Ministerie van Buitenlandse Zaken


Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Binnenhof 4

Den Haag
Directie Personenverkeer, Migratie en Consulaire Zaken

Afdeling Asiel- en Migratiezaken

Bezuidenhoutseweg 67

Postbus 20061


2500 EB Den Haag

Datum 22 januari 1999
Kenmerk DPC/AM-604/98
Blad /5
Bijlage(n) --
Betreft Eindadvies Tijdelijke Adviescommissie Algemene Ambtsberichten

Zeer geachte Voorzitter,

Met brief DPC/AM-607096 van 26 november jl. ging U toe het eindadvies van de Tijdelijke Adviescommissie Algemene Ambtsberichten. Onderstaand wil ik gaarne, mede namens de Staatssecretaris van Justitie, een nadere reactie op dit eindadvies geven. Uiteraard zal ik daarbij in het bijzonder ingaan op de in het advies gedane aanbevelingen.

Eerst een algemene opmerking. Naar mijn oordeel vormt het advies een waardevolle bijdrage aan de inspanningen van dit ministerie om de kwaliteit van algemene ambtsberichten te verbeteren. Daarvoor ben ik de Commissie erkentelijk. Het gaat hier om een proces dat al geruime tijd gaande is en, zoals ook in het advies door de Commissie wordt geconstateerd, de nodige resultaten heeft opgeleverd. Maar evenzeer ben ik van mening, met de Commissie, dat verdere verbeteringen wenselijk en mogelijk zijn. Daarvoor biedt het advies goede aanknopingspunten. Daarnaast ben ik ook verheugd dat de Commissie aandacht heeft willen schenken aan de vraag welke mogelijkheden al dan niet aanwezig zijn voor een betere samenwerking op dit punt op EU-niveau. Dit is van bijzonder belang in het licht van het streven van de Nederlandse regering naar een brede Europese aanpak op het terrein van asiel en migratie.

Los van de mogelijkheden tot verbetering van de algemene ambtsberichten die in het advies worden geschetst, gaat de Commissie ook nadrukkelijk in op de vraag of het wenselijk en mogelijk zou zijn de informatievoorziening, zoals die in de algemene ambtsberichten is neergelegd, te doen plaatsvinden door een orgaan datonafhankelijk danwel meer op afstand van de overheid zou fungeren. Het advies geeft op dit punt een een uitvoerige en zeer inzichtelijke beschrijving van de werkwijze in Canada, waar de informatievoorziening anders is ingericht en derhalve mogelijke aanknopingspunten zou bieden. De Commisie komt uiteindelijk tot de conclusie een dergelijke optie niet in overweging te willen geven. Dit zou zich niet goed verhouden met de thans bestaande verantwoordelijkheid van ondergetekende op dit terrein en bovendien - een praktisch argument - gevolgen hebben voor de betrokkenheid van het postennetwerk van dit ministerie, dat een belangrijke rol speelt waar het gaat om voortdurende en actuele informatie over de situatie in de belangrijkste landen van herkomst. De Commissie stelt daarbij overigens uitdrukkelijk dat zij bij dit oordeel wel uitgaat van de veronderstellingen dat de kwaliteitsverbetering van algemene ambtsberichten krachtig wordt doorgezet en dat in Europees verband wel werk wordt gemaakt van een dergelijke opzet. De Commissie beveelt dat laatste ook aan.

Hierboven heb ik reeds aangegeven dat de inspanningen gericht op kwaliteitsverbetering door dit ministerie zullen worden voortgezet. Ik zal daar bij mijn reactie op de aanbevelingen nader op ingaan. Het pleidooi voor een Europees onderzoeks- en documentatiecentrum zou ik willen zien als een ondersteuning van het streven van de regering om, ook op het terrein van de asielinformatievoorziening, te komen tot een Europese aanpak. In dit verband breng ik in herinnering het Nederlandse initiatief inzake de oprichting van een EU-High Level Working Group asiel en migratie dat inmiddels door de EU is overgenomen en dat een gemeenschappelijke analyse van de situatie in herkomstlanden als wezenlijk element heeft. Of dit daadwerkelijk zou kunnen leiden tot de oprichting van een centrum zoals door de Commissie wordt bepleit kan op dit moment nog niet worden overzien.

Onderstaand zal ik nader ingaan op de (overige) aanbevelingen, waarbij ik deze, waar sprake is van onderlinge samenhang, gegroepeerd zal behandelen.

Voltooiing en implementatie van verbeteringsprojecten

De Commissie maakt in haar rapport melding van een aantal initiatieven die in de afgelopen tijd door het Ministerie van Buitenlandse Zaken zijn ondernomen om de kwaliteit van algemene ambtsberichten te verbeteren. Zij noemt de werkafspraken die vanaf 1994 zijn gemaakt tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Justitie, de totstandkoming van een standaardindeling, de ingezette automatisering van de informatievoorziening ten behoeve van de ambtsberichten, de stroomlijning van het totstandkomingsproces en verbetering van schrijfstijl en lay-out. De Commissie beveelt aan deze verder uit te voeren en af te ronden. Daarmeesamenhangend doet zij de aanbeveling te komen tot een zorgvuldige selectie en opleiding van redacteuren teneinde een voldoende deskundigheidsniveau te waarborgen.

Ik neem deze aanbeveling graag over. Dit betekent in de eerste plaats dat in de komende periode zal worden doorgegaan met de automatisering van de informatievoorziening en dat de voor de afronding daarvan benodigde middelen zullen worden uitgetrokken. Volledige invoering ervan wordt voorzien medio 1999. Voorts zal ook komend jaar blijvend aandacht worden besteed aan de toegankelijkheid van de ambtsberichten. Wat betreft de door de Commissie voorgestelde zorgvuldige selectie van de desbetreffende redacteuren wil ik wijzen op het feit dat het betrokken dienstonderdeel recentelijk een kwantitatieve en kwalitatieve versterking heeft ondergaan. Uiteraard zal er ook in de toekomst voor worden gewaakt dat de personele bezetting adequaat is. De aangehaalde werkafspraken, interne stroomlijning en de standaardindeling kunnen op zichzelf reeds nu als afgerond worden beschouwd, maar zullen uiteraard, mocht zulks noodzakelijk blijken, worden aangepast.

Totstandkoming en publicatie van richtlijnen

De Commissie stelt in haar advies dat inzake de totstandkoming van ambtsberichten een aantal richtlijnen door het Ministerie van Buitenlandse Zaken zou moeten worden opgesteld. Het betreft hier met name zaken als selectie en vermelding van bronnen en het scheiden van feiten en meningen. Aldus zou de objectiviteit van het ambtsbericht kunnen worden vergroot. In dat kader zouden deze richtlijnen ook openbaar dienen te worden gemaakt. Het advies bevat overigens geen afgeronde voorstellen voor de inhoud van dergelijke richtlijnen.

Ik neem deze aanbeveling graag over. Op dit moment wordt reeds gewerkt aan de opstelling van richtlijnen op de door de Commisie aangegeven terreinen, met het oog op bedoelde objectivering. Inhoudelijk wordt daar overigens ook reeds aandacht besteed in het kader van het eerder aangehaalde redactionele opleidingstraject. Een punt dat ook bij deze richtlijnen meegenomen zou kunnen worden is de betrokkenheid van met Amnesty International en VluchtelingenWerk Nederland bij de opstelling van de Terms of Reference van een algemeen ambtsbericht. De Commissie beveelt immers aan deze mogelijkheid te onderzoeken. Ik zal daartoe met beide organisaties overleg voeren. Conform de wens van de Commissie tot openbaarmaking, neem ik mij voor deze richtlijnen zodra afgerond aan Uw Kamer toe te zenden.

Scherpe bewaking van de termijnen van drie en één maand

De Commissie doet de aanbeveling algemene ambtsberichten uit te brengen binnen drie maanden na de vaststelling van de Terms of Reference. De Commissie constateert dat voor de grondigheid waarmee aan een algemeen ambtsbericht wordt gewerkt een te hoge prijs wordt betaald: de totstandkoming duurt te lang. Vandaar de voorgestelde termijn. Daarna zou de Staatssecretaris van Justitie binnen een maand de naar aanleiding van het ambtsbericht opgestelde beleidsconclusies openbaar moeten maken.

Ik ben gaarne bereid de door de Commissie bepleite termijn van drie maanden als richtsnoer te hanteren voor de totstandkomingsduur van algemene ambtsberichten. De interne planning zal daarop worden gebaseerd. Dat laat onverlet dat niet in alle gevallen kan worden uitgesloten dat deze termijn desondanks zal worden overschreden. Uitgangspunt bij de opstelling van ambtsberichten is immers dat zij voldoende informatie bevatten en dusdanig zorgvuldig moeten worden opgesteld om, in eerste instantie voor de Staatssecretaris van Justitie, hun functie te kunnen vervullen in de asielprocedure en bij de vaststelling van landengebonden asielbeleid. Dit kan slechts op basis van een zeer grondige werkwijze, die thans - de Commissie constateert dat zelf ook in haar advies - gehanteerd wordt. Uiteraard is ook tijdige totstandkoming daarbij evenzeer een belangrijk vereiste. Het gaat er dus om een goed evenwicht tussen beide vereisten te vinden. In dat licht zou ik de drie maanden termijn als richtsnoer willen beschouwen. Daarbij zeg ik wel nadrukkelijk toe dat over een eventuele dreigende termijnoverschrijding steevast overleg gepleegd zal worden met de Staatssecretaris van Justitie.

Dit laatste geldt, wat betreft de Staatssecretaris van Justitie, evenzeer voor het voorstel om de beleidsconclusies die naar aanleiding van een ambtsbericht worden geformuleerd, binnen een maand na het uitbrengen van het ambtsbericht openbaar te maken. Waar het gaat om beleidsconclusies die via het kabinet naar Uw Kamer worden geleid zou immers, bijvoorbeeld ingeval van een gezamelijke behandeling van meerdere ambtsberichten, meer tijd nodig kunnen zijn dan de voorgestelde één maand termijn. Ook hier zal de één maand termijn derhalve slechts als richtsnoer kunnen worden genomen. Dit laatste geldt uiteraard evenzeer voor de openbaarmaking van het ambtsbericht aangezien dit steevast als bijlage bij de desbetreffende beleidsbrief wordt gevoegd.

Achterwege laten van de beleidsconclusies in het ambtsbericht

De Commissie doet de aanbeveling beleidsconclusies in een ambtsbericht achterwege te laten. Zij stelt dat deze doorgaans getrokken worden ten aanzien vande vraag of sprake is van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en van de vraag of het al of niet verantwoord is afgewezen uitgeprocedeerde asielzoekers terug te zenden. Volgens de Commissie dienen deze conclusies getrokken te worden door de Staatssecretaris van Justitie en als zodanig geen onderdeel uit te maken van een algemeen ambtsbericht. Daarmee zou bovendien geweld worden gedaan aan de objectiviteit van het ambtsbericht. De Commissie stelt voor dat over deze conclusies na het uitbrengen van het ambtsbericht overleg plaatsvindt tussen het Ministerie van Justitie en het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Ik neem deze aanbeveling, nadrukkelijk mede namens de Staatssecretaris van Justitie, graag over. Daarbij zij aangetekend dat inzake de vervolgingsvraag ook nu reeds in een algemeen ambtsbericht geen beleidsconclusies worden getrokken. De vervolgingsvraag wordt immers telkens beantwoord in een individuele asielprocedure, en wel door de Staatssecretaris van Justitie. Anders ligt het voor de vraag inzake de terugkeermogelijkheid. Hierover wordt immers doorgaans wel een uitspraak gedaan in het ambtsbericht. De Commissie stelt naar mijn oordeel terecht vast dat het hier de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van Justitie betreft. Teneinde de onderscheiden verantwoordelijkheden ook op dit punt volledig tot uitdrukking te brengen, zal voortaan in ambtsberichten een uitspraak over de terugkeermogelijkheid achterwege worden gelaten.

Met het bovenstaande ben ik, mede namens de Staatssecretaris van Justitie, uitgebreid ingegaan op het rapport van de Tijdelijke Adviescommissie Algemene Ambtsberichten en heb ik getracht uiteen te zetten op welke wijze uitvoering zal worden gegeven aan de aanbevelingen die in het eindadvies van de Commisie worden gedaan. Ik neem mij voor U regelmatig te blijven informeren over de voortgang op dit terrein. De reguliere asielketenrapportage zou daartoe naar mijn oordeel telkens het geëigende moment zijn.

DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Deel: ' Eindadvies Commissie Algemene Ambtsberichten '




Lees ook