Goma staat komen geen politieke partijen voor behalve de RCD-Goma zelf.

MLC/RCD-ML

In het gebied dat onder controle van de MLC/RCD-ML staat komen geen politieke partijen voor. Het maatschappelijk middenveld begint zich thans enigszins te ontwikkelen.

De vrijheid van godsdienst wordt door de overheid gerespecteerd, met dien verstande dat de openbare orde niet mag worden verstoord en niet tegen de heersende publieke moraal mag worden ingegaan. Er zijn geen gevallen bekend van vervolging van bepaalde categorieën gelovigen of van onderdrukking van religieuze stromingen.

RCD-Goma

In het gebied dat onder controle van de RCD-Goma staat, zijn katholieke kerken soms doelwit van aanslagen van de kant van RCD-Goma en hun Rwandese bondgenoten, mede vanwege de (vermeende) rol die vertegenwoordigers van de katholieke kerk hebben gespeeld tijdens de genocide in Rwanda. Aanslagen nemen de vorm aan van aanvallen op missieposten, het doden van priesters, verkrachting van nonnen en het in brand steken van kerken. Overigens waren er sinds begin 2001 minder meldingen van dergelijke aanslagen dan in voorgaande jaren.

Reizen over land tussen regeringsgebied en rebellengebied is zeer gevaarlijk wegens rondtrekkende gewapende groepen en vaak onmogelijk. De enige mogelijkheid om veilig vanuit het oosten van het land naar Kinshasa te reizen is per vliegtuig via Nairobi. Congolezen, afkomstig uit het gebied dat door de RCD-Goma of RCD-ML wordt beheerst, die via Nairobi in Kinshasa arriveren (met Kenya Airways) worden bij aankomst op het vliegveld door de immigratiedienst DGM uitgebreid ondervraagd over eventuele banden met de rebellenbeweging. Congolezen die kunnen aantonen via Nairobi uit Europa te komen, kunnen ongehinderd binnenreizen.

Reizen in regeringsgebied wordt door de slechte infrastructuur belemmerd, zodat het (dure) vliegverkeer vaak de enige mogelijkheid is om lange afstanden te overbruggen. Er is een treinverbinding tussen Kinshasa en Matadi en tussen Lubumbashi en Ilebo. Vanuit deze laatste plaats is Kinshasa in principe via de rivier te bereiken.

Voor reizen naar het buitenland is een paspoort en een uitreisvisum vereist. De aanvraagprocedure voor het paspoort is langdurig (twee à drie maanden). Een paspoort kost ongeveer USD 50, maar om de verstrekking te versnellen worden bedragen van USD 150 tot 200 betaald aan de ambtenaren die met de afgifte belast zijn.

SABENA was tot het faillissement de enige Europese luchtvaartmaatschappij die op Kinshasa vloog. Reizigers die met SABENA naar Brussel vlogen werden op het vliegveld N'Djili zeer streng gecontroleerd. SABENA had een eigen veiligheidsdienst op het vliegveld, die na de Congolese immigratiedienst alle reisdocumenten nogmaals controleerde en bij het instappen de wederom identiteit van de reizigers controleerde.

Drie Congolese luchtvaartmaatschappijen, HEWABORA, CAL en LAC, vliegen ook op Brussel. De controle door deze maatschappijen is beduidend minder streng, zodat het mogelijk is door omkoping zonder de juiste papieren met deze maatschappijen te reizen. Bij aankomst in Brussel echter blijven deze vliegtuigen op het platform staan, waarna eerst de Belgische immigratiedienst aan boord gaat om de documenten te controleren.

De Congolese overheid heeft leden van oppositiepartijen en journalisten verboden uit te reizen door hun paspoort in te nemen of een uitreisvisum te weigeren. Niet bekend is om welke aantallen het gaat en of deze praktijk nog wordt voortgezet.

RCD-Goma

De vrijheid om buiten het land te reizen wordt door de RCD-Goma ingeperkt. De Speciale Rapporteur van de VN voor de mensenrechten beschikt over een lijst van 88 personen die het gebied dat door de RCD-Goma wordt gecontroleerd, niet mogen verlaten. Niet bekend is wat voor mensen op deze lijst staan.

MLC/RCD-ML

Over eventuele reisbeperkingen in het gebied dat door de MLC/RCD-ML wordt gecontroleerd zijn geen gegevens beschikbaar.

Hoewel de rechtspraak in theorie volgens de overgangsgrondwet van 1998 onafhankelijk moet zijn, is hier in de praktijk geen sprake van. De rechterlijke macht is niet onafhankelijk van de uitvoerende macht. Het militair gerechtshof, dat in 1997 per decreet nr. 19 is ingesteld, berecht ook burgers en behandelt bijna alle gevallen. Het is verantwoordelijk voor het uitspreken van meer dan 350 doodvonnissen. Tegen de uitspraken van dit hof staat geen hoger beroep open. President Joseph Kabila heeft weliswaar besloten dat het militair gerechtshof alleen nog militaire zaken mag behandelen, maar nog steeds worden ook burgers berecht. De gerechtszetel van het militair gerechtshof bevindt zich in Kinshasa. President van het hof is kolonel Mukunto Kiyana. De zittingen staan onder leiding van een Juge Permanent (beroepsrechter) en vier Juges Assesseurs (hoge officieren van het leger en de politie). De bevoegdheid van het militair gerechtshof is beperkt tot Kinshasa en de provincies Bas-Congo en Bandundu. Het instellingsdecreet voorziet echter in de mogelijkheid regionale zittingsplaatsen in te stellen, hetgeen in Kananga, Mbuji-Mayi, Lubumbashi, Bandundu en Matadi is geschied.

Wanneer militairen op heterdaad betrapt worden bij een misdrijf met dodelijke afloop vindt snelrecht plaats. Vaak wordt een toegevoegde verdediger aangewezen, die echter veelal te weinig tijd heeft zich voor te bereiden. De uitspraak, vaak de doodstraf, vindt binnen enkele uren plaats. Sinds Joseph Kabila aan de macht is en een moratorium op de doodstraf liet uitvaardigen, zijn geen doodvonnissen meer voltrokken. Nog niet bekend is op welke wijze de straffen omgezet zullen worden.

Na de moord op president Laurent Kabila in januari 2001 stelde de regering een onderzoekscommissie in. De commissie verlengde de detentie van Kapend en Yav (zie 2.2). In april 2001 publiceerde de commissie haar bevindingen. In het rapport worden de Ugandese en Rwandese regeringen beschuldigd evenals leidende figuren van de RCD. Het rapport vermeldde geen namen van Congolezen die bij de samenzwering zouden zijn betrokken, onthulde geen bijzonderheden over de aanslag en bleef bij de officiële verklaring dat Laurent Kabila door een lijfwacht was doodgeschoten. Op aanwijzingen van de commissie werden 120 personen gedetineerd en verhoord. Voorafgaande aan de publicatie van het rapport werden twintig van deze gedetineerden vrijgelaten, terwijl de overigen gedetineerd bleven.

Eind augustus 2001 werden ongeveer tachtig personen in Likasi (Katanga) door het militaire gerechtshof berecht. Onder hen waren elf hoge officieren en één Congolese diplomaat die beschuldigd werden van betrokkenheid bij de moord op Laurent Kabila, en zeventien soldaten beschuldigd van betrokkenheid bij een couppoging in oktober 2000. De rest werd beschuldigd van het beramen van een coup tegen president Joseph Kabila in april 2001. Half september werden zeven soldaten ter dood veroordeeld, 33 anderen werden gevangenisstraffen tot 25 jaar opgelegd en 40 personen werden vrijgelaten.

Edy Kapend en generaal Nawej Yav, door velen beschouwd als de hoofdverdachten, zitten nog gevangen in Kinshasa, en zijn nog steeds niet formeel beschuldigd. Het proces tegen hen en de ruim 100 andere verdachten is voorzien op 13 april 2002.

RCD-Goma

In RCD-Goma-gebied functioneert het rechtssysteem nauwelijks. Rechters en andere overheidsdienaren ontvangen geen salaris en blijken omkoopbaar. Er zijn gevallen bekend van willekeurige militaire rechtspraak waarbij van verraad verdachte personen zonder proces werden geëxecuteerd. De RCD-Goma heeft in het door haar gecontroleerde gebied een met het militair gerechtshof te vergelijken Conseil de Guerre Opérationel (CGO) opgericht. De zetel van deze rechtbank bevindt zich in Goma. De president is een voormalige kolonel van de Zaïrese strijdkrachten en behoort tot de Tutsi. De zittingen vinden plaats onder leiding van een beroepsrechter en twee bijzitters (officieren, niet altijd juristen). Sinds de instelling van het CGO zijn 18 doodvonnissen uitgesproken, waarvan 11 zijn voltrokken.

MLC/RCD-ML

In het algemeen blijven mensenrechtenschendingen, vooral gepleegd door Ugandese militairen, ongestraft. De daders, die de politieke leider Désiré Lumbulumbu in 1999 dood gemarteld hebben, zijn echter berecht.

Volgens de wet kunnen alleen verdachten van misdrijven waar een straf op staat van meer dan zes maanden gevangenis gearresteerd worden zonder arrestatiebevel. Door veiligheidsdiensten gearresteerde personen moeten binnen 24 uur aan de politie worden overgeleverd en vervolgens binnen 48 uur worden voorgeleid.

In de praktijk worden deze regels systematisch geschonden. Veiligheidsdiensten, vaak handelend in opdracht van iedereen die enige autoriteit kan claimen, verrichten willekeurige arrestaties om tegenstanders van de regering, mensenrechtenactivisten en journalisten te intimideren. Wel nam het aantal dergelijke arrestaties na het aantreden van Joseph Kabila af. Aanklachten worden zelden ingediend en niet altijd is duidelijk of de detentie om politieke redenen plaatsvindt. Willekeurige burgers kunnen het slachtoffer worden van arrestaties, vaak op grond van een, al dan niet verzonnen, aanklacht van een medeburger (bijvoorbeeld de beschuldiging van contacten met de rebellen). Meestal ligt aan zo'n beschuldiging dan een economisch motief aan ten grondslag. Vaak worden de bezittingen van de gedetineerde geconfisceerd (de procureur van het militair gerechtshof te Kinshasa rijdt in een auto die hij van een van zijn gedetineerden heeft geconfisceerd).

Tijdens het bewind van Laurent Kabila kwamen nog vele geheime en officieuze detentieruimten voor. Joseph Kabila heeft op 8 maart 2001 de sluiting bevolen van alle detentieruimten die niet onder toezicht staan van een officier van Justitie. Vele cachots en detentieruimten van veiligheidsdiensten zijn daardoor gesloten. Er waren echter vele berichten dat detentiecentra van DEMIAP (zoals het cachot 'Ouagadougou'), ANR, de oud-residentie van Laurent Kabila en Mobutu (Palais Marbre), in Camp Kokolo, en andere onofficiële detentiefaciliteiten in gebruik bleven.

Joseph Kabila heeft de vrijlating bevolen van een groot aantal gevangenen die zonder aanklacht in voorarrest zaten.

Omstandigheden in gevangenissen

De omstandigheden in de gevangenissen leidden tot een (onbekend) aantal doden, waarvan vele door ziekte of verhongering en enkele door marteling.

RCD-Goma

In het gebied dat door de RCD-Goma wordt beheerst zijn beschuldigingen als 'samenwerking met de Mai Mai', 'het hebben van contacten met Kabila', of het 'schrijven van een brief aan Masire' voldoende gronden om personen te detineren.

Veiligheidsdiensten mishandelen en martelen verdachten tijdens arrestaties en ondervragingen. De regering neemt geen maatregelen om dit gedrag te bestraffen en te voorkomen. Leden van veiligheidsdiensten maken zich ook schuldig aan verkrachten, beroven en afpersen van burgers. Incidenteel kwam marteling voor bij de arrestatie of detentie van politieke tegenstanders, journalisten en personen verdacht van betrokkenheid bij de moord op Laurent Kabila.

Illustratief voor het willekeurig optreden van veiligheidsdiensten is het voorval waarbij een willekeurige voorbijganger op 9 september 2001 zwaar werd mishandeld en aan de gevolgen ervan is overleden. Toen de heer Ilunga de boulevard du 30 juin in Kinshasa wilde oprijden werd hem de weg versperd door een jeep die deel uitmaakte van het gevolg van generaal Faustin Munene. De generaal beschouwde het als een verhindering van zijn doortocht en gaf zijn lijfwachten opdracht de heer Ilunga af te ranselen. Generaal Munene was hierbij getuige. De heer Ilunga is op 10 september 2001 aan zijn verwondingen overleden.

RCD-Goma en MLC/RCD-ML

Er zijn talrijke meldingen van marteling en verkrachting door rebellen in de bezette gebieden. Zo is een aantal gevangenen door verstikking en uitdroging om het leven gekomen. Bewakers sloten hen op in overvolle scheepscontainers zonder ventilatie, voedsel of water. Er zijn gevallen bekend dat Congolese burgers, die weigerden mee te werken om de Congolese bodemschatten te exploiteren, door Rwandese militairen zijn dood gemarteld.

Verdwijningen, de meeste als gevolg van de oorlog, komen veel voor. Veiligheidsdiensten hebben regelmatig zogenaamde verdachten gedurende uiteenlopende perioden gevangen gezet, zonder bekend te maken dat zij gedetineerd waren.

RCD-Goma

Ook uit het RCD-gebied komen regelmatig meldingen van arrestaties door RCD-Goma veiligheidsdiensten of door het Rwandese leger (RPA), waarna van de betrokkenen niets meer wordt vernomen.

Rwandese troepen en RCD-Goma rebellen ontvoeren jonge vrouwen uit de dorpen die zij overvallen.

Deze nachtelijke overvallen kwamen zo vaak voor, dat in grote delen van de Kivu provincies de boeren in hun velden sliepen.

Leden van politie, leger en veiligheidsdiensten pleegden buitengerechtelijke executies, en de regering misbruikte het rechtssysteem om talrijke personen zonder eerlijk proces te berechten, veroordelen en ter dood te brengen. Sinds Joseph Kabila aan de macht is en een moratorium op de doodstraf liet uitvaardigen, zijn overigens geen doodvonnissen meer voltrokken.

Vlak vóór de moord op president Laurent Kabila doodden veiligheidsdiensten en/of leger naar verluidt honderden jonge regeringssoldaten vanwege een vermeende coup tegen Laurent Kabila in 2000.

De meest in het oog springende politieke moorden vonden plaats na de moord op president Laurent Kabila. Elf Libanese staatsburgers werden, op verdenking van betrokkenheid bij de moord, gearresteerd en geëxecuteerd. Gewapende overheidsdiensten doodden ook burgers en militairen verdacht van betrokkenheid bij de aanslag op de president.

Regeringssoldaten doodden talrijke burgers, ook in Kinshasa en veelal met roof als motief, maar in mindere aantallen dan in voorgaande jaren.

RCD-Goma

Aanvallen van Rwandese en RCD-Goma militairen op de burgerbevolking komen regelmatig voor en resulteren altijd in dodelijke slachtoffers.

In het kader van de burgeroorlog doodden door de regering gesteunde Mai Mai milities en ex-FAR/Interahamwe vele burgers in rebellengebied, maar nadere informatie hierover is niet voorhanden.

Het militair gerechtshof heeft sedert zijn oprichting in augustus 1997 ruim 350 doodvonnissen uitgesproken, waarvan er 167 ten uitvoer zijn gelegd. De doodstraf kan worden opgelegd bij delicten die de dood tot gevolg hebben, gewapende roofovervallen, verkrachting, bendevorming, diefstal van militaire goederen, rebellie, verraad en desertie. In november 2000 werden Anselme Masasu Nindaga en ten minste acht anderen in het geheim ter dood veroordeeld door het militaire gerechtshof op beschuldiging van het voorbereiden van een staatsgreep. Eind november 2000 zijn zij in Katanga geëxecuteerd.

Ook sinds het aantreden van Joseph Kabila veroordeelden militaire rechtbanken burgers en militairen ter dood na summiere processen. Het aantal doodvonnissen door militaire rechtbanken was echter lager dan voorgaande jaren, en de berechting van burgers door militaire rechtbanken nam af. Militaire rechtbanken veroordeelden burgers ter dood voor misdaden tegen de nationale veiligheid, maar anders dan in voorgaande jaren werden geen burgers ter dood veroordeeld voor niet-gewelddadige misdrijven. Ook werden in januari 2001 zes kindsoldaten ter dood veroordeeld, maar hun straffen werden omgezet. Evenmin werden de burgers die ter dood veroordeeld waren ter dood gebracht. Wel meldden mensenrechtenorganisaties dat begin 2001 zes militairen die veroordeeld waren voor gewelddadige misdrijven ter dood gebracht werden. Sinds Joseph Kabila een moratorium op de doodstraf liet uitvaardigen, zijn geen doodvonnissen meer voltrokken. Nog niet bekend is op welke wijze doodstraffen omgezet zullen worden.

RCD-Goma

In RCD-Goma-gebied zijn gevallen bekend van willekeurige militaire rechtspraak waarbij van verraad verdachte personen zonder proces werden geëxecuteerd.

MLC/RCD-ML

Er zijn geen gegevens bekend over tenuitvoerlegging van doodvonnissen in het gebied dat door de MLC/RCD-ML wordt gecontroleerd.

3.4 Positie van specifieke groepen

---
In Kinshasa worden Tutsi niet langer door de overheid vervolgd op basis van hun etniciteit.

Op het terrein van het INSS (Institut National de Sécurité Nationale), commune Mont Ngafula te Kinshasa, bevinden zich nog ruim 250 Tutsi's, waarvan 85 Rwandezen, 14 Burundezen, 4 Ugandezen en ruim 150 Congolezen. Zij worden bewaakt (beschermd tegen eventuele acties van de bevolking) door een team (zes à tien man) van de Police d'Intervention Rapide (P.I.R.), dat verantwoording verschuldigd is aan de minister voor Mensenrechtenzaken. De bewoners van het INSS-terrein worden van voedsel voorzien door de Internationale Confederatie van het Rode Kruis (ICRC) en zijn in principe vrij om het kamp te verlaten. Zij verkiezen echter de veiligheid van het kamp boven verblijf elders in het door de regering gecontroleerde deel van het land.

Volgens schatting van de ICRC houden zich nog ongeveer 150 Tutsi's schuil in Kinshasa.

In het algemeen lopen Tutsi in de gehele DRC nog steeds gevaar van de zijde van (het niet-Rwanda-gezinde deel van) de bevolking, vanwege de Rwandese agressie.

Bij een beschrijving van de positie van de Congolese vrouwen moet onderscheid gemaakt worden tussen ongehuwde en gehuwde vrouwen.

Ongehuwde vrouwen worden niet gediscrimineerd en kunnen in principe iedere functie uitoefenen en ieder ambt bekleden. Zij kunnen ook dienst nemen als beroepsmilitair.

Gehuwde vrouwen verliezen bij hun huwelijk hun handelingsbekwaamheid. Zij kunnen zonder toestemming van hun echtgenoot niet in rechte optreden, goederen verwerven en vervreemden of zich verplichten. Als de echtgenoot toestemming weigert, kan het tribunal de paix toestemming verlenen. Voorafgaande toestemming van de echtgenoot is niet nodig als de vrouw in rechte optreedt tegen haar man. Evenmin is toestemming vereist als de echtgenoot afwezig is of als hij veroordeeld is tot een gevangenisstraf van tenminste zes maanden, gedurende zijn detentie.

Ongehuwde (meerderjarige) vrouwen kunnen zelfstandig een paspoort aanvragen. Gehuwde vrouwen hebben hiervoor toestemming van hun echtgenoot nodig.

In het Congolese recht is homoseksualiteit niet strafbaar gesteld. Verborgen en zelfs openlijke uitingen van homoseksualiteit worden ook door de bevolking niet veroordeeld en leiden niet tot politieoptreden. Er is geen discriminatie jegens homoseksuele mannen en vrouwen. Indien er arrestaties van homoseksuelen plaats vinden, is dit niet omdat de Congolese maatschappij homoseksualiteit als een seksuele afwijking beschouwt, maar omdat de betrokkenen zich schuldig hebben gemaakt aan openbare schennis van de eerbaarheid. Ook heteroseksuelen kunnen hiervoor strafrechtelijk worden vervolgd.

3.5 Mobutu-aanhangers

---
Personen die zowel politiek als economisch belangrijke posities innamen tijdens het Mobutu-regime lopen bij terugkeer naar de DRC risico gearresteerd te worden en ondervraagd over eventuele onrechtmatige verrijking. Desalniettemin zijn vele leidinggevenden uit het Mobutu-regime inmiddels naar de DRC teruggekeerd.

Gewone (voormalige) aanhangers van Mobutu lopen geen speciaal risico. Ter illustratie dient dat de MPR (de eenheidspartij onder Mobutu, thans de partij van de Mobutisten) inmiddels weer als politieke partij is geregistreerd.

3.6 Militairen

---
In de DRC bestaat geen dienstplicht. Van tijd tot tijd worden er wervingscampagnes gehouden. Leden van de voormalige Zaïrese strijdkrachten (FAZ) werden destijds in het regeringsleger (FAC), de politie en andere veiligheidsdiensten opgenomen, zonder dat een algemene amnestie werd afgekondigd.

De overheid rekruteert volwassenen onder dwang, zij het sinds begin 2001 in afnemende mate. De overheid heeft aangekondigd de rekrutering van minderjarigen te beëindigen en de aanwezige kindsoldaten te demobiliseren. Niet geheel zeker is echter dat de gedwongen rekrutering van minderjarigen is beëindigd. De overheid riep niet meer op tot de werving van minderjarigen voor paramilitaire burgerwachten.

Voormalige leden van de FAZ en van de Division Speciale Présidentielle (DSP), die tijdens de regering van Mobutu zijn gedeserteerd en naar een ander land zijn gevlucht, worden bij terugkeer niet vervolgd. Dit geldt niet wanneer zij wegens misdrijven als moord, diefstal, roof of verkrachting worden gezocht.

Deserteurs uit het regeringsleger hangt wegens de heersende oorlogstoestand, volgens artikel 409f van het militaire wetboek van strafrecht veroordeling tot de doodstraf door het militair gerechtshof boven het hoofd.

Sedert eind februari 2000 is de doodstraf niet meer in alle gevallen voltrokken. De veroordeelden werden meestal naar de diverse fronten gestuurd. Sinds Joseph Kabila een moratorium op de doodstraf liet uitvaardigen, zijn geen doodvonnissen meer voltrokken.

3.7 Samenvatting

---
Sinds het aantreden van Joseph Kabila, na de moord op zijn vader Laurent Désiré in januari 2001, is de situatie met betrekking tot de mensenrechten in het door de regering gecontroleerde deel van de DRC enigszins verbeterd. Ondanks de lichte verbetering in de mensenrechtensituatie worden nog ernstige schendingen van mensenrechten gepleegd, de meeste door leger, politie en veiligheidsdiensten die vaak autonoom optreden. Deels zijn deze schendingen gericht op tegenstanders van de regering, mensenrechtenactivisten en journalisten, deels treffen zij willekeurige burgers. Wel is sinds het aantreden van Joseph Kabila het aantal mensenrechtenschendingen door deze diensten afgenomen. Een belangrijke schending van de mensenrechten in het regeringsgebied is de berechting van burgers door het militair gerechtshof, zonder dat zij adequate rechtsbijstand hebben en zonder dat tegen uitspraken beroep mogelijk is.

In de gebieden die door de rebellen gecontroleerd worden zijn de ernstigste schendingen de gewelddadige aanvallen op de burgerbevolking. In het gebied dat door de RCD-Goma beheerst vallen honderden burgerslachtoffers door het geweld en tegengeweld van enerzijds de Mai Mai, Interahamwe, ex-FAR en FDD en anderzijds de RCD-Goma, het Rwandese leger en het Burundese leger. In de rebellengebieden heerst een grote mate van wetteloosheid en rechteloosheid. Er is geen vrijheid van meningsuiting, onafhankelijke dagbladen zijn zeer schaars en er heerst de facto een eenpartijsysteem.

Tutsi worden niet langer door de overheid vervolgd vanwege hun etniciteit. Wel lopen zij nog steeds gevaar voor agressie van de zijde van de bevolking.

Personen die tijdens het bewind van Mobutu zowel politiek als economisch belangrijke posities innamen lopen bij terugkeer in de DRC het risico gearresteerd en ondervraagd te worden in verband met mogelijke onrechtmatige verrijking. Toch zijn vele leidinggevenden uit de Mobutu-tijd inmiddels naar de DRC teruggekeerd.

Deserteurs in oorlogstijd kunnen volgens het militaire strafrecht ter dood veroordeeld worden. Sedert eind februari 2000 is de doodstraf niet meer in alle gevallen van desertie voltrokken, en sinds het door Joseph Kabila ingestelde moratorium op de doodstraf zijn in het geheel geen doodvonnissen meer voltrokken.


4 Migratieproblematiek

---

4.1 Vluchtelingen en ontheemden

---
Het grootste deel van de Congolese vluchtelingen is op de vlucht voor oorlogsgeweld. Naar schatting 320.000 personen zijn naar buurlanden gevlucht en ruim 4.000.000 Congolezen zijn binnenlands ontheemd. Overigens bevinden zich in de DRC, in de buurt van Zongo bij de grens met de Centraal Afrikaanse Republiek (CAR), meer dan 20.000 vluchtelingen uit de CAR, en bij Ngidinga bij de Angolese grens in Bas-Congo ruim 15.000 gevluchte Angolezen. Het grootste kamp voor Angolese vluchtelingen in de DRC bevindt zich bij Kisenge in Katanga, waar 50.000 Angolezen verblijven.

In totaal bevinden zich 360.000 buitenlandse vluchtelingen op Congolees grondgebied waaronder 190.000 Angolezen, 75.000 Sudanezen en 55.000 Rwandezen .

In de DRC bevinden zich ruim 4.000.000 ontheemden, waarvan 78% in de gebieden die door de rebellen worden beheerst. Minder dan de helft heeft toegang tot humanitaire hulp. Zij leven niet in kampen maar voor het merendeel bij gastfamilies, waardoor zij een zware druk leggen op een reeds zeer arme bevolking. Op veel plaatsen zijn deze families net zo verarmd en berooid als de ontheemden. 30% van de ontheemden is ondervoed. Het Wereldvoedselprogramma tracht de ontheemden van voedsel te voorzien, maar slaagt hier niet altijd in wegens de voortdurende onveiligheid. Het slechtst af zijn zij die de bossen zijn ingevlucht, hoofdzakelijk rond Shabunda, Ituri en Bokungu-Ikela in Equateur. Zij hebben geen toegang tot enige hulp en leven in extreme omstandigheden .

Ook in het regeringsgebied wonen de ontheemden niet in kampen, maar verspreid onder de bevolking.

4.2 Minderjarigen

---
Wettelijke regels

Minderjarigheid eindigt in de DRC bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar . Het is evenwel mogelijk dat een rechtbank een minderjarige na het bereiken van de 15-jarige leeftijd meerderjarig verklaart op verzoek van de ouders, of bij het ontbreken van de ouders, de voogd . Een gehuwde minderjarige wordt van rechtswege als meerderjarig beschouwd .

Vanaf de leeftijd van 18 jaar is iemand handelingsbekwaam. In de DRC bestaat geen dienstplicht. Iedere Congolees (m/v) kan zich na het voltooien van het zestiende levensjaar vrijwillig aanmelden voor het Congolese leger, als er een rekruteringsronde plaatsvindt en als men voldoet aan bepaalde fysieke en gezondheidseisen. Sinds oktober 1996, toen de 'bevrijdingsoorlog' in het oosten van het land begon door de strijdkrachten van de AFDL werden minderjarigen, jonger dan 16 jaar, soms zelfs jonger dan 10 jaar, al dan niet vrijwillig in dit leger opgenomen. Er waren ook ouders die hun kinderen voor dienstneming bij de AFDL aanboden tegen betaling van USD 50 of 100.

De overheid heeft aangekondigd de rekrutering van minderjarigen te beëindigen en de aanwezige kindsoldaten te demobiliseren, maar er zijn nog talrijke jongeren uit de AFDL-periode die thans nog deel uit maken van het leger.

Mannen mogen op 18-jarige leeftijd trouwen en vrouwen op 15-jarige leeftijd. Niettemin kan het Tribunal de Paix leeftijddispensatie verlenen op grond van gewichtige redenen.

Kindsoldaten

Zowel de regeringstroepen als de rebellen hebben in het verleden regelmatig kindsoldaten gerekruteerd. Naar schatting dienen in het gehele land zo'n zesduizend kindsoldaten. Onder internationale druk, onder andere na het bezoek van de speciale VN-vertegenwoordiger Olara Otunu in mei 2001 aan Kinshasa, en met uitzicht op internationale stimuleringsmaatregelen van een Wereldbankproject, is het regeringsleger begonnen met de demobilisatie van kindsoldaten. De demobilisatie en de hiermee gepaard gaande wederopname in de maatschappij worden door het Bureau National pour la Démobilisation et Réinsertion (BUNADER) in samenwerking met de ministeries van Defensie en Mensenrechten gecoördineerd. De demobilisatie van 3500 kindsoldaten is aangekondigd. Overigens werden in 2001 nog kindsoldaten gerekruteerd. Niet zeker is dat deze praktijk geheel beëindigd is.

Uit de rebellengebieden (zowel RCD-Goma als MLC/RCD-ML) komen nog steeds meldingen van gedwongen rekrutering van kindsoldaten.

Documenten

In 1986 is een nieuwe identiteitskaart (Carte Nationale d'Identité) ingesteld, die aan iedere Congolees vanaf 6 jaar werd versterkt. Deze identiteitskaart kwam in de plaats van de Carte d'Identité pour Citoyen (de groene kaart) uit 1973, die zeer makkelijk te vervalsen was en waarvan ook talloze vervalsingen werden aangetroffen. Met ingang van 1986 was deze groene kaart dus niet meer geldig en mocht niet meer verstrekt worden. De nieuwe identiteitskaart werd aan een deel van de bevolking verstrekt totdat deze verstrekking werd stopgezet, omdat nieuwe onregelmatigheden ontdekt werden bij de afgifte.

De oude kaart was dus afgeschaft en de nieuwe kaart werd niet meer verstrekt, met als gevolg dat een groot deel van de Congolese bevolking thans geen identiteitskaart bezit. Lokale overheden zijn echter oude identiteitskaarten blijven verstrekken na 1986, hetgeen bijdraagt aan de verwarring.

Voor het verkrijgen van een paspoort is geen minimum leeftijd bepaald. Het paspoort voor een minderjarige moet worden aangevraagd door de ouders of degene die ouderlijke macht over die minderjarige uitoefent (voogd). Dit geldt ook voor het aanvragen van een identiteitskaart.

Sociale positie

In de DRC is geen wettelijke leerplicht en dus ook geen leeftijd tot welke de leerplicht zou gelden.

Wat het werken door minderjarigen betreft stelt de wet dat het verboden is iemand jonger dan 14 jaar in dienst te nemen . Minderjarigen tussen de 14 en 16 jaar mogen alleen lichte werkzaamheden verrichten, die niet schadelijk zijn voor de gezondheid. Het in dienst nemen van minderjarigen is niet toegestaan als de degenen die de ouderlijk macht uitoefenen of de voogd zich hier tegen verzetten.

In het algemeen gaan Congolezen vanaf 18 jaar en als ze een baan hebben, voor zich zelf zorgen. Er zijn echter thans in de DRC talrijke minderjarigen die voor zich zelf moeten zorgen omdat ze wees zijn of omdat hun ouders niet meer voor hen kunnen zorgen. Daarom moeten zeer veel kinderen, soms vanaf zeven of acht jaar werkzaamheden verrichten om in leven te blijven (schoenpoetsers, autowassers, verkopers etc.). Hierbij is geen verschil tussen jongens en meisjes. Het aantal straatkinderen en wezen nam in de loop van 2001 toe. Straatkinderen in Kinshasa kunnen te maken krijgen met ernstige mishandeling door soldaten en politie. Ook de bevolking staat veelal wantrouwend tegenover straatkinderen.

Het is sociaal-cultureel geaccepteerd dat 16 en 17-jarigen werken, hetgeen ook bij wet is toegestaan. Als zij een arbeidsovereenkomst hebben, mogen zij volgens de wet alleen lichte werkzaamheden verrichten, die niet schadelijk zijn voor hun gezondheid. Als zij informeel werken, verrichten zij de meest uiteenlopende werkzaamheden.

Het is niet gebruikelijk dat minderjarigen trouwen en een gezin stichten. Als het al gebeurt blijft het jonge stel bij een van de ouders wonen om economische redenen. Het is zeer ongebruikelijk dat minderjarigen zelfstandig gaan wonen apart van de familie, mede vanwege de kosten die dit met zich meebrengt en de zeer slechte financiële situatie waarin de bevolking van de steden zich bevindt. In de dorpen is nog ongebruikelijker dat minderjarigen op zich zelf gaan wonen. Sterke sociale controle en culturele redenen verhinderen dit.

Zowel wettelijk als sociaal-cultureel worden Congolezen niet als zelfstandig beschouwd vóór hun meerderjarigheid, tenzij zij een baan hebben die hen in staat stelt voor zich zelf te zorgen, hetgeen vóór hun achttiende jaar zelden voor komt. In het algemeen worden Congolezen niet werkelijk onafhankelijk van hun ouders tot zij een baan hebben, wat meestal pas op hun twintigste het geval is.

Er zijn natuurlijk, zoals in ieder land, verschillen tussen de verscheidene sociaal-economische klassen. Een kind uit een rijke familie zal vanaf zijn achttiende jaar als zelfstandig beschouwd worden als hij voldoende financiële middelen heeft, zelfs als hij geen baan heeft.

Lokale gebruiken maken op de zelfstandigheid van minderjarigen geen uitzondering. In de hele DRC geldt 18 jaar als de leeftijd waarop men meerderjarig wordt.

Alleenstaande minderjarigen

In het algemeen worden weeskinderen opgevangen door één van beide families. Vanwege de zeer slechte economische situatie van de laatste jaren komt het echter voor dat weeskinderen aan hun lot worden overgelaten, ongeacht hun leeftijd.

In de DRC bestaan principieel geen weeshuizen van overheidswege, omdat het tot een paar jaar geleden ondenkbaar was dat een kind niet door een van beide families werd opgevangen na het overlijden van één of beide ouders.

De enkele opvanghuizen in de DRC worden geleid door NGO's of religieuze congregaties, bijvoorbeeld van het Leger des Heils, de Zusters van Moeder Thérésa of de liefdadigheidsinstelling voor straatkinderen (een complete lijst is niet beschikbaar). Zij trekken zich het lot van straatkinderen aan en trachten hen enige opleiding te geven. De levensomstandigheden in deze opvanghuizen zijn slechter dan die van de meerderheid van de bevolking. Dit is mede te wijten aan het feit dat bovengenoemde organisaties voor hun functioneren afhankelijk zijn van giften.

De opvanghuizen zijn bedoeld voor de opvang van straatkinderen. Zij verblijven hier tot zij een vak hebben geleerd waardoor zij in staat zijn geld te verdienen. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen jongens en meisjes. Het aantal opvanghuizen is bij lange na niet genoeg om alle minderjarige straatkinderen op te vangen.

Uit het buitenland terugkerende minderjarigen worden op het bureau van de vreemdelingenpolitie in Kinshasa vastgehouden tot er eventuele familieleden zijn gevonden door de immigratiedienst. Terugkerende minderjarige asielzoekers krijgen geen speciale behandeling.

Iedere minderjarige, die geen ouders meer heeft kan een voogd toegewezen krijgen. Deze voogd wordt gezocht in de naaste familiekring van de betrokken minderjarige of uit andere personen die voor deze taak geschikt zijn. De voogd wordt benoemd door het Tribunal de Paix, op voordracht van de familie.

4.3 Beleid andere EU-landen

---
Italië

Italië onderscheidt geen aparte groepen bij het beoordelen van de vluchtelingenstatus. Er vindt individuele toetsing plaats. Tussen januari en september 2001 zijn 68 dossiers van Congolezen behandeld en 57 statussen verleend. Er vindt om technische redenen geen uitzetting plaats.

Zweden

In de periode januari tot oktober 2001 kreeg 1 Congolees de vluchtelingenstatus, 7 personen kregen een verblijfstitel wegens 'veiligheidsbehoefte' en 8 personen ontvingen een verblijfstitel op humanitaire gronden. Eén Congolees werd naar Kinshasa uitgewezen.

België

In België hebben tussen januari en augustus 757 Congolezen asiel aangevraagd. De Belgische immigratiedienst onderscheidt verscheidene groepen Congolese asielzoekers die een verhoogd risico lopen op vervolging: personen van etnisch Rwandese origine, journalisten, leden van mensenrechtenorganisaties, (hoge) militairen van het Mobutu regime, partijleden van de UDPS, PDSC en FONUS, familieleden van diegenen die verantwoordelijk worden gehouden voor de moord op Laurent Kabila (Edy Kapend en Rushidi Kasereka ) en leden van de familie Mobutu.

De uitgeprocedeerde Congolezen zijn verwijderbaar, maar om technische redenen heeft in 2001 nog geen uitzetting naar Kinshasa plaatsgevonden.

Duitsland

In de Bondsrepubliek Duitsland is in 2001 tot eind september op 440 asielaanvragen van Congolezen beslist. Hiervan werd aan 46 personen asiel verleend en ten aanzien van 23 personen werden humanitaire uitzettingsbelemmeringen vastgesteld. In bovengenoemde periode werden 29 personen naar de DRC verwijderd.

Verenigd Koninkrijk

Volgens het Verenigd Koninkrijk (VK) lopen naaste familieleden van de voormalige president Mobutu evenals hoge militairen uit de Mobutu periode risico vervolgd te worden. Ook prominente leden van oppositiepartijen en journalisten die kritische artikelen over de president en ministers hebben geschreven, lopen volgens het VK risico vervolgd te worden. Ten slotte worden etnische Tutsi beschouwd als een groep die risico loopt vervolgd te worden. Het VK verwijdert afgewezen Congolezen naar de DRC, maar slechts naar Kinshasa.

4.4 Activiteiten internationale organisaties

---
UNHCR

UNHCR faciliteert alleen vrijwillige terugkeer van Congolese vluchtelingen uit de buurlanden. Er is nog geen georganiseerde terugkeer wegens het ontbreken van een overeenkomst tussen die landen, de Congolese regering en UNHCR.

UNHCR is, met het oog op de algemene situatie, van mening dat het niet wenselijk is personen naar de DRC terug te sturen. Wanneer echter van asielzoekers is komen vast te staan dat zij geen internationale bescherming behoeven, kunnen zij teruggestuurd worden naar Kinshasa, mits er familiebanden zijn en middelen van bestaan, aldus UNHCR. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen mannen, vrouwen of alleenstaande moeders met minderjarige kinderen.

ICRC

Het ICRC voert activiteiten in het gehele land uit, waarbij het aan de zijde van de rebellen geen restricties ondervindt, maar wel aan de regeringszijde. Sinds april is de Congolese regering soepeler geworden met het geven van toestemming voor ICRC activiteiten.

In het rebellengebied (RCD) beheert het ICRC drie hospitalen en in regeringsgebied twee. Daarbij verzorgt het ICRC een groot programma van familytracing. Sinds januari 2001 heeft het ICRC 283 Congolese kinderen met hun families herenigd, zowel in regeringsgebied als in rebellengebied. In oktober werden 22 kinderen uit Goma naar Kinshasa gebracht en 25 uit Kinshasa naar Goma. Zij waren sinds augustus 1998 bij het uitbreken van de oorlog van hun ouders gescheiden.

Het ICRC is betrokken bij de repatriëring van krijgsgevangenen en de ondersteuning van gevangenen met water, voedsel en de bestrijding van epidemieën.

WFP (Wereldvoedselprogramma)

Het Wereldvoedselprogramma verzorgt in samenwerking met de FAO de voedselvoorziening voor de binnenlands ontheemden en de buitenlandse vluchtelingen op Congolees grondgebied.

4.5 Samenvatting

---
In de DRC bevinden zich ruim 4 miljoen ontheemden, waarvan 78% in de gebieden die door de rebellen worden beheerst. Minder dan de helft heeft toegang tot humanitaire hulp. Daarnaast zijn 320.000 Congolezen naar het buitenland gevlucht.

De wettelijke leeftijd voor meerderjarigheid is 18 jaar. In bepaalde gevallen kan een minderjarige op jongere leeftijd wettelijk meerderjarig worden (huwelijk, beslissing rechtbank). In het algemeen gaan Congolezen vanaf 18 jaar voor zichzelf zorgen. Weeskinderen worden in het algemeen opgevangen door één van beide families. Vanwege de zeer slechte economische situatie komt het echter voor dat minderjarige weeskinderen aan hun lot worden overgelaten. Het aantal straatkinderen en wezen nam in de loop van 2001 toe. Straatkinderen in Kinshasa kunnen te maken krijgen met ernstige mishandeling door soldaten en politie. Ook de bevolking staat veelal wantrouwend tegenover straatkinderen.

In de DRC bestaan geen overheidsweeshuizen. In de enkele particuliere weeshuizen zijn de levensomstandigheden slechter dan die van de meerderheid van de bevolking; bovendien is de capaciteit ontoereikend.

Naar schatting dienen in het gehele land zo'n zesduizend kindsoldaten, zowel bij regeringstroepen als bij rebellen. Onder internationale druk is het regeringsleger begonnen met de demobilisatie van kindsoldaten. Overigens werden in 2001 nog kindsoldaten gerekruteerd. Niet zeker is dat deze praktijk geheel beëindigd is.

Uit de rebellengebieden komen nog steeds meldingen van gedwongen rekrutering van kindsoldaten.

Van de andere Europese landen onderscheiden België en het Verenigd Koninkrijk categorieën Congolezen met een verhoogd risico op vervolging. België en Italië verwijderen geen afgewezen asielzoekers naar de DRC om technische redenen. Zweden, Duitsland en het VK verwijderen wel afgewezen Congolezen naar de DRC.

UNHCR faciliteert alleen vrijwillige terugkeer van Congolese vluchtelingen uit de buurlanden. Er is nog geen georganiseerde terugkeer wegens het ontbreken van een overeenkomst tussen die landen, de Congolese regering en UNHCR.

UNHCR is, met het oog op de algemene situatie, van mening dat het niet wenselijk is afgewezen asielzoekers naar de DRC terug te sturen, tenzij naar Kinshasa mits er familiebanden zijn en middelen van bestaan.


5 Samenvatting

---

Sinds Joseph Kabila aan de macht is, is de hoop op een oplossing voor de conflicten in de DRC toegenomen. Mede dankzij zijn opstelling heeft MONUC zich grotendeels kunnen ontplooien en hebben strijdende partijen hebben zich over een groot gedeelte van het front aan beide zijden 15 kilometer teruggetrokken. Een twistpunt blijft de stad Kisangani die nog steeds niet door de RCD-ML is gedemilitariseerd.

Het meest succesvol uitgevoerde onderdeel van het Lusaka-Akkoord is het staakt-het-vuren, dat in de verslagperiode stand hield. Er zijn weliswaar talrijke schendingen geweest, maar de grenzen tussen het regeringsgebied en de gebieden die gecontroleerd worden door de verschillende rebellengroepen, worden in het algemeen gerespecteerd. Ook het terugtrekkingsplan is redelijk succesvol. Alle partijen trokken zich tussen maart en juli 2001 grotendeels terug tot de afgesproken nieuwe posities op 15 kilometer van de frontlinies. Aan andere voorwaarden van het Lusaka-Akkoord, zoals de terugtrekking van alle buitenlandse troepen van het grondgebied van de DRC en de ontwapening van de rebellengroepen (niet alleen RCD en MLC, maar ook ex-FAR/Interahamwe) is nog niet voldaan.

De betrokkenheid van de buurlanden bij de oorlog in de DRC is deels gebaseerd op veiligheidsmotieven en deels op economische motieven. Van alle betrokken landen heeft Angola als enige geen directe economische motieven

De nationale dialoog is evenwel nog niet goed op gang gekomen. De eerste bijeenkomst op 15 oktober 2001 in Addis Abeba, die wegens geldgebrek een beperkt aantal deelnemers had, is voortijdig door de regeringsonderhandelaars verlaten. De volgende bijeenkomst ging op 25 februari 2002 van start in Sun City, Zuid-Afrika. Begin april 2002 was nog geen aanwijsbare voortgang gemaakt.

In het gebied dat onder controle van de regering in Kinshasa staat (de provincies Kinshasa, Bas-Congo, Bandundu, een gedeelte van Equateur, het grootste gedeelte van West-Kasaï en het grootste gedeelte van Katanga) is de militaire veiligheidssituatie goed.

In het oosten van het land, in het gebied dat door de RCD-Goma wordt gecontroleerd, heerst terreur. Het geweld en tegengeweld van enerzijds de forces négatives (Interahamwe, ex-FAR en FDD) en de Mai Mai en anderzijds de RCD-Goma en het Rwandese en Burundese leger maken vele burgerslachtoffers.

In het gebied dat door de MLC/RCD-ML wordt beheerst is het noordoosten van de DRC, langs de grens met Uganda, eveneens zeer onveilig wegens de gevechten tussen het Ugandese leger en Ugandese rebellengroepen. Rondtrekkende Mai Mai groepen beperken de bewegingsvrijheid van de burgers. De Ituri-regio is onrustig als gevolg van de steun van Uganda aan de Hema in hun conflict met de Lendu.

Op de Human Development Index neemt de DRC de 142 van de 152 plaatsen in. De economische situatie is in de verslagperiode verder verslechterd. Over een groot gedeelte van de Congolese natuurlijke rijkdommen heeft de regering geen zeggenschap. Maar ook in regeringsgebied is door mismanagement en corruptie de economische activiteit verder afgenomen.

De humanitaire situatie in het oosten van de DRC is buitengewoon ernstig. Als gevolg van de oorlog zijn ruim 4 miljoen personen ontheemd geraakt. Zij worden niet opgevangen in kampen maar trachten te overleven in de bossen of bij gastfamilies. Ruim 2 miljoen personen zijn sinds het begin van de oorlog om het leven gekomen, voornamelijk als gevolg van ziekten en ondervoeding.

De mensenrechtensituatie in het regeringsgebied lijkt enigszins verbeterd sinds Joseph Kabila aan de macht is gekomen. De mensenrechtenconferentie in juli 2001 in Kinshasa was een hoopvol teken. Het wachten is nu op het omzetten in wetten van de aanbevelingen die op de conferentie zijn aangenomen. Nog steeds komen schendingen van de mensenrechten voor, zij het in iets mindere mate. De schendingen zijn grotendeels het gevolg van eigenmachtig optreden van politie, leger en veiligheidsdiensten. Deels zijn zij gericht tegen tegenstanders van de regering, mensenrechtenactivisten en journalisten, deels treffen zij willekeurige burgers.

In de door de RCD-Goma en MLC/RCD-ML beheerste gebieden is het op alle terreinen met de mensenrechten slecht gesteld. Er heerst een klimaat van terreur tegen de burgerbevolking en de rebellengroepen onderdrukken de politieke en burgerrechten met kracht. Op hun beurt worden de Banyamulenge weer bedreigd door de Mai Mai, die hen als Rwandese indringers beschouwen

De wettelijke leeftijd voor meerderjarigheid is 18 jaar. Weeskinderen worden in het algemeen opgevangen door één van beide families. Vanwege de zeer slechte economische situatie komt het echter voor dat minderjarige weeskinderen aan hun lot worden overgelaten. In de DRC bestaan geen overheidsweeshuizen. In de enkele particuliere weeshuizen zijn de levensomstandigheden slechter dan die van de meerderheid van de bevolking; bovendien is de capaciteit ontoereikend.

Van de andere Europese landen verwijderen België en Italië geen afgewezen asielzoekers naar de DRC om technische redenen. Zweden, Duitsland en het VK verwijderen wel afgewezen Congolezen naar de DRC.

UNHCR faciliteert alleen individuele vrijwillige terugkeer van Congolese vluchtelingen uit de buurlanden. UNHCR is, met het oog op de algemene situatie, van mening dat het niet wenselijk is afgewezen asielzoekers naar de DRC terug te sturen, tenzij naar Kinshasa mits er familiebanden zijn en middelen van bestaan.

RCD

De Rassemblement Congolais pour la Démocratie (RCD) was een Congolese rebellengroep, die in juli 1998 in Kigali werd opgericht en financieel, politiek en militair afhankelijk is van de regering van Rwanda. Ernest Wamba dia Wamba werd in augustus 1998 de leider van deze groepering. In de loop der tijd zijn binnen de RCD verscheidene splitsingen opgetreden, waarvan de splitsing in RCD-Goma, onder leiding van Emile Ilunga en gesteund door Rwanda, en de RCD-ML (Rassemblement Congolais pour la Démocratie-Mouvement de Libération), onder leiding van Ernest Wamba dia Wamba en gesteund door Uganda, de belangrijkste was.

De RCD-Goma wordt overheerst door leden van de (Banyamulenge) Tutsi minderheid. De rebellengroep heeft thans alle overheidsadministratie in het gebied in de DRC dat zij beheerst (Noord- en Zuid-Kivu, Maniema, het noorden van Katanga en Oost-Kasaï), naar zich toe getrokken. Belastingopbrengsten en douanerechten gaan rechtstreeks naar de machthebbers van de RCD-Goma. De prijsdaling van coltan, waarvan de winning en belastingheffing in RCD-Goma-handen is, vormde een ernstige tegenslag. Nieuwe inkomsten werden gevonden in het met terugwerkende kracht heffen van belastingen en het opleggen van douanerechten op humanitaire hulp.

Eind oktober 2000 kreeg de RCD-Goma voor de derde keer een nieuwe leider. Emile Ilunga werd vervangen door Adolphe Onosumba, oorspronkelijk afkomstig uit de Kasaï Oriental. Secretaris-generaal is Azarias Ruberwa, een Tutsi uit Noord-Kivu.

De RCD-Goma wordt door de lokale bevolking intens gehaat, omdat de groepering beschouwd wordt als een vazal van Rwanda. In het gebied dat door de RCD-Goma wordt beheerst, werd door de lokale bevolking de dood van president Kabila oprecht betreurd, omdat zijn strijd tegen de Rwandese interventie grote publieke steun had.

In de RCD-ML is de laatste maanden de strijd om de macht weer opgelaaid. Vanaf augustus 2001 poogde de voormalig secretaris-generaal van de RCD-ML, August Mbusa Nyamwisi, de leider Wamba dia Wamba af te zetten. Sinds november 2001 is Nyamwisi, een zakenman uit Beni, de facto de leider van de RCD-ML. Hij heeft naar het schijnt de strijd om de Ugandese steun gewonnen van Jean-Pierre Bemba van de MLC (Mouvement pour la Libération du Congo). RCD-ML en MLC gingen van januari tot juni 2001 samen in het Front pour la Liberation du Congo (FLC), dat echter in juni 2001 weer uiteenviel.

MLC

De Mouvement pour la Libération du Congo (MLC) ontstond in november 1998 in de provincie Equateur, onder leiding van Jean Pierre Bemba. De beweging werd gesteund door Uganda en slaagde erin grote delen van de provincie Equateur te veroveren. De (niet-Tutsi) MLC heeft enige aanhang onder de bevolking van de provincie Equateur, mede omdat Jean Pierre Bemba uit deze provincie afkomstig is. Het hoofdkwartier is gevestigd in Gbadolite, Mobutu's geboorteplaats en residentie. Sinds kort heeft Uganda naar het schijnt zijn steun verlegd naar de RCD-ML.

In reactie op de beëindiging van de Ugandese steun voor de MLC heeft Bemba troepen in de richting van Isiro gestuurd, een door de RCD-ML beheerste stad. Sinds december 2001 hebben verscheidene treffens plaatsgevonden tussen beide bewegingen, blijkbaar over de vraag waar de grens tussen de respectieve invloedssferen ligt.

FLC

MLC en RCD-ML waren van januari tot juni 2001, onder druk van Uganda, gefuseerd in het Front pour la Libération du Congo (FLC). In juni 2001 is het FLC weer uiteengevallen. Uganda schijnt thans vooral de RCD-ML te steunen.

Mai Mai

De Mai Mai, die in 1996 is opgericht in reactie op de dominante aanwezigheid van buitenlandse troepen in de AFDL-strijdkrachten van Laurent Kabila, is een losse, zeer heterogene associatie van traditionele Congolese lokale burgerwachten, met talrijke regionale leiders, die allen stellen de Mai Mai te vertegenwoordigen. Zij beschouwen zichzelf als een nationalistische militie. De 'natuurlijke' vijanden zijn de lokale Banyamulenge (Congolese Tutsi). Zij bevechten de RCD-Goma en het Rwandese leger op het grondgebied van de DRC. Thans is de Mai Mai steeds meer opgedeeld in aparte groepen, geleid door commandanten die hun eigen politieke en economische belangen hebben. Dit verklaart waarschijnlijk dat een Mai Mai groep zich bij de MLC/RCD-ML heeft aangesloten .

Van tijd tot tijd ontvangen de Mai Mai financiële ondersteuning van Kinshasa door middel van vliegtuigdroppings. De overheid coördineert haar acties met de milities van de Mai Mai en de ex-FAR/Interahamwe.

Er zijn aanwijzingen dat Mai Mai leiders contacten hebben gelegd met landen in het Midden-Oosten, met het oog op de opbouw van een nieuw samengevoegde Mai Mai strijdkracht in het oosten van de DRC. De leiders hopen wapens en ander militair materieel te krijgen in ruil voor grondstoffen en handelsactiviteiten .

Forces négatives (FDD, Interahamwe en ex-FAR)

De term forces négatives wordt in het Lusaka-akkoord van juli 1999 gebruikt om een aantal rebellengroepen van niet-Congolezen aan te duiden, zoals de FDD, ex-FAR en Interahamwe.

De FDD (Forces pour la Défense de la Démocratie) is een Burundese (Hutu) rebellengroepering, tot voor kort onder leiding van Jean-Bosco Ndayikengurukiye, die zijn hoofdkwartier in Lubumbashi heeft. De FDD ontvangt steun van de DRC. Aangenomen wordt dat zich 5 à 6000 FDD strijders in de DRC bevinden, die gewapend zijn met Kalashnikovs. In verband met het moeilijk begaanbare terrein wordt iedere strijder vergezeld van dragers, gewapend met machetes. Deze (duizenden) dragers zouden eventueel ingezet kunnen worden als strijders.

Van Jean-Bosco (die in oktober 2001 als leider van de FDD is afgezet) wordt aangenomen dat hij belangen heeft bij mijnen in Katanga, uit de opbrengsten waarvan hij zijn hoge officieren betaalt .

De Interahamwe en ex-FAR strijdkrachten worden thans ook ALIR (Armée pour la Libération du Rwanda) I respectievelijk II genoemd.

De Interahamwe zijn de Hutu-milities die betrokkene waren bij de genocide in Rwanda van 1994 en de ex-FAR zijn leden van het voormalig Rwandese leger (Forces Armées Rwandaises. Overigens bestaat het grootste deel van de groepen die worden aangeduid met Interahamwe en ex-FAR tegenwoordig uit personen die na 1994 zijn geworven en geen deel hebben gehad aan de genocide.

Na een offensief van een maand tegen het Rwandese leger (RPA) zijn de restanten van ALIR I thans verspreid in Noord-Kivu, voornamelijk rond Masisi. Na de gevangenneming van hun commandant wordt ALIR I niet langer als een serieuze bedreiging gezien. Veel strijders zijn gevangen genomen en in een rehabilitatiekamp in Rwanda ondergebracht.

ALIR II is ongeveer 5000 man sterk en bevindt zich in Zuid-Kivu bij Shabunda, Fizi en Baraka. In wisselende allianties met de FDD en de Mai Mai wordt gevochten tegen de RCD-Goma en de Rwandese en Burundese legers. Deze gevechten dienen zowel om een corridor naar Burundi open te houden, als om de regio te blijven destabiliseren en daarmee effectieve demobilisatiepogingen tegen te gaan.

Tijdens het bezoek van de secretaris-generaal van deVN in september 2001 aan de DRC, kondigde president Kabila aan dat 3000 ex-FAR en Interahamwe militairen in Kamina (Katanga) zullen worden gedemobiliseerd onder toezicht van MONUC. Eind december 2001 rondde MONUC de registratie van 1.981 Rwandese Hutu strijders af, waarvan de meesten verzameld waren in Kamina in Noord-Katanga. Dit was de eerste serieuze poging tot ontwapening en demobilisatie van niet-overheids-strijders die aan de zijde van de Congolese regering meevechten. Volgens MONUC werden van alle geregistreerden de militaire achtergrond en Rwandese afkomst bevestigd. De toekomst van deze ex-strijders is onzeker, en sindsdien heeft de Congolese regering geen verdere pogingen gedaan het proces van ontwapening van de forces négatives voort te zetten.

Zimbabwe

Er zijn verschillende redenen voor de militaire aanwezigheid van Zimbabwe in de DRC. Behalve versterking van de Zimbabwaanse rol in de SADC en een poging de aandacht af te leiden van de slechte binnenlandse economische situatie, waarbij via een militaire campagne gehoopt werd op steun voor de regering, is de persoonlijke verrijking door regeringsfunctionarissen een belangrijke factor. Zimbabwe is betrokken bij talrijke joint ventures en gebruikt het leger om de commerciële activiteiten veilig te stellen. Het Zimbabwaanse leger heeft een belangrijke invloed op de regering van de DRC. Dit uit zich op verschillende manieren. Het grootste deel van dit leger bevindt zich in de Kasaï en Katanga, die hiermee onder controle worden gehouden. Beide gebieden hebben een geschiedenis van pogingen tot afscheiding. De persoonlijke beveiliging van president Kabila wordt mede verzorgd door de Special Forces van Zimbabwe. Ook verzekert Zimbabwe zich van de loyaliteit van sommige Congolese functionarissen door ze deel te laten nemen in bepaalde joint ventures en andere zakelijke regelingen, waarvan zij mede profiteren.

Angola

De aanwezigheid van Angola in de DRC is gebaseerd op strategische motieven, vooral met de bedoeling de bevoorradingslijnen van UNITA af te snijden evenals de routes die door UNITA gebruikt worden bij de smokkel van Angolese diamanten. Er zijn geen aanwijzingen dat het Angolese leger belangrijke commerciële belangen in de DRC heeft.

Namibië

Namibië heeft zijn troepen (maximaal 2000) nagenoeg volledig uit de DRC teruggetrokken. Slechts een 40-tal militairen is achtergebleven, naar aangenomen wordt om de twee of drie Namibische diamantconcessies in de Kasaï te beschermen.

Rwanda

De reden voor Rwanda om deel te nemen aan zowel de 'eerste rebellie' van 1996 als de 'tweede rebellie' van 1998, was de bescherming van het land tegen de gewapende ex-FAR en Interahamwe. De dreiging van deze gewapende groepen bestaat nog steeds. Inmiddels is het Rwandese leger (RPA) betrokken geraakt bij commerciële activiteiten. Grote hoeveelheden coltan, goud en diamanten worden via Rwanda vervoerd. Rwanda steunt actief militair de RCD-Goma.

Uganda

Uganda steunde de 'eerste rebellie' tegen Mobutu, en vervolgens de 'tweede rebellie' tegen Kabila, rechtstreeks en via steun aan rebellengroepen met name in het noorden en noordoosten van de DRC. Uganda rechtvaardigde zijn optreden in de DRC door te stellen dat het zijn grenzen wilde beveiligen tegen invallen van de rebellengroepering NALU (National Army for the Liberation of Uganda) uit de Ugandese Rwenzori bergen. In april 1998 werd een protocol gesloten tussen de DRC en Uganda waarbij beide landen ieder twee bataljons de grens over mochten laten trekken bij de achtervolging van daders van terroristische activiteiten. Uganda steunt actief militair Congolese rebellengroepen. Lange tijd steunde Uganda de MLC van Bemba. In de wisselende allianties en opdelingen van de rebellengroepen wisselde ook de steun van Uganda. Recent schijnt de RCD-ML de belangrijkste bondgenoot te zijn geworden. Inmiddels heeft Uganda een deel van zijn troepen teruggetrokken. De Ugandese regering neemt niet rechtstreeks deel aan commerciële activiteiten, maar staat dit soort activiteiten wel toe aan militair personeel. Ugandese commandanten hebben, samen met Congolese counterparts een commercieel netwerk opgezet. Hun bedrijven verhandelen nog steeds diamanten, goud, koffie en hout. Een andere bron van inkomsten is het vrijelijk afromen van douane inkomsten van de handel tussen de DRC en Uganda.

Burundi

Burundi beperkt zijn aanwezigheid tot het tegengaan van aanvallen van Burundese rebellen, voornamelijk de FDD, die zich in Zuid-Kivu en Katanga bevinden. Er zijn geen aanwijzingen dat Burundi betrokken is bij de exploitaitie van bodemschatten. De Burundese regering zelf ontkent de aanwezigheid in de DRC van haar leger; Burundi is geen mede-ondertekenaar van het Lusaka-Akkoord.

AFDL Alliances des Forces Démocratiques pour la Libération du

Congo

ADF Allied Democratic Forces

ALIR Armée pour la Libération du Rwanda

DEMIAP Détection Militaire des Activités Anti-Patrie

FAC Forces Armées Congolaises

ex-FAR ex Forces Armées Rwandaises

FDD Forces pour la Défense de la Démocratie

FLC Front de Libération du Congo

FONUS Forces Novatrices pour l'Union et la Solidarité

MLC Mouvement de Libération Congolais

MONUC United Nations Organisation Mission in the DRC

MPR Mouvement Populaire de la Révolution

NALU National Army for the Liberation of Uganda

RCD Rassemblement Congolais pour la Démocratie

RCD-Goma RCD-afsplitsing gevestigd in Goma

RCD-ML RCD-Mouvement de Libération. RCD-afsplitsing,

voormalig gevestigd in Kisangani, thans in Bunia

RCD-NL RCD- National. RCD-afsplitsing, was gevestigd in

Bafwasende

RPA Rwandan Patriotic Army

SADC Southern African Development Community

UNITA Uniao Nacional para a Independência Total de Angola

UPDF Uganda People's Defence Forces

UDPS Union pour la Démocratie et le Progrès Social

Amnesty International, Democratic Republic of Congo. Deadly conspiracies? (Londen 28 maart 2001)

Economist Intelligence Unit (EIU), Country Reports Democratic Republic of Congo (januari, mei, augustus en november 2001; februari 2002) - (Londen 2001/02)

Economist Intelligence Unit (EIU), Country Profile Democratic Republic of Congo 2000 - 2001 (Londen 2001)

Europa Publications, Africa South of the Sahara 2001, Democratic Republic of Congo (Londen, 2001)

Human Rights Watch, Uganda in Eastern DRC: Fueling political and ethnic strife. (New York maart 2001)

International Crisis Group - Le dialogue intercongolais. Poker menteur ou négociation politique? Africa Report nr. 37, 16 november 2001

Tollens, Eric. Food security in Kinshasa, better than expected - in the war zones, worse than imagined. z.j. (na mei 2001)

United Nations, Addendum to the report of the Panel of Experts on the Illegal Exploitation of Natural Resources and Other Forms of Wealth of the Democratic Republic of the Congo (New York 13 november 2001)

United Nations Commission on Human Rights, Report of the situation of Human Rights in the Democratic Republic of Congo, submitted by the Special Rapporteur, Roberto Garretón, 1 februari, 27 maart en 31 augustus 2001

UNHCR, Background Paper on Refugees and Asylum Seekers from the Democratic Republic of the Congo (mei 2000).

UN Security Council, Ninth Report of the Secretary-General on MONUC, 16 October 2001, S/2001/970

UNSC, Resolution 1376 (2001), 9 November 2001

United States Department of State, Country Reports on Human Rights Practices
- 2001 - DRC, March 2002

Gombe

Kinshasa

Lingwala

Barumbu

Kintambo

Bandalungwa (Bandal)

Kasa-Vubu

Ngiri Ngiri

Kalamu

Limete

Ngaliema

Selembao

Bumbu

Makala

Ngaba

Lemba

Matete

Masina

Kisenso

N'Djili

Mont Ngafula

Kimbanseke

N'Sele

Maluku

Een kaart van de DRC is als bijlage V bijgevoegd.

Een lijst van de communes is bijgevoegd als bijlage VI.

UNHCR Background Paper on Refugees and Asylum Seekers from the Democratic Republic of the Congo (mei 2000).

Ook rebellengroeperingen (RCD, MLC, ex-FAR/Interahamwe) werden in het kader van het Lusaka-akkoord als partijen erkend. De Mai Mai-beweging (een Congolese militie, zie bijlage I) werd overigens niet erkend als partij in het conflict.

Reuters 15 augustus 2000

Brief SGVN aan Veiligheidsraad 14 augustus 2000

Reuters 24 juli 2000

Reuters 18 augustus 2000

Voor een overzicht van de belangrijkste binnenlandse en buitenlandse partijen in de diverse conflicten wordt verwezen naar bijlagen I en II.

Report of the situation of Human Rights in the Democratic Republic of Congo, submitted by the Special Rapporteur, Roberto Garretón 31 augustus 2001.

MLC en RCD-ML waren van januari tot juni 2001, onder druk van Uganda, gefuseerd in het Front pour la Libération du Congo (FLC). In juni 2001 is het FLC weer uiteengevallen. Uganda schijnt thans vooral de RCD-ML te steunen (Report of the situation of Human Rights in the Democratic Republic of Congo, submitted by the Special Rapporteur, Roberto Garretón 31 augustus 2001; EIU DRC Country Profile February 2002).

deze stammen worden ook wel aangeduid als Bahema en Balendu.

Report of the situation of Human Rights in the Democratic Republic of Congo, submitted by the Special Rapporteur Roberto Garretón, maart 2001.

Voor een overzicht van de (economische) belangen van de buitenlandse mogendheden wordt verwezen naar bijlage II.

EIU DRC Country Report januari 2001

EIU DRC Country Report January 2001

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

De huidige sterkte van MONUC bedraagt ongeveer 385 militaire waarnemers en 2000 militairen, ondersteund door 475 internationaal en 170 lokaal burger personeel. (www.un.org)

in juni 2001 was het FLC uiteengevallen in MLC en RCD-ML, zie voetnoot 11

UNSC, Ninth Report of the SG on MONUC, 16 October 2001, S/2001/970

UNSC, Ninth Report of the SG on MONUC, 16 October 2001, S/2001/970

UNSC, Resolution 1376 (2001), 9 November 2001

EIU, DR Congo Country Report, February 2002

EIU, DR Congo Country Report, February 2002

Politieke partijen werden eind januari 1999 wel toegestaan, maar tegen zulke stringente voorwaarden, dat hier door de gevestigde partijen niet aan voldaan kon worden.

zie hoofdstuk 3.

Le dialogue intercongolais - ICG

Niet bekend is waarom de Mai Mai niet werden uitgenodigd; wellicht zijn hun onduidelijke status en structuur (zie bijlage I) hieraan debet, evenals het feit dat zij geen medeondertekenaar zijn van het Lusaka-akkoord.

Le dialogue intercongolais - ICG

IRIN 3 december 2001.

UNGA, Situation of human rights in the Democratic Republic of the Congo, Report of the Special Rapporteur, 31 August 2001, A/56/327

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002; persbericht van The Monitor (Kampala), 17 February 2002

UNSC, Ninth Report of the SG on MONUC, 16 October 2001, S/2001/970

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

Report of the situation of Human Rights in the Democratic Republic of Congo, submitted by the Special Rapporteur, Roberto Garretón. 31 augustus 2001.

Report of the situation of Human Rights in the democratic Republic of Congo, submitted by the Special Rapporteur, Roberto Garretón 31 augustus 2001.

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002; persbericht van The Monitor (Kampala), 17 February 2002

Addendum to the report of the Panel of Experts on the Illegal Exploitation of Natural Resources and Other Forms of Wealth of the Democratic Republic of the Congo. UN Security Council 13 november 2001.

Report of the situation of Human Rights in the Democratic Republic of Congo submitted by the Speciale Rapporteur Roberto Garretón, augustus 2001.

Report of the situation of Human Rights in the Democratic Republic of Congo submitted by the Speciale Rapporteur Roberto Garretón, augustus 2001.

Tollens, Eric. Food security in Kinshasa, better than expected- in the war zones, worse than imagined. z.j. (na mei 2001)

In november 2001 heeft Garretón zijn functie als Speciale Rapporteur neergelegd en is hij opgevolgd door mevrouw Iulia Antoanella Motoc (Roemenië)

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

United Nations High Commission for Human Rights.

Report of the situation of Human Rights in the Democratic Republic of Congo, submitted by the Special Rapporteur, Roberto Garretón, 31 augustus 2001 .

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

Report of the situation of Human Rights in the democratic Republic of Congo,submitted by the Special Rapporteur, Roberto Garretón. - 31augustus 2001.

Ibid.

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

UNGA, Situation of Human Rights in the Democratic Republic of the Congo, Report of the Special Rapporteur, 31 August 2001, A/56/327

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

Report of the Situation of Human Rights in the Democratic Republic of the Congo submitted by the Special Rapporteur-Roberto Garretón 31 augustus 2001.

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

Report on the situattion os human rights in de Democratic Republic of the Congo, submitted by the Special Rapporteur Roberto Garretón (1 februari 2001).

artt. 448 t/m 451 Code de la Famille.

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

Reuters (UNHCR) 22 november 2001

OCHA-IRIN 26 oktober 2001

art. 219 Code de la Famille.

art. 289 Code de la Famille.

art. 288 Code de la Famille.

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

art. 3 Code de Travail.

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

zie ook 1.2 Politieke ontwikkelingen Joseph Kabila.

De lijfwacht die Laurent Kabila zou hebben dood geschoten.

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

EIU, DR Congo Country Report, February 2002

EIU, DR Congo Country Report, November 2001

US DoS, Country Reports on Human Rights Practices - 2001 - DRC, March 2002

Addendum to the report of the panel of Experts on the Illegal Exploitation of Natural Resources and Other Forms of Wealth of the Democratic Republic of the Congo (New York 13 november 2001).

Addendum to the report of the panel of Experts on the Illegal Exploitation of Natural Resources and Other Forms of Wealth of the Democratic Republic of the Congo (New York 13 november 2001)

EIU, DR Congo Country Report, February 2002

===

Deel: ' Democratische Republiek Congo - situatie in verband met asielbeleid '




Lees ook