Dijksma’s Positieflijsten op wetenschappelijk drijfzand gebouwd


Gedragsbioloog prof. Spruijt heeft weinig goeie woorden voor de WUR-methode: ‘waargenomen gedrag in de natuur’ heeft geen voorspellende waarde voor ‘het welzijn van gehouden dieren’

Barneveld, 20131029 -- Per 1 januari 2014 moet de Positieflijst voor zoogdieren van kracht worden. Daarna mogen alleen nog maar zoogdiersoorten worden gehouden die de staatssecretaris heeft aangewezen. Bijna 5400 soorten worden, geheel ten onrechte, zonder enige motivering verboden. Echter, ook bij de soorten waarbij wèl een motivering wordt gegeven, heeft de staatssecretaris grote problemen. De hoogleraar Gedragsbiologie prof.dr. Berry Spruijt legt onomwonden uit dat de methode die de WUR bedacht om het welzijnsrisico van gehouden dieren in te schatten, niet voldoet. Staatssecretaris Dijksma wil op basis van deze methode besluiten het houden van de meeste diersoorten te verbieden.

Het Europese recht schrijft voor dat een nationale overheid het houden van diersoorten alleen maar mag verbieden op basis van gedegen onderzoek. Daaruit moet blijken dat het houden van die dieren schadelijk is voor hun welzijn, òf dat de dieren een gevaar opleveren voor de gezondheid van mensen of dieren, òf dat ze bij ontsnapping een ernstige bedreiging vormen voor de inheemse flora en fauna. Voor vrijwel alle diersoorten die de staatssecretaris wil verbieden, zijn er geen studies verricht waaruit dat blijkt. 

Nadat de Tweede Kamer besloot dat er Positieflijsten moesten komen, gingen de ambtenaren van het ministerie samen met de onderzoekers van de WUR aan de slag.

Het uitgangspunt van de WUR methode is dat het welzijn van het dier wordt geschaad, als het zijn gedragingen in de natuur niet kan uiten in gevangenschap. Daarmee kwam er een hele korte Positieflijst. Bijna elke diersoort doet in de natuur wel dingen die in een terrarium, een volière of een weilandje niet passen en die ook voor het welzijn van de dieren niet ‘essentieel’ zijn. Al was het maar dat dieren in de natuur soms grote afstanden moeten afleggen om voldoende voedsel van de juiste kwaliteit te bemachtigen of dat ze, door ervaring wijs geworden, bepaalde biotopen mijden om hun natuurlijke vijanden te ontlopen.

Bij het beoordelen van het welzijn van gehouden dieren moet er onderscheid worden gemaakt tussen ‘essentiele’ gedragingen en gedragingen die het dier vertoont als aanpassing aan zijn toevallige leefomgeving, aldus prof. Spruijt. Die essentiele gedragingen moet het dier persé kunnen uiten, zo niet, dan ontstaat er stress, frustratie, gebrek aan welzijn. Al die andere gedragingen zijn alleen maar aanpassingen om de leefomgeving zo goed mogelijk te kunnen benutten. Welke gedragingen essentieel zijn, kan alleen maar worden vastgesteld door onderzoek aan de gehouden dieren. De WUR-onderzoekers blijken het met dat laatste helemaal mee eens te zijn, ze schrijven dat zelfs op in hun rapport.

Desondanks gaan ze daarna volledig voorbij aan het genoemde onderscheid. Blijkbaar was dat onderscheid niet in het belang van hun opdrachtgever. Er blijken in de methode nog meer welwillende aanpassingen te zijn. De voordelen voor gehouden dieren (voedsel, onderdak, veiligheid) werden willens en wetens buiten beschouwing gelaten en er werd een bijna-religieus gebrek aan welzijn bedacht dat helemaal niemand merkt, ook het dier niet. Het lijkt er op dat de WUR-onderzoekers alleen maar een wetenschappelijke aandoend sausje hebben verzonnen om een politiek doel te dienen.

Het Platform Verantwoord Huisdierenbezit (PVH) en de daarbij aangesloten organisaties hebben vanaf de eerste dag geageerd tegen deze methode voor het vaststellen van Positieflijsten. Zij vonden voor hun kanttekeningen en kritiek geen enkel gehoor. De ambtenaren van het ministerie beriepen zich op ‘de wetenschap’ en de WUR-onderzoekers verwezen naar de ambtenaren ‘die het zo wilden’. Ze wensten het inhoudelijk gesprek daarover niet aan te gaan.

Met de conclusies van prof. Spruijt lijkt het opstellen van Positieflijsten volgens de door mevrouw Dijksma voorgestelde systematiek van de baan. Er lagen al voldoende argumenten om de WUR-methode bij de bestuursrechter ter discussie te stellen. Dit oordeel van een gerenommeerde gedragsbioloog maakt de positie van de staatssecretaris onmogelijk. Mocht zij haar huidige plannen toch willen doorzetten, dan zal de bestuursrechter, desnoods het Europese Hof, daar korte metten mee maken.

De tijd voor allerlei politieke spelletjes en ideologische antidierhouderij-uitstapjes van ambtenaren en onderzoekers is voorbij, zo vindt het PVH. Na jaren van gepruts en gerommel, wordt het tijd om samen met de sector aan dierenwelzijn te gaan werken door voorwaarden te stellen aan de houderij.

Documenten:

2013-10-25-Brief-aan-mevr.-Dijksma-contra-expertise.pdf

2013-10-11-Visie-prof.-Spruijt-op-WUR-rapport-345.pdf


Deel: ' Dijksma’s Positieflijsten op wetenschappelijk drijfzand gebouwd '




Lees ook